Fokus op it ferline. Beleidsnotitie Gebouwd erfgoed 2023
Fokus op it ferline. Beleidsnotitie Gebouwd erfgoed 2023 besluit: 1.‘Fokus op it ferline. Beleidsnotitie Gebouwd erfgoed 2023’ vast te stellen, waarbij op pagina 28 de zin “Het proces is vergelijkbaar met een reguliere procedure van aanwijzing.” wordt aangevuld met: “, maar tevens wordt de gemeenteraad in de gelegenheid gesteld om eventuele wensen of bedenkingen te uiten met daarbij het advies van de gemeentelijke adviescommissie.” Samenvatting In de voorliggende beleidsnotitie worden de eerste stappen gezet om te komen tot een volwaardig gemeentelijk monumentenbeleid en worden er aanzetten gegeven over de omgang met het gebouwde erfgoed binnen de gemeente Opsterland. De beleidsnotitie bestaat uit vijf delen. In het eerste deel komen de ambities en doelstellingen van de gemeente aan bod en wordt beschreven welke voor- en nadelen het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid en beleid voor gebouwd erfgoed met zich meebrengt. In het tweede deel wordt er een korte historische schets gegeven van de ontwikkelingen die plaatshadden in gemeente Opsterland, en dan met name met het oog op het gebouwde erfgoed. De historische achtergrond geeft inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de bebouwing binnen gemeente Opsterland. Daarin is een verdeling gemaakt van diverse aspecten, waaronder functionele bebouwing en industrieel erfgoed die kenmerkend is voor de wat grotere kernen en het agrarische erfgoed dat we vooral in het buitengebied zien. Ook de naoorlogse wijkopbouw in onder andere Gorredijk en Ureterp en het groene erfgoed, waartoe ook de landgoederen en parken behoren, worden belicht. In deel drie wordt ingegaan op de wettelijke kaders die er zijn voor gebouwd erfgoed op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Als gemeente hebben we te maken met tal van regelingen en wetten waar het gaat om cultureel erfgoed. Ook in de toekomst, met de komst van de nieuwe Omgevingswet, moet het geheel aan cultureel erfgoed een plek krijgen in het Omgevingsplan. In deel vier komt de praktische uitvoering van het gemeentelijk monumentenbeleid aan bod en worden de werkwijze, de aanwijsprocedure en criteria voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten uiteengezet op basis van de werkwijze van stichting Steunpunt Monumentenzorg Fryslân. Het Steunpunt is benaderd voor de uitvoering van de inventarisatie, de beoordelingen en het toekennen van een redengevende beschrijving, die handvaten geeft bij de vergunningverlening voor gemeentelijke monumenten. Ook de instelling van een verplicht erfgoedregister en het belang van het principe van vrijwilligheid worden beschreven: aanwijzing van gemeentelijke monumenten geschiedt op basis van vrijwilligheid, alleen als eigenaren zelf akkoord gaan met de aanwijzing kan de aanwijzing definitief gemaakt worden. Hiermee wordt aangesloten bij de werkwijze van buurgemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Smallingerland en tal van andere Friese gemeenten, die al in een eerder stadium gemeentelijke monumenten hebben aangewezen. Ook hier is het Steunpunt betrokken (geweest) bij de beoordelingen en waarderingen. In het vijfde deel wordt de belangrijkste informatie voor eigenaren van monumenten beschreven: de rechten en plichten, voorwaarden en subsidiemogelijkheden voor eigenaren en wat er nodig is voor het doen van een aanvraag voor een verbouwing of aanpassingen aan woning of pand. In dit hoofdstuk staat bovendien verdere informatie over verduurzaming en herbestemming, digitale toegankelijkheid van informatie omtrent gemeentelijke monumenten en de informatievoorziening voor eigenaren beschreven. De voorliggende notitie is van tijdelijke duur, omdat het werkproces daartoe noopt. Pas nadat de aanwijzingsprocedure doorlopen is, eigenaren geïnformeerd zijn en de mogelijkheid hebben gehad inspraak te leveren, en er als resultaat hiervan een definitieve lijst van gemeentelijke monumenten ontstaan is, kan er een vervangende beleidsnotitie uitgewerkt worden. Ook dan pas kan het wettelijk verplichte erfgoedregister vastgesteld worden. Daarbij komt bovendien het aspect van subsidievoorziening. Deze is afhankelijk van het uiteindelijke aantal gemeentelijke monumenten. Het vaststellen van de hoogte van de subsidie voor eigenaren kan pas uitgevoerd worden nadat bekend is hoeveel gemeentelijke monumenten er daadwerkelijk zijn. Bovendien gaat het niet alleen om het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, maar is er het doel om ook aandacht te schenken aan herbestemming en verduurzaming voor het gebouwde erfgoed in het algemeen. Deze aspecten worden in de hierop volgende notitie, die naar verwachting in de eerste helft van 2024 gereed is, verder uitgewerkt. Deel 1. Gebouwd erfgoed in Opsterland Inleiding Erfgoed is overal om ons heen. Wanneer mensen gevraagd wordt een beschrijving te geven van hun omgeving en waarom zij zich daarmee verbonden voelen, benoemen mensen doorgaans die zaken die betekenis voor hun hebben, waaraan ze hun identiteit ontlenen: kenmerkende aspecten van het landschap, het verleden van woonplaats en regio, bijzondere gebouwen en noemenswaardige locaties, dat waaraan waarde gehecht wordt en waarmee men zich onderscheidt van alle andere plaatsen. Een groot deel van dit referentiekader kan aangemerkt worden als cultureel erfgoed. Met de term ‘cultureel erfgoed’ wordt over het algemeen bedoeld de voor de menselijke cultuur en geschiedenis waardevol geachte materiële kenmerken van die cultuur uit het verleden. De meest herkenbare en meest zichtbare vorm van het culturele erfgoed is het gebouwde erfgoed, dat in ons dagelijks leven overal om ons heen aanwezig is, zoals kerken, statige woonhuizen, oude fabrieken, heren- en landhuizen, keuterboerderijen, schoolgebouwen en molens. Niet alleen ontlenen inwoners hun identiteit aan gebouwde objecten, ook dragen ze in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, hebben ze een positief effect op het vestigings- en leefklimaat en zijn ze belangrijk voor het toerisme. De diverse panden en objecten vertellen het verhaal van onze gemeente; de historie en de ontstaansgeschiedenis. Velen zijn van mening dat deze ‘dragers’ van ons verleden behouden moeten blijven, en waar nodig moeten worden beschermd. Deels is dit al gedaan op nationaal niveau, door de aanwijzing van rijksmonumenten. Voor het overige deel ligt hier echter een taak voor de gemeente. Zij heeft de mogelijkheid om gebouwde objecten aan te wijzen tot gemeentelijk monument. Aanleiding tot deze notitie Gemeente Opsterland is rijk aan cultureel erfgoed, met in de meest tastbare vorm het gebouwde erfgoed. De ontwikkelingen die de gemeente heeft doorlopen in de afgelopen eeuwen heeft ervoor gezorgd dat er een verscheidenheid aan gebouwen te zien is: van de statige panden en landhuizen rond Beetsterzwaag en Olterterp, de woon-winkelpanden in het hart van Gorredijk en de arbeiderswoningen in Nij Beets tot de grote, historische boerenplaatsen in het buitengebied en bijzondere gebouwen die nagenoeg elk dorp bezit, zoals kerken en zuivelfabrieken. Ze vertellen op hun eigen manier het verhaal van de omgeving en geven inzicht in het verleden en de ontwikkeling van een dorp of het gebied. In het verleden zijn er diverse inventarisaties uitgevoerd naar het gebouwde erfgoed binnen de gemeentegrenzen, waaronder het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) door Provinsje Fryslân in 1992 en, in 2018, een (gedeeltelijke) inventarisatie door Stichting Beekdallandschap Koningsdiep. Er zijn tal van cultuurhistorische waardevolle en beschermenswaardige objecten in kaart gebracht, waarvan enkelen ondertussen een status als rijksmonument hebben gekregen. Er zijn er echter ook een groot aantal objecten zonder beschermde status. Uit een recente analyse blijkt dat van de 370 objecten van de MIP-inventarisatie minstens 23% (zo’n 60 stuks) is gesloopt of onherkenbaar is veranderd. In de afgelopen jaren is door inwoners, betrokken burgers alsook door leden van de gemeenteraad van Opsterland verschillende malen de wens geuit om gemeentelijk monumentenbeleid te ontwikkelen en gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Ook eigenaren van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen hebben herhaaldelijk en onderbouwd verzocht om de toekenning van de status van gemeentelijk monument voor hun eigendom. Na het verdwijnen van enkele cultuurhistorische waardevolle panden, is de roep vanuit de samenleving luider geworden om het gebouwde culturele erfgoed te beschermen. Ook de gemeenteraad van gemeente Opsterland heeft zich unaniem positief uitgelaten middels een stemming om hiermee te starten. Het is duidelijk dat de tijd rijp is voor gemeentelijk monumentenbeleid, omdat het gebouwde erfgoed het waard is om behouden te worden. Waarde is een kernbegrip in de zorg en de waardering voor erfgoed. Wat als waardevol wordt beschouwd, verdient het immers om (her)gebruikt, behouden en gekoesterd te worden. ‘Waarde’ behelst meer dan alleen de financiële waarde. In de basis verwijst het ook naar de gebruikswaarde, zoals het wonen en werken in een gebouw. Daarnaast speelt ook de belevingswaarde van erfgoed een grote rol. In alle gevallen waarbij waarde wordt toegekend aan cultureel erfgoed is kennis van belang. Wanneer men de waarden (financiële waarde, gebruikswaarde, belevingswaarde) kent van het object, zal men een meer overwogen beslissing kunnen nemen over de omgang ermee. Deze notitie stelt de kaders, richting en mogelijkheden voor het te voeren beleid voor het gebouwde erfgoed en vormt de beleidsbasis voor het aanwijzen van gemeentelijk monumenten en beschermde dorpsgezichten. Achtergrondinformatie De MIP-lijst en de inventarisatie uit 2018 die uitgevoerd is door Stichting Beekdallandschap Koningsdiep vormen de basis voor de eerste groslijst van potentiële monumenten (bijlage 5). Daarnaast is er ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied uit 2014 een inventarisatie uitgevoerd om inzicht te krijgen in het aantal oorspronkelijke boerderijen (boerderijen die van betekenis of beeldbepalend zijn voor het omliggende landschap). Boerderijen die zich in (nagenoeg) oorspronkelijke staat bevonden, dus geen plaatmaterialen als dak hadden of grote verbouwingen en/of andere grote ingrepen hebben ondergaan, zijn eveneens op de groslijst geplaatst. Het komt echter ook voor dat er panden zijn, die, ondanks de ingrepen aan hun oorspronkelijke exterieur, nog steeds van grote waarde zijn voor hun omgeving, bijvoorbeeld omdat zich er een belangrijke historische gebeurtenis heeft afgespeeld of omdat het betreffende object een grote rol speelde in het sociale leven. Panden waarbij dit het geval is, worden eveneens meegenomen in de waardering, waarbij het immateriële aspect, het verhaal achter het object en de plaats in de geschiedenis leidend zijn. De afgelopen jaren wordt het verhaal dat verteld wordt over de geschiedenis in toenemende mate van belang bij de omgang met erfgoed. Om van een conceptlijst met geselecteerde objecten te komen tot een vastgestelde lijst met gemeentelijke monumenten is gemeentelijk monumentenbeleid noodzakelijk op basis waarvan een aanwijzingsprocedure kan worden gevolgd. Om tot doeltreffende bescherming en instandhouding te komen, is het raadzaam te kiezen voor een lijst met gemeentelijke monumenten. In buurgemeenten Ooststellingwerf en Weststellingwerf is in het verleden al gemeentelijk monumentenbeleid ontwikkeld. Door de nauwe samenwerking tussen Opsterland en deze twee buurgemeenten, wordt aangeraden ervoor te kiezen om dezelfde systematiek en aanwijsprocedure te doorlopen ter bevordering van de samenwerking en het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Ook zit daaraan een praktisch aspect: de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) kan hun werkzaamheden dan op basis van eenduidige systematiek voor alle drie de gemeenten uitvoeren. Beleid voor gebouwd erfgoed kan worden gevoerd op verschillende niveaus. Op dit moment voert gemeente Opsterland alleen de noodzakelijke, sinds 2009 van rijkswege wettelijk voorgeschreven, taken uit waar het gaat om cultureel erfgoed. Het voorstel is om hierin verandering aan te brengen door het opstellen van beleid voor gebouwd erfgoed, c.q. gemeentelijk monumentenbeleid, en op die manier een bijdrage te leveren aan het behoud van objecten die een belangrijke cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen alsook het bevorderen van de instandhouding en waardering daarvan. Middelen hiertoe bestaan niet alleen uit financiële opties, maar ook uit het bijstaan van eigenaren wanneer er advies nodig is op het vlak van verduurzaming, van restauratie of bij het toekennen van nieuwe functies c.q. herbestemming. Duidelijk mag zijn dat het beleid rondom gebouwd erfgoed slechts een onderdeel is van een veelheid aan onderwerpen die geschaard kunnen worden onder de paraplu ‘Erfgoedbeleid’. Het voornemen is dat dit – voor zover nodig – per onderwerp stapsgewijs wordt ontwikkeld, zoals uiteengezet is in de Startnotitie Cultureel erfgoed, welke door de gemeenteraad vastgesteld is. Onderliggende notitie is mede tot stand gekomen door samenwerking met Steunpunt Monumentenzorg Fryslân, uit gesprekken met Stichting Historisch Beetsterzwaag en enkele eigenaren van panden en objecten met cultuurhistorische waarde. Bij de uitwerking van de definitieve nota zullen eigenaren van potentiële gemeentelijke monumenten, Stichting Historisch Beetsterzwaag en andere plaatselijke stichtingen, de Plaatselijk Belangen en Steunpunt Monumentenzorg Fryslân betrokken worden om recht te doen aan het Verdrag van Faro (2005), waarin participatie van de mienskip een kernpunt vormt. Zo wordt er aangesloten bij de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Sustainable Development Goals, internationale verdragen inzake het landschap en immaterieel erfgoed, de nieuwe museumdefinitie en de missie van UNESCO Werelderfgoed, om het erfgoed te laten bijdragen aan het welzijn van mensen en wederzijds begrip tussen mensen en volkeren. De Notariskoepel en tuinmanswoning. Beide behoren bij het rijksmonumentale Lycklamahûs, maar hebben geen beschermde status. 