Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op9 september 2026
Gepubliceerd doorGemeente Amsterdam

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet en van de Subsidieregeling Buurtbanen Amsterdam 2021 (Wijzigingsbesluit regelingen Werk en Participatie 2026) Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op de artikelen 1.5, achtste lid, en 3d.1 van de Re-integratieverordening Participatiewet; overwegende dat de raad op 11 december 2025 heeft besloten de toepassing van de bijverdienpremie met één jaar te verlengen; voorts overwegende dat er aanleiding is om de Nadere regels op verschillende andere onderdelen te wijzigen: - het is mogelijk geworden dat jongeren tot 27 jaar een re-integratiepremie ontvangen zonder dat dit gevolgen heeft voor hun aanspraak op bijstand; - het is wenselijk dat de tegemoetkoming voor reiskosten die deelnemers aan een traject kunnen ontvangen, wordt verhoogd in verband met de toenemende kosten voor het openbaar vervoer; - het Rijk bereidt het bieden van een standaard loonkostensubsidie bij Beschut Werk voeren stelt gemeenten met extra middelen in staat stelt hierop te anticiperen; - er is mede gezien de reactie van werkgevers aanleiding om de Amsterdamse Low-Riskpolis te verlengen die geldt voor werknemers die aan het werk gaan met forfaitaire loonkostensubsidie; en - van een aantal bedragen in de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet en de Subsidieregeling Amsterdamse buurtbanen 2021 die dit jaar zijn geïndexeerd, moet de actuele hoogte worden bekendgemaakt; besluit: Artikel I De Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet als volgt te wijzigen: a.Artikel 2.1 - Premie leerstage en proefplaats wordt gewijzigd als volgt: 1.In het eerste lid vervalt “van 27 jaar of ouder”; 2.In het tweede lid vervalt “van 27 jaar of ouder”; 3.In het derde lid vervalt “van 27 jaar of ouder”. b.In artikel 2.3 - Digitaal reistegoed wordt in het vierde lid “€ 22,50” gewijzigd in “€ 23,50” en wordt “€ 45” gewijzigd in: € 47. c.In artikel 2.6 - Premie deeltijdwerk wordt in het eerste lid “31 december 2025” gewijzigd in: 31 december 2026. d.Artikel 3.1 - Subsidie voor het organiseren van jobcoaching wordt gewijzigd als volgt: 1.In het eerste lid wordt “€ 2.700” gewijzigd in: € 2.880 2.In het tweede lid wordt “€ 1.350” gewijzigd in: € 1.440; 3.In het zesde lid wordt “€ 900” gewijzigd in: € 960. e.Artikel 7.4 - Low-Riskpolis tijdens looptijd forfaitaire loonkostensubsidie wordt gewijzigd als volgt: 1.In het eerste lid wordt “1 juli 2026” gewijzigd in “1 juli 2027” en wordt “31 december 2026” gewijzigd in: 31 december 2027; 2.In het achtste lid wordt “1 januari 2028” gewijzigd in: 1 januari 2029. f.In het eerste lid van artikel 8.3 - Subsidie voor organiseren beschut werk wordt “€ 10.000” gewijzigd in: € 10.500. g.In hoofdstuk 8 wordt na artikel 8.5 een artikel toegevoegd dat luidt: Artikel 8.6 - Tijdelijke tegemoetkoming voor loonkosten beschut werk 1.Het college kan een tijdelijke tegemoetkoming voor loonkosten beschut werk verlenen aan de werkgever die in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027 in het kader van beschut werk een of meer werknemers in dienst heeft voor wie de werkgever aanspraak maakt op loonkostensubsidie Participatiewet waarbij de loonwaarde van de werknemer ten minste 33 procent bedraagt, dan wel op loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 2.De tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt op aanvraag of ambtshalve verleend en zo veel mogelijk maandelijks uitbetaald. De uitbetaling is te beschouwen als de vaststelling. 