Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Dongen
Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Dongen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen; gelet op: •titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht; •artikel 160, eerste lid, onder a Gemeentewet; •paragraaf 6.4 en 6.5 Participatiewet; •Artikelen 29 en 30 Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2024; overwegende dat: het wenselijk is regels vast te stellen over hoe het college gebruikmaakt van de bevoegdheid om kosten van bijstand terug te vorderen, in te vorderen of te verhalen, besluit vast te stellen de Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Dongen. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2024. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a.Brutering: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente, die de uitkering verstrekt, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; b.Problematische schuld: een schuld is problematisch wanneer te voorzien is dat een natuurlijk persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of gestopt is met afbetalen. c.LBIO: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Dit bureau is onderdeel van de overheid en voert incasso-taken uit op het gebied van alimentatie; d.Onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak; e.Suwinet: een onderdeel van het Bureau Keteninformatie Werk en Inkomen, waarin overheidsorganisaties gegevens van inwoners kunnen raadplegen die bij andere overheidsorganisaties of basisregistraties zijn opgeslagen. Hoofdstuk 2 Terug- en invordering Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2. Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten van het recht op een uitkering op grond van artikel 54, eerste en tweede lid, PW, dan wel artikel 17, eerste en tweede lid, IOAW of IOAZ. 2.Het college maakt gebruik de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning of voortzetting van een uitkering op grond van artikel 54, derde en vierde lid, PW, dan wel artikel 17, derde en vierde lid, IOAW of IOAZ. 3.Het college vordert de ten onrechte verleende uitkering terug, zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60a PW en de artikelen 25 tot en met 28, 30 en 31 IOAW of IOAZ. Artikel 3. Dringende reden 1.Het college ziet af van herziening, intrekking, terugvordering, invordering of verhaal wanneer sprake is van dringende redenen. 2.Van dringende redenen is in ieder geval sprake als het terugvorderen of invorderen van te veel betaalde bijstand leidt tot: a.onaanvaardbare financiële of sociale consequenties zoals uithuiszetting of afsluiting van energie of water; b.levensbedreigende situaties, dan wel blijvend letsel of invaliditeit, welke alleen zijn af te wenden door het verstrekken van bijstand. 3.Van dringende redenen in het geval van verhaal van bijstand is in ieder geval sprake als: a.dit kan leiden tot geweld en/of mishandeling door de onderhoudsplichtige; b.belanghebbende slachtoffer is (geweest) van incest; c.er een gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het verhaalsonderzoek zal leiden tot geweld van de onderhoudsplichtige jegens de belanghebbende. Artikel 4. Paspoortsignalering Als een persoon met een vordering of een bestuurlijke boete van meer dan € 5.000,00 nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, dient het college een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering in bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten, op grond van artikel 22 Paspoortwet. Paragraaf 2.2. Terugvordering Artikel 5. Terugvordering Behoudens de uitzonderingen die zijn vastgelegd in deze beleidsregels: a.vordert het college alle ten onrechte uitkering altijd terug; b.dient de belanghebbende alle ten onrechte verstrekte uitkering volledig terug te betalen. Artikel 6. Inhoud terugvorderingsbeschikking Het college vermeldt in de beschikking, in aanvulling op hetgeen in artikel 4:86 Awb is gesteld, in ieder geval: a.de mogelijkheid voor de debiteur om voor het verstrijken van de betalingstermijn, een (alternatief) betalingsvoorstel te doen; b.dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel, het college tot executoriale invordering kan overgaan, dan wel de vordering ter executie kan overdragen aan een derde; c.dat, in de situatie als bedoeld onder b, executie- en incassokosten voor rekening van de debiteur zijn. Paragraaf 2.3. Invordering Artikel 7. Volgorde van invordering 1.Het college vordert de vorderingen op volgorde van ontstaansdatum in, zolang de belanghebbende geen verzoek heeft gedaan op grond van artikel 4:92, tweede lid, Awb. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vindt de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaats. 3.Het college wijkt af van het gestelde in het tweede lid: a.bij beslaglegging door een derde schuldeiser. In dat geval vordert het college eerst de openstaande vordering in; b.als het mogelijk is brutering van de vordering te voorkomen, door eerst de openstaande vordering in te vorderen. Artikel 8. Verplichting met betrekking tot de invordering, verrekening en beslaglegging 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en/of het besluit boeteoplegging en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. 2.Indien de belanghebbende een uitkering ontvangt van de gemeente, verrekent het college de terugvordering met de uitkering ingevolge artikel 60 lid 3 en 4 van de P-wet, artikel 28 lid 2 en 3 van de IOAW of van de IOAZ. Hierbij wordt de beslagvrije voet in acht genomen. 3.Er kan op verzoek van de debiteur een betalingsregeling in termijnen worden afgesproken, waarbij voor de hoogte van de aflossing rekening gehouden wordt met de aflossing van alle vorderingen binnen 36 maanden. 4.Als de debiteur aangeeft geen betalingscapaciteit te hebben of de vordering niet binnen 36 maanden kan voldoen, dient er onderzoek te worden verricht naar de financiële omstandigheden. 