1. De waarde van gebouwd erfgoed. Doelstellingen en ambities Wanneer er gesproken wordt over monumenten, wordt vaak aangenomen dat het gaat over panden of gebouwen. Monumenten zijn niet altijd gebouwen. Naast onroerende zaken, onder andere bouwwerken, terreinen, bomen, grafstenen, wegen, straten, pleinen en bruggen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid of cultuurhistorische achtergrond, kunnen ook verzamelingen panden of objecten (bijvoorbeeld enkele bijeen gelegen woningen of een woonhuis met bijzondere stalgebouwen en tuinaanleg) in hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel wegens hun wetenschappelijk of cultuurhistorische waarden, monument zijn. 1.1 Doelstellingen en ambities nader bekeken De belangrijkste reden om te komen tot beleid voor het gebouwde erfgoed met daaraan gekoppeld een gemeentelijke monumentenlijst is om het gebouwde cultureel erfgoed in de gemeente Opsterland duurzaam te beschermen en in stand te houden. Met beleid voor gebouwd erfgoed beoogt gemeente Opsterland panden, objecten en ensembles in stand te houden die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en architectuur, of om hun cultuurhistorische waarde dan wel bouwkundige aard of betekenis. Een dergelijke regeling is al van toepassing op monumenten waaraan een landelijk belang tot behoud is gekoppeld: de rijksmonumenten. Er zijn echter ook tal van monumentale panden aan te wijzen met een cultuurhistorische waarde op plaatselijk of regionaal niveau. Om ervoor te zorgen dat cultuurhistorisch waardevolle objecten beschermd en behouden worden, wil de gemeente Opsterland in de looptijd van deze beleidsnotitie een aantal cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwijzen als gemeentelijk monument, die niet zomaar gewijzigd of gesloopt mogen worden. Door te streven naar het behoud en herstel van dergelijke panden en objecten wordt er tevens beoogd een bijdrage te leveren aan de versterking van de eigen identiteit en karakter van de gemeente. Bovendien heeft cultureel erfgoed vaak een positieve invloed op de kwaliteit van de leefomgeving in de directe omgeving van het erfgoed. Het behoud van cultureel erfgoed kan daarmee, afhankelijk van de uitstraling van het object, bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Vanuit dit opzicht kan het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid ook helpen bij het ontwikkelen van een meer gebiedsgerichte aanpak in de zorg voor het erfgoed en bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Oog hebben voor objecten met monumentale waarden zorgt ook voor het bewust worden van de omgeving daarvan. Daarnaast kan het een impuls geven aan het toerisme en daarmee ook aan de lokale economie. Een andere reden om te komen tot gemeentelijk monumentenbeleid is dat er onduidelijkheid bestaat bij het beoordelen van vergunningsaanvragen bij panden zonder beschermde status maar met potentiële cultuurhistorische waarden. In veel gemeenten, waaronder ook in buurgemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Heerenveen en Smallingerland, wordt deze onduidelijkheid ondervangen door een gemeentelijke monumentenstatus of status als karakteristiek of beeldbepalend aan een pand of object toe te kennen. Zo wordt de beoordeling van vergunningsaanvragen voor verbouwingen en aanpassingen eenvoudiger, eenduidiger en transparanter. Het bezitten van een object met de status gemeentelijk monument geeft bovendien meer voordelen: initiatieven om het herstel en behoud (financieel) te bevorderen komen op deze manier binnen handbereik voor eigenaren van objecten. De status van gemeentelijk monument biedt eigenaren subsidiemogelijkheden bij stichtingen en overheden. Deze positieve impuls zorgt voor een balans ten opzichte van de beperkende voorwaarden die de status van gemeentelijk monument met zich meebrengt. Dit dient de doelstelling van het beleid, namelijk het beschermen en in stand houden van cultuurhistorisch erfgoed. Daarnaast zorgt het dikwijls voor een toename van de (markt)waarde van de het object. Het is wenselijk dat eigenaren van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen worden aangemoedigd om hun monument in een zo goed mogelijke staat te brengen en te houden. 1.2 Voor- en nadelen op een rij In de voorgaande paragraaf zijn al enkele voordelen van gemeentelijk monumentenbeleid en beleid voor gebouwd erfgoed benoemd. In aanvulling hierop zijn er nog meer voordelen te benoemen, die in onderstaand overzicht weergegeven worden. Wanneer de voordelen en nadelen van het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid op een rij gezet worden, wordt duidelijk dat de voordelen groter zijn dan de nadelen. Risico’s en nadelen -het creëren van draagvlak voor monumentenbeleid kan moeilijk zijn. De oorzaak hiervan is dat het beleid partijen met verschillende belangen raakt, waaronder de eigenaren van potentiële monumenten. Dit zal bij de totstandkoming van het beleid specifieke aandacht krijgen om draagkracht te verkrijgen en om uitvoeringsproblemen te voorkomen; -het uitvoeren van gemeentelijk monumentenbeleid brengt onvermijdelijk kosten met zich mee. In de begroting voor 2023 zijn de kosten voor de inventarisatie en voor het toekennen van een redengevende omschrijving aan de geselecteerde objecten gedekt. Voor de omvang van de beschikbare subsidie is dit afhankelijk van de beleidskeuzes, inclusief de wijze van financiering. Dit risico moet worden benadrukt in relatie tot de budgettaire situatie; -gebiedsontwikkelingen en –reconstructies kunnen mogelijk bemoeilijkt worden vanwege de beschermde status die panden krijgen; -op dit moment lopen de potentieel cultuurhistorische waardevolle objecten het risico om in hun monumentale waarden aangetast te raken of, in het ergste geval, volledig gesloopt te worden. Kansen en voordelen -het behouden en beschermen van cultureel erfgoed wordt mogelijk gemaakt door beleid voor gebouwd erfgoed; -het kiezen voor een duurzame invulling van potentieel cultuurhistorisch erfgoed door het voorkomen van sloop en stimuleren van herbestemming van bestaande panden; -het bevorderen van de sociale cohesie door het versterken van de lokale identiteit als gevolg van het behoud van de specifieke kwaliteiten van de fysieke leefomgeving; -het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid en het zicht hebben op wat er is aan objecten met cultuurhistorische waarde, kan ervoor zorgen dat erfgoed een steviger positie krijgt in maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkelingen; -zicht op cultuurhistorische waardevolle objecten biedt kansen deze in te zetten bij lokale initiatieven om de leefbaarheid te verbeteren en kunnen ook ingezet worden bij ontwikkelingen die zich voordoen op andere beleidsterreinen, bijvoorbeeld toerisme en economie. -er ontstaan mogelijkheden om vooraf te sturen op ingediende plannen in plaats van alleen achteraf reageren, waardoor er gestuurd kan worden op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid; -gemeentelijk monumentenbeleid geeft een goed beschermingskader: ingrepen vereisen een vergunning, wat de invloed van de gemeente op (sloop-, bouw-, en ruimtelijke) plannen vergroot; -er ontstaan mogelijkheden tot vergroting van het draagvlak voor cultureel erfgoed; -het voorkomt aantasting van de uitstraling van het landschap; -bij besluitvorming over sloop en bij vervangende nieuwbouw wordt voorkomen dat er sprake is van onsamenhangendheid en willekeur en er ontstaat een gedegen onderbouwing naar externen wanneer er een sloopmelding gedaan wordt; -het geeft eigenaren van monumenten de kans aanspraak te doen op de diverse subsidieregelingen en laagrentende leningen voor onderhoud en verbouwing; -er kan optimaal gebruik gemaakt worden van de landelijke bepalingen voor het behoud van cultureel erfgoed; -het zorgt ervoor dat we geheel aansluiten bij de vereisten van de Omgevingswet, waar cultureel erfgoed een hoofdthema vormt en het verplicht is om het geheel aan cultureel erfgoed mee te wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen; -het vergemakkelijkt de integratie van cultureel erfgoed in het Omgevingsplan; -met beleid voor gebouwd erfgoed en ander cultureel erfgoed sluiten we beter aan bij de gemeenten Ooststellingwerf en Weststellingwerf, wat de samenwerking vergemakkelijkt wanneer er sprake is van gemeentegrens overstijgende samenwerking; -het zorgt voor kaders bij collega’s wanneer het gaat om cultuurhistorisch waardevolle objecten en zorgt voor eenheid in de werkzaamheden op de afdeling vergunningverlening, die ook de beoordeling van de gemeentelijke monumenten van Ooststellingwerf en Weststellingwerf behandelen. Van objectgericht naar gebiedsgericht Sinds 2014 zijn gemeenten wettelijk verplicht om cultuurhistorie op te nemen in de bestemmingsplannen (artikel 3.1.6 lid 5 sub a Bro). Het is daarom van belang om een goede inventarisatie en analyse te maken van de aanwezige cultuurhistorische waarden in de gemeente. Moderne erfgoedzorg gaat over cultuurhistorie, dus over zowel het archeologische, het historisch-geografische als het gebouwde erfgoed, en het gaat over beschermen en in stand houden, ontwikkelen en inspireren. We spreken daarom niet meer over monumentenzorg, maar over erfgoedzorg. In plaats van de statische bescherming van objecten, is de tendens nu meer om te kijken naar historische structuren en ruimtelijke elementen waaruit we de ruimtelijke opbouw en ontwikkeling van een gebied kunnen aflezen. Denk hierbij aan lintdorpen, dijken, verkaveling van het landschap, groenstroken en de stedenbouwkundige opzet van woonwijken die typerend zijn voor een bepaalde periode. Daarbij gaat het niet puur en alleen om behoud, maar veel meer om ‘behoud door ontwikkeling’, behoud van het ruimtelijke karakter en de beleving. Er zijn verschillende manieren om cultuurhistorische waarden vast te leggen. Dit kan door middel van een bestemming, een dubbelbestemming ‘cultuurhistorie’, een bouwaanduiding of het aanduiden van karakteristieke objecten. Het omschrijven van cultuurhistorische kenmerken in bijvoorbeeld beeldkwaliteitsplannen en bestemmingsplannen is het uitgangspunt voor het behoud en versterken van cultuurhistorie in meer algemene zin. Een bestemming of dubbelbestemming heeft een prioritair karakter en betreft bijvoorbeeld ‘van waarde’. Een aanduiding geeft meer specifiek bouw- of gebruiksbeperkingen voor de onderliggende bestemming. Het betekent niet dat er op die cultuurhistorisch waardevolle locaties geen ontwikkelingen meer plaats kunnen vinden, maar dat deze ontwikkeling met besef van en respect voor de waarde van de betreffende locatie gebeurt. Een belangrijke gemeentelijke taak daarbij is het creëren van besef en kennis van de aanwezigheid en betekenis van cultuurhistorie. Hierbij kan het toekennen van een gemeentelijke monumentenstatus aan cultuurhistorisch waardevolle objecten fungeren als wezenlijke ondersteuning. Ondanks de gebiedsgerichte focus is het zodoende nog steeds van belang om te weten wat je hebt aan cultureel erfgoed. Het toekennen van een gemeentelijke monumentenstatus onderstreept het belang van de bijzondere en cultuurhistorische waardevolle objecten, waarmee inzichtelijk gemaakt wordt op welke locaties we hiermee te maken hebben. Als gevolg van een dergelijke status van objecten, zal de waardering voor het Opsterlandse erfgoed toenemen, en hopelijk tot het besef van de geschiedenis en kennis van de locatie leiden en zodoende inspiratie brengen bij ruimtelijke ontwikkelingen en zorgen voor extra zorgvuldige planontwikkeling op gevoelige locaties. Met de gebiedsgerichte aanpak is het aanwijzen van een zelfstandig object, gebouw of zelfstandige structuur minder relevant geworden. Cultuurhistorie dient opgenomen te worden in het grotere perspectief. Toch is een objectgerichte benadering om te komen tot een volledig overzicht een eerste stap in die richting. In een later stadium van de ontwikkeling van breed erfgoedbeleid, waar gemeentelijk monumentenbeleid een onderdeel van vormt, kan het gemeentelijk monumentenbeleid verweven worden archeologie en cultuurhistorie en kan er een overstap gemaakt worden naar een meer gebiedsgerichte omgang met cultureel erfgoed. De aandacht bovendien ligt niet langer alleen op behoud, maar veel meer op ontwikkeling, hergebruik en beleving. Erfgoedzorg richt zich tegenwoordig veel meer op het behoud en vernieuwing met elkaar verbinden. In de hierop volgende notitie zullen enkele suggesties worden gegeven voor maatregelen die tegen geringe kosten kunnen worden genomen om eigenaren van beschermwaardige objecten te stimuleren passend gebruik van hun monument te maken. Panden gebouwd tussen 1850 en 1930. Hoofdstraat, Beetsterzwaag Deel 2. Historische achtergrond van Opsterlands gebouwde erfgoed 2. Historische achtergrond van het gebouwde erfgoed Gemeente Opsterland is gelegen in de zuidelijke Friese wouden en ligt op de overgang van het Drents-Friese plateau (de zandgronden) in het oosten en de lagergelegen veengebieden in het westen. Dat zorgt ervoor dat de bebouwing in de verschillende delen van de gemeente een eigen karakter heeft. In deze paragraaf wordt een korte historische schets gegeven van gebouwd erfgoed. In de definitieve notitie zal dit onderwerp verder uitgediept worden. 2.1 Historische kernen en linten Binnen de gemeente Opsterland liggen 16 dorpen, waarvan het grootste deel van middeleeuwse oorsprong is. De rivier de Boorne, ook wel bekend als Koningsdiep of Alddjip, is bepalend geweest voor het ontstaan van de dorpskernen en de bebouwingslinten ten noorden en ten zuiden daarvan. Kenmerkend voor de bebouwingslinten is dat ze de loop van de rivier volgen. Waren het vroeger met name boerderijplaatsen die hier stonden (en verdwenen zijn), nu zijn het vaak karakteristieke woningen uit de periode 1875 tot 1950 die hier een plek gekregen hebben, waarvan sommige een zeer grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. 2.2 Invloed van modernisering en schaalvergroting Diverse moderniseringsprocessen en de schaalvergroting hebben bijgedragen aan de vorming van de bebouwing binnen de gemeentegrenzen, zoals het ontstaan van grootschalige turfwinning, infrastructurele ontwikkelingen en (kleinschalige) industrialisering. Rond het midden van de zestiende eeuw werden de eerste (hoog)veengebieden aangekocht voor een meer grootschalige turfwinning. Er werden verschillende vaarten gegraven met haaks daarop de wijken voor de ontwatering en afvoer van turf. De vaart naar het Gorreveen is rond 1625 gegraven. Meer oostwaarts werd de Opsterlandsche Compagnonsvaart gegraven. In 1783 liep deze vaart tot aan de grens met Ooststellingwerf. In het noordoosten van Opsterland werd de Drachtster (Compagnons)vaart gegraven (1642), die later werd doorgetrokken naar Frieschepalen en Bakkeveen. Langs de zuidgrens lag de Schoterlandse Compagnonsvaart, waarvan de wijken aan de noordkant deels nog op Opsterlands grondgebied liggen. Voor circa 1800 werd in het laagveengebied in westelijk Opsterland op kleine schaal turf gegraven. Na de introductie van de Gieterse methode nam de intensiviteit en omvang van de turfwinning ook in Opsterland toe. Er ontstonden diepe en uitgestrekte plassen, vooral in de omgeving van Luxwoude en Tijnje. In het noordwesten, in de omgeving van het huidige Nij Beets, werd pas vanaf 1863 verveend. Vanaf toen tot het begin van de twintigste eeuw werden de uitgeveende plassen drooggemalen en omgezet in landbouwgrond. Tot aan het eind van de negentiende eeuw waren er overigens maar weinig verharde wegen. De belangrijkste verbindingen waren oost-west georiënteerd, mee met de richting van de zandruggen langs de Boorne. Een van de weinige noord-zuidverbindingen was de Nieuweweg, aangelegd in 1758, nu bekend als de Gorredijksterweg. In 1831 werd de Nieuwe Leppedijk aangelegd, deels op het tracé van de Oude Leppedijk uit 1527. In het derde kwart van de negentiende eeuw werden alle belangrijke bestaande verbindingen verhard. Na de Tweede Wereldoorlog werden er wegen aangelegd langs de Compagnonsvaarten. In 1882 kwam de stoomtramlijn Heerenveen-Gorredijk tot stand, die in 1884 doorgetrokken werd naar Drachten. In 1911 kwam daar de lijn Gorredijk-Oosterwolde bij. Beide lijnen werden langs bestaande wegen aangelegd. Door de opkomst van de autobus verloor de tram haar functie echter weer. 2.3 Industrieel erfgoed Netgenoemde processen van modernisering en industrialisering drukten hun stempel op de ontwikkeling van de dorpen en het landschap. Veel van de bebouwing die hieruit voortkwam, behoort tot het industriële erfgoed. Het zijn de voortbrengselen van de mens ten behoeve van de dagelijkse arbeid, waarin zij een functie vervulden. Het gaat onder meer om fabriekspanden, zuivelfabrieken, bruggen en sluizen, transformatorhuisjes, watertorens, molens, pakhuizen, stationshallen en scheepshallen. Ook bepaalde typen woningen worden gerekend tot het industriële erfgoed. Langs de vaarten werden bijvoorbeeld diverse brugwachterswoningen gebouwd. Gorredijk, eertijds een belangrijke verzamelplaats voor de doorvoer van turf en centrum van regionale bedrijvigheid, bezit nog veel panden die grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en tonen hoe het dorp gegroeid is door de tijd, waaronder een voormalige melksalon, de boterwaag en de vroegere houtzagerij. Tal van bruggen werden aangelegd ter verbetering van de infrastructuur en de bereikbaarheid. Ook in andere dorpen speelde de bedrijvigheid en aanwezigheid van kleine zelfstandigen mee bij de ontwikkeling van de bebouwing (bijvoorbeeld de bouw van melkfabrieken, herbergen en cafés). Met de komst van de tramwegen en toenemende industrialisering ontstond er nieuwe functionele bebouwing, zoals tolhuizen en stationsgebouwen, en zorgde een toename in de werkgelegenheid voor de bouw van onder meer arbeiderswoningen. Een deel van deze bebouwing is al beschermd als zijnde rijksmonument, maar er zijn nog diverse objecten zonder beschermde status, die wel de moeite waard zijn om te behouden. Voormalige houtzagerij Van der Sluis & Posthumus, bouwjaar 1900. Bron inzet: website bouwbedrijf Posthumus 2.4 Agrarisch erfgoed: boerderijen, bakhuisjes en schuren In het westelijke deel van de gemeente is de bebouwing een stuk minder dicht dan in het oosten en rondom Beetsterzwaag, en wordt het gebied gekenmerkt door zijn weidsheid. Niettemin zijn er in alle delen van de gemeente een groot aantal oorspronkelijke boerderijen bewaard gebleven, ook in de delen waar er meer bebossing aanwezig is. Maar ook hier geldt dat het gros van deze boerderijen geen beschermde status geniet. Ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld in 2015, is het aantal aanwezige oorspronkelijke boerderijen in kaart gebracht. Deze boerderijen zijn van belang doordat hun aanwezigheid het uiterlijk van het landschap vormgeeft. Ze zijn doorgaans te vinden op plekken waar al eeuwenlang gewoond werd, wat nog te zien is op oud kaartmateriaal en weergegeven is op de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) als boerderijplaats. De nog bestaande boerderijen zijn van uiteenlopende architectuur: kop-hals-romp boerderijen, boerderijen met een dwarshuis, stelpboerderijen, maar ook de wat minder vaak voorkomende Zuid-Friese en Oldambtster boerderijtypen, met allen hun eigen bijzonderheden qua vormgeving en details. Het gros van deze boerderijen is gebouwd tussen 1880 en 1940. Met name de stelpboerderijen waren populair in deze periode, en werden vaak gebouwd in natte veengebieden. 2.5 Wijkopbouw, stedenbouwkundige structuren en wederopbouw (ca. 1945-1970) In de naoorlogse periode was er sprake van toenemende bevolkingsgroei en verdichte het wegennetwerk zich verder. In de wat grotere kernen in Opsterland betekende dit de bouw van diverse woonwijken, die geschaard kunnen worden onder de noemen wederopbouw. De wederopbouwperiode kenmerkt zich door ‘grootschaligheid’ en ‘serieproductie’. Wat betreft woningbouw lag het accent op het bouwen van betaalbare gezinswoningen. Vaak zien we daarom in de wijken die zijn gebouwd na de Tweede Wereldoorlog hetzelfde type woningen terugkomen, ook in verschillende dorpen en steden. In Gorredijk, Ureterp en Beetsterzwaag, maar ook in het merendeel van de kleinere dorpen werden in deze periode woonwijken aangelegd, met een vergelijkbaar stratenpatroon, groenaanleg en ruimtelijke indeling. De waarde van de wederopbouwarchitectuur ligt vooral in de stedenbouwkundige structuren en de ruimtelijke opbouw van de wijken, alsook de positie van de woonblokken en de ruime groenaanleg daarbinnen. Zij heeft een belangrijke stempel gedrukt op de ruimtelijke context. In Gorredijk is er sprake van een duidelijk ruimtelijk onderscheid tussen de lintvormige bebouwingspatronen en het stedenbouwkundige patroon van de woonbebouwing in de eerste uitbreidingen van het dorp. De stedenbouwkundige structuur van de straten die nog later aangelegd zijn in de IJbuurt, zoals de Mouterij, Weverij en Brouwerij, wordt sterk bepaald door een woonerfachtige inrichting van de straten. Deze rijtjeswoningen zijn in een geschakeld patroon ontwikkeld volgens noord-zuid lopende lengteassen. Deze lengteassen zijn bepaald door de gekozen groene structuur van noord-zuid lopende groene assen, die aansluiten op het heersende verkavelingspatroon van het lokale coulisselandschap. De woonwijken in Ureterp, Beetsterzwaag, Bakkeveen en andere dorpen vertonen een soortgelijke indeling. Naast de kenmerkende rijtjeswoningen zijn er tal van andere gebouwen die gerekend worden tot de wederopbouwarchitectuur. De kerkgebouwen in Ureterp aan de Mounestrjitte en de Tsjerkewâl in Bakkeveen zijn daarvan enkele voorbeelden. Deze kerkgebouwen zijn gebouwd in eclectische trant, met stijlelementen die vaak te zien zijn in wederopbouwwijken. Plattegrond Gorredijk 1970. Bron: topotijdreis.nl Ontmoetingskerk, bouwjaar 1961. 2.6 Groen erfgoed Groen erfgoed, ook wel bekend als aangelegd erfgoed, is de verzamelnaam voor historische groen-aanleggen zoals tuinen, parken, begraafplaatsen, groenstructuren in woonwijken alsook buitenplaatsen en landgoederen. Cultuurlandschappen zoals (hakhout-)bossen en houtwallen vallen ook onder de noemen Groen erfgoed. Cultuurlandschappen worden in deze notitie buiten beschouwing gelaten. Groen erfgoed vormt een integraal onderdeel van onze landschappen en leefomgeving. Groen erfgoed staat onder toenemende druk vanwege de klimaatverandering, die problemen zoals bodemdaling, droogte en overstromingen zou kunnen veroorzaken. Rondom Beetsterzwaag en Bakkeveen zijn de landhuizen en villa’s kenmerkende gebouwde aspecten van het landschap. De Overtuin, ontwerp tuinarchitect Roodbaard. (Rijksmonument) 3. Rijksmonumenten De Monumentenwet 1988 definieerde rijksmonumenten als onroerende zaken die ten minste 50 jaar oud waren en die van grote cultuurhistorische of architectonische waarde waren of van algemeen belang wegens hun schoonheid of betekenis voor de wetenschap. Het Rijksmonumentenregister bevat op dit moment 63.000 gebouwde en archeologische rijksmonumenten, waarvan het merendeel woonhuizen zijn. Het doel was om te komen tot een volwaardig monumentenbestand, waarin een representatief aantal gebouwde objecten samengebracht werd. Rijksmonumenten moesten een afspiegeling vormen van wat we met elkaar, deskundigen en inwoners, belangrijk vinden om te behouden voor de toekomst. Vandaag de dag wijst de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) alleen nog rijksmonumenten binnen drie categorieën aan: de wederopbouwperiode, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en archeologische monumenten. Bij hoge uitzondering worden er nog objecten aangewezen die niet tot deze categorieën behoren. Anno 2022 telt de gemeente Opsterland 109 rijksmonumenten. Na afronding van de MIP-lijst zijn er 23 objecten van deze inventarisatie tot rijksmonument benoemd. De volledige lijst van rijksmonumenten in de gemeente Opsterland staat in bijlage 1. Het merendeel van de aangewezen objecten bestaat uit woonhuizen en boerderijen. Ook enkele minder veelvoorkomende objecten, zoals een gemaal, watertoren, predikantenhuisje en molen hebben de status rijksmonument gekregen. Rijksmonumenten: De Slotplaats, bouwjaar 1818, en diaconiehuis, bouwjaar 1854. (inzet) Deel 3. Wettelijke kaders en instrumentarium 4. (Wettelijke) kaders voor het beleid van gebouwd erfgoed Belangrijke wettelijke kaders voor erfgoedbeleid zijn de toekomstige Omgevingswet, de Wabo, de Erfgoedwet, de Monumentenwet 1988 (voor archeologische rijksmonumenten), de nationale, provinciale en de gemeentelijke Omgevingsvisie. Daarnaast zijn er provinciale en gemeentelijke stukken die van belang zijn, zoals de structuurvisie Grutsk op ‘e Romte, de Omgevingsvisie ‘De Romte diele’, de gemeentelijke Welstandsnota en Omgevingsvisie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet, als vervanger van de Monumentenwet 1988, in werking getreden. De Erfgoedwet is het kader waarbinnen de gemeente haar erfgoedbeleid kan ontwikkelen. Op grond van de Erfgoedwet kan de gemeente een erfgoedverordening vaststellen. De erfgoedverordening biedt de gemeente haar juridische instrument om over te gaan tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. 4.1 Landelijk beleid en wet- en regelgeving Gemeentelijk erfgoedbeleid komt voor het grootste deel direct voort uit beleid dat het Rijk bepaald heeft. De lokale overheid brengt de door het Rijk vastgestelde wetten en regels ten uitvoering. Daarom is het belangrijk om te weten wat er in de afgelopen jaren op rijksniveau besloten is, dit verklaart immers goeddeels het lokale beleid alsook het dagelijks handelen. De laatste jaren worden taken steeds meer gedecentraliseerd vanuit de overheid en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed naar lokale overheden. De Rijksdienst wordt in toenemende mate een kennis- en adviescentrum, terwijl gemeenten de uitvoering van wetten, regels, vergunningsaanvragen en dergelijke op zich nemen. In het verleden adviseerde de Rijksdienst altijd mee als er bouwaanvragen voor rijksmonumenten binnenkwamen (bijvoorbeeld bij herbestemming, reconstructies, grote restauraties en verbouwingen), nu doet zij dat nog sporadisch. Ook adviseert zij provincies en lokale overheden door middel van cursussen, webinars, workshops en publicaties. Momenteel wordt in het erfgoedbeleid van het Rijk veel nadruk gelegd op de verbindende en maatschappelijke waarde van cultureel erfgoed. Een voorbeeld daarvan is om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt gezamenlijk een monument te laten onderhouden als vorm van dagbesteding. Ook kan er gekeken worden naar manieren waarop erfgoed ingezet kan worden tegen problemen die ontstaan door onder andere klimaatverandering, zoals het herstellen en gebruiken van historische watergangen voor de afvoer van overtollig regenwater door hevige buien. De afgelopen jaren zijn er veel veranderingen geweest die het erfgoed raken, zoals nieuwe wetgeving en veranderd provinciaal en landelijk erfgoedbeleid, die direct van invloed zijn op het lokale erfgoedbeleid. Voor gemeenten betekenden deze aanpassingen een belangrijke taakverandering, wat aanleiding geeft tot het opstellen van nieuw gemeentelijk beleid voor gebouwd erfgoed. Landelijke wijzigingen van de laatste jaren waren: -vaststelling Wet op de Archeologische Monumentenzorg: sinds 2007 zijn gemeentes wettelijk verplicht om archeologisch beleid op te nemen in de bestemmingsplannen; -vaststelling van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) ten behoeve van een eenvoudiger en krachtigere wetgeving en vergunningprocedures; -vaststelling van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waardoor gemeentes verplicht zijn cultuurhistorie op te nemen in de bestemmingsplannen; -vaststelling van de Erfgoedwet in 2016. Deze vervangt de Monumentenwet 1988. Een deel van de regels uit de Monumentenwet gaan over in de Omgevingswet. Voor het gebouwde erfgoed zijn met name de Wabo, de Bro en de Erfgoedwet van belang. Meer informatie over deze wetten is te vinden in bijlage 2. Zodra de Omgevingswet ingaat, betekent dit dat de erfgoedzorg opnieuw een verandering zal doormaken. 4.1.1 Omgevingswet De Omgevingswet treedt naar verwachting in werking op 1 januari 2024 en staat voor een goede balans tussen het benutten en het beschermen van de fysieke leefomgeving. De Erfgoedwet gaat samen met de nieuwe Omgevingswet vanaf dat moment het fundament vormen voor de bescherming van rijksmonumentale objecten. Ook biedt de Omgevingswet gemeenten de mogelijkheid om met overzichtelijkere regels de leefomgeving meer in samenhang in te richten. Het biedt bovendien meer ruimte voor maatwerk en leidt tot snellere en betere besluitvorming. De Omgevingswet zal leiden tot een meer integrale werkwijze met betrekking tot de beleidsvelden die het ruimtelijk beleid raken, waaronder ook erfgoed. Er worden nieuwe instrumenten geïntroduceerd die van belang zijn voor de omgeving en die op vele fronten tot een nieuwe manier van werken gaan leiden. Alle erfgoed-gerelateerde zaken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden straks opgenomen in de Omgevingswet. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is als volgt: -roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; -de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen, maar ook de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet; -de omgang met archeologische waarden en bijbehorende regels staan vermeld in de bestemmingsplannen; dit is geregeld in de omgevingswet; -de algemene uitgangspunten met betrekking tot archeologie, voortkomend uit het verdrag van Malta, blijven als basis vermeld staan in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet maakt de Erfgoedwet aldus een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk, door de bundeling van bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de huidige wetten en regelingen gelden op zijn minst worden gehandhaafd. Deze wetswijzigingen brengen grote veranderingen met zich mee voor gemeenten. 4.1.1.1 Omgevingswetproof Voor nu ligt de focus van de gemeente Opsterland op het op orde brengen van de basis. Het doel is echter om niet alleen de meest basale taken uitgewerkt te hebben. Qua instrumentarium en beleid is het nog niet vergelijkbaar met gemeenten die al veel langer en meer tijd hebben besteed aan het ontwikkelen van producten op het gebied van cultureel erfgoed. Belangrijke vragen die in het proces naar voren komen zijn: wat loopt er nog en is er verder nog nodig aan inventarisaties en harmonisaties? We hebben al veel in kaart gebracht, maar dit is nog niet tot een samenhangend geheel gesmeed. Verder rijst de vraag welke mogelijkheden er zijn inzake de integratie van erfgoed in de bredere zin van het woord, zowel tussen roerend en onroerend, immaterieel en materieel erfgoed. Dit is met name van belang omdat de Omgevingswet eraan komt. Het motto van de Omgevingswet is “ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit”. Dit toont de twee hoofddoelen van de Omgevingswet: 1.Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. 2.Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Het verbinden van deze twee doelen met de ontwikkeling van (bouw)plannen en projecten die betrekking hebben op de openbare ruimte, en de rol die erfgoed daarbij speelt, vormen een uitdaging voor de toekomst. De hoofdvraag is dan ook: hoe kunnen wij het erfgoed beschermen, terwijl we het op hetzelfde moment een nieuwe toekomst geven? 4.2 Gemeentelijk beleid en instrumentarium Naast de netgenoemde landelijke wetswijzigingen hebben er ook een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden op gemeentelijk niveau, zoals de aanstelling van een onafhankelijke, deskundige erfgoedcommissie die het college adviseert over de omgang met het culturele erfgoed in de gemeente en aanpassingen die gemaakt zijn om bestemmingsplannen volgens wettelijke kaders op te stellen. 4.2.1 Erfgoedverordening De juridische basis voor de omgang met het erfgoed, en dan met name die van de gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beschermde dorpsgezichten en archeologische (waardevolle) verwachtingsgebieden, staat in de erfgoedverordening. Een erfgoedverordening is te zien als een lokale Erfgoedwet. Hierin zijn regels opgenomen met betrekking tot het aanwijzen en afvoeren van gemeentelijke monumenten. Ook zijn hierin regels opgenomen die het verbieden om zonder vergunning (toestemming van de gemeente) schade toe te brengen aan een monument (sloop, verbouw, wijzigingen) of een pand binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Verder zijn in de Erfgoedverordening regels opgenomen ten behoeve van de bescherming van archeologische waardevolle gebieden. Het is verboden om een archeologisch monument, of terreinen met (hoge) archeologische verwachtingswaarden, zonder vergunning te verstoren. De ‘Erfgoedverordening gemeente Opsterland 2023’ is beleidsarm. 