Beleidsregel maken en veranderen uitwegen woonpercelen 2026 gemeente Echt-Susteren

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op10 september 2026
Gepubliceerd doorGemeente Echt-Susteren

Beleidsregel maken en veranderen uitwegen woonpercelen 2026 gemeente Echt-Susteren Deze beleidsregel bevat het kader voor het beoordelen van aanvragen voor het maken of veranderen van uitwegen bij woonpercelen binnen de gemeente Echt-Susteren. In de praktijk bestaat behoefte aan duidelijke, eenduidige en transparante criteria, zodat zowel aanvragers als de gemeente weten waar aanvragen aan worden getoetst. Tegelijkertijd is het van belang om belangen zoals verkeersveiligheid, behoud van parkeergelegenheid en bescherming van de kwaliteit van de openbare ruimte zorgvuldig af te wegen. Het wettelijk uitgangspunt voor deze beleidsregel is opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Echt-Susteren (hierna: APV Echt-Susteren), waarin is bepaald dat voor het realiseren of wijzigen van een uitweg een omgevingsvergunning vereist is. Daarbij zijn ook de weigeringsgronden vastgelegd, zoals verkeersveiligheid, het behoud van openbare parkeerplaatsen en de bescherming van openbaar groen. Deze beleidsregel geeft een nadere invulling aan deze weigeringsgronden en maakt inzichtelijk hoe de gemeente deze in de praktijk toepast. De reikwijdte van deze beleidsregel is beperkt tot uitwegen van woonpercelen naar openbare wegen die in beheer zijn bij de gemeente Echt-Susteren. Aanvragen met betrekking tot andere typen percelen of wegen in beheer bij andere wegbeheerders vallen buiten deze beleidsregel. In het hiernavolgende, genummerde deel van de beleidsregel worden de verschillende onderdelen nader uitgewerkt. Artikel 1 bevat de begripsbepalingen die nodig zijn voor een eenduidige interpretatie. Artikel 2 beschrijft het wettelijk kader en de relevante weigeringsgronden uit de APV Echt-Susteren. Artikel 3 geeft de doelstelling van de beleidsregel weer en artikel 4 bakent de reikwijdte af. In artikel 5 en 6 worden respectievelijk de vergunningsprocedure en de kosten die samenhangen met het realiseren van een uitweg geregeld. Artikel 7 bevat de algemene uitgangspunten, zoals het uitgangspunt van maximaal één uitweg per woonperceel en de maximale breedte van een uitweg. Vervolgens worden in de daaropvolgende artikelen de inhoudelijke beoordelingscriteria uitgewerkt. Artikel 8 (verkeersveiligheid) bevat criteria om verkeersonveilige situaties te voorkomen. Artikel 9 ziet op het behoud van openbare parkeerplaatsen en het voorkomen van een onaanvaardbare parkeerdruk. Artikel 10 richt zich op de bescherming van openbaar groen en de kwaliteit van de leefomgeving. Artikel 11 bevat regels voor het al dan niet toestaan van een tweede uitweg. Artikel 12 geeft specifieke bepalingen voor tussenwoningen, waar uitwegen niet wenselijk zijn omdat deze vaak smalle en ondiepe voortuinen hebben. Een eventuele uitweg leidt onder andere tot een rommelig straatbeeld (verlaagt de kwaliteit van de leefomgeving) en bij een cumulatie vervaagt de grens tussen privaat terrein en de openbare ruimte. Tot slot biedt artikel 13 een hardheidsclausule om in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd af te wijken van de beleidsregel, en regelt artikel 14 de inwerkingtreding en citeertitel. Artikel 1 – Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: a.uitweg (inrit): een fysieke aansluiting van een perceel op de openbare weg, bedoeld voor het in- en uitrijden van voertuigen; b.openbare weg: een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 die voor eenieder toegankelijk is; c.bevoegd gezag: het college van burgemeester en wethouders; d.woonperceel: een perceel waarop