Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 27 oktober 2026, nr. 22774, tot vaststelling van de Uitvoeringsregeling subsidie maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Holland 2026 (MGB)

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op6 november 2026
Gepubliceerd doorProvincie Noord-Holland

Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 27 oktober 2026, nr. 22774, tot vaststelling van de Uitvoeringsregeling subsidie maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Holland 2026 (MGB) Gedeputeerde Staten van Noord-Holland; Gelet op: artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Holland 2011; de Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 22 november 2024, nr. WJZ/89410470, houdende specifieke uitkeringen aan provincies ten behoeve van de beëindiging van veehouderijlocaties, ter ondersteuning van de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat (Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties); het besluit van de Europese Commissie (goedkeuringsbesluit SPUK-maatregel Gebiedsgerichte beëindiging, C(2024) 5827 / 14 augustus 2024; het besluit van 16 januari 2025, nr. WJZ/95711908, tot wijziging van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders 2024 (verruiming criteria). Overwegende dat; de provincie Noord-Holland subsidie beschikbaar wil stellen aan veehouderijondernemingen die PAS-melder zijn en aan veehouderijondernemingen die geen PAS-melder zijn, voor de volledige of gedeeltelijke beëindiging van veehouderijactiviteiten op een veehouderijlocatie, met het oog op een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de desbetreffende veehouderijlocatie, alsmede met het oog op het realiseren van gebied specifieke maatregelen voor natuur, water en klimaat; Subsidie op grond van deze regeling heeft als doel de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden door veehouderijondernemingen blijvend te verminderen door de onomkeerbare volledige of gedeeltelijk beëindiging van veehouderijactiviteiten op veehouderijlocaties te stimuleren. Met als dat de regeling de stikstofuitstoot in de provincie blijvend te verlaagd. Daarnaast helpt deze regeling bij het halen van doelen op het gebied van stikstof, water, klimaat en natuur. Besluiten vast te stellen: Uitvoeringsregeling subsidie gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Holland 2026 Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: -AERIUS: door RIVM beheerd rekeninstrument waarmee de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden als gevolg van activiteiten of projecten wordt berekend; -diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens; -extern salderen: is het inzetten van een depositiedaling die wordt gecreëerd door de beëindiging van een activiteit op een andere locatie; -gemeld PAS-project: een Natura 2000-activiteit die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders 2024; -KMO: kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in Bijlage I van de Lvv. -landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; -landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten, bedoeld in Bijlage I van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie plaatsvindt; -landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485); -Lvv: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU, L 327); -marktwaarde: het geschatte bedrag waartegen een onroerende zaak tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marktwerking in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de taxatiedatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld; -melkvee: dieren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet; -minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; -Natura 2000-gebied: een gebied als bedoeld in Bijlage 1.1 van de Omgevingswet; -natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000- activiteit, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet of soortgelijke vergunningen op basis van eerder geldende wet- en regelgeving; -omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving; -Omgevingsregeling: Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving; -Omgevingswet: Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving; -omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in Bijlage 1.1 van de Omgevingswet; -PAS-melder: een ondernemer die een activiteit heeft gemeld onder het Programma Aanpak Stikstof die voldoet aan de vereisten voor een gemeld PAS-project -productiecapaciteit: onroerende zaken van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond(en), de bedrijfswoning en de mestvergister die voor minder dan 50 % van de totaal te behandelen dierlijke meststoffen afhankelijk is van de dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van de volledig of gedeeltelijk te sluiten veehouderijlocatie van de betreffende veehouderijonderneming; -productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in: a.voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat; b.voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; c.voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; -referentiejaar: het voor de berekening van stikstofemissie van een veehouderijlocatie gebruikte kalenderjaar, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a en vierde lid, van deze regeling; -stalcapaciteit: productiecapaciteit voor het houden van landbouwhuisdieren, uitgedrukt in het