3.De hoogte van de tegemoetkoming voor een werknemer als bedoeld in het eerste lid bedraagt per maand: OAD/36 x 0,68 WML x 1,08 x 1,25 – LKS. Hierbij staat: •OAD voor de overeengekomen arbeidsduur in uren per week van de werknemer; •0,68 WML voor 68 procent van het minimumloon, geldend op de peildatum; •1,08 voor de vermeerdering van het minimumloon met 8% vakantiebijslag overeenkomstig artikel 10d van de wet; •1,25 voor de vermeerdering van het minimumloon en de vakantiebijslag met de vastgestelde vergoeding voor werkgeverslasten overeenkomstig artikel 10d van de wet; en •LKS voor het bedrag van de loonkostensubsidie Participatiewet waarop de werkgever over de betreffende maand aanspraak maakt voor de werknemer. Artikel II De Subsidieregeling Buurtbanen Amsterdam 2021 wordt gewijzigd als volgt: a. In artikel 5 – Hoogte subsidie stedelijke Buurtbaan wordt in het eerste lid “€ 76.200” gewijzigd in: € 79.800; b. In artikel 15 - Hoogte subsidie voor banen als Buurtmedewerker wordt in het eerste lid “€ 49.200” gewijzigd in: € 51.480. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026, waarbij het bepaalde in artikel I, onderdelen c, d, f en g, en in artikel II terugwerkt tot en met 1 januari 2026, en het bepaalde in artikel I, onderdeel e, terugwerkt tot en met 1 juli 2026. Artikel IV Het bepaalde in artikel I, onderdeel g, vervalt met ingang van 1 april 2028. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit regelingen Werk en Participatie 2026. Aldus vastgesteld in de vergadering van 1 september 2026. De burgemeesterFemke Halsema De gemeentesecretarisCatrien Lenstra Toelichting Algemeen deel Er is aanleiding om de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet (hierna: de Nadere regels) en de Subsidieregeling Buurtbanen Amsterdam 2021 te actualiseren en aan te vullen, en wel op de volgende onderdelen: ○Verlengen van de looptijd van de bijverdienpremie voor bijstandsgerechtigden die in deeltijd werken tot eind 2026, dit ter uitvoering van raadsbesluit Vaststellen van het verlengen van de bijverdienpremie voor bijstandsgerechtigden in 2026, d.d. 11 december 2025; ○Verhogen van de bedragen voor de tegemoetkoming in reiskosten voor deelnemers aan een re-integratietraject; ○Uitbreiden van de bestaande gemeentelijke premies voor deelname aan een leerstage of proefplaatsing naar deelnemers die jonger zijn dan 27 jaar; ○Verlengen tot eind 2027 van de gemeentelijke Low-Riskpolis voor werknemers met forfaitaire loonkostensubsidie; ○Financieel compenseren van werkgevers in het kader van Beschut Werk met een tijdelijke tegemoetkoming tot 68% minimumloon voorafgaand aan de introductie van forfaitaire loonkostensubsidie in 2028; ○Bekendmaken van een aantal bedragen voor gemeentelijke subsidies in het kader van de Participatiewet die in 2026 zijn geïndexeerd, zoals de subsidiebedragen voor jobcoaching en Buurtbanen. Hieronder worden de afzonderlijke onderdelen van het wijzigingsbesluit toegelicht. Artikelsgewijze toelichting Artikel I – wijziging van de Nadere regels De Nadere regels worden op de hieronder genoemde punten gewijzigd. Artikel I, onderdeel a: wijziging artikel 2.1 - Premie leerstage en proefplaats Met de wijziging van dit artikel komen jongeren in de doelgroep Participatiewet op gelijke voet met personen van 27 jaar of ouder in deze doelgroep voor een premie in aanmerking wanneer zij een leerstage of proefplaats hebben afgerond. Het gaat om de volgende re-integratiepremies: -Premie leerstage: hierbij gaat het nu om een premiebedrag van € 83,33 op maandbasis dat wordt toegekend aan iemand die heeft deelgenomen aan een leerstage bij een werkgever of in een praktijkomgeving, zoals bij AmsterdamWerkt. Deze premie wordt per jaar aan ongeveer 400 mensen uitbetaald. -Premie proefplaats: dit betreft een premiebedrag van € 125 op maandbasis dat wordt toegekend aan iemand die heeft deelgenomen aan een proefplaats bij een beoogde werkgever. Deze premie wordt per jaar aan ongeveer 120 mensen uitbetaald. Wettelijk gezien is het mogelijk dat mensen op jaarbasis een of twee keer een re-integratiepremie ontvangen tot een maximum van € 3.446 op jaarbasis (bedrag geldend vanaf 1 juli 2026); deze premie is onbelast en heeft daarmee geen invloed op toeslagen e.d. Onder de Participatiewet was het niet mogelijk om aan jongeren in de bijstand een