4.2.2 Bestemmingsplannen Een bestemmingsplan is bepalend voor wat er binnen een bepaald gebied met de ruimte mag gebeuren. Het is een juridisch uitvoeringsinstrument, dat bindende regels bevat voor bouwen en gebruiken van gronden. Een bestemmingsplan is opgebouwd uit drie delen: de plankaart c.q. verbeelding, de regels en de toelichting. Welke bestemming er op een perceel ligt en welk gebruik er toegestaan is, wordt aangegeven op de verbeelding, door middel van bouwvlakken en -aanduidingen, maatvoeringsgegevens, functies, gebiedsaanduidingen en figuren. Het kan voorkomen dat er op een gebied twee onafhankelijke bestemmingen liggen op hetzelfde moment, een zogenoemde dubbelbestemming. Zoals aangegeven in paragraaf 4.2.1 is het sinds januari 2012 verplicht om in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (artikel 3.1.6 lid 5 sub a Bro). 4.2.3 Beeldkwaliteitsplannen Een beeldkwaliteitsplan is een ander instrument waarin kaders aangegeven kunnen worden ter bescherming van karakteristieke objecten of gebieden. In 2020 is het Ruimtelijk Kwaliteitsplan Hoofdstraat Beetsterzwaag vastgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan kwam tot stand in samenwerking met inwoners van Beetsterzwaag. De aandacht ging uit naar het behouden van het historische karakter en oude structuren van de Hoofdstraat. Door middel van een analyse van de historische aspecten van de bebouwing binnen de Hoofdstraat zijn er voorschriften en adviezen opgesteld die een leidraad vormen bij ruimtelijke ontwikkelingen die zich voordoen in de Hoofdstraat. Het beeldkwaliteitsplan fungeert als onderlegger en als inspiratiebron voor projectontwikkelaars, architecten en andere externe partijen die (ver)bouwplannen hebben voor percelen en panden in de Hoofdstraat. Overwogen kan worden om ook voor het historische centrum van Gorredijk eenzelfde beeldkwaliteitsplan te ontwikkelen. Het historische centrum van Gorredijk bestaat uit tal van karakteristieke panden, die het risico lopen te worden aangetast in hun historische waarden. Gemeentelijk monumentenbeleid zal een bescherming bieden voor een deel van de panden, maar er zijn ook tal van panden die niet voor een dergelijke status in aanmerking komen, maar wel degelijk beeldbepalend zijn voor het centrum. Op basis daarvan kan de afweging gemaakt worden of er een extra dimensie aan het behoud van het karakter van het centrum van Gorredijk toegevoegd moet worden middels een beeldkwaliteitsplan. De mogelijkheden, noodzaak en voor- en nadelen hiervan zullen in 2023 en 2024 verder verkend worden. 4.2.4 De omgevingsvergunning voor monumenten Met de komst van de Wabo in oktober 2010 is een vergunning voor de verbouwing van een monument in de bredere omgevingsvergunning opgenomen. In plaats van een monumentenvergunning én een bouwvergunning kan nu met één omgevingsvergunning worden volstaan. Voor gemeentelijke monumenten en gemeentelijke beschermde dorpsgezichten is een reguliere omgevingsvergunning vereist. Voor een vergunningsaanvraag voor een rijksmonument of een pand binnen een rijksbeschermd dorpsgezicht staat een uitgebreidere procedure met een duur van standaard 26 weken. De termijn dekt het tijdsbestek van het aanvragen van een extern advies bij de RCE, die in sommige gevallen noodzakelijk is. Voor wijzigingen aan een rijksmonument die geen betrekking hebben op gedeeltelijke sloop, functiewijziging of grootschalige wijzigingen aan het exterieur geldt de reguliere procedure. Bij panden binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht zijn alleen wijzigingen aan de gevels en dakvlakken die gekeerd zijn naar de openbare ruimte vergunningplichtig voor het onderdeel monument. Dit geldt ook voor wijzigingen aan erfafscheidingen en bijgebouwen die binnen dit beschermde gebied staan, en die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Voor onderdelen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, gelden de reguliere regels uit de omgevingswet, evenals de eventuele vergunningsvrije activiteiten. Bij de behandeling van aanvragen voor wijzigingen binnen een gemeentelijk beschermd dorps- of stadsgezicht worden de regels van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerd. 4.2.5 Gemeentelijke adviescommissie De landelijke Erfgoedwet en de ‘Erfgoedverordening gemeente Opsterland 2023’ schrijven voor dat aanvragen met betrekking tot beschermde monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten voor advies worden voorgelegd aan een adviescommissie met expertise op het gebied van de monumentenzorg. De gemeente Opsterland legt aanvragen met betrekking tot monumenten voor aan een onafhankelijke en deskundige adviescommissie op het gebied van de monumentenzorg. Deze adviescommissie maakt op basis van het gemeentelijke erfgoedbeleid, en waar mogelijk met de betrokken partijen, een zorgvuldige afweging van de impact van voorgestelde wijzigingen op aanwezige monumentale en cultuurhistorische waarden. Zij hebben de taak het college op verzoek te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Erfgoedverordening en het gemeentelijke monumentenbeleid. De adviescommissie adviseert schriftelijk en vergadert eens in de twee weken. De adviescommissie stelt het op prijs dat aanvragers en/of ontwerpers een toelichting geven bij het plan. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, vervallen de taken van de huidige adviescommissie van rechtswege. Er zal er een nieuwe commissie aangesteld worden: de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Boerderij Boschzicht. Gebouwd in de achttiende eeuw. (Rijksmonument) 4.2.6 Handhaving en instandhoudingsplicht Wanneer de Omgevingswet in werking treedt zal de rol van de gemeente zoals gezegd veranderen. Een nieuw stelsel waarbij er minder vergunningen zijn, meer zorgplichten en meer algemene regels, leidt er noodzakelijkerwijs toe dat waar er eerst vooraf getoetst werd, de meeste toetsing in het nieuwe stelsel achteraf zal plaatsvinden. De gemeente wordt hierdoor gedwongen vooraf maximale duidelijkheid te geven over wat er op een bepaalde plek wel en niet mag. Juridisch betekent dat een verschuiving van vergunningverlening naar handhaving. Dit heeft een aantal praktische gevolgen. Het brengt een lastenverlichting mee voor burgers, maar betekent juist een verzwaring van de gemeentelijke taken, omdat handhaving veel tijd in beslag neemt. Het opstellen van erfgoedbeleid is alleen nuttig als de daarin beschreven maatregelen ook gehandhaafd kunnen worden. Voldoende kennis en capaciteit hebben op het gebied van toezicht op en handhaving van erfgoed is hierbij van cruciaal van belang. Er is meer deskundigheid nodig bij toezicht en handhaving op restauraties van monumenten en op archeologische voorwaarden, dan nu het geval is. De inzet, capaciteit en aanwezige kennis zal moeten worden beoordeeld en zo nodig bijgesteld, geïntensiveerd en/of uitgebreid moeten worden. Het VTH-beleid zal bovendien moeten worden aangepast aan de Omgevingswet, waarbij de principes van de Omgevingswet moeten zijn vertaald in het VTH-beleid. Diverse onderwerpen en prioriteiten, waaronder ook erfgoed, zullen daarbij opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden, zodat er bestuurlijke keuzes gemaakt kunnen worden. Het is op dit moment niet bekend wanneer het VTH-beleid wordt herzien. Dat kan zowel voor als na de invoering van de Omgevingswet zijn. 4.2.7 Omgevingsplan Het Omgevingsplan vervangt het huidige bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan. De gemeente wijst in het Omgevingsplan gemeentelijke monumenten aan. Ook de bestaande gemeentelijke monumenten worden door de gemeente overgezet naar het Omgevingsplan. Artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed) van het Besluit kwaliteit leefomgeving vraagt om via het Omgevingsplan te voorkomen dat in de omgeving van rijksmonumenten, en monumenten die op grond van het Omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke en provinciale monumenten of bijvoorbeeld beeldbepalende of karakteristieke panden) aantastingen plaatsvinden die deze beschermde monumenten ontsieren of beschadigen. De gemeente moet aantasting van de omgeving van beschermde monumenten voorkomen, voor zover die aantasting een negatieve invloed heeft op het aanzicht of de waardering van de betreffende monumenten. Hiervoor moeten gemeenten adequate regels opnemen in het Omgevingsplan. In de toekomst zal worden bekeken hoe de Notitie Gebouwd erfgoed ingepast kan worden als bouwsteen in het Omgevingsplan en op welke wijze regels voor de bescherming van de omgeving van een monument hierin kunnen worden ingepast. Deel 4. Aanwijzing van gemeentelijke monumenten 5. Aanwijzing van gemeentelijke monumenten Het MIP en Monumenten Selectie Project (MSP) hebben met zich meegebracht dat er een systematiek is ontwikkeld om aan de hand van criteria panden en objecten te kunnen waarderen en selecteren. De selectie in het kader van het MSP is echter gebaseerd op een nationale waardenstelling: de beoordelingscriteria waren erop gericht te kunnen bepalen of een pand of object een landelijk belang vertegenwoordigde. Regionale of lokale waarden zijn daarbij nauwelijks tot niet aan bod gekomen. Steunpunt Monumentenzorg Fryslân heeft de criteria verder ontwikkeld en uitgewerkt. De criteria zijn vertaald naar meer concreet benoembare aspecten, waaraan een waardering op te hangen is. Op deze wijze kan elk object afzonderlijk beschouwd worden en wordt de inventarisatie van de ‘waarden’ in een matrix c.q. inventarisatieformulier vastgelegd. In bijlage 3 treft u een standaard beoordelings-formulier aan op basis waarvan het puntenaantal tot stand komt. Hoewel het dus een objectgericht waarderingskader is, is de methodiek toch minder gericht op de exacte waardenstelling van het individuele pand. Het biedt eigenlijk – via een score op de onderscheiden criteria – een rangschikking naar waarde van de in de inventarisatie betrokken panden. Het gaat in dit geval ook om een vergelijk in waardenstelling tussen de in het buitengebied gelegen panden en objecten om op basis daarvan voor de meer (karakteristieke/beeldbepalende panden) of meest (gemeentelijk monument) waardevolle objecten beleid vast te stellen. Dit waarderingskader is inmiddels door stichting Steunpunt Monumentenzorg Fryslân in de volgende gemeenten uitgevoerd of in uitvoering: Weststellingwerf, Ooststellingwerf, De Fryske Marren, Súdwest-Fryslân, Waadhoeke en Harlingen. 5.1 Beoordeling panden en objecten op basis van eenduidige systematiek Om te komen tot een eenduidige beoordeling van de panden en objecten, is het van belang dat dit uitgevoerd wordt op basis van een uniforme werkwijze. Om die reden wordt er door Steunpunt Monumentenzorg Fryslân een gemeentedekkende inventarisatie uitgevoerd, waarbij de groslijst als uitgangspunt fungeert. Steunpunt Monumentenzorg Fryslân was eveneens betrokken bij de inventarisatie en uitwerking van het gemeentelijk monumentenbeleid in Ooststellingwerf en Weststellingwerf, waarmee wij een hechte samenwerking hebben. Ook in andere Friese gemeenten heeft het Steunpunt de werkzaamheden om te komen tot gemeentelijk monumentenbeleid uitgevoerd. Door het toepassen van een eenduidige systematiek wordt de integraliteit op het vlak van erfgoedzorg bevorderd en worden de werkzaamheden voor de afdeling VTH vergemakkelijkt, aangezien deze afdeling betrokken is bij de werkzaamheden van alle drie de gemeenten. Steunpunt Monumentenzorg Fryslân voorziet de panden die zijn weergegeven op de groslijst van een beoordeling. Daarnaast wordt er aan geselecteerde panden (panden die voldoende scoren om gemeentelijk monument te kunnen worden) een redengevende beschrijving toegevoegd, die het beoordelingsproces bij vergunningsaanvragen vergemakkelijkt. Bij de beoordeling van de panden en objecten op de groslijst wordt ook de staat van onderhoud meegenomen. De beoordelingen worden vastgelegd op beoordelingsformulieren. Uit deze scores komt uiteindelijk de waardering van het pand of object op basis van een puntenaantal. Uiteindelijk resulteert dit in een grote lijst van beoordeelde panden en objecten. Ook eventuele toekomstige verzoeken tot aanwijzing zullen op dezelfde, uniforme wijze worden beoordeeld. Op basis van het aantal punten wordt het besluit genomen of het betreffende pand aangewezen kan worden als gemeentelijk monument. De werkwijze omtrent het aanwijzen, de beoordeling, methodiek en de begrenzing van gemeentelijke monumenten staat weergegeven in bijlage 4. 5.2 Het principe van vrijwilligheid Bij het aanwijzen van een gemeentelijk monument of het wijzigen van de huidige status van een gemeentelijk monument is het principe van vrijwilligheid leidend. Dit betekent dat wanneer wordt overgegaan tot aanwijzing van een pand of object tot gemeentelijk monument of wanneer er anderszins een wijziging hierin wordt doorgevoerd, dit alleen wordt gedaan met instemming van de huidige eigenaar. Hiervoor wordt onder meer gekozen omdat het gaat om het eigendom van inwoners en om draagvlak te creëren. Wel behoudt het college de bevoegdheid om op zwaarwegende gronden met een goede onderbouwing over te gaan tot een (spoed)aanwijzing zonder dat daarvoor instemming van de eigenaar vereist is. Wanneer deze situatie zich voordoet, moet het college de eigenaar schriftelijk informeren over het voornemen tot aanwijzing tezamen met een onderbouwing van deze beslissing. Ook dan krijgt de eigenaar/zakelijk gerechtigde de mogelijkheid een inspraakreactie te geven en eventueel bezwaar te maken. Het proces is vergelijkbaar met een reguliere procedure van aanwijzing, maar wordt tevens de gemeenteraad in de gelegenheid gesteld om eventuele wensen of bedenkingen te uiten met daarbij het advies van de gemeentelijke adviescommissie. Ook in een dergelijk uitzonderlijk geval geldt dat de visie van de eigenaar/zakelijk gerechtigde meeweegt in de uiteindelijke beslissing een pand of object al dan niet aan te wijzen tot gemeentelijk monument. Wat de gevolgen zijn voor de eigenaar wanneer een pand of object aangewezen wordt tot gemeentelijk monument wordt uiteengezet in hoofdstuk 6. Een aanwijzing gebeurt eenmalig. Wanneer een pand of object is aangewezen als monument, betekent dit dat deze status niet zomaar meer verdwijnen kan. Bij tussentijdse wijziging van eigenaar bij een reeds afgeronde aanwijzing is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de monumentenstatus vervalt. De status van gemeentelijk monument gaat uit van (de waarden van) het pand. Als aan het object eenmaal de status van gemeentelijk monument toegewezen is, blijft de status op het pand rusten, ook als er sprake is van een verhuizing en nieuwe bewoners het object c.q. pand kopen. Wanneer een nieuwe eigenaar de status zou willen laten vervallen, dan moet eenzelfde soort procedure van afvoering worden gevoerd als voor aanwijzing. Het laten vervallen van een monumentenstatus is echter alleen haalbaar als daarvoor zeer zwaarwegende redenen bestaan. De waarden van het pand zijn immers nog aanwezig. Alleen als deze geheel verdwenen zijn, dan is afvoering een overweging en kan de status gemeentelijk monument vervallen. 