aantal dierplaatsen; -stikstofemissie: het totaal van de stikstofemissie vanaf een veehouderijlocatie, uitgedrukt in kilogram ammoniak per jaar, bepaald door optelling van de stikstofemissie per diercategorie en overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van deze regeling; -taxateur: taxateur die is ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs; -Unienorm: norm van de Unie als bedoeld in randnummer 33, onder 64, van het landbouwsteunkader; -veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon, of samenwerkingsverband daarvan, die een veehouderijonderneming drijft; -veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging; -veehouderijonderneming: een onderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of de vermeerdering van de desbetreffende dieren. Deze onderneming kan uit meerdere veehouderijlocaties bestaan; -vleesrunderen: diercategorieën met codes HA2, HA4, HA5 en HA6, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling. Artikel 2 Subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie overeenkomstig artikel 12, 13 en 14 van deze uitvoeringsregeling.2.Als gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie wordt beschouwd: a.indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot één diersoort: 1º. de op de veehouderijlocatie gebruikte stalcapaciteit wordt verminderd; en 2º.het aantal gehouden landbouwhuisdieren wordt verminderd; b.indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot twee of meer diersoorten: het houden van alle landbouwhuisdieren van één of meer diersoorten wordt beëindigd. Artikel 3 Doelgroep Subsidie wordt verstrekt aan: a.een veehouderijonderneming in provincie Noord-Holland, met een veehouderijlocatie die zich bevindt in een door de provincie aangewezen gebied in of binnen een zone van 500 meter rondom Natura 2000-gebied, zoals opgenomen in het openstellingsbesluit; of b.een veehouderijonderneming in provincie Noord-Holland, die tevens PAS-melder is, met een veehouderijlocatie die zich bevindt in een door de provincie aangewezen gebied in of binnen een zone van 500 meter rondom Natura 2000-gebied, zoals opgenomen in het openstellingsbesluit. Artikel 4 Openstellingsbesluit 1.Gedeputeerde Staten kunnen één of meer openstellingbesluiten vaststellen.2.Per openstellingsbesluit stellen Gedeputeerde Staten vast: a.het geografische gebied waarbinnen een veehouderijlocatie gelegen moet zijn; b.de doelgroep, genoemd in artikel 3; c.de periode waarbinnen een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend; en d.één of meer subsidieplafonds. 3.Een aanvraag om subsidie is tijdig ingediend, indien de aanvraag is ontvangen binnen de periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.4.Een aanvraag die buiten de in het derde lid genoemde periode wordt ontvangen, wordt geweigerd. Artikel 5 Aanvraagvereisten 1.Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk en ondertekend ingediend met behulp van het beschikbaar gestelde aanvraagformulier op www.noord-holland.nl/Loket/Subsidies en wordt vergezeld van de in het tweede lid genoemde bijlagen. 2.Bij de aanvraag worden de volgende bijlagen overgelegd: a.indien het een positief geverifieerde PAS-melder betreft, een afschrift van de PAS-melding; b.een projectplan, in de vorm van een beëindigingsplan, waarin tenminste het volgende is opgenomen of beschreven: 1.ligging van de locatie met kadastrale gegevens; 2.hoeveel kg fosfaat of varkens- of pluimvee-eenheden aanvrager wil laten vervallen; en 3.planning van de activiteiten; c.het rapport van de taxatie, bedoeld in het derde lid; d.de berekening in AERIUS van de vermindering van de stikstofemissie, bedoeld in artikel 6; e.een afschrift van de aaneengesloten gecombineerde opgaven van de laatste vijf jaar voorafgaand aan indiening van de aanvraag; f.een door de aanvrager ondertekende verklaring waaruit blijkt dat hij kwalificeert als kleine of middelgrote onderneming; g.een raming van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 7; h.van de in onderdeel g bedoelde kosten wordt met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, een onderbouwing aangeleverd met minimaal 2 offertes van sloopbedrijven; en i.een door de aanvrager ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de weigeringsgronden, bedoeld in artikel 11, niet op de aanvrager van toepassing zijn. 3.Een veehouderijonderneming die voornemens is een subsidieaanvraag in te dienen, dient minimaal 6 weken voor indiening van de aanvraag, schriftelijk een verzoek in bij gedeputeerde staten om in opdracht van de provincie een taxatie uit te laten voeren van: a.de marktwaarde van het geheel of gedeeltelijk te vervallen productierecht, bedoeld in artikel 7; b.de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en te verwijderen productiecapaciteit, bedoeld in artikel 7. 4.Subsidie wordt geweigerd, indien de activiteit financieel niet haalbaar is. Artikel 6 Subsidievereisten 1.Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het vereiste dat de vermindering van de stikstofemissie, ten opzichte van de bestaande stikstofemissie van de veehouderijlocatie, die met de volledige of gedeeltelijke sluiting wordt gerealiseerd, meer bedraagt dan de volgende drempelwaarde: a.250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie; b.750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee; c.750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie. 2.De stikstofemissie door de veehouderijlocatie wordt per diercategorie, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling, bepaald door vermenigvuldiging van: a.de emissie van ammoniak per dierplaats per jaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregeling, uitgaand van de emissiefactor die voor het toepasselijke huisvestingssysteem van toepassing is, met; b.het gemiddelde aantal gehouden landbouwhuisdieren van de diercategorie. 