re-integratiepremie te bieden; gebeurde dit wel, dan moest de premie bij een jongere op de bijstand worden gekort. Om deze reden was een aantal Amsterdamse premies niet van toepassing voor jongeren. Met de eind 2025 aangenomen wetswijziging Participatiewet in balans wordt het ook mogelijk aan jongeren in de bijstand een premie te bieden. Deze wijziging treedt in 2027 in werking, maar een eerdere toepassing is op dit onderdeel uitdrukkelijk mogelijk gemaakt met de Kamerbrief over gedoogde onderdelen van Participatiewet in balans, d.d. 15 oktober 2025. Artikel I, onderdeel b: wijziging artikel 2.3 - Digitaal reistegoed Mensen die in het kader van de Participatiewet regelmatig moeten reizen omdat zij deelnemen aan een traject, hebben bij een reisafstand vanaf drie kilometer recht op een tegemoetkoming in de reiskosten. Daarnaast kan iemand een tegoedbon krijgen voor een gebruikte fiets die door Pantar rijklaar wordt afgeleverd. Tegemoetkomingen voor reiskosten worden in de vorm van reistegoed maandelijks op de OV-chipkaart van de betrokkene geboekt. Elke maand ontvangen ongeveer 1.500 mensen op deze manier een bedrag aan reistegoed. Bij een of twee reisdagen per week gaat het om een reistegoed van € 22,50 per maand, en bij drie of meer reisdagen per week om € 45 per maand. Wanneer iemand alleen met het openbaar vervoer kan reizen is een vergoeding mogelijk op basis van maatwerk. Gezien de toename van de kosten voor het openbaar vervoer worden de genoemde bedragen verhoogd naar € 23,50, respectievelijk € 47 per maand. Dit komt neer op een toename met 4,4%, wat overeenkomt met de gemiddelde ontwikkeling van de GVB-tarieven van ca. 4,2% per jaar. Artikel I, onderdeel c: wijziging artikel 2.6 - Premie deeltijdwerk De Amsterdamse premie deeltijdwerk draagt eraan bij dat bijstandsgerechtigden met parttime werk op jaarbasis meer te besteden hebben. Elk halfjaar ontvangen ca. 3.750 Amsterdamse bijstandsgerechtigden een bijverdienpremie omdat zij in de periode daarvoor deeltijdwerk hebben gedaan. Op 11 december 2025 heeft de raad besloten de Amsterdamse premie deeltijdwerk tot eind 2026 te verlengen. Deze Amsterdamse premie bedraagt in principe 30% van iemands netto loon, met een maximumbedrag van € 284 op maandbasis. Wanneer iemand ook een zogenoemde inkomstenvrijlating heeft gehad van een deel van het netto loon, wordt het vrijgelaten bedrag op de premie in mindering gebracht. Is bijvoorbeeld bij iemand 25% vrijlating toegepast, dan bedraagt de premie in principe nog 5% van het loon. Met de wijziging van artikel 2.6 wordt voor bijstandsgerechtigden met parttime werk de aanspraak op de deeltijdpremie verlengd tot en met eind 2026. Artikel I, onderdeel d: wijziging artikel 3.1 - Subsidie voor het organiseren van jobcoaching Een aantal bedragen in de Nadere regels wordt aangepast, dit in verband met indexatiebepalingen die onderdeel zijn van deze regeling. Het gaat om de subsidiebedragen voor het organiseren van jobcoaching en beschut werk. Indexering van de subsidie voor jobcoaching vindt plaats conform de ontwikkeling van het uurtarief dat UWV hanteert voor jobcoaching. Dit tarief is in 2026 van € 111,57 per uur verhoogd tot € 117,89 per uur (+5,66%). Met dit percentage wordt het halfjaarlijkse subsidiebedrag voor jobcoaching verhoogd, afgerond op een veelvoud van 30 euro. Daarmee neemt dit van € 1.350 in 2025 naar € 1.440 in 2026. De andere subsidiebedragen in artikel 3.1 worden hiervan afgeleid. Het subsidiebedrag voor het eerste halfjaar van een dienstverband bedraagt het dubbele van € 1.440, ofwel € 2.880 (eerste lid); het subsidiebedrag bij een proefplaats bedraagt tweederde van € 1.440, ofwel € 960 (zesde lid). De geïndexeerde bedragen worden vanaf januari 2026 gehanteerd. Met de wijziging van de gemeentelijke regelingen worden de actuele bedragen formeel bekendgemaakt via het Gemeenteblad en zijn ze ook te terug te vinden in de actuele versie van de regelingen op overheid.nl. Artikel