5.Indien de financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. Hierbij wordt de beslagvrije voet in acht genomen. 6.Als de belanghebbende in de situatie als bedoeld in het derde lid, niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet (meer) nakomt, legt het college het terugvorderingsbesluit, dan wel het boetebesluit ten uitvoer door middel van: a.verrekening met de maandelijks verleende uitkering, op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid; b.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, met uitzondering van artikel 479e, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of c.beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. 7.Eventuele kosten die verbonden zijn aan de invordering, komen ten laste van de debiteur. Artikel 9. Brutering Als de debiteur de vordering niet binnen het lopende kalenderjaar heeft voldaan, vordert het college de teveel betaalde uitkering bruto terug, tenzij: a.het college ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kan verrekenen met de afdrachten aan de Belastingdienst of het UWV; of b.de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en hem niet is aan te rekenen dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald. Artikel 10. Afzien van terugvordering bij niet verwijtbare invorderingen 1.Op verzoek van belanghebbende kan het college van verdere invordering afzien als: a.het terug te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is; of b.de belanghebbende gedurende vijf jaar aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, zijn gemiddeld inkomen in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan en de vordering voor minimaal 50% heeft voldaan; of c.de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht, en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d.gedurende drie jaar - te berekenen vanaf het verzoek - niet volledig aan zijn vastgestelde betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van belanghebbende in die periode de beslagvrije voet in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, maar het achterstallig bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald, en minimaal 50% van de nog openstaande schuld ineens heeft betaald; of e.de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost, terwijl zijn gemiddeld inkomen in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan en het restant van de vordering daarna minder dan € 100,00 bedraagt. Artikel 11. Afzien van (verdere) invordering bij schuldregeling 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, kan door het college medewerking verlenen aan een schuldregeling als: a.redelijkerwijs te voorzien is dat belanghebbende niet zal kunnen doorgaan met het betalen van zijn schulden; en b.de belanghebbende de vordering van de gemeente ten minste naar evenredigheid zal voldoen met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; en c.het besluit om van verdere invordering af te zien noodzakelijk is om een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen tot stand te brengen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt. 3.Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van invordering of het (gedeeltelijk) afzien van verdere terugvordering treedt in werking nadat voldaan is aan hetgeen dat benoemd is onder het eerste lid van dit artikel. 4.Het college trekt het besluit tot het gedeeltelijk afzien van (verdere) invordering in, of wijzigt dit ten nadele van de belanghebbende als: a.niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen; of b.de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel 12. Samenloop met een maatregel 1.Als het college een vordering tot terugbetaling van de uitkering of een bestuurlijke boete verrekent met de uitkering, is het ten uitvoer leggen van een maatregel nog slechts mogelijk voor zover de maatregel het gedeelte van de uitkering boven de beslagvrije voet niet te boven gaat. 2.Als er door het opleggen van een maatregel geen ruimte meer is voor verrekening of beslaglegging, dan schort het college de invordering voor de duur van de maatregel op. Artikel 13: Invorderingskosten 1.Als het college zelf vereenvoudigd derdenbeslag legt, dan worden de kosten van dwanginvorderingen vastgesteld op 15% van het openstaande saldo, met een maximum van € 750 en een minimum van € 37,50. 2.Als op een later moment opnieuw een vordering ontstaat als gevolg waarvan het college wederom vereenvoudigd derdenbeslag moet leggen, dan is het eerste lid opnieuw van toepassing. 3.Als de vordering wordt overgedragen aan een derde, dan worden de door deze derde te maken kosten en rente doorberekend aan de debiteur. 4.Als bij aanvang van de vordering duidelijk is dat deze overgedragen moet worden aan een deurwaarder (bijvoorbeeld bij een zelfstandig ondernemer), dan worden de 15% kosten voor incasso niet opgevoerd. 5.Als verrekend kan worden met de bijstandsuitkering, dan worden geen invorderingskosten in rekening gebracht. Hoofdstuk 3 Verhaal Artikel 14. Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid 1.Het college verhaalt de kosten van bijstand tot aan de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot maximaal de totale kosten van bijstand: a.op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, geregistreerd partner, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt; b.op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt; c.op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel na scheiding van tafel en bed, niet of niet behoorlijk nakomt; d.op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind verblijvend in een instelling aan wie bijzondere bijstand is verleend of jegens zijn meerderjarig kind dat op grond van artikel 20 lid 3 PW een verhoging van de algemene bijstand ontvangt op de jongerennorm; e.bij een schenking aan een derde door de bijstandsgerechtigde, tenzij aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien; f.ingeval er een vordering is die valt in de nalatenschap; g.bij het ontstaan van een vordering wegens toepassing van de Wet op de Lijkbezorging. 