3.Bij de toepassing van het eerste lid, wordt voor de bepaling van de bestaande stikstofemissie uitgegaan van: a.het huisvestingssysteem dat van toepassing was en het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld werd gehouden in het kalenderjaar dat twee kalenderjaren voorafgaat aan het kalenderjaar waarin een subsidieaanvraag op grond van deze subsidieregeling is ingediend; en b.artikel 4.6 van de Omgevingsregeling (rekenregels emissie ammoniak), zoals dat luidt op de datum waarop de subsidieaanvraag op grond van deze regeling wordt ingediend. 4.Als de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het, in het kalenderjaar, genoemd in het tweede lid, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, dan kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het tweede lid genoemde kalenderjaar.5.Bij de toepassing van het tweede lid wordt in geval van gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de bepaling van de vermindering van de stikstofemissie door de gedeeltelijke sluiting, uitgegaan van de vermindering van het aantal dieren, bedoeld in artikel 13 en 14. Artikel 7 Subsidiabele kosten 1.Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: a.het waardeverlies van het te laten vervallen productierecht voor zover sprake is van een veehouderijonderneming met productierecht; b.het waardeverlies van de stilgelegde productiecapaciteit, als gevolg van de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van het veehouderijgedeelte van de agrarische onderneming, tenzij het tweede lid van de artikelen 12, 13 of 14 van toepassing is; c.de kosten van het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit door de op basis van de offertes, genoemd in artikel 5, tweede lid, onder h, gekozen aanbieder met de beste prijs-kwaliteitverhouding; d.onvoorwaardelijk ontvangen gelden voor bij de afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit vrijgekomen materialen die worden vervreemd, worden in aftrek gebracht op de kosten, genoemd in onderdeel c; e.de legeskosten voor vergunningen en planologische procedures, direct verbonden met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten; f.de kosten voor adviesdiensten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. 2.Onder kosten voor adviesdiensten, genoemd in het eerste lid, onderdeel f, wordt verstaan: a.kosten voor diensten van de accountant en de financiële instelling in verband met het volledig of gedeeltelijk sluiten van een veehouderijlocatie; b.een door een fiscalist uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de veehouder; c.een door een gecertificeerde bedrijfseconomisch geschoold deskundige gegeven bedrijfseconomisch advies inzake de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie. 3.De subsidie voor de in het tweede lid genoemde kosten voor adviesdiensten wordt uitsluitend verstrekt, indien het advies: a.wordt uitgevoerd door een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het advies betrekking heeft; b.een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de sluiting van de productiecapaciteit; c.niet behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de veehouderijonderneming; en d.wordt uitgevoerd door een adviseur die is opgenomen in het bedrijfsadviseringssysteem (BAS-register), bedoeld in artikel 15, eerste lid van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435). 4.De in het eerste lid genoemde subsidiabele kosten komen alleen in aanmerking voor subsidie, indien het redelijk gemaakte kosten betreft die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten, die voldoen aan de eisen van het landbouwsteunkader. Artikel 8 Niet subsidiabele kosten Subsidie wordt niet verstrekt voor de kosten van: a.kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag; b.verrekenbare of compensabele btw. Artikel 9 Hoogte van het subsidiebedrag 1.Subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht voor zover dat productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren dat gemiddeld in het referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden.2.De in het eerste lid bedoelde waarde wordt in opdracht van de provincie bepaald door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk op basis van: a.de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en b.de omvang van het productierecht dat vervalt. 