5.3 Erfgoedregister Na het voltooien van de aanwijzing van de gemeentelijke monumenten wordt er een erfgoedregister ingesteld. Beschermde erfgoederen moeten sinds de invoering van de Erfgoedwet in 2016 zoals gezegd verplicht in een gemeentelijk erfgoedregister opgenomen worden. Het erfgoedregister bevat een lijst met daarin aangegeven welke objecten gemeentelijk monument zijn, inclusief de redengevende beschrijvingen die opgesteld worden per object. Overwogen kan worden om ook karakteristieke objecten op te nemen in het erfgoedregister. Een gemeentelijk erfgoedregister ontbreekt op dit moment. De gemeente gaat een publieksvriendelijk digitaal erfgoedregister bijhouden dat voor eenieder te raadplegen is. Hierin zullen, zoals de erfgoedverordening voorschrijft, de rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en eventueel toekomstige gemeentelijke cultuurgoederen en beschermde gemeentelijke verzamelingen worden opgenomen. Er wordt een landelijk format ontwikkeld voor gemeentelijke erfgoedregisters. Het betreft een format waarmee gemakkelijk een koppeling kan worden gemaakt met het Omgevingsplan. De gemeente zal gebruik maken van dit format op het moment dat het ontwikkeld en beschikbaar is. Dit onderwerp wordt meegenomen bij de implementatie van de Omgevingswet. 5.4 Gemeentelijke monumentenschildjes Een groot aantal gemeenten in Nederland heeft een eigen schildje op de rijks- en gemeentelijke monumenten. Het toekennen van het monumentenschild gebeurt van rijkswege sporadisch, aangezien de eigenlijke betekenis anders is dan alleen het aanduiden van een monument. Het geeft aan dat het monument valt onder het ‘Verdrag van ’s-Gravenhage inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict’ opgesteld tijdens de Haagse Conventie in 1954. Ondanks dat de formele toekenning van het monumentenschild zeldzaam is, zijn overal tal van blauwwitte schildjes aan te treffen op gebouwen. Deze zijn niet allemaal officieel, er is dan ook sprake van vervuiling van het systeem. De RCE onderzoekt hoe het originele schildje zich kan onderscheiden van andere. Het ontwerpen van een speciaal gemeentelijk monumentenschild kan de herkenbaarheid van de cultuurhistorie in de openbare ruimte vergroten. Zo wordt er bijgedragen aan de leefkwaliteit en het identiteitsbewustzijn van inwoners, maar ook ingezet op herkenbaarheid van monumenten voor bezoekers van buiten de gemeente. Daarbij is het belangrijk om rekening te houden met rijksbeleid. Het uiterlijk van het monumentenschild van gemeente Opsterland moet zich duidelijk onderscheiden van het officiële rijksmonumentenschild. Er moet een keuze gemaakt worden in het al dan niet beschikbaar stellen van een monumentenschildje voor eigenaren van gemeentelijke monumenten. Deel 5. Voor eigenaren van monumenten 6. Rechten en plichten van een gemeentelijk monumenteigenaar Bij onderhoud en restauratie van een monument krijgen de eigenaren te maken met een aantal wetten en regels. Welke dat zijn hangt af van de beschermde status. Een aantal zaken aan een gemeentelijk monument kunnen vergunningsvrij aangepast worden. Daarnaast kunnen de inhoudelijke eisen aan de gewenste restauratie worden geïnventariseerd. Die zullen vanaf het moment dat de hierop volgende beleidsnota vastgesteld wordt terug te vinden zijn in algemene regels, vergunningen en de subsidieregeling. 6.1 Onderhoudsplicht De eigenaar van een monument kan in principe niet verplicht worden om het monument te onderhouden. Wel kan de eigenaar verplicht worden om (conserverende) maatregelen te nemen, bijvoorbeeld bij ernstig verval. De gemeente kan handhavend optreden, op basis van de gemeentelijke erfgoedverordening of het Bouwbesluit. Daarnaast kan een verleende subsidie ingetrokken worden als na vaststelling blijkt dat niet voldaan wordt aan de voorwaarden om het pand in goede staat te houden. Dit wordt geborgd in de nog te ontwikkelen subsidieregeling. 6.2 Omgevingsvergunning Het waarderingsformulier van het Steunpunt en de redengevende omschrijving zijn leidend voor de voorwaarden die gesteld worden aan verbouwingen en aanpassingen. Wat wel en niet kan is afhankelijk van de boordeling en verschilt dus per gebouw, maar is in de basis hetzelfde als wanneer het gaat om een rijksmonument. Afdeling VTH schakelt als er een aanvraag binnenkomt de welstandscommissie in, die de aanvraag beoordeelt. Zij kijken of de monumentale waarden in het geding zijn. Als ook het erf aangemerkt wordt als monumentaal, dan kunnen ook daaraan eisen gesteld worden. Bij een rijksmonument wordt het erf altijd meegenomen in de beoordeling. Bij een gemeentelijk monument alleen als dit aangemerkt is als monumentaal. Het toetsingskader voor rijksmonumenten is zwaarder dan bij gemeentelijke monumenten, omdat bij rijksmonumenten soms advies van de RCE nodig is. Normaal onderhoud van een monument kan gedaan worden zonder dat er een omgevingsvergunning nodig is. Het gaat dan om werkzaamheden die ervoor zorgen dat datgene wat er is behouden blijft. Gewoon onderhoud is alles waarbij het uiterlijk van het interieur of van de buitenkant van het pand niet verandert. Bijvoorbeeld het opschuren en schilderen in dezelfde kleur, het vervangen van kapotte ruiten, het opstoppen van rieten daken of het vervangen van enkele dakpannen van hetzelfde type in dezelfde kleur. Er is normaliter ook geen vergunning nodig als de monumentale waarde niet lager wordt door de werkzaamheden. Ook als er aanpassingen gedaan worden in het interieur van het monument, kan dit vaak zonder vergunning. Denk aan het verwijderen van een niet-historische keuken of plafond. Wanneer het monument onderdelen heeft die geen monumentale waarde hebben, zoals een recente schuur, dan zijn de bouwactiviteiten aan deze onderdelen ook vaak vergunningsvrij. Voor bijzonder onderhoud en restauratie van een monument is doorgaans een omgevingsvergunning nodig. Bij een wijziging van het gemeentelijk monument (verbouwing bijvoorbeeld) is er altijd een omgevingsvergunning nodig. Ook voor zaken die bij een ‘normaal’ pand vergunningsvrij zijn (bijvoorbeeld het vervangen van een dakkapel) of het toepassen van dubbele beglazing of het vervangen van enkele dakpannen kan het betekenen dat er een vergunningsplicht is. In dat geval dient er een aanvraag om omgevingsvergunning te worden ingediend voor zowel de activiteit ‘Bouwen’ als de activiteit ‘wijzigen van een monument’. De omgevingsvergunning is opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 6.3 Rechten Tegenover de hierboven genoemde plichten staan na vaststelling van dit beleid ook rechten, namelijk dat er gebruik gemaakt kan worden van de mogelijkheden tot subsidie, zowel op gemeentelijk, provinciaal als op rijksniveau. Een “Verordening op de subsidie voor gemeentelijke monumenten” wordt in samenhang met de hierop volgende beleidsnotitie over gebouwd erfgoed en de definitieve lijst van gemeentelijke monumenten in de vorm van een erfgoedregister vastgesteld. Naar verwachting zal dit in 2024 plaatsvinden. Begraafplaats Oud Beets 7. Subsidieregelingen De status als gemeentelijk monument biedt toegang tot tegemoetkomingen in de instandhoudingskosten, bijvoorbeeld via subsidieregelingen van het Rijk en de provincie. Ook op gemeentelijk niveau is een subsidieregeling het meest geëigende en voordehand liggende middel. Er wordt, wanneer bekend is hoeveel objecten er uiteindelijk als gemeentelijk monument aangewezen worden en blijkt dat een subsidie voor monumenteigenaren wenselijk is, een subsidie vastgesteld door het college. 7.1 Hoogte van een gemeentelijke subsidieregeling en de ambtelijke capaciteit Eigenaren van beschermde monumenten en aangewezen historische bebouwing worden door de gemeenschap onevenredig belast, als zij geheel verantwoordelijk worden gesteld voor het onderhoud van deze objecten. Om hen tegemoet te komen is het redelijk een subsidieregeling in te stellen. De ervaringscijfers duiden erop dat bij ongeveer 10% van het monumentenbestand jaarlijks sprake is van ingrepen dan wel restauratie of onderhoud, dan zijn er in principe 8 subsidieaanvragen per jaar te verwachten, als we ervan uit gaan dat er ongeveer 80 objecten een gemeentelijke monumentenstatus zullen krijgen. Als er een regeling wordt ontworpen, kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een subsidie van 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van €7.500 per geval beschikbaar te stellen. Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Bovendien geldt op is op. Gezien de verwachting dat niet voor elke aanvraag het maximale subsidiebedrag nodig zal zijn, is er jaarlijks €80.000 nodig, uitgaande van 80 gemeentelijke monumenten (schatting Steunpunt Monumentenzorg Fryslân). Voor het beoordelen van subsidieaanvragen, overleg met collega’s (als er ook een vergunningsaanvraag voor het desbetreffende pand ligt), advies aan het college over honorering, beschikkingen en beheer van het budget, is – vergelijkend met andere Friese gemeenten – circa 0,15 FTE benodigd (8 aanvragen x 24 uur). Of dit daadwerkelijk het benodigde bedrag en benodigde FTE is, is echter nog niet bekend. Dit is geheel afhankelijk van het uiteindelijke aantal gemeentelijke monumenten. Met betrekking tot de financiële invulling kan er bovendien voor gekozen worden het beschikbare budget geleidelijk te verruimen (bijvoorbeeld in het eerste jaar 40.000, het tweede jaar €60.000 en vanaf het derde jaar €80.000). Een andere keuze is om het bedrag dat jaarlijks beschikbaar gesteld zal worden direct in zijn geheel vrij te geven vanaf het moment dat het gemeentelijke monumentenbeleid ingaat. Het kan juist ook zijn dat er in het begin meer aanvragen voor subsidie binnenkomen. Welke strategie de voorkeur heeft, wordt nader bekeken. De keuzes en mogelijkheden voor het verstrekken van subsidie zullen in de loop van 2023 voorgelegd worden aan het college van burgemeester en wethouders. 7.1.1 Verordening op de subsidie voor gemeentelijke monumenten Als er gekozen wordt voor een subsidieregeling, dan wordt de invulling van de subsidieverstrekking vastgelegd in de te ontwikkelen ‘Verordening op de subsidie voor gemeentelijke monumenten’. Het is raadzaam om deze subsidieregeling jaarlijks tezamen met de ‘Algemene subsidieverordening gemeente Opsterland’ te laten vaststellen. Deze subsidieregeling wordt ingezet als stimuleringsregeling om de tot gemeentelijk monument verklaarde objecten goed in stand te houden. Daarnaast worden eigenaren gestimuleerd om de onderhoudsstaat van hun monument beter inzichtelijk te krijgen en wordt bijgedragen aan het versterken van de historische beleving. 7.2 Wat is er nodig bij het doen van een subsidieaanvraag? Als eigenaar van een gemeentelijk monument mag er eenmaal per jaar een subsidie aangevraagd worden. Na 5 jaar mag er opnieuw een aanvraag ingediend worden wanneer het gaat om werkzaamheden waar er eerder subsidie voor aangevraagd is. Alle kosten die betrekking hebben op de instandhouding (onderhoud) van het monument zijn subsidiabel. Er wordt géén subsidie verstrekt voor meerjarig onderhoud en voor kosten en werkzaamheden die: -zijn gericht comfortverbetering; -zijn voor reconstructie, tenzij in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van het college ter versterking van de monumentale waarden gewenst zijn; -voortvloeien uit veranderd gebruik. Voor er een aanvraag ingediend wordt, wordt aangeraden om contact te zoeken met de gemeente om de plannen toe te lichten. Er wordt dan gekeken of de voorgenomen werkzaamheden subsidiabel zijn en of er een vergunning nodig is. Als er een vergunning nodig is, wordt de subsidieaanvraag pas in behandeling genomen nadat de vergunning is verleend. Wanneer er aanspraak gemaakt wordt op de subsidieregeling is de eigenaar van het gemeentelijke monument verplicht om de volgende bijlagen mee te sturen naar de gemeente: -een gespecificeerde begroting voor de werkzaamheden (niet ouder dan 2 jaar), met daarop onder andere: aantal uren, uurlonen, materiaal kosten per onderdeel; -een technische omschrijving van de te verrichten werkzaamheden; -foto’s van de bestaande situatie (de werkzaamheden worden door de gemeenteambtenaar op locatie besproken en ook worden de foto’s genomen). En voor zover vereist: -een recent inspectierapport opgemaakt door een onafhankelijke deskundige op het gebied van monumentenzorg; -bestek- en detailtekeningen van de bestaande en toekomstige situatie (schaal 1:100). Na afloop van de werkzaamheden kan de toegekende subsidie worden gedeclareerd. Bij het declaratieformulier worden de facturen en het bewijs van betaling meegestuurd. Na ontvangst van deze stukken wordt er een nacontrole gedaan om te kijken of alles conform afspraken is uitgevoerd. Indien er sprake is van een bouwvergunning, wordt dit gedaan in samenspraak met afdeling VTH. 7.3 Overige subsidiemogelijkheden en laagrentende leningen Op provinciaal en nationaal niveau zijn er diverse voorzieningen getroffen voor eigenaren van monumenten en karakteristieke panden. Eigenaren van gemeentelijke monumenten en karakteristieke objecten kunnen in aanmerking komen voor bijvoorbeeld laagrentende leningen bij het Nationaal Restauratiefonds of gebruik maken van andere regelingen die op provinciaal en nationaal niveau beschikbaar gesteld worden. De beschikbare regelingen worden in de hierop volgende beleidsnotitie verder toegelicht. Het gaat om onder andere de volgende regelingen: Provinciale regelingen: 1.Stimuleringsregeling voor monumenten en niet-monumenten (geen woonhuizen); 2.Diverse tijdelijke regelingen, bijvoorbeeld de dakenregeling voor monumentale en karakteristieke boerderijen. Meer informatie over de regelingen voor monumenteigenaren op provinciaal niveau is de vinden op de website van de Provinsje Fryslân: https://www.fryslan.frl/monumenten Regelingen Rijkoverheid: 1.Woonhuissubsidie of instandhoudingssubsidie rijksmonumenten (RCE). 2 SIM; 2.Groene menukaart, voor verduurzamen monument; 3.Subsidieregeling stimulering herbestemming monumentenonderzoek voor herbestemming gebouwde monumenten: aanvragen dienen goedgekeurd te worden door de gemeente. Voorwaarde is dat gemeente van mening is dat het pand of object van cultuurhistorische waarde is. Indien dit het geval is, dan wordt meegewerkt aan het verzoek. Meer informatie over de voorzieningen die op landelijk niveau getroffen worden voor eigenaren van monumenten is te vinden op de website van de RCE via de website www.cultureelerfgoed.nl: https://www.cultureelerfgoed.nl/domeinen/monumenten/subsidies Laagrentende leningen Er zijn diverse mogelijkheden om tegen een lage rente een hypotheek, bijvoorbeeld de Cultuurfondshypotheek, of lening af te sluiten ten behoeve van het onderhoud van een monument, onder meer via het Nationaal Restauratiefonds. Via de volgende link kan hierover meer informatie worden verkregen: https://www.monumenten.nl/financiering-voor-uw-monument-subsidie-of-lening Voormalig kerkje Eben Ha ëzer (1870) en naastgelegen voormalig pakhuis (1900). Bron: website makelaardij Moll. 8. Verduurzaming en herbestemming Erfgoed laat zien hoe elke generatie op haar eigen manier worstelde met het energievraagstuk. Het warm houden van woningen speelde een centrale rol in het leven van de generaties voor ons. Zo zijn delen van het land gebruikt voor het winnen van turf, werd er nagedacht over welke materialen geschikt waren om te gebruiken voor de bouw van woningen met het oog op het vasthouden van warmte en staat Nederland bekend om zijn lange geschiedenis met windmolens. Vandaag de dag is de opwarming van de aarde een wereldwijd vraagstuk en wordt er naarstig gezocht naar oplossingen om de CO2 productie te reduceren. Er wordt gezocht naar hernieuwbare energiebronnen en bestaande panden worden zoveel mogelijk energieneutraal gemaakt. Wat betekenen deze ontwikkelingen voor de daken van onze historische binnensteden en dorpen als ze bedekt zijn met zonnepanelen? En op welke wijze wordt het aanzien van het historisch landschap van Nederland straks veranderd als er bijvoorbeeld windmolens of zonneweiden geplaatst worden? Hoewel erfgoed in eerste instantie niet duurzaam lijkt te zijn, toont de praktijk dat dit onjuist is. Erfgoed is circulair vanwege de mogelijkheden die er zijn om te herbestemmen van de locatie, van panden en vanwege de materialen. Het is dan ook de vraag in hoeverre erfgoed een bijdrage kan leveren aan de ambities op het vlak van duurzaamheid en wat herbestemming van leegstaande panden daarbij kan betekenen. 