2.Buiten de gevallen aangegeven in deze beleidsregels vindt geen verhaal plaats. 3.Het college volgt de bij rechterlijke beschikking op grond van artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek vastgestelde jaarlijkse indexering van de in rechte opgelegde onderhoudsbijdragen. 4.Het college gaat bij het uitblijven van (tijdige) betaling van de opgelegde onderhoudsbijdrage direct over tot het indienen van een verzoekschrift tot vaststelling verhaalsbijdrage bij de rechtbank (VIR-procedure). 5.Anders dan in het vierde lid is bepaald, ziet het college af van verhaal in rechte als er sprake is van een afgesloten vordering en de vordering minder dan € 600,00 bedraagt. Artikel 15. Afzien van verhaal 1.Het college kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien als daarvoor verifieerbare dringende redenen aanwezig zijn, in de zin dat het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene(n). 2.Als het college inschat dat de dringende redenen slechts van tijdelijke aard zijn, kan het college gedurende een 'afkoelingsperiode' van drie maanden afzien van verhaal, waarna het college door middel van een heronderzoek beziet of zij kan overgaan tot verhaal. 3.Wanneer er sprake is van opname in een blijf-van-mijn-lijfhuis onder geheimhouding, ziet het college af van verhaal. 4.Indien uit vooronderzoek blijkt dat de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt over onvoldoende middelen beschikt om een verhaalsbijdrage op te kunnen leggen, wordt afgezien van verhaal in verband met het ontbreken van draagkracht. Als wordt ingeschat dat het om een tijdelijke situatie gaat, dan wordt tijdelijk afgezien van verhaal en kan middels een heronderzoek bezien worden of alsnog tot verhaal kan worden overgegaan. 5.Als de onderhoudsplichtige een buitenlandse nationaliteit heeft en buiten Nederland woont, dan kan het college afzien van verhaal. 6.Als het te verhalen bedrag lager is dan € 50,00 per maand, kan het college afzien van verhaal. Na drie jaar houdt het college dan een heronderzoek om de mogelijkheden van verhaal opnieuw te bezien. 7.Het college start geen onderzoek naar de onderhoudsbijdrage in de volgende situaties: a.als het jongste kind 17 jaar is; b.als de onderhoudsgerechtigde binnen zes maanden de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; c.als een jong-meerderjarige binnen zes maanden 21 jaar wordt. d.als er sprake is van een vordering op de nalatenschap. Artikel 16. Vaststelling verhaalsbijdrage 1.Het college verhaalt de kosten van de bijstand overeenkomstig de rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b PW, als de onderhoudsplichtige niet aan zijn verplichtingen van de uitvoerbare rechterlijke uitspraak voldoet en overdracht naar het LBIO niet mogelijk is. 2.Bij het ontbreken van een uitvoerbare rechterlijke uitspraak stelt het college de verhaalsbijdrage vast aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, waarbij de laatste van deze twee bedragen leidend is. 3.Het college stelt de draagkracht van de onderhoudsplichtige vast conform de zogeheten TREMA-normen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechterlijke Macht. 4.De onderhoudsplichtige wordt aangeschreven om bewijsstukken aan te leveren. Het college stelt de draagkracht vast op basis van door de onderhoudsplichtige ingediende bewijsstukken over de financiële situatie. 5.Wanneer er geen bewijsstukken worden aangeleverd, wordt gebruik gemaakt van de gegevens zoals opgenomen in Suwinet. 6.Eerdere afspraken die zijn gemaakt tussen de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtigen - zoals een convenant - hoeven door het college niet te worden meegewogen in het besluit. 7.Wanneer in het geheel geen inkomsten van onderhoudsplichtige bekend zijn, wordt ambtshalve de maandelijks aan onderhoudsgerechtigde verstrekte netto bijstand als verhaalsbijdrage opgelegd. 8.Een opgelegde verhaalsbijdrage gaat in per datum eerste aanschrijving. Artikel 17. Debiteuren heronderzoek verhaal 1.De volgende termijnen gelden voor het starten van een heronderzoek verhaal: a.als op voorhand duidelijk is dat de onderhoudsplichtige geen draagkracht heeft, start het college na drie jaar een heronderzoek op; b.als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd en uit de berekening blijkt dat er geen draagkracht is, dan start het college na drie jaar een heronderzoek op; c.als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd, en er is een onderhoudsbijdrage opgelegd, dan start het college na drie jaar een heronderzoek op; d.als het college kan aannemen dat de omstandigheden van de onderhoudsplichtige op korte termijn wijzigen of reeds gewijzigd zijn, start zij direct een heronderzoek op. 2.Als de onderhoudsplichtige daartoe aanleiding ziet vanwege gewijzigde omstandigheden, kan deze verzoeken om een heronderzoek over zijn of haar financiële draagkracht. Het college onderzoekt of de omstandigheden aanleiding geven tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag en kan besluiten tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag. 3.De omstandigheden, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel d en het tweede lid, dienen van wezenlijke invloed te zijn op de reeds opgelegde verhaalsbijdrage, in die zin dat er aanwijzing moet zijn dat het college de onderhoudsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten bijstellen. 4.Als er een rechterlijke uitspraak is, waarin de onderhoudsverplichting is opgenomen dan: a.herziet het college de onderhoudsbijdrage bij het aantoonbaar ontbreken van draagkracht; b.vraagt de onderhoudsplichtige de rechter om een herbeoordeling van zijn onderhoudsbijdrage, wanneer er aantoonbaar draagkracht aanwezig is. Hoofdstuk 4 Slotbepaling Artikel 18. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 19. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Dongen’. Artikel 20. Intrekking oude beleidsregels 1.De artikelen 6.1 tot en met 6.16 van het 'Verzamelbesluit beleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2018' (CVDR621993), vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, geldend vanaf 2 maart 2019, worden ingetrokken. 2.Op aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels en waarop nog niet is beslist, blijven de beleidsregels zoals genoemd in het eerste lid van toepassing, tenzij de nieuwe beleidsregels voor de aanvrager gunstiger zijn. 3.Op besluiten die zijn genomen op grond van de beleidsregels zoals genoemd in het eerste lid, blijven de daarop van toepassing zijnde bepalingen van kracht. Artikel 21. Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026. Aldus vastgesteld op 22 september 2026 Het college van burgemeesters en wethouders van Dongen, Toelichting In 2028 zijn de Verzamelbeleidsregels P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Dongen. Deze verzamelbeleidsregels bundelden het gemeentelijk beleid op een aantal gebieden van Werk en Inkomen. Omdat de verzamelbeleidsregels door onder andere nieuwe wetgeving en recente rechtspraak verouderd waren, hebben we ze geactualiseerd. Daarbij hebben we de verzamelbeleidsregels ook op onderwerp uit elkaar getrokken. Dat is duidelijker voor zowel onze inwoners als de uitvoering. Deze beleidsregels gaan over terugvordering-/invordering en verhaal van de bijstandsuitkering. Dat betekent dat hierin regels zijn opgenomen over hoe het college gebruikmaakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand terug te vorderen, in te vorderen of te verhalen. Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting. Hoofdstuk 2 Terug- en invordering Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid In de Pw (artikel 54) en de IOAW/IOAZ (artikel 17) zijn regels opgenomen over het opschorten van het recht op bijstand (lid 1 en 2) en het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand (lid 3). Het opschorten van het recht op bijstand is een bevoegdheid van het college. Hiervan kan het college gebruikmaken als een belanghebbende verwijtbaar niet tijdig of volledig gegevens of bewijsstukken verstrekt die van belang zijn voor het recht op bijstand. Het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand is een bevoegdheid van het college voor zover de te veel of ten onrechte verstrekte bijstand niet het gevolg is van de schending van de inlichtingenplicht. In de artikelen 58 tot en met 60a van de Pw en de artikelen 25 tot en met 28, 30 en 31 IOAW/IOAZ zijn regels over het terugvorderen van onterecht verstrekte bijstand vastgelegd. Terugvordering van te veel of ten onrechte verstrekte bijstand als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, is verplicht. Voor overige gevallen is terugvordering een bevoegdheid van het college. In dit artikel is bepaald dat het college gebruik maakt van de hiervoor genoemde bevoegdheden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van één van de hierboven ge noemde bevoegdheden wordt eerst een evenredige belangenafweging moet worden gemaakt. Dit naar aan- leiding van recente jurisprudentie. Zo oordeelde de CRvB dat bij het oefenen van de bevoegdheid tot terugvordering een belangenafweging moet plaatsvinden (ECLI:NL:CRVB:2022:2332). In een meer recente uitspraak zette de CRvB deze lijn door en oordeelde het dat het college de intrekking van een besluit moet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel (ECLI:NL:CRVB:2023:679). Voor deze belangenafweging moet aansluiting worden gezocht bij het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geschetste beoordelingskader bij uitoefening van bestuursbevoegdheden met beleidsruimte. In dit beoordelingskader staan 3 vragen centraal, aan de hand waarvan de evenredige belangenafweging moet plaatsvinden. Die vragen zijn: 1.Is het besluit geschikt om het doel dat de gemeente voor ogen heeft te bereiken? 2.Is het besluit noodzakelijk om dit doel te bereiken? 3.Heeft de gemeente alle betrokken belangen evenwichtig afgewogen? (is het besluit in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende). Samengevat betekent de evenredigheidstoets een toets waarbij wordt beoordeeld of de nadelige ge- volgen voor belanghebbende in verhouding zijn tot het doel van het besluit. Artikel 3. Dringende redenen Dringende redenen kan voor het college reden zijn om bijvoorbeeld af te zien van terugvordering. Of van verhaal. Wat we moeten verstaan onder dringende redenen is moeilijk te omschrijven. Als het college een besluit neemt tot terugvordering, of het instellen van verhaal, dan beoordeelt het college alle relevante feiten en omstandigheden. Een combinatie van die feiten en omstandigheden kan aanleiding zijn aan te nemen dat er sprake is van dringende redenen. In artikel 3 is voor terugvordering en verhaal bepaald welke omstandigheden we in ieder geval aanmerken als 'dringende redenen', op grond waarvan het college afziet van terugvordering of verhaal. De lijst is niet limitatief bedoeld, maar slechts als houvast voor zowel de klant als de medewerkers die belast zijn met de uitvoering. Artikel 4. Paspoortsignalering Als een persoon met een vordering of een boete van meer dan € 5.000 nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, wordt een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering ingediend bij het agentschap Ba- sisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten op grond van artikel 22 van de Paspoortwet. Het Register Paspoortsignaleringen is een registratie van personen aan wie een paspoort geweigerd kan worden of van wie een paspoort vervallen kan worden verklaard. Een aantal bevoegde instanties kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken om een persoon in dit register op te nemen. In de artikelen 18 tot en met 24 van