3.Bij het taxeren van de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van indiening van de subsidieaanvraag.4.Subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, bedraagt 100% van het waardeverlies van de productiecapaciteit.5.Het in het vierde lid bedoelde waardeverlies wordt uitsluitend bepaald op basis van een in opdracht van de provincie uit te voeren taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en de te verwijderen productiecapaciteit door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk.6.Bij het taxeren van de in het vijfde lid genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van de indiening van de subsidieaanvraag.7.Subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, bedraagt 100% van de kosten die zijn gemaakt voor het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit, mits de opdrachtverlening voor die werkzaamheden heeft plaatsgevonden op marktconforme wijze.8.Subsidie voor de legeskosten voor vergunningen en planologische procedures, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, bedraagt 100%.9.Subsidie voor de kosten van adviesdiensten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel f, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5.000,- per veehouderijonderneming.10.Indien eerder door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten, of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens deze regeling kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders.11.Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidies van minder dan € 5.000,-.12.Bij subsidies van minder dan € 10.000,- wordt volstaan met subsidievaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening. Artikel 10 Verdeling van het subsidieplafond 1.Aanvragen om subsidie worden behandeld op volgorde van ontvangst.2.Wanneer een aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag, de datum waarop de aanvraag is aangevuld. 3.Indien meerdere aanvragen op dezelfde dag worden ontvangen en door honorering van deze aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de aanvraag met de laagste projectkosten als eerste in behandeling genomen.4.Indien toepassing van het vorige lid er toe leidt dat aanvragen gelijk eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. Artikel 11 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als: a.de aanvrager niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie drijft en de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; b.de veehouder zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; c.de veehouder de vrijkomende ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning; d.de veehouderijonderneming niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderijonderneming en in verband hiermee zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen; e.de veehouder failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel er een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; f.de veehouderijonderneming een onderneming is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader; g.de veehouderijonderneming een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader; h.de veehouder artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden; i.de veehouderijonderneming niet voldoet aan artikel 2, eerste lid, van bijlage I van de Lvv. Artikel 12 Verplichtingen bij volledige sluiting veehouderijlocatie 1.Bij subsidieverlening voor de onomkeerbare volledige sluiting van een veehouderijlocatie, heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: a.niet langer landbouwhuisdieren te houden op de veehouderijlocatie uiterlijk vanaf 12 maanden na subsidieverlening; b.dierlijke meststoffen te verwijderen van de veehouderijlocatie binnen 12 maanden na subsidieverlening met uitzondering van de bezinklaag in mestkelders, welke wordt verwijderd bij de afbraak van de productiecapaciteit, bedoeld in onderdeel i; c.voor zover subsidieontvanger een veehouderijonderneming met productierecht drijft, doet in overeenstemming met artikel 31, eerste lid van de Meststoffenwet binnen 12 maanden na subsidieverlening een kennisgeving aan de minister van LVVN van het vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het referentiejaar op de locatie is gehouden: -varkens: 80%; -pluimvee: 80%; -melkvee: 95%; d.afhankelijk van de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving dient de subsidieontvanger binnen 12 maanden na subsidieverlening: 1º. een omgevingsrechtelijke melding te doen bij het bevoegd gezag dat de veehouderij-onderneming op de veehouderijlocatie niet langer landbouwhuisdieren houdt; of 2º. schriftelijk mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden; e.indien de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de veehouderijlocatie, binnen 6 maanden na subsidieverlening bij het bevoegd gezag een verzoek indienen tot intrekking van de natuurvergunning en bij het verzoek tot subsidievaststelling aantonen dat de natuurvergunning is ingetrokken, tenzij onderdeel f van toepassing is; f.In het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, binnen 12 maanden na subsidieverlening een schriftelijke mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen: 1º. op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend; en 2º. waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft, de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming; g.binnen 12 maanden na subsidieverlening door toezending van een ontvangstbevestiging een schriftelijke mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd; h.binnen 6 maanden na subsidieverlening een overeenkomst sluiten met Gedeputeerde Staten, waarin de veehouder zich verbindt om: 1º. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2º. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en 3º. niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; en i.de voor de veehouderijonderneming op de locatie gebruikte productiecapaciteit wordt binnen 24 maanden na subsidieverlening afgebroken en verwijderd. 