8.1 Verduurzaming van monumenten De Verenigde Naties hebben 17 ambitieuze doelen voor duurzame ontwikkeling vastgesteld in 2015. Deze Global Goals for Sustainable Development werden overgenomen door alle lidstaten. Ook gemeente Opsterland zet zich de komende jaren nadrukkelijker in om de subdoelstellingen uit deze Global Goals te realiseren, zoals duurzame energie, duurzame steden- en gemeenschappen en klimaatactie. Als we ons gebouwde erfgoed willen inzetten op een manier die past bij de huidige tijd, betekent dit dat er ook aandacht uit moet gaan naar de verduurzaming van monumenten. Vooral waar het gaat om bewustwording is er nog veel werk aan de winkel, met name omdat aanpassingen aan historische of monumentale bebouwing vaak maatwerk vereisen. Dat geldt eveneens voor de diverse duurzaamheidsmaatregelen die er bestaan. In 2023 wordt er om die reden een notitie Duurzaam erfgoed opgesteld die als bijlage toegevoegd wordt aan de definitieve nota Gebouwd Erfgoed. Daarin zal dieper worden ingegaan op de mogelijkheden en kansen om binnen erfgoed een significante bijdrage te leveren aan de landelijke duurzaamheidsopgave, waarbij maatwerk het uitgangspunt zal vormen. Het verduurzamen van het cultuurhistorische waardevolle landschap wordt meegenomen in de opstelling van het beleid voor archeologie, cultuurhistorie en cultuurlandschap, dat de komende jaren vorm zal krijgen. 8.2 Behoud door ontwikkeling en herbestemming Een monumentale bescherming is een effectieve, maar soms enigszins statische methode om erfgoed te beschermen. Voor veranderingen aan het monument dient altijd een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Vaak voldoen historische gebouwen echter niet meer aan de wensen van de huidige tijd. In de snel veranderende samenleving zal herbestemming van een gebouw steeds vaker aan de orde komen. Een bestaand gebouw krijgt dan een andere functie dan waarvoor het aanvankelijk bedoeld is. Hierdoor komt het gebouw niet leeg te staan en wordt niet gesloopt, maar krijgt het, al dan niet na aanpassingen van exterieur en/of interieur, een nieuw leven: behoud door ontwikkeling. Door verschillende maatschappelijke ontwikkelingen is er de laatste jaren sprake van een toenemende leegstand van vastgoed, ook in Opsterland. Oorzaken daarvan zijn onder meer de wijziging van de bevolkingssamenstelling, veranderende ideeën over werkomstandigheden, het online winkelen, de ontkerkelijking en de ontwikkelingen die spelen in de landbouw. Een deel van die gebouwen heeft een monumentale status of wordt als cultuurhistorisch waardevol beschouwd. Religieus erfgoed, zoals kerken en pastorieën, maar ook industrieel erfgoed en historische boerderijen, krijgen steeds vaker te maken met leegstand en dus ook met herbestemming. Vaak zijn deze beeldbepalende panden belangrijk voor de identiteit van een dorp of streek. Leegstand leidt op den duur tot verval, en bij geen ingrijpen tot instorting of sloop. Omdat deze objecten in potentie een grote negatieve impact kunnen hebben op hun omgeving en het behoud van cultuurhistorische waarden onder druk komt te staan, kiest gemeente Opsterland ervoor om verpaupering op een proactieve manier tegen te gaan. De gemeente Opsterland is voorstander van het herbestemmen van gebouwen, en wil hierbij stimuleren en faciliterend optreden bij het zoeken naar mogelijkheden hiervoor. Een (tijdelijke) nieuwe bestemming kunnen de mogelijkheden tot behoud vergroten en verbetert de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Voor monumenten geldt dat de nieuwe bestemming met respect voor de beschermwaardige onderdelen van het monument dient te gebeuren. Wanneer het object opnieuw een economische functie heeft, is de financiële basis voor de instandhouding van het pand groter. Erfgoed krijgt hiermee een nieuwe toekomst. Herbestemmen van panden betekent behoud van de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid en sociale veiligheid van een dorp. Bovendien is er in toenemende mate aandacht voor erfgoed. Mensen willen graag wonen en verblijven in een karakteristiek pand. Herbestemmen zorgt voor een stimulans voor onze historische kernen, waarbij het resultaat van de herbestemming idealiter een mix is van een moderne invulling en een historische setting. Vanwege de demografische ontwikkelingen zullen er in onze gemeente in de nabije toekomst steeds meer panden, zoals kerken, scholen en boerderijen beschikbaar komen voor herbestemming. We verwachten dat naast leegstand onder kerken ook leegstand dreigt onder het agrarisch vastgoed. Een inventarisatie en analyse van wat specifiek de verwachtingen zijn inzake de noodzaak van herbestemming binnen onze gemeente is raadzaam en kan als basis dienen om te komen tot conclusies en eventuele aanbevelingen om deze problematiek het hoofd te bieden. Of behoud of vernieuwing passend is, zal per situatie moeten worden afgewogen. Voormalig pakhuis, bouwjaar 1935, thans in gebruik als woning. Een goede herbestemming is bovendien essentieel voor een correcte implementatie van de Omgevingswet, waarbij wordt gestreefd naar een goede balans tussen benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, met behoud van kwaliteit. Herbestemming van panden wordt momenteel actief door de markt opgepakt. Welke rol de gemeente daarbij kan en wil aannemen, moet verder uitgekristalliseerd worden. Het is gezien de huidige rol van de gemeente voor de hand liggend dat dit voornamelijk een faciliterende, ondersteunende rol zal zijn. 8.2.1 Herbestemming leegkomende boerderijen De transformatie van onze agrarische sector is vrijwel dagelijks in het nieuws. De stikstofproblematiek zorgt ervoor dat steeds meer boeren hun werkzaamheden beëindigen. Het aantal leegstaande boerderijen neemt met de dag toe. Veel gemeenten zoeken manieren om de leegstand aan te pakken. In het coalitieakkoord 'Brêge nei de takomst' (2018-2022) werd de problematiek die speelt rond de leegstand van boerderijen onderkend en werd er ingespeeld op de mogelijkheden die de leegstand van vrijkomende boerderijen biedt. Om hieraan een vervolg te geven, zal in 2023 een inventarisatie plaatsvinden om te kunnen achterhalen in welke mate deze problematiek binnen gemeente Opsterland speelt. Dat het speelt, leidt echter geen twijfel. Afhankelijk van de omvang van de problematiek zal er een plan opgesteld worden over de omgang met de verwachte leegstand, waarbij het doel is om de boerderijen duurzaam voor de toekomst te behouden, gezien de belangrijke rol zij hebben als vormgevers en identiteitsdragers van het landschap. Omdat de leegstand en herbestemming een landelijk probleem is, heeft Provinsje Fryslân zich voorgenomen het behoud van boerderijen als prioriteit te beschouwen. In het kader daarvan zijn er diverse initiatieven opgestart om het behoud en de herbestemming van boerderijen te stimuleren en wordt er overwogen een provinciale boerderijenvisie te ontwikkelen. Door Provinsje Fryslân is daarbij de notie gemaakt, dat zij nadenken om een dergelijk concept ook op gemeentelijk niveau te laten ontwikkelen door de Friese gemeenten zelf. Gezien de belangrijke rol die boerderijen binnen het Opsterlandse landschap hebben, kan hierop al een voorzet genomen worden en met het oog op de toekomst al gestart worden met een ‘boerderijenvisie’ voor Opsterland, die mogelijk als bijlage opgenomen kan worden in de hierop volgende versie van beleidsnotitie over gebouwd erfgoed. 8.2.2 Herbestemming van kerkgebouwen De herbestemming van kerkgebouwen zal apart uitgelicht worden in de visie op het religieus erfgoed in Opsterland (Kerkenvisie), die naar verwachting in de tweede helft van 2023 afgerond wordt. Aanwijzing van kerken die in aanmerking komen voor een gemeentelijke monumentenstatus gebeurt op basis van de in deze notitie beschreven procedure, zoals weergegeven in bijlage 4. 9. Informatievoorziening en toegankelijkheid Met duidelijke informatie over gemeentelijke monumenten wordt het bewustzijn en draagkracht voor het hebben van beleid voor het gebouwde erfgoed versterkt. Hierbij hoort de juiste informatievoorziening. Om deze reden zal er verkend worden welke digitale mogelijkheden er zijn om gemeentelijke monumenten onder de aandacht te brengen. Achtergrondinformatie, instructies over de aanwijzingsprocedure en aanwezige gemeentelijke monumenten alsook informatie over subsidiemogelijkheden op onder andere provinciaal en landelijke niveau moeten toegankelijk gemaakt worden voor een breed publiek c.q. geïnteresseerden. Het doel is om het Opsterlandse erfgoed onder de aandacht te brengen bij diverse groepen uit de samenleving. Subsidieaanvragen moeten op eenvoudige wijze ingediend/aangevraagd kunnen worden en achtergrondinformatie over het verduurzamen, restaureren en ander advies op het vlak van monumentenzorg moet breed beschikbaar worden. Het ligt voor de hand hiervoor een digitale voorziening te ontwikkelen. Het is daarnaast aanbevolen dat er een vaste contactpersoon aanwezig is voor het bijstaan van monumenteigenaren bij allerhande vragen c.q. vooroverleg omtrent het onderhoud en behoud van monumentale panden. 9.1 Monumentenwijzer voor eigenaren Een monumentenwijzer is een informatieve folder waarin rijks- provinciaal en gemeentelijk monumentenbeleid wordt uitgelegd. Het is voor gemeenten wettelijk verplicht om beperkingen voor de burger bekend te maken (Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen). Wanneer aan cultuur-historisch waardevolle objecten beperkingen worden verbonden, moet duidelijk zijn om welke objec-ten het gaat en wat de beperkingen inhouden. De Monumentenwijzer vermeldt daarom in elk geval: -Wat een monument is -Wat wel en niet toegestaan is -Informatie over onderhoud aan een monument Heldere communicatie vooraf is van essentieel belang om draagvlak voor gemeentelijk monumentenbeleid te creëren. De belangrijkste doelgroep is vanzelfsprekend de eigenaar van het monument, maar er kan ook worden gedacht aan lokale historische verenigingen en heemkundekringen. Het wegnemen van vooroordelen en goed, volledig informeren van de burgers is een belangrijk uitgangspunt voor het ontwikkelen van monumentenbeleid. In de planning worden dan ook informatieavonden opgenomen voor eigenaren van monumenten en andere belangstellenden, waarbij er specifieke aandacht geschonken wordt aan deze punten. 9.2 Digitale toegankelijkheid Om eigenaren van monumenten, externe partijen en andere geïnteresseerden op de hoogte te houden van de ontwikkelingen omtrent gebouwd erfgoed, wordt de mogelijkheid onderzocht relevante gegevens digitaal beschikbaar te stellen via de website van de gemeente. Hierbij valt te denken aan informatie over het erfgoedregister, de lijst met gemeentelijke monumenten, informatie over subsidieaanvragen, de publicatie van de kerkenvisie, informatie over herbestemming en verduurzaming van monumenten en een verwijzing naar de erfgoedverordening. In de toekomst zal digitale informatievoorziening een steeds grotere rol spelen waar het gaat om informatievoorziening naar de burgers. Het is dan ook belangrijk deze toekomstige ontwikkelingen mee in overweging te nemen en hierop in te spelen, door op de gemeentelijke website een aparte pagina over monumenten en erfgoed binnen de gemeente Opsterland te publiceren. 10. Alternatieven Alternatieven zijn gebaseerd op het wettelijke, minimale en maximale monumentenbeleid (bijlage 4). De uitgangspunten die gehanteerd zijn in deze notitie, zijn gebaseerd op de minimale situatie. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid een gegeven is (ook al moeten ook hierin enkele keuzes gemaakt worden). Er zijn echter ook alternatieven, die benoemd moeten worden: a.Het is mogelijk het beleid voor gebouwd erfgoed te beperken tot het noodzakelijke, wat gelijk staat aan de huidige situatie. Wanneer gekozen wordt tot het beperken tot de wettelijke taken, dan komen er géén gemeentelijke monumenten, en de geïnventariseerde waardevolle objecten lopen dan het risico om gesloopt te worden, zoals al met bijna een kwart van de objecten van de MIP is gebeurd. b.Het is mogelijk om (gedeeltelijk) de optimale situatie na te streven. Wel heeft dit tot gevolg dat er extra kosten en meer personele capaciteit benodigd is. Gezien de financiële situatie is ervoor gekozen af te zien van een aantal ‘maximale’ keuzes. Desalniettemin wordt hiermee niet uitgesloten dat er in de toekomst meer mogelijkheden komen en een uitgebreidere invulling gegeven kan worden aan de rol van erfgoed binnen de samenleving. Wat de uiteindelijke keuze zal zijn, is bij voorkeur echter niet alleen afhankelijk van het financiële aspect, maar ook van het al eerder in deze notitie benoemde concept ‘waarde’. Op sommige vlakken is die waarde onvervangbaar. Bij cultureel erfgoed geldt doorgaans: Wat eenmaal verdwenen is, komt nooit meer terug… Klokkenstoel en grafstenen, begraafplaats Oud Beets 11. Vooruitblik, de hierop volgende notitie over gebouwd erfgoed De voorliggende beleidsnotitie is van tijdelijke aard tot de volgende notitie uitgewerkt is en vastgesteld wordt. Er is reeds aan de orde gekomen welke onderwerpen in de hierop volgende beleidsnotitie uitgebreider behandeld worden en toegevoegd worden. In deze paragraaf worden de onderwerpen nogmaals op beknopte wijze weergegeven middels de onderstaande opsomming: -een uitgebreidere historische achtergrond van het gebouwde erfgoed; -beschrijving van het participatieproces dat uitgevoerd is om de mienskip te betrekken bij de totstandkoming van het erfgoedbeleid; -beschrijving van de uitvoering van de aanwijzing van gemeentelijke monumenten; -een definitieve lijst met aangewezen gemeentelijke monumenten; -de wijze waarop informatie over gemeentelijke monumenten, het erfgoedregister en andere informatie over erfgoed digitaal toegankelijk zullen zijn; -een uitgewerkte ‘Verordening op de subsidie voor gemeentelijke monumenten’; -de vastgestelde ‘Erfgoedverordening gemeente Opsterland 2023’ of, wanneer de Omgevingswet ingaat op 1 januari 2024, een erfgoedverordening die daarop aangepast is; -een definitief vastgestelde hoogte van subsidie voor eigenaren van gemeentelijke monumenten en wijze van subsidieverstrekking; -een notitie Duurzaam erfgoed, over hoe wij als gemeente willen omgaan met erfgoed en verduurzaming; -uitgebreidere behandeling van de thema’s herbestemmen en verduurzaming; -specifieke aandacht voor de herbestemming van vrijkomende boerderijen; -uitkomsten onderzoek naar wenselijkheid bescherming grotere ensembles (vergelijkbaar met ontwikkeling Beeldkwaliteitsplan Hoofdstraat Beetsterzwaag); -een toegevoegde notitie Funerair erfgoed over de omgang met cultuurhistorisch waardevolle grafstenen en deze zo mogelijk te beschermen; -een diepere kijk op de moderne erfgoedzorg met voorbeelden ter inspiratie; -suggesties voor maatregelen die tegen geringe kosten kunnen worden genomen om