de Paspoortwet zijn alle gronden voor opname in het Register Paspoortsignaleringen opgesomd. De in de wet genoemde gronden hebben tot doel een fundamenteel belang van de samenleving te beschermen. Artikel 22 van de Paspoortwet gaat over het signaleren van personen die zijn/haar betalingsverplichting aan de Belastingdienst, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) of een (gemeentelijke) sociale dienst niet na- komen en bij wie het gegronde vermoeden bestaat dat de persoon in kwestie zich door verblijf in het buitenland aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering zal onttrekken. Paragraaf 2.2. Terugvordering Artikel 5. Terugvordering Terugvordering is een verplichting als we te veel bijstand hebben betaald als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht door de klant (artikel 58, eerste lid, PW). Het gaat hier om dwingend recht. De wet geeft wel een aantal gevallen waarin het college - ondanks het feit dat de inlichtingenplicht is geschonden - toch kan afzien van invordering. Deze gevallen zijn opgenomen in het tweede lid en ze zijn ontleend aan artikel 58, zevende en achtste lid, PW. Artikel 6. Inhoud terugvorderingsbeschikking In dit artikel staan de vereisten genoemd, waaraan een terugvorderingsbeschikking op grond van de wet moet voldoen. Bij het opstellen van een terugvorderingsbeschikking neemt het college deze vereisten in acht. Het artikel behoeft geen nadere toelichting. Paragraaf 2.3. Invordering Artikel 7. Volgorde van invordering Het is mogelijk dat de belanghebbende verschillende vorderingen heeft bij de gemeente. In artikel 4:92, tweede lid, van de Awb is in dat geval bepaald dat de belanghebbende bij de aflossing zelf kan aangeven op welke vordering dit bedrag in mindering moet worden gebracht. In de Pw is niets geregeld over de volgorde van invordering van vorderingen en/of boetes. Het is niet wenselijk dat hierover niets is geregeld en om deze reden is dit beleidsartikel opgenomen. De volgorde waarin het college vorderingen gaat invorderen is afhankelijk van een aantal factoren. Allereerst de vraag of de belanghebbende nog een uitkering van de gemeente ontvangt. Als dat het geval is, dan is de volgorde van invordering niet van belang. Heeft de klant geen uitkering van de gemeente meer, dan is de volgorde van invordering wel van belang zijn. De vordering die betrekking heeft op ten onrechte verstrekte bijstand is een preferente vordering. De vordering uit bestuurlijke boete is een concurrente vordering. Op het moment dat de belanghebbende geen uitkering meer van de gemeente ontvangt, en er sprake is van andere beslagleggers op het inkomen van de belanghebbende, zal het college de preferente vordering als eerste invorderen. Omdat deze vordering preferent is, komt het gehele bedrag van het inkomen van de belanghebbende dat boven de beslagvrije voet ligt, aan de gemeente Dongen toe. Bij een concurrente vordering vindt pondsgewijze verdeling van het bedrag dat de beslagvrije voet overstijgt, plaats. Om die reden vordert het college, als de belanghebbende geen uitkering (meer) heeft van de gemeente, en er sprake is van meerdere beslagleggers, eerst de te veel betaalde bijstand in. Als de vordering uit te veel betaalde bijstand volledig is ingevorderd, gaat het college over tot invordering van de bestuurlijke boete. Een ander ongewenst effect zou kunnen zijn dat de vordering gebruteerd moet worden, omdat deze vordering niet binnen het kalenderjaar kan worden afgelost vanwege de voorrang, die aan de inning van de boete wordt gegeven. Het tweede lid onder b heeft dus voor ogen het voorkomen van onnodige hogere schuldenlast voor de belanghebbende. Artikel 8. Verrekening en beslaglegging Als de belanghebbende een lopende uitkering voor levensonderhoud heeft, kan het college een eventuele schuld aan de gemeente verrekenen met de uitkering (artikel 60, derde en vierde lid, PW). Daar waar het gaat om te veel betaalde bijstand, die niet het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht, is dit een bevoegdheid van het college (artikel 60, derde lid, PW). Als de te veel betaalde bijstand een gevolg van schending van de inlichtingenplicht is verrekening met de uitkering verplicht (artikel 60, vierde lid, PW). Omdat verrekening met de uitkering verreweg de meest eenvoudige en zekere manier is om een vordering te innen, gaat het college bij alle belanghebbenden die een uitkering ontvangen, de vordering verrekenen met de uitkering. De belanghebbende kan wel, op eigen verzoek, een betalingsregeling overeenkomen. Heeft een belanghebbende geen uitkering voor levensonderhoud (meer) via de gemeente, dan stelt het college hem eerst in staat om een betalingsregeling overeen te komen. Dit moet hij binnen zes weken doen. Treft de belanghebbende geen betalingsregeling, of komt hij een eerder overeengekomen betalingsregeling niet (meer) na, dan gaat het college over tot dwanginvordering. Artikel 9. Brutering Als een vordering niet tijdig wordt betaald, kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen van belanghebbende worden teruggevorderd. Dit heet ‘brutering’ en is opgenomen in artikel 58, lid 5, van de Pw. Het bedrag van de brutering kan niet eerder worden berekend dan na het einde van het lopende kalenderjaar. Dit artikel regelt in welke gevallen de uitkering niet bruto maar netto wordt teruggevorderd. De uitkering wordt netto teruggevorderd als de ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kunnen worden verrekend met de afdrachten aan de Belastingdienst en het UWV. Het afdragen van loonbelasting gebeurt op voorschotbasis per kwartaal. De definitieve afdrachten vinden plaats als het loonbelastingjaar (kalenderjaar) is afgerond. Zolang de definitieve afdrachten nog niet hebben plaatsgevonden, kan er verrekening plaatsvinden. Uit artikel 58, lid 5, Pw volgt dat het college, indien mogelijk, verplicht is gebruik te maken van de mogelijkheid tot verrekening. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering, als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een betrokkene en waarbij hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. De belanghebbende kan voor teruggave van de door bruto terugvordering te veel betaalde loonheffing en premies een verzoek indienen bij de Belastingdienst. Een dergelijk verzoek kan pas gehonoreerd worden voor zover de belanghebbende ook daadwerkelijk zijn terugvorderingsschuld aan de gemeente heeft voldaan. Artikel 10. Afzien van invordering bij niet verwijtbare invorderingen Ook als het college te veel betaalde bijstand terugvordert, waarbij geen schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden, maakt zij altijd gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering. In sommige gevallen vordert het college wel terug, maar ziet zij af van (dwang)invordering. Het college verzoekt de klant wel om de teveel betaalde bijstand terug te betalen, maar ziet dan af van verdere incassomaatregelen. De gevallen waarin dit aan de orde is zijn opgenomen in het tweede lid. Deze gevallen hebben deels een gelijkenis met de bepalingen van artikel 58, zevende en achtste lid, PW. Hierdoor staat een zekere gelijkheid. In andere gevallen maakt het college een kosten-batenanalyse. Bijvoorbeeld wanneer we afzien van invordering als het terug te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt en verrekening met de uitkering niet (meer) mogelijk is. De gedachte hierachter is dat het starten van een invorderingsprocedure, inclusief incasso, meer geld kost dan het oplevert aan terug te vorderen bijstand. In de situatie waarin de vordering door pand of hypotheek op een goed of goederen wordt gedekt of wanneer voor inning van de vordering dwangincasso heeft plaatsgevonden, is afzien van terugvordering niet mogelijk. Artikel 11. Afzien van (verdere) invordering bij schuldregeling Met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening heeft de gemeente een wettelijke taak op het gebied van schuldhulpverlening gekregen. Dus enerzijds moet er een voortvarend terug- en invorderingsbeleid (zie deze beleidsregels) worden gevoerd en anderzijds moet een optimale schulddienstverlening te worden geboden. Deze twee wettelijke taken kunnen soms op gespannen voet met elkaar staan. Waar het college de keuzevrijheid heeft, wordt geprobeerd om beide taken recht te doen. Dit is vormgegeven in dit artikel, op basis waarvan het college tegemoet kan komen aan de schuldhulpvraag van de belanghebbende. De waarborgen in het eerste lid zijn erop gericht dat alleen meegewerkt wordt als een andere oplossing van de schulden- situatie niet meer mogelijk is. Niet voor alle categorieën vorderingen is medewerking mogelijk. In artikel 60c Pw is bepaald dat in de situatie waarin sprake is van een vordering die het gevolg is van het opzettelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting en waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd dan wel aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafecht, zowel de vordering als de boete niet meegenomen mogen worden in een schuldregeling. Deze categorie vorderingen is dan ook uitgezonderd in de aanhef van het eerste lid. Ook bij vorderingen die gedekt zijn door pand of hypotheek ziet het college niet af van verdere terugvordering. Het besluit om af te zien van verdere terugvordering in het kader van medewerking aan een schuldregeling, kan worden herzien of ingetrokken als de schuldregeling niet binnen een jaar tot stand komt of als belanghebbende zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. Ook kan het besluit worden herzien of ingetrokken als het op basis van door de belanghebbende onjuist/onvolledig verstrekte gegevens is genomen. Deze beleidsregels zijn ook afgestemd op het beleid van de uitvoering Wet gemeentelijke schuldhulp- verlening. Het convenant Lokale Overheid, Convenant t.b.v. Minnelijke Schuldhulpverlening NVVK- Gemeente Dongen verbindt de gemeente mee te werken aan een verzoek van debiteuren om bij problematische schulden een minnelijke regeling tot stand te brengen. Daarbij geldt wel dat vanzelfsprekend medewerking niet kan wanneer wet- en regelgeving zich daartegen verzetten. Artikel 12. Samenloop met een maatregel De situatie kan zich voordoen dat het college een vordering van de belanghebbende invordert via inhouding op de uitkering, maar dat het college dezelfde belanghebbende daarnaast een maatregel oplegt. Bijvoorbeeld wegens schending van de arbeidsverplichtingen. Als het college de maatregel ten uitvoer gaat leggen, terwijl zij ook de vordering verrekent via de uitkering, leidt dit mogelijk tot problemen. Omdat de belanghebbende vanwege de inhouding op de uitkering ter aflossing van de vordering slechts kan beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet, treft de maatregel hem harder dan noodzakelijk. De belanghebbende zal het ervaren als een dubbele straf. Om die reden schort het college de inhouding op de uitkering op, tenzij de maatregel lager is dan het gedeelte van de uitkering dat de beslagvrije voet overstijgt. In dat laatste geval verrekent het college de vordering - naast de maatregel - tot aan de beslagvrije voet. Artikel 13. Invorderingskosten Op grond van artikel 4:120 Awb is het mogelijk om bij belanghebbende de kosten van een dwangbevel en de tenuitvoerlegging daarvan in rekening te brengen. Daarnaast is het college ook op grond van artikel 58, lid 5, Pw bevoegd om bij niet tijdige betaling de vordering te verhogen met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Invorderingskosten moeten, net als in het reguliere betalingsverkeer, voor rekening van de onwillige debiteur komen. Het is onweerlegbaar dat een onwillige debiteur extra werkzaamheden veroorzaakt voor de gemeente en daarmee ook extra kosten in de uitvoering. In de incassopraktijk wordt gewerkt met een forfaitair percentage van meestal 15% van de hoofdsom. Het is voor de gemeente redelijk om de kosten van invordering te bepalen op 15% van de (resterende) vordering (exclusief rente), met een vastgesteld minimum en maximum. Als de debiteur meerdere vorderingen onbetaald laat, kunnen op elk van de afzonderlijke vorderingen de kosten van de invordering in rekening worden gebracht. Hoofdstuk 3 Verhaal Artikel 14. Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Verhaal betekend een beroep doen op de onderhoudsplicht t.a.v. minderjarige kinderen en/of ex-partners. Artikel 61 van de Pw bepaalt dat het college kosten van bijstand kan verhalen in de situaties zoals genoemd in de wet en alleen volgens de regels van de Pw. Het verhalen van kosten van bijstand is een bevoegdheid van het college. In andere gevallen dan in de wet aangegeven is het college niet bevoegd om de bijstand te verhalen. Het is aan het college om beleid te formuleren of en in welke gevallen het gebruik maakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen. In dit artikel wordt geregeld dat het college gebruik maakt van de bevoegdheid om bijstand te verhalen en in welke gevallen het college gebruik maakt van deze bevoegdheid. In het eerste lid is opgenomen dat het college de kosten van bijstand kan verhalen op: a.de ex-partner; b.de ouders van minderjarige kinderen; c.ouders van jong meerderjarigen tot 21 jaar; d.op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind verblijvend in een instelling aan wie bijzondere bijstand is verleend of jegens zijn meerderjarig kind dat op grond van artikel 20 lid 3 PW een verhoging van de algemene bijstand ontvangt op de jongerennorm; e.degene aan wie de klant een schenking heeft gedaan, waardoor de klant eerder een beroep op bijstand doet; f.de nalatenschap. Daarnaast kan het college overgaan tot het verhalen van bijstand als er een vordering is ontstaan wegens toepassing van de Wet op de Lijkbezorging. In het tweede lid wordt benadrukt dat de bijstand uitsluitend wordt verhaald in de in het eerste lid vastgelegde gevallen. In lid 1 onderdeel a worden de verhaalsmogelijkheden op de (ex)echtgenoot/(ex)echtgenote (en daarmee gelijkgesteld de geregistreerd partner) bedoeld ten aanzien van zijn onderhoudsplicht jegens zijn (ex)echtgenoot en/of minderjarige kinderen. Voor wat betreft de mogelijkheid tot het verhalen van de bijstand is het overigens niet van belang of een echtscheiding al dan niet heeft plaatsgevonden. Ook juist wanneer het huwelijk nog in stand is, kan bijstand worden verhaald. Er is dan sprake van een ontbrekend gezinsverband (verlating). Overigens geldt daarbij nog de wettelijke verplichting, dat echtgenoten voor elkaar moeten zorgen (artikel 1:81 BW e.v.). Wanneer de echtscheiding heeft plaatsgevonden, dus al is ingeschreven in de Registers van de Burgerlijke Stand, dan wordt verder verhaald op grond van sub b. Deze beide bepalingen zijn eveneens van toepassing op verhaal ten behoeve van meerderjarige kinderen in het gezin van de bijstandsgerechtigde die in een instelling verblijven of meerderjarige kinderen die een ophoging ontvangen vanuit artikel 20 lid 3 Participatiewet (sub c). Bijstandsgerechtigden dienen op een verantwoorde wijze met hun vermogen om te gaan. Het schenken of weggeven van (een deel van) het vermogen wordt als onverantwoord beschouwd, wanneer de belanghebbende op het moment van de schenking wist of had kunnen weten, dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou gaan verkeren. Hierbij is ook van belang of met dat geschonken vermogen rekening zou zijn gehouden bij de beoordeling van het recht op bijstand. Wanneer beide vragen bevestigend worden beantwoord, moet de schenking worden verhaald op de ontvangers van de schenking. Overigens gaat het hierbij niet alleen om vermogen in de vorm van geld, maar om alle vermogensbestanddelen, dus bijvoorbeeld ook het schenken van een auto, wanneer met de waarde van deze auto rekening had moeten worden gehouden. Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen en richtlijnen binnen de Pw inzake het vermogen. Dit betekent in de eerste plaats, dat alleen wordt verhaald, wanneer het vermogensbestanddelen betreft zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Verder wordt rekening gehouden met het vrij te laten vermogen, dat voor de aanvrager van toepassing is. Het meerdere boven het vrij te laten vermogen komt voor verhaal in aanmerking. Artikel 15. Afzien van verhaal De gemeente kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien als uit een evenredige belangenafweging blijkt dat de gevolgen voor de inwoner onevenredig zijn in verhouding tot het wél overgaan van verhaal (evenredigheidsbeginsel). Hiervoor moeten 3 vragen worden beantwoord aan de hand waarvan het besluit om wel of niet over te gaan tot verhaal wordt genomen. Die vragen zijn: • Is het besluit geschikt om het doel dat de gemeente voor ogen heeft te bereiken? • Is het besluit noodzakelijk om dit doel te bereiken? • Heeft de gemeente alle betrokken belangen evenwichtig afgewogen? (is het besluit in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende). Bij de beoordeling van de laatste vraag moeten de persoonlijke omstandigheden van alle betrokkenen worden gewogen. Hierbij moet worden gekeken naar zowel de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht als naar de omstandigheden van degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen. Bij deze beoordeling moeten niet alleen de financiële omstandigheden worden betrokken, maar ook de niet-financiële. Zo kan het mogelijk zijn dat er door omstandigheden van betrokkene(n) er geen verhaalgrond aanwezig is, bijvoorbeeld vanwege samenwoning van de onderhoudsgerechtigde (hier vindt dan onderzoek naar plaats). Er kan worden afgezien van verhaal indien dat voor de onderhoudsgerechtigde of de onderhoudsplichtige onaanvaardbare consequenties heeft. Er is dan sprake van dringende