een woning is gelegen of planologisch is toegestaan; e.tweede uitweg: een extra uitweg bij een perceel dat reeds door een uitweg wordt ontsloten, dan wel een uitweg breder dan 4,5 meter; f.openbare parkeerplaats: een voor algemeen gebruik bestemde parkeervoorziening in de openbare ruimte; g.parkeergelegenheid: mogelijkheid om auto's te parkeren h.parkeerdruk: de verhouding tussen het aantal bezette parkeerplaatsen en het totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen in een bepaald gebied; i.openbaar groen: groenvoorzieningen in de openbare ruimte, waaronder plantsoenen, groenstroken en bomen; j.tussenwoning: een woning die onderdeel uitmaakt van een aaneengesloten rij bebouwing en niet is gelegen op een hoekperceel. Artikel 2 – Wettelijk kader 1.Op grond van artikel 2:12, eerste lid van de APV Echt-Susteren is het verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de openbare weg of een bestaande uitweg te veranderen.2.De in artikel 2:12, tweede lid van de APV Echt-Susteren opgenomen weigeringsgronden vormen het toetsingskader voor aanvragen.Deze weigeringsgronden luiden als volgt: A.ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; B.als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; C.als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of D.als sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3.Deze beleidsregel geeft nadere invulling aan de in het tweede lid genoemde weigeringsgronden. Artikel 3 – Doelstelling Deze beleidsregel heeft tot doel: a.het bieden van een transparant en consistent beoordelingskader voor aanvragen voor uitwegen; b.het waarborgen van de verkeersveiligheid; c.het beschermen van de kwaliteit van de openbare ruimte; d.het bevorderen van een doelmatig gebruik van parkeervoorzieningen en groen. Artikel 4 – Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op aanvragen van omgevingsvergunningen voor het maken of veranderen van uitwegen van een woonperceel naar de openbare weg. Deze beleidsregel heeft alleen betrekking op wegen waarvan de gemeente beheerder is. Met betrekking tot de definitie van weg wordt aangesloten bij artikel 1 lid 1, onder b, van de Wegenverkeerswet (WVW). Artikel 5 – Vergunningsprocedure Voor het realiseren van een uitweg moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Het aanvragen van een omgevingsvergunning betekent niet dat deze vergunning vanzelfsprekend wordt verleend. Een aanvraag wordt in ieder geval, behoudens de bepalingen uit artikel 13, geweigerd indien de bepalingen uit artikel 2 van toepassing zijn. Overige toetsingsgronden vinden plaats op grond van artikel 7 t/m 12 van deze beleidsregel. Artikel 6 – Kosten 1.De legeskosten die verbonden zijn aan een vergunningaanvraag komen voor rekening van de aanvrager. Hiervoor gelden de tarieven zoals die zijn opgenomen in de legesverordening van de gemeente Echt-Susteren. 2.Alle kosten die voortvloeien uit de aanleg, wijziging of verplaatsing van een uitweg komen voor rekening van de aanvrager. Artikel 7 – Algemene uitgangspunten 1.Per woonperceel wordt in beginsel één uitweg toegestaan.2.Bij tussenwoningen wordt geen uitweg toegestaan, behoudens het bepaalde in artikel 12.3.De maximale breedte van een uitweg bedraagt 4,0 meter.4.Een uitweg breder dan 4,5 meter wordt aangemerkt als een dubbele uitweg (lees; twee uitwegen);5.De materialisatie wordt bepaald door gemeente;6.De aanleg en eventuele aanpassingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd door of namens de gemeente. Artikel 8 – Verkeersveiligheid 1.Een aanvraag wordt geweigerd indien de uitweg leidt tot een verkeersonveilige situatie.2.Van een verkeersonveilige situatie is in ieder geval sprake indien de uitweg wordt gesitueerd: A.binnen 5 meter van een rotonde, kruising of T-splitsing; B.in- of nabij een bocht; C.ter plaatse van opstelstroken of voorsorteervakken; D.binnen 50 meter van een verkeersregelinstallatie; E.binnen 5 meter van een voetgangers- of fietsoversteekplaats; F.op een locatie met onvoldoende manoeuvreerruimte; G.nabij een helling of andere onoverzichtelijke situatie; H.op een locatie waar verkeerstekens niet op juiste wijze kunnen worden geplaatst of gehandhaafd; I.indien op eigen terrein minder dan 5 meter opstelruimte beschikbaar is; J.indien een fiets- of voetpad moet worden bereden om de rijbaan te bereiken; K.ter plaatse van niet-verplaatsbare objecten; L.aan wegen waar sprake is van verkeersonveilige situaties of verstoring van de doorstroming; M.op wegen die onderdeel uitmaken van de hoofdwegenstructuur; N.op locaties met onvoldoende zicht; O.binnen 10 meter van een bushaltevoorziening of bushaven; P.binnen 25 meter van de spoorwegovergang; Q.bij verkeersremmende maatregelen waarbij bij verplaatsing van dit object het beoogde effect verdwijnt; R.bij conflicten met bestaande uitwegen aan de overzijde of naastgelegen percelen; S.op locaties waar de voorrangssituatie onduidelijk wordt; T.of indien anderszins een verkeersonveilige situatie ontstaat. Artikel 9 – Openbare parkeerplaatsen 1.Een aanvraag wordt geweigerd indien het openbaar parkeren hierdoor onaanvaardbaar wordt aangetast.2.Van een onaanvaardbare aantasting is in ieder geval sprake indien: A.één of meerdere openbare parkeerplaatsen verdwijnen; B.de parkeerdruk binnen 50 meter hoger is dan 70% en het vervallen van een parkeergelegenheid leidt tot een verslechtering van de parkeersituatie; C.geen gelijkwaardige compensatie in de directe nabijheid mogelijk is; D.precedentwerking leidt tot verslechtering van de parkeersituatie. Artikel 10 – Openbaar groen 1.Een aanvraag wordt geweigerd indien de uitweg leidt tot een onaanvaardbare aantasting van openbaar groen.2.Van een onaanvaardbare aantasting is in ieder geval sprake indien: A.afschermend groen dient te worden verwijderd voor de aanleg van de uitwegconstructie; B.beeldbepalende groenstructuren worden aangetast; C.een boom moet worden gekapt, dan wel niet verplant kan worden; D.als de uitweg binnen de kroonprojectie van de boom ligt, dit op basis van de ‘bomenposter werken rondom bomen’; E.het straatbeeld negatief wordt beïnvloed; F.geen compensatie in de directe nabijheid mogelijk is; G.versnippering van groen optreedt; H.negatieve effecten ontstaan voor omliggend groen; I.precedentwerking leidt tot aantasting van groen. Artikel 11 – Tweede uitweg 1.Een tweede uitweg is in beginsel niet toegestaan.2.In afwijking van het eerste lid kan een tweede uitweg worden toegestaan, indien: A.de afstand tussen beide uitwegen minimaal 15 meter bedraagt; B.geen sprake is van een verkeersonveilige situatie als vermeld in artikel 8; C.geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting als vermeld in artikel 9 en 10; D.sprake is van een aantoonbare functionele noodzaak. Artikel 12 – Tussenwoningen 1.Bij tussenwoningen wordt geen uitweg toegestaan.2.In afwijking van het eerste lid kan een uitweg worden toegestaan indien: A.de voortuin in het oorspronkelijke ontwerp is ingericht voor parkeren; of B.het bestemmingsplan expliciet voorziet in parkeren op het perceel. Artikel 13 – Hardheidsclausule Het college kan gemotiveerd afwijken van deze beleidsregel indien toepassing ervan leidt tot een onredelijke of onevenredige uitkomst. Artikel 14 – Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.2.Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel maken en veranderen uitwegen woonpercelen 2026 gemeente Echt-Susteren

Meer informatie