eigenaren van beschermwaardige objecten te stimuleren passend gebruik van hun monument te maken; -instelling vaste contactpersoon voor erfgoed en monumenten; -resultaten van de Kerkenvisie. De verwachting is dat de hierop volgende beleidsnotitie in de loop van 2024 gereed is, nadat het proces van de aanwijzing van gemeentelijke monumenten doorlopen is. Gedurende de uitwerking ervan bestaat de mogelijkheid dat er door wettelijke veranderingen, input van stakeholders/externe partijen en/of veranderende inzichten in de erfgoedzorg nog meer onderwerpen aan bod komen of juist buiten beschouwing worden gelaten. De opsomming is daarom onder voorbehoud en dynamisch van aard. Bijlage 1. Rijksmonumenten in gemeente Opsterland (totaal aantal 109) Plaats Adres Type object Nummer Bakkeveen 1 Foarwurker Wei 5 boerderij 31804 2 Foarwurker Wei 3 Landhuis De Slotpleats 513172 3 Foarwurker Wei 3 zonnewijzer 513173 4 Foarwurker Wei 3 Burmaniazuil 513174 5 Foarwurker Wei 3 tuinaanleg 513175 6 Houtwal 14 Boerderij (kop hals romp) 31805 7 J. v.d. Wielenwei 14 Voormalige herberg 31806 8 Tsjerkewal 3 schaapskooi 31807 9 Mjumster wei 37 boerderij 31808 10 Weverswal 13 Woning met stal 31809 11 Weverswal 32 woning 31810 12 Bakkeveenseweg 15 (nabij) landweer 31811 Beetsterzwaag 1 Beetsterweg 13 Boerderij (dwarshuis) 31812 2 Beetsterweg 2 Boerderij Fockensstate 387957 3 Beetsterweg 16 stelpboerderij 513165 4 Beetsterweg 16 stookhok 513166 5 Van Harinxmaweg 7 Boerderij (kop hals romp) 31814 6 Van Harinxmaweg 1 Landhuis Van Harinxmastate 414346 7 Van Harinxmaweg 1 Historische tuinaanleg 414349 8 Van Harinxmaweg 1 toegangshek 414352 9 Van Harinxmaweg 1 toegangshek 414353 10 Van Harinxmaweg 1 Bakstenen muur 414354 11 Van Harinxmaweg 1 Hondenhok 414356 12 Van Harinxmaweg 1 Lodewijk XV sokkel 414357 13 Van Harinxmaweg 1 Houten hek 414358 14 Van Harinxmaweg 3, 5 Koetshuis/koetsierswoning 414350 15 Van Harinxmaweg 3 Gebouwtje geel baksteen 414355 16 Hoofdstraat 3 Woningcomplex Lyndenstein 31815 17 Hoofdstraat 3 hoofdgebouw 514013 18 Hoofdstraat 3 Historische parkaanleg 514014 19 Hoofdstraat 3 bijgebouw 514015 20 Hoofdstraat 3 Borstbeelden op piedestals 514016 21 Hoofdstraat 3 Tuinbeeld Neptunus 514017 22 Hoofdstraat 3 hekwerken 527602 23 Hoofdstraat 3 bijgebouw 527604 24 Van Lyndenlaan 5 kerk 31816 25 Hoofdstraat 17 raadhuis 31817 26 Hoofdstraat 23 secretarie 31818 27 Hoofdstraat 31 Woonhuis Bordena 31819 28 Hoofdstraat 55 Landelijk pand 31821 29 Hoofdstraat 79 diaconiehuis 31822 30 Hoofdstraat 2, 4, 6 Logement Boschlust 31823 31 Hoofdstraat 8, 10 pastorie 31824 32 Hoofdstraat 24a Voormalige school 31825 33 Hoofdstraat 30 Dubbel woonhuis 31826 34 Hoofdstraat 46 woonhuis 31827 Plaats Adres Type object Nummer Beetsterzwaag 35 Hoofdstraat 62 Blokvormig pand 31828 36 Hoofdstraat 70 woonhuis 31829 37 Hoofdstraat 80 Woonhuis Lycklamahus 31830 38 Hoofdstraat 82 stalgebouw 31831 39 Hoofdstraat 84 Pand Andraehus 31832 40 Hoofdstraat 85 gerechtsgebouw 513179 41 Hoofdstraat 89 Landhuis De Zandhoeve 513180 42 Kerkepad West 1 woonhuis 31834 43 Kerkepad West 2 Boerderij (kop romp) 528458 44 Kerkepad West 2 bakhuis 529967 45 Kerkepad West 2 wagenschuur 529968 46 Beetsterweg 22 3 zerken Lycklama & Scheltinga 31835 47 Molenlaan 15 commiezenhuis 31836 48 Poostweg 2 boerderij 31837 49 Kerkepad Oost 47 tuinmanswoning 414351 Gorredijk 1 Brouwerswal 7 Woonhuis met klokgevel 31840 2 Brouwerswal 68 woning 31841 3 Dwersfeart 11 boerderij 31842 4 Hoofdstraat 41 woonhuis 31843 5 Hoofdstraat 59 School-streekmuseum 513184 6 Hoofdstraat 24, 26, 26a Werk-woonhuis 31844 7 Hoofdstraat 40 woonhuis 31845 8 Hoofdstraat 42 Werk-woonhuis 31846 9 Hoofdstraat 74 Werk-woonhuis 31847 10 Kerkewal 11 Werk-woonhuis 31849 11 Kerkewal 14 woonhuis 31850 12 Langewal 52 woonhuis 31851 13 De Leijen 29 kerk 31852 14 Molenwal 3 Werk-woonhuis 31853 15 Hegedyk 7 woonhuis 513185 16 Hegedyk 20 Begraafplaats 513155 17 Hegedyk 20 Klokhuis/baarhuis 513156 18 Hegedyk 20 Erfscheiding/hek 513157 19 Stationsweg 35, 37 kazerne 513186 Hemrik 1 Himrikerpaed 4 Hallehuis boerderij 31854 2 Himrikerpaed 1 keuterij 31855 3 Binnenwei 22 kerk 31856 Jonkersland 1 De Nije Sleat 5 Boerderij Vriezen Sathe 31857 Langezwaag 1 ’t Hou 9 Kerk 31858 Lippenhuizen 1 De Buorren 30 kerk 31859 2 De Buorren 149 watertoren 513162 3 De Buorren 149 erfscheiding 513163 4 Sweachsterwei 7 tolgaardershuis 31864 5 Sweachtsterwei 2 boerderij 513183 Plaats Adres Type object Nummer Nij Beets 1 Dm Nieuwenhuisweg (bij 49) turfmakerswoning 31861 2 De Ripen 3 gemaal 513181 Olterterp 1 Achterwei 6 kerk 31862 2 Van Harinxmaweg 17 Landhuis Huize Olterterp 513168 3 Van Harinxmaweg 17, 19 koetshuis 513169 4 Van Harinxmaweg 17 ketelhuis 513170 Ureterp 1 Selmien East 47 kerk 31865 2 Selmien East 47 kerktoren 31866 3 Weibuorren 60, 62 woonhuis 31867 Terwispel 1 De Streek 25 kerk 513159 2 De Streek 25 hekwerk 513160 Tijnje 1 Ulesprong (nabij) watermolen 510646 2 Rolbregedyk 6 kerk 513182 Wijnjewoude 1 Breeberchspaad 1 (bij) predikantenhuisje 31838 2 Breeberchspaad 1 kerk 31839 3 Breeberchspaad 3 arbeiderswoning 513177 4 Breeberchspaad 3 stookhok 51378 5 Tsjerkereed 2 kerk 31869 6 Weinterp 46 pastorie 513187 Bijlage 2: Landelijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingevoerd op 1 oktober 2010. Met de Wabo is een groot aantal vergunningen, ontheffingen en meldingen geïntegreerd tot één omgevingsvergunning. Het leidde tot een vereenvoudigde en versnelde dienstverlening naar burgers en bedrijven toe: één omgevingsvergunning leidt tot de invoering van één loket, één (digitaal) aanvraagformulier, één bevoegd gezag (één aanspreekpunt), één uniforme en in het algemeen ook kortere procedure, één procedure voor bezwaar en beroep en één handhavend bestuursorgaan. De vergunningen voor gebouwde monumenten zijn in de Wabo ondergebracht, gebundeld in de omgevingsvergunning. Voor alle monumenten, met uitzondering van archeologische rijksmonumenten, is een omgevingsvergunning vereist (op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, wordt de gemeente ook bevoegd gezag voor de archeologische rijksmonumenten en moet de gemeente ook hiervoor al dan niet de vergunning afgeven). Voor het slopen, wijzigen, verplaatsen of verstoren van een beschermd object is altijd een vergunning nodig. De gemeente is de aangewezen instantie om eigenaren en beheerd van monumenten te informeren en te begeleiden als er een wens ligt om wijzigingen aan te brengen aan hun monument. Besluit Ruimtelijke Ordening Vóór de Erfgoedwet 2016 werd bij monumenten en archeologie, die nu deel uitmaken van het bredere begrip ‘erfgoed’, voornamelijk gedoeld op het behoud en op bescherming van materiële sporen uit het verleden. De wetgever introduceerde met de Erfgoedwet 2016 een brede definitie van het begrip ‘erfgoed’. Daarnaast wordt er meer ingezet op beleving en benutting. Sinds januari 2014 is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te geven van de manier waarop rekening gehouden is met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten (artikel 3.1.6 lid 5 sub a Bro). In de Nota van Toelichting op de wijziging van het Bro staat dat dit betekent dat gemeenten verplicht een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan verbinden die in het bestemmingsplan vastgelegd worden. Dat vastleggen gebeurt op de verbeelding (bestemmingsplankaart) en in de regels. Doel ervan is een meer generieke borging bereiken van cultuurhistorie vooraf in het planproces van de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 ging op 1 juli 2016 over in de Erfgoedwet: het gaat om één integrale Erfgoedwet die betrekking heeft op het geheel aan cultureel erfgoed: museale objecten, musea, monumenten en archeologie op zowel land als onder water. De Erfgoedwet vervangt afzonderlijke 6 wetten en regelingen op het vlak van cultureel erfgoed, harmoniseert bestaande wet- en regelgeving, schrapt overbodige regels en legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van cultureel erfgoed zoveel mogelijk bij het erfgoedveld zelf: archeologen, overheden, eigenaren, musea en collectiebeheerders. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe we omgaan met ons erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. De regering sprak daarmee het vertrouwen uit dat de sector zelf voldoende kennis, expertise en betrokkenheid heeft om de zorg voor het cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. Bijlage 3. Beoordelingsformulier Steunpunt Monumentenzorg Fryslân Bijlage 4. Werkwijze voor de selectie, begrenzing en stappenplan aanwijsprocedure. Werkwijze voor de selectie van panden en objecten Steunpunt Monumentenzorg Fryslan bepaalt van tevoren met de gemeente hoeveel panden, objecten of complexen daadwerkelijk zullen moeten worden bezocht. Mochten er naast de objecten genoemd op de groslijst nog panden of objecten tijdens het veldwerk worden tegengekomen die zeker als karakteristiek zouden moeten worden benoemd, dan worden deze meegenomen. Het spreekt voor zich dat niet elk beeldbepalend gebouw dezelfde waarden bezit. Het bestand van de door de gemeente opgegeven panden moet dus op waarde worden geordend. De criteria die hiervoor zijn ontwikkeld zijn weergegeven in bijlage 4. Panden die in hun authenticiteit te veel zijn aangetast of relatief jong zijn, worden niet beoordeeld. Ook rijksmonumenten vallen buiten de beoordeling. Het betreffende pand of object wordt gefotografeerd en aan de hand van een beoordelingsformulier worden de cultuurhistorisch waardevolle onderdelen, stijl- en andere kenmerken waargenomen en genotuleerd. Dit beoordelingsformulier bevat aldus de toetsingscriteria waaraan een pand of object onderworpen wordt. Er wordt alleen naar de zichtbare gevels gekeken en niet naar het interieur. Overigens behoort een beoordeling van het interieur wel tot de aanvullende opties. De veldgegevens worden verwerkt en achter elk aspect dat van toepassing is op de karakteristieke panden komt een korte toelichting te staan. Bij panden waarvan duidelijk is dat zij geen status zullen krijgen, wordt deze toelichting niet ingevuld (alleen de punten c.q. score aangegeven). Bij de andere panden die wel een status zouden moeten krijgen (karakteristiek dan wel potentieel gemeentelijk monument), wordt die toelichting wel ingevuld. Dit is namelijk de onderbouwing van de waarde, die hetzij in de omschrijving naar voren komt, hetzij de waarden aangeeft voor karakteristieke panden. Per pand c.q. object ontstaat er door middel van de toetsingscriteria een score. In het geval van een opdracht voor alleen gemeentelijke monumenten is er bij een score van 19 of hoger sprake van een waardering als potentieel gemeentelijk monument. In overleg kan worden bepaald wat er met panden boven de 14 punten, maar onder de 19 punten zou kunnen gebeuren (karakteristiek, beeldbepalend of niets). De panden met een score lager dan 14 punten krijgen geen status. Op deze wijze ontstaat er uit de inventarisatie een lijst met een drietal sublijsten. 1.Een lijst met panden c.q. objecten die tijdens de inventarisatie afvallen omdat daar te weinig monumentale of karakteristieke waarde (meer) aan toe valt te kennen c.q. te weinig ‘scoren’; 2.Een lijst met panden c.q. objecten die zodanig gewaardeerd worden dat zij eventueel en indien gewenst de status ‘karakteristiek’ zouden kunnen krijgen (en hun bescherming in het bestemmingsplan zou moeten plaatsvinden); 3.Een lijst met panden c.q. objecten die zodanig hoog gewaardeerd worden dat de status van gemeentelijk monument gerechtvaardigd zou zijn (en hun bescherming via de gemeentelijke erfgoedverordening zouden moeten krijgen). Het resultaat c.q. het eindproduct dat op grond van deze fase wordt geleverd (na bespreking van het conceptresultaat), is dan ook de digitale levering van: 1.Een lijst waarop de geïnventariseerde panden c.q. objecten staan met hun kwalificatie; 2.Een overzicht van alle beoordelingsformulieren en foto’s van panden die een status gemeentelijk monument zouden moeten krijgen en eventueel van de ‘karakteristieke panden’. Dit betreft een bestand per pand. De omschreven methode betekent dat er scores worden toegekend aan de hand van een lijst van 20 beoordelingsaspecten en de mate waarin deze worden gewaardeerd (niet aanwezig, relevant of specifiek). Door de optelling van de scores tot één totaalscore per pand, worden feitelijk ‘appels en peren’ bij elkaar opgeteld. De methode is ook niet gericht op het exact wetenschappelijk bepalen van wat wel of niet beschermwaardig is. Doel van de waardenstelling is om op een inzichtelijke, controleerbare en consistente manier te kunnen vaststellen wat de onderlinge waardeverhouding is. Het eerste belang van die (arbitraire) grensstelling is dus de bepaling van een onderlinge rangorde, die redelijkerwijs valt te gebruiken als ondergrond voor beleidsmatige keuzes. Begrenzing Voor de aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt er een (onder)grens gehanteerd van 19 punten. Deze grens is onder andere tot stand gekomen door uit te gaan van de stelling dat van de drie beoordeelde groepen criteria er toch sprake zou moeten zijn van in totaal vijftien relevante aspecten en/of specifieke aspecten tot een totaal van achttien punten. Panden die dan iets extra’s hebben, komen er met een score van negentien of meer dan bovenuit. Meer nog is deze grens bepaald door ervaringen met vergelijkbare methodes in andere gemeenten. Daarbij valt op dat er bij veel gemeentelijke monumenten sprake is van een score die boven de gestelde grens ligt. Slechts een klein deel van de panden blijft een twijfelgeval, doordat deze zich met hun score net onder of op de grens bevinden. Deze grens is eveneens gehanteerd bij de selectie en waardering tot gemeentelijk monument in de gemeenten Ooststellingwerf en Weststellingwerf. Ook in andere Friese gemeenten, zoals Súdwest-Fryslân en Waadhoeke, is ditzelfde puntenaantal alsook de methodiek waaruit dit voortkwam, gehanteerd. Hierdoor is een soort norm c.q. standaard ontstaan die panden en objecten niet alleen vergelijkbaar maakt waar het gaat on monumentale waarde, maar ook uniformiteit en een zekere (rechts)gelijkheid biedt. Voor het grondgebied van gemeente Opsterland heeft dat op basis van de uitgevoerde inventarisatie de volgende gevolgen: panden met 19 punten of meer worden aangewezen als gemeentelijk monument. Er wordt een procedure opgestart om deze panden en objecten officieel aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het daadwerkelijke aantal aangewezen gemeentelijke monumenten zal in de hierop volgende beleidsnotitie aan de orde komen. Stappenplan aanwijsprocedure Om een helder beeld te krijgen van de wijze waarop de aanwijsprocedure tot gemeentelijk monument stapsgewijs wordt uitgevoerd, wordt in deze paragraaf ingegaan op welke stappen er binnen deze aanwijsprocedure worden genomen. Dit geldt ook voor spoedprocedures. Op hoofdlijnen worden onderstaande stappen genomen: -Publicatie website/algemene kennisgeving dagblad Sa! dat gemeente Opsterland overgaat tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten; -Lijst met objecten die voldoende scoren worden voorgelegd aan het college. Zij besluiten tot een voornemen tot aanwijzing van de geselecteerde objecten. Deze lijst wordt eveneens voorgelegd aan de welstands- en monumentencommissie voor advies; -Eigenaren/zakelijk gerechtigden van potentiële monumenten worden op de hoogte gesteld van het voornemen tot aanwijzing en uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst of persoonlijk gesprek waarin men geïnformeerd wordt over de voor- en nadelen van het in bezit hebben/krijgen