redenen. Mishandeling en incest kunnen zeer dringende redenen zijn om van verhaal af te zien. Het verblijf in een “Blijf van mijn lijfhuis” of toevluchtsoord levert niet persé een dergelijke dringende reden op. Is er sprake van verblijf in een dergelijke instelling dan dient de procedure wel met de grootste zorgvuldigheid te worden gevoerd. Indien er gronden aanwezig zijn om te veronderstellen dat de dringende redenen tijdelijk van aard zijn, kan worden besloten tot een afkoelingsperiode van 3 maanden. Dit betekent dat gedurende 3 maanden wordt afgezien van verhaal. Na deze 3 maanden dient opnieuw te worden beoordeeld of overgegaan kan worden tot verhaal. Uitzondering hierop is als iemand is opgenomen in een blijf van mijn lijfhuis onder geheimhouding (dit is zichtbaar in BRP of in een schrijven van het blijf-van-mijn-lijfhuis). Dan wordt gedurende de ge- heimhouding altijd afgezien van verhaal in verband met de veiligheid van alle betrokkenen. In het geval waarin een onderhoudsplichtige over onvoldoende draagkracht beschikt om een verhaalsbijdrage te kunnen leveren en het vermoeden is dat dit tijdelijk van aard is, dan wordt tijdelijk afgezien van verhaal. Middels heronderzoek(en) wordt beoordeeld of er inmiddels wel voldoende draagkracht is om een verhaalsbijdrage te kunnen leveren. Wanneer dit het geval is, wordt alsnog tot verhaal overgegaan. Als de onderhoudsplichtige met een buitenlandse nationaliteit in het buitenland verblijft, kan besloten worden om af te zien van een aanschrijving. Dan kan namelijk de Nederlandse wetgeving niet worden toegepast. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er twijfels bestaan over de daadwerkelijke verblijfplaats of duidelijk is dat sprake is van tijdelijk verblijf in het buitenland. In dat geval wordt een her- onderzoeksdatum op 12 maanden gesteld. Sinds 2004 staat het gemeenten weer vrij om af te zien van verhaal als het gaat om kleine bedragen. In deze beleidsregels is bepaald om in ieder geval af te zien van verhaal bij een op te leggen verhaalsbijdrage van € 25 per maand voor 1 kind of € 50 per maand voor 2 of meer kinderen. Daarnaast kan ook bij hogere bedragen in de individuele situatie besloten worden om af te zien van verhaal, als dat nodig is. Daarnaast zijn er situaties denkbaar waarin het onderzoeken van een bijdrage niet wenselijk is, vanuit een kosten-baten analyse of gezien de precaire situatie. Wanneer de verhaalsbijdrage maar voor korte tijd geïnd zal kunnen worden, dit is in ieder geval zo bij kinderen van 17 jaar en wanneer de onderhoudsplichtige bijna de AOW-gerechtigde leeftijd heeft, is het opleggen van de bijdrage niet langer mogelijk en het onderzoeken dus niet effectief. De wetgever geeft de mogelijkheid om vorderingen op de nalatenschap te verhalen. Het gaat hierbij om vorderingen die ontstaan zijn na het overlijden van de inwoner of bijstand die verstrekt is op borgtocht of in de vorm van een lening. Gezien de situatie, deze vorderingen moeten verhaald worden bij de nabestaanden van de inwoner, kiest de gemeente ervoor om deze vorderingen niet te verhalen. Artikel 16. Vaststelling verhaalsbijdrage Als de rechter een onderhoudsbijdrage of alimentatie heeft vastgesteld, en de onderhoudsplichtige betaalt de alimentatie niet, dan verhaalt het college de kosten van bijstand zoals opgenomen in de uitspraak van de rechter. Ontbreekt een rechterlijke uitspraak, dan onderzoekt het college aan de hand van gegevens uit digitale bestandskoppelingen, of verhaal van bijstand op de onderhoudsplichtige mogelijk is. Blijkt uit de gegevens van de digitale bestandskoppelingen, dat de onderhoudsplichtige geen draagkracht in het inkomen heeft om een onderhoudsbijdrage te betalen, dan ziet het college af van verhaal. Blijkt echter dat de onderhoudsplichtige wel draagkracht heeft in het inkomen, dan dragen we het dossier over aan de gemeente Tilburg. De gemeente Tilburg voert namens de gemeente Dongen de verhaalszaken uit. Hierbij volgt de gemeente Tilburg de regels zoals opgenomen in artikel 6:15. Het beleid op het gebied van verhaal van de gemeente Tilburg is gelijk aan dat van de gemeente Dongen. De onderhoudsplichtige wordt gevraagd bewijsstukken aan te leveren om de draagkracht vast te kunnen stellen. Wanneer hier geen gehoor aan wordt gegeven, maakt het college gebruik van de gegevens in Suwinet. Wanneer ook hier geen gegevens van de onderhoudsplichtige in bekend zijn, dan worden de volledig verstrekte kosten van bijstand verhaald op de onderhoudsplichtige. Artikel 17. Debiteuren heronderzoek verhaal Een heronderzoek moet plaatsvinden wanneer de verwachting aanwezig is dat de (financiële) omstandigheden op korte termijn zullen wijzigen. Deze omstandigheden moeten dan van wezenlijke invloed te zijn op de al opgelegde of juist niet opgelegde verhaalsbijdrage. Van wezenlijke invloed wil in dit verband zeggen dat er een aanwijzing moet zijn dat de verhaalsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten. In dit artikel staat opgenomen in welke situaties heronderzoeken plaatsvinden. Is de onderhoudsplichtige van mening dat door een wijziging van omstandigheden de verhaalsbijdrage lager moet zijn, dan kan hij dat op elk moment aangeven en moet er een onderzoek plaatsvinden. Artikel 18. Hardheidsclausule In het kader van bieden van maatwerk kan worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels ingevallen waarin toepassing van de beleidsregels onbillijk uitpakt voor de belanghebbende. Artikel 20. Intrekking Met de vaststelling van deze beleidsregels komen de voorheen geldende artikelen 6.1 tot en met 6.16 uit de Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ behorend bij Verzamelverordening 2017, versie maart 2018. Teneinde rechtsonzekerheid voor lopende procedures te voorkomen, is een overgangsbepaling opgenomen die bepaalt welk kader van toepassing is op reeds ingediende aanvragen en genomen besluiten.
Meer informatie