I, onderdeel e: wijziging artikel 7.4 - Low-Riskpolis tijdens looptijd forfaitaire loonkostensubsidie Op 1 juli 2025 is de Amsterdamse Low Riskpolis ingevoerd voor werkgevers die een werknemer in dienst hadden of in dienst nemen met forfaitaire loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet. De Low Riskpolis is ontwikkeld om een knelpunt bij het plaatsen van Amsterdammers met forfaitaire loonkostensubsidie (hierna: LKS) te ondervangen. Het gaat daarbij om het financiële risico dat werkgevers lopen bij uitval van hun werknemer door ziekte. Bij reguliere LKS op grond van artikel 10d, vierde lid, van de wet (op basis van een vastgestelde loonwaarde ) speelt dit risico niet; daarbij geldt namelijk een landelijke no-riskpolis vanuit de Ziektewet, uitgevoerd door UWV. Met name forfaitaire LKS kan eraan bijdragen dat een werkzoekende met een ondersteuningsbehoefte eerder kan starten bij een werkgever. De werkgever krijgt dan tot zes maanden een wettelijke subsidie van 50% minimumloon. Met invoering van de Low-Riskpolis maakt de werkgever bij ziekte van een werknemer vanaf de 8e ziektedag aanspraak op een bijdrage van 50% wettelijk minimumloon, even hoog dus als de forfaitaire LKS. Daarmee zijn voor de werkgever bij ziekte van de werknemer, de loonkosten tot aan het minimumloon gedekt. De regeling is in de praktijk goed uitvoerbaar gebleken. De positieve praktijkervaringen met de Low Riskpolis en de respons op een enquête die onder werkgevers is gehouden, zijn aanleiding om de polis te verlengen met vooralsnog één jaar. Dit betekent dat een werkgever ook na 1 juli 2026 voor een nieuwe werknemer met forfaitaire LKS toegang krijgt tot de polis. De datum waarop deze bepaling vervalt wordt gewijzigd van 1 januari 2028 in 1 januari 2029 (wijziging achtste lid). Artikel I, onderdeel f: wijziging artikel 8.3 - Subsidie voor organiseren beschut werk Indexering van de subsidie voor beschut werk vindt plaats conform de ontwikkeling van het referentieminimumloon van jaar tot jaar. Het referentieminimumloon als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bedroeg in januari 2025 € 2.191,80; in januari 2026 is dit toegenomen tot € 2.294,40 (+4,68%). Met dit percentage wordt het maandbedrag voor de subsidie beschut werk verhoogd, afgerond op een veelvoud van 100 euro. Daarmee neemt het subsidiebedrag bij een 36-urige werkweek toe van € 10.000 op jaarbasis naar € 10.500. Zie ook de toelichting bij artikel I, onderdeel d. Artikel I, onderdeel g: nieuw artikel 8.6 - Tijdelijke tegemoetkoming voor loonkosten beschut werk Het Rijk heeft bij de Voorjaarsnota 2025 aangekondigd over te gaan stappen naar een systeem van forfaitaire LKS voor beschut werk. Dit betekent dat de hoogte van de loonkostensubsidie voor beschut werk niet meer wordt vastgesteld op basis van een loonwaardemeting, maar dat deze voor iedereen wordt vastgesteld op 68% van het wettelijk minimumloon (WML). Aanleiding hiervoor is dat het huidige systeem van loonwaardemeting niet goed werkt voor beschut werk, dat is gericht op werknemers met een intensieve en langdurige begeleidingsbehoefte. De meting van de loonwaarde is vaak niet goed mogelijk en leidt vaak tot een te lage LKS. Daarnaast leiden deze metingen tot belasting van medewerkers en hoge uitvoeringskosten. Omdat er een wetswijziging voor nodig is, kan de forfaitaire LKS bij beschut werk niet eerder worden ingevoerd dan per 1 januari 2028. Vooruitlopend op de wetswijziging ontvangen gemeenten tot 2028 tijdelijk extra middelen via de Rijksbijdrage beschut werk om daarmee op de introductie van forfaitaire LKS beschut werk te kunnen anticiperen. Volgens het nieuwe artikel 8.6 wordt voor werknemers met een loonkostensubsidie onder 68% WML, aanvullend op deze LKS een tegemoetkoming geboden. Onder de huidige wetgeving bedraagt de maximale loonkostensubsidie 70%. Voor werknemers met loonkostensubsidie van 69% of 70% WML verandert er nu nog niets; na wetswijziging zal de LKS voor