2.Gedeputeerde Staten kunnen afzien van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, binnen een door de provincie te bepalen termijn nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onder h, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd. Artikel 13 Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie met één diersoort 1.Indien subsidie is verleend voor de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: a.binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst verkleinen van de stalcapaciteit door het afbreken en verwijderen van het desbetreffende dierenverblijf of de desbetreffende dierenverblijven; b.bewerkstelligen dat binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst het aantal landbouwdieren dat gemiddeld in een jaar op de veehouderijlocatie wordt gehouden, niet meer bedraagt dan het gemiddelde van het referentiejaar verminderd met het gedeelte waarmee de stalcapaciteit wordt verkleind; c.voor zover de subsidieontvanger een veehouderij met productierecht drijft, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, overeenkomstig artikel 31, eerste lid van de Meststoffenwet een kennisgeving doen van het gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij in vergelijking met de situatie in het referentiejaar ten minste het productierecht voor een zodanige omvang komt te vervallen als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal landbouwhuisdieren waarmee het jaarlijks gemiddeld aantal gehouden landbouwhuisdieren overeenkomstig onderdeel b is verminderd: -varkens: 80%; -pluimvee: 80%; -melkvee: 95%; d.al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld onder f: 1º. een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat het jaarlijks op de veehouderijlocatie gemiddeld aantal gehouden landbouwhuisdieren overeenkomstig onderdeel b wordt verminderd; of 2º. schriftelijke mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat op verzoek van de subsidieontvanger het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de veehouderijlocatie zodanig heeft aangepast dat de vergunning nog slechts betrekking heeft op het in onderdeel b bedoelde jaarlijks gemiddeld aantal te houden landbouwhuisdieren; e.binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst schriftelijke mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen, op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie; f.binnen 6 maanden na verzending van de subsidieverleningsbeschikking een overeenkomst sluiten met Gedeputeerde Staten, waarin de subsidieontvanger zich verbindt om: 1º. niet meer landbouwhuisdieren te houden dan het aantal dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2º. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden dan het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie; en 3º. niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband. 2.Gedeputeerde Staten kunnen afzien van de verplichting tot het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover de veehouderijonderneming dat gebouw of die gebouwen langdurig gaat gebruiken: a.voor de veehouderijonderneming, mits dit niet leidt tot een toename van het aantal dierplaatsen ten opzichte van de ingevolge het eerste lid, onder a, verkleinde productiecapaciteit; b.voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet met dat gebruik heeft ingestemd. Artikel 14 Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie met meer dan één diersoort 1.Indien subsidie is verleend voor de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: a.niet langer op de veehouderijlocatie houden van de landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, binnen 12 maanden na subsidieverlening; b.binnen 28 maanden na subsidieverlening afbreken en verwijderen van de desbetreffende productiecapaciteit; c.voor zover de veehouder een veehouderij met productierecht drijft, binnen 12 maanden na subsidieverlening, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet, een kennisgeving doen van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht voor de desbetreffende diersoort of diersoorten, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het referentiejaar op de locatie is gehouden: -varkens: 80%; -pluimvee: 80%; -melkvee: 95%; d.al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet binnen 12 maanden na subsidieverlening: 1º. een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie niet meer dan het aantal landbouwhuisdieren op basis van de verminderde productiecapaciteit houdt, of; 2º. schriftelijke mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet meer is toegestaan op de locatie meer landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten te houden dan de verminderde productiecapaciteit toelaat; e.Indien de veehouder geen PAS-melder is dient hij binnen 12 maanden na subsidieverlening, bedoeld onder f, schriftelijke mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag - op verzoek van de veehouder - een besluit heeft genomen, op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of diersoorten die na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie nog gehouden worden, uitgaand van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in het referentiejaar werd gehouden; f.binnen 6 maanden na subsidieverlening een overeenkomst sluiten met Gedeputeerde Staten waarin de subsidieontvanger zich verbindt om: 1º. niet meer landbouwhuisdieren te houden dan het aantal dat overeenkomstig onderdeel c nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2º. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten worden gehouden; en 3º. niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband. 2.Gedeputeerde Staten kunnen afzien van de verplichting tot het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in het eerste lid, onder b, voor zover de veehouderijonderneming dat gebouw of die gebouwen langdurig gaat gebruiken: a.voor de veehouderijonderneming, mits dit niet leidt tot een toename van het aantal dierplaatsen ten opzichte van de ingevolge het eerste lid, onder b, verkleinde productiecapaciteit; b.voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet met dat gebruik heeft ingestemd. Artikel 15 Verlenging termijn verplichtingen Indien de subsidieontvanger een verplichting als bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14 wegens onvoorziene omstandigheden niet binnen de genoemde termijn kan naleven, kan hij uiterlijk vier weken voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij gedeputeerde staten tot verlenging van de termijn. Artikel 16 Voorwaardelijke subsidieverlening 1.De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat binnen 6 maanden na subsidieverlening tussen de subsidieontvanger en de provincie Noord-Holland een overeenkomst als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder h, 13, eerste lid, onder f, en 14, eerste lid, onder f, wordt gesloten waarin een kwalitatieve verplichting is opgenomen als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek betreffende een onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de betreffende veehouderijlocatie.2.De kwalitatieve verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt bij notariële akte opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers. Artikel 17 Bevoorschotting en betaling 1.Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van in totaal 80% van het verleende subsidiebedrag, dat overeenkomstig dit artikel wordt betaald in termijnen.2.Een of meer termijnvoorschotten van in totaal 55% van het verleende subsidiebedrag wordt of worden uitbetaald volgens een door Gedeputeerde Staten bij verlening van de subsidie te bepalen betalingsritme, dat is gebaseerd op de geplande voortgang van het project.3.Indien uit voortgangsrapportages blijkt dat sprake is van vertraging in de uitvoering van het project, kunnen Gedeputeerde Staten de uitbetaling van de in het tweede lid genoemde voorschotten geheel of gedeeltelijk opschorten.4.Een voorschot van 25% van het verleende subsidiebedrag wordt uitbetaald na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 12, onderdeel h, artikel 13, onderdeel f en artikel 14, onderdeel f. Artikel 18 Subsidievaststelling 1.Een aanvraag tot vaststelling wordt ingediend binnen 13 weken na voltooiing van de activiteit.2.Gedeputeerde Staten stellen voor de aanvraag tot vaststelling een formulier beschikbaar op www.noord-holland.nl/Loket/Subsidies.3.Gedeputeerde Staten beslissen binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.4.In aanvulling op het vaststellingsformulier genoemd in het tweede lid overlegt de aanvrager bij het verzoek tot vaststelling: a.de registratie van de kennisgeving aan de minister van LVVN van de vervallen productierechten behorende bij deze veehouderijlocatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, 13, eerste lid, onderdeel c en 14, eerste lid, onderdeel c; b.een afschrift van de melding of mededeling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel d, 13, eerste lid, onderdeel d of 14, eerste lid, onderdeel d; c.een afschrift van de mededeling aan Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel e, 13, eerste lid, onderdeel e en artikel 14, eerste lid, onderdeel e; d.een afschrift van de ondertekende overeenkomst als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel h, 13, eerste lid, onderdeel f en 14, eerste lid, onderdeel f. Artikel 19 Transparantie 1.Gedeputeerde Staten maken na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens bekend: a.de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en b.de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000. 2.De gegevens die door de veehouderijonderneming zijn verstrekt aan de provincie op grond van deze subsidieregeling, kunnen door de provincie worden verstrekt aan de Minister van LVVN.3.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of Gedeputeerde Staten kan gegevens die in het kader van deze regeling zijn verstrekt: a.gebruiken voor het opnemen van depositieruimte in het Aerius Register, bedoeld in hoofdstuk 17A van de Omgevingsregeling; b.verwerken voor de toepassing van artikel 20.1, eerste lid van de Omgevingswet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit; c.verstrekken aan kennisinstellingen met het oog op monitoring, voortgang en evaluatie. Artikel 19 Beslistermijn Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag uiterlijk binnen 29 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Artikel 20 Inwerkingtreding 1.Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van de uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst.2.De regeling vervalt met ingang van 31 december 2029. Artikel 21 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling subsidie maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Holland 2026 (MGB). Haarlem, 27 oktober 2026. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland A.Th.H. van Dijk, voorzitter. M.J.H. van Kuijk, provinciesecretaris

Meer informatie