van een gemeentelijk monument (wegens de omvang en afhankelijk van welke panden het betreft, wordt dit opgesplitst in diverse afzonderlijke bijeenkomsten of worden er eigenaren afzonderlijk benaderd). Ook wordt aangegeven dat aanwijzing geschiedt op basis van vrijwilligheid; -Eigenaren/zakelijk gerechtigden krijgen mogelijkheid om een zienswijze in te dienen; -Het advies van de welstandscommissie en de zienswijzen van de benaderde eigenaren/zakelijk gerechtigden komen opnieuw voor besluitvorming bij het college van B&W (zienswijzen waarin bezwaar wordt gemaakt en waarin eigenaren aangeven dat zij niet willen dat hun object gemeentelijk monument wordt, worden buiten deze procedure gelaten). Dit leidt tot een aanwijzingsbesluit; -Van dit aanwijzingsbesluit krijgen de eigenaren/zakelijke gerechtigden opnieuw bericht. -Na beoordeling van de zienswijzen wordt een definitief besluit genomen waarin men bij een positieve beschikking ook nog eens extra gewezen wordt op de subsidiemogelijkheden die de gemeente biedt op basis van dit beleid. Vanaf het moment dat het college van B&W besluit dat zij het voornemen heeft om aan te wijzen (het eerste besluit), dan geldt de voorbescherming. Dat betekent dat het pand dan moet worden behandeld als ware het een gemeentelijk monument. Het gevolg hiervan is dat bij wijzigingen of ingrepen aan het pand er een vergunning nodig is. Dat wil niet zeggen dat er geen ingrepen meer mogen worden gedaan, maar er is dan een vergunning nodig waarbij de gemeente ook weer de welstandscommissie (op basis van de erfgoedverordening) om advies dient te vragen. Nieuwe aanvragen tot aanwijzing Nieuwe aanvragen tot aanwijzing worden op ad hoc basis beoordeeld. In de toekomst kunnen individuele eigenaren binnen gemeente Opsterland die met hun pand (nog) niet op de lijst voorkomt, vragen om gemeentelijk monument te worden. Deze gevallen zullen individueel beoordeeld worden. Alleen als uit de beoordeling blijkt dat het pand een puntenscore behaalt van 19 of hoger wordt het pand benoemd tot gemeentelijk monument. Wanneer de puntenscore aantoont dat het pand lager scoort, vindt er geen aanwijzing tot gemeentelijk monument plaats. Bijlage 5. Waarderingscriteria Steunpunt Monumentenzorg Fryslân inclusief toelichting Toelichting Het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) en Monumenten Selectie Project (MSP) hebben met zich meegebracht dat er een systematiek is ontwikkeld om aan de hand van criteria panden en objecten te kunnen waarderen en selecteren. De selectie in het kader van het MSP is echter gebaseerd op een nationale waardenstelling: de beoordelingscriteria waren erop gericht te kunnen bepalen of een pand of object een landelijk belang vertegenwoordigde. Regionale of lokale waarden zijn daarbij nauwelijks tot niet aan bod gekomen. Steunpunt Monumentenzorg Fryslân heeft de criteria verder ontwikkeld en uitgewerkt. De criteria zijn vertaald naar meer concreet benoembare aspecten, waaraan een waardering op te hangen is. Op deze wijze kan elk object afzonderlijk beschouwd worden en wordt de inventarisatie van de ‘waarden’ in een matrix c.q. inventarisatieformulier vastgelegd. Een voorbeeld van dit waarderingsformulier is opgenomen in bijlage 1. Hoewel het dus een objectgericht waarderingskader is, is de methodiek toch minder gericht op de exacte waardenstelling van het individuele pand. Het biedt eigenlijk – via een score op de onderscheiden criteria – een rangschikking naar waarde van de in de inventarisatie betrokken panden. Het gaat in dit geval ook om een vergelijk in waardenstelling tussen de in het buitengebied gelegen panden en objecten om op basis daarvan voor de meer (karakteristieke/beeldbepalende panden) of meest (gemeentelijk monument) waardevolle objecten beleid vast te stellen. Het waarderingskader van het Steunpunt wordt inmiddels in de volgende gemeenten toegepast: Weststellingwerf, Ooststellingwerf, De Fryske Marren, Súdwest-Fryslân, Waadhoeke, Smallingerland, Harlingen en Heerenveen. De groslijst van potentiële gemeentelijke monumenten vormt een eerste selectie en zal worden voorgelegd aan Steunpunt Monumentenzorg Fryslân ter beoordeling. Mochten er naast deze lijst nog panden of objecten tijdens het veldwerk worden tegengekomen die zeker als karakteristiek zouden moeten worden benoemd, dan worden deze eveneens meegenomen. Per pand c.q. object ontstaat er door middel van de toetsingscriteria een score. De omschreven methode betekent dat er scores worden toegekend aan de hand van een lijst van 20 beoordelingsaspecten en de mate waarin deze worden gewaardeerd (niet aanwezig, relevant of specifiek). Door de optelling van de scores tot één totaalscore per pand, worden feitelijk ‘appels en peren’ bij elkaar opgeteld. De methode is ook niet gericht op het exact wetenschappelijk bepalen van wat wel of niet beschermwaardig is. Doel van de waardenstelling is om op een inzichtelijke, controleerbare en consistente manier te kunnen vaststellen wat de onderlinge waardeverhouding is. Het eerste belang van die (arbitraire) grensstelling is dus de bepaling van een onderlinge rangorde, die redelijkerwijs valt te gebruiken als ondergrond voor beleidsmatige keuzes. Voor de aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt er een (onder)grens gehanteerd van 19 punten. Deze grens is onder andere tot stand gekomen door uit te gaan van de stelling dat van de drie beoordeelde groepen criteria er toch sprake zou moeten zijn van in totaal vijftien relevante aspecten en/of specifieke aspecten tot een totaal van achttien punten. Panden die dan iets extra’s hebben, komen er met een score van negentien of meer bovenuit. Meer nog is deze grens bepaald door ervaringen met vergelijkbare methodes in andere gemeenten. Overwogen kan worden om de objecten die een score tussen 14 en 19 punten behalen als karakteristiek of beeldbepalend te bestempelen. Nadat de waarderingsformulieren van de objecten uitgewerkt zijn, wordt er een redengevende beschrijving toegekend aan de panden die op basis van hun score in aanmerking komen voor de status gemeentelijk monument. Op basis van de uitkomsten en de redengevende beschrijving worden eigenaren van objecten die in aanmerking komen om gemeentelijk monument te worden geïnformeerd. Wat de consequenties zijn voor de eigenaar wanneer deze een omgevingsvergunning aanvraagt voor (her-, ver- of nieuw)bouw of sloop, is op voorhand niet te zeggen. Een en ander hangt geheel af van de aspecten van het object die als gevolg van de beoordeling beschouwd worden als beschermingswaardig. Eigenaren kunnen met behulp van de gegevens die uit het beoordelingsproces zijn gekomen alsook de redengevende beschrijving een afweging maken en beslissen of zij akkoord gaan met de aanwijzing tot gemeentelijk monument. De redengevende beschrijving vormt, bij akkoord eigenaar, bovendien de onderlegger bij latere eventuele vergunningstrajecten. Waarderingscriteria: 1. Situatief ruimtelijke beeldwaarde De ruimtelijke contextuele waarde is voor een inbedding in het ruimtelijk (kwaliteits)beleid een belangrijk gegeven. Het pand levert als bebouwing een eerste belangrijke bijdrage aan de ruimtelijke omgeving door haar ruimtevorming: verdicht als straten en pleinen, losser in de vorm van lanen en landwegen of zelfs geheel afwezig bij verspreid staande objecten. Het zijn kenmerken – waarvan de laatste veel in het buitengebied zullen voorkomen – die tellen als waarde van ieder pand afzonderlijk. Daarnaast kan een gebouw ook beeldbepalend zijn door een markante ligging, de uitstraling op de omgeving of een monumentaliteit die binding geeft aan een ensemble of buurt als geheel. In dat geval is de waarde van het pand te ontlenen aan de relatie met zijn omgeving of tot de stedenbouwkundige structuur. Om dit criterium nadere concrete invulling te geven, zijn de volgende deelcriteria onderscheiden aan de hand waarvan elk pand wordt bekeken c.q. beoordeeld: - Wandvorming: de betekenis van het pand in relatie tot de wand- c.q ruimtevorming en/of ruimtelijke structuur - Omgevingsbeeld: de betekenis van het pand als specifiek accent in het directe omgevingsbeeld (beeldmerk) en/of in een groter stedelijk geheel - Ensemble: de waarde van het pand in relatie tot meerdere gelijksoortige panden - Omgevingskwaliteit: toegevoegde elementen en de inrichting van de directe omgeving kunnen bijdragen aan de waarde van het pand 2. Architectonische waarde De architectonische waarden zijn de architectuurhistorische waarden, die – in tegenstelling tot de hiervoor omschreven meer gebiedsgerichte en ensemblewaarden – worden bepaald door de visuele waarden van het pand zelf. Dit criterium is concreet gemaakt met een toets aan een aantal begrippen waaraan een zekere betekenis van het pand zou kunnen worden ontleend: - Contour: combinatie van opstandhoogte en bovenbelijning van het pand zelf alsmede met betrekking tot het dwarsprofiel. Het gaat hierbij om de hoogte van het gevelwandvlak (één of meer bouwlagen, kapvorm, dakvorm). - Massa-opbouw: de samenstelling van de bouwvorm (en de kenmerkende eigenschappen daarvan). Het gaat hierbij veelal om de afstemming tussen hoofd-, aan- en bijgebouwen (enkelvoudig, samengesteld, homogeen, gevarieerd). - Relatieve omvang: de schaal van het type pand, bepaald door bouwblokgrootte, massa-opbouw en/of parcellering. Het gaat hierbij om de onderlinge verhoudingen tussen de driedimensionale afmetingen van de panden. Het beschrijft de verhoudingen van de hoofdafmetingen van het type bebouwing (naar soort bebouwing: klein, middelgroot, groot, zeer groot). - Vormbehandeling: de modellering of aard van de vormplastiek. Het gaat hierbij om modelleringskenmerken die de weergave zijn van een vormkarakteristiek (kantig, vloeiend enz.). - Gerichtheid: duidt op de zijde of zijden die voor het pand gezichtsbepalend zijn en voor de publieke ruimte beeldbepalend. Het gaat hierbij om de wisselwerking tussen de gezichtsbepalende zijden en de (publieke) ruimte (naar of van de publieke ruimte, meerzijdig, hoek). - Geleding: duidt op een lijnvoering en/of gevelreliëf dat het hoofdaccent van de gevelindeling bepaalt en daarmee de ruimtevormende wand. Het gaat hierbij om een duiding in de architectonische expressie van de gebouwen en/of accentuering van het ruimtebeeld (verticaal, horizontaal, evenwichtig, indifferent). - Compositie: deze beeldcomponent betreft naast een balans van open en gesloten vlakken, ook de maten en verhoudingen in de gevelindeling, met inbegrip van de relatie tot de contouren van de hoofdvorm (traditioneel, gestileerd, geschakeerd). - Materiaal: het gaat hierbij om de aard en uitdrukking van de in het exterieur toegepaste materialen (dof, mat, steenachtig, metaal, kunststof, hout). - Kleurtoon: het gaat hierbij om de gradaties van helderheid van kleur in materiaal en kleurtoepassingen van de hoofdonderdelen van de gevel. - Kleur: beschrijft specifieke kleurtoepassingen en kenmerkende kleur/materiaal combinaties van specifieke detailleringen. - Detail en ornament: het gaat hierbij om de bijzondere verrijking die ruimte en bebouwing ondervinden van (constructieve) details, ornamenten en decoraties. - Gaafheid in relatie tot kwetsbaarheid: het gaat hierbij om de authenticiteit van het geheel of specifieke onderdelen in relatie met de kwetsbaarheid. Als er onderdelen (bv. metselwerk of kozijnen) zijn vernieuwd/vervangen, dan zijn deze onderdelen minder kwetsbaar omdat deze onderdelen niet authentiek of technisch goed zijn. 3. Cultuurhistorische waarde Specifieke cultuurhistorische waarden als bijvoorbeeld de bijzondere kunstzinnige vormgeving of de sier van de ornamentiek, dragen ook in hoge mate bij in de ‘monumentale waarde’ van hoe men een pand ervaart. Dit kan ook worden bepaald door een typische bouwtrant of bouwstijl of doordat het pand een representatief voorbeeld is van het oeuvre van een bepaalde architect. Ook kunsthistorische waarden kunnen in belangrijke mate de kwaliteit bepalen van beeldbepalende panden. In dit criterium ‘cultuurhistorische waarde’ zijn verschillende grootheden ondergebracht, van ‘details’ in de gevel tot vertegenwoordiging van een kunsthistorische stroming. Binnen dit ‘containercriterium’ zijn de volgende deelcriteria c.q. aspecten onderscheiden: - Stedenbouwkundige context: de relatie van het pand tot zijn historisch stedenbouwkundige context. - Cultuurhistorische en bouwhistorische waarde: een expressie van technische, typologische of innovatieve waarden van een pand en de oorspronkelijke bouw en/of details. - Kunsthistorie: representant van een kunsthistorische stroming of –stijl - Authenticiteit: is de beeldwaarde en/of intrinsieke waarde nog gaaf (oorspronkelijk)? 4. Streekhistorische betekenis Door hun plaats en verschijningsvorm zijn (beeldbepalende) panden een belangrijk visueel bestanddeel van de lokale geschiedenis. Ze bepalen in hoge mate de identiteit van de plaats of streek. In architectonische en stedenbouwkundige zin vertellen de panden iets over de voorgeschiedenis: het ontstaan en de bedrijvigheid die er was, over stand en status en over vaak persoonsgebonden gebeurtenissen of incidenten waarvan eens het pand het decor was. Een belangrijke waarde c.q. kwaliteit van lokale panden is dan ook hun verhalende waarde. Binnen dit criterium worden vier soorten betekenissen onderscheiden: - Ontwikkeling: de betekenis van het pand als representant van een lokale culturele, economische of geestelijke ontwikkeling. - Persoon of gebeurtenis: de relatie van het pand met een historische voorval of persoon, dan wel de betekenis van het pand als lokale zeldzaamheid of curiositeit - Bouwwijze: kenmerken van een regionale bouwwijze, bouwtrant en ornamentiek -Architect: representatief voor een (regionale) architect of een architectonisch oeuvre Er is voor gekozen het onderdeel Streekhistorische betekenis in eerste instantie niet te beoordelen in de objectgerichte waardenstelling. Voor de geschiedenis van het object is dit absoluut van belang, maar voor de beeldwaarde van het object is dit minder relevant. Regionale bouwwijze, architect of ontwikkeling is in de architectuur vaak wel zichtbaar en dan heeft het pand daar wellicht al een waardering voor gekregen. Als een persoon of gebeurtenis voor de streek dermate belangrijk is, kan het pand of object ongeacht de score in de objectgerichte waardenstelling op deze gronden worden aangewezen tot gemeentelijk monument. Bijlage 6. Schema wettelijk, minimaal en maximaal niveau Type beleid Financiën Juridisch Overig Wettelijk niveau Het betreft het minimale wettelijke niveau Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden Bestaande financierings-mogelijkheden monumenten Erfgoedverordening Gemeentelijke monumentencommissie Afstemming monumenten en welstand Minimaal niveau In aanvulling op de huidige situatie Schept de mogelijkheid tot beschermen van gemeentelijk cultureel erfgoed Beleidsnota Waarderingscriteria Gemeentelijke monumentenlijst met optie tot uitbreiding Erfgoedregister Ambtelijke inzetbaarheid Kosten opstellen beleid en erfgoedverorde-ning Kosten openbaar erfgoedregister Subsidieregeling Compensatie legeskosten Erfgoedverordening Inbedding in bestemmings-plannen Gemeentelijke beleidsregel subsidie monumenten Verordening subsidie op gemeentelijke monumenten Gemeentelijk monumentenschild Monumentenwijzer voor eigenaren Maximaal niveau Afhankelijk van ambities en het beschikbare budget Aanwijzen beeldbepalende of karakteristieke panden, historische interieurs Specifieke erfgoedambtenaar Stimuleren herbestemming en duurzaamheid d.m.v. subsidies Erfgoededucatie
Meer informatie