hen beperkt omlaag gaan. Hierop lopen we nu niet vooruit. De looptijd van de tijdelijk tegemoetkoming is van januari 2026 tot en met december 2027 (eerste lid). In het derde kwartaal van 2026 wordt een eerste uitbetaling gedaan aan werkgevers van de aanvullende tegemoetkoming in de loonkosten, daarna wordt de tegemoetkoming maandelijks uitbetaald (tweede lid). De hoogte van de tegemoetkoming per maand wordt volgens dezelfde systematiek berekend als de LKS, uitgaande van het 68% van het referentieminimumloon per maand dat is gebaseerd op een werkweek van 36 uur per week. Bij een kortere of langere overeengekomen arbeidsduur dan 26 uur per week wordt de aanvullende tegemoetkoming voor een werknemer in beschut werk hierop afgestemd. De tegemoetkoming is verder net als het LKS-bedrag inclusief 8% vakantiegeld (factor 1,08) en 25% als bijdrage in de werknemerslasten (factor 1,25). De tegemoetkoming bedraagt het verschil van het bedrag dat is berekend op basis van 68% WML en het bedrag van de LKS voor de betreffende werknemer (derde lid). Artikel I, onderdeel c: wijziging artikel 2.6 - Premie deeltijdwerk De Amsterdamse premie deeltijdwerk draagt eraan bij dat bijstandsgerechtigden met parttime Artikel II – wijziging van de Subsidieregeling Buurtbanen Amsterdam 2021 De Subsidieregeling Buurtbanen Amsterdam 2021 wordt op de hieronder genoemde punten gewijzigd. Artikel II, onderdeel a: wijziging artikel 5 – Hoogte subsidie stedelijke Buurtbaan Indexering van de subsidie voor het in stand houden van een Buurtbaan gedurende twee jaar vindt plaats conform de ontwikkeling van het referentieminimumloon van jaar tot jaar. Het referentieminimumloon steeg van januari 2025 op januari 2026 met 4,68% (zie ook de toelichting bij artikel I, onder f). Verhoogd met dit percentage en afgerond op een veelvoud van € 120 neemt het subsidiebedrag van € 76.200 in 2025 toe tot € 79.800 in 2026. Per maand komt dit neer op een toename van € 3.175 in 2025 tot € 3.325 in 2026. De geïndexeerde bedragen worden vanaf januari 2026 gehanteerd. Met de wijziging van de gemeentelijke regelingen worden de actuele bedragen formeel bekendgemaakt via het Gemeenteblad en zijn ze ook te terug te vinden in de actuele versie van de regelingen op overheid.nl. Artikel II, onderdeel b: wijziging artikel 15 - Hoogte subsidie voor banen als Buurtmedewerker Indexering van de subsidie voor het in stand houden van een baan als Buurtmedewerker gedurende twee jaar vindt plaats op dezelfde manier als bij een Buurtbaan. Dit komt neer op een toename van het subsidiebedrag voor een dienstverband van twee jaar toeneemt van € 49.200 in 2025 tot € 51.480 in 2026. Per maand komt dit neer op een toename van € 2.050 in 2025 tot € 2.145 in 2026. Zie ook de toelichting bij onderdeel a. Artikel III - Inwerkingtreding Het Wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026. Een aantal wijzigingen werken terug tot en met 1 januari 2026. Het gaat hierbij om: -verlengen looptijd bijverdienpremie (artikel I, onderdeel c); -indexering subsidiebedragen voor jobcoaching (artikel I, onderdeel d); -indexering subsidiebedragen voor beschut werk (artikel I, onderdeel f); -aanvullen LKS Beschut Werk tot 68% WML (artikel I, onderdeel g); -indexering subsidie voor Buurtbanen en banen als Buurtmedewerker (artikel II). De wijziging in verband met het verlengen van de Low-Riskpolis werkt terug tot en met 1 juli 2026 (artikel I, onderdeel e). Dit is de datum waarop de instroom in de Low Riskpolis oorspronkelijk afliep. Alle onderdelen die met terugwerkende kracht in werking treden hebben een begunstigend karakter. Artikel IV – vervallen van artikel 8.6 - Tijdelijke tegemoetkoming voor loonkosten beschut werk De tegemoetkoming voor werkgevers in beschut werk die wordt ingevoerd vooruitlopend op een verwachte wetswijziging, heeft een tijdelijk karakter, beperkt tot 2026 en 2027. Daarom wordt bepaald dat artikel 8.6 met ingang van 1 april 2028 vervalt.

Meer informatie