DAEB-aanwijzingsbesluit Stichting Interkerkelijk Diaconaal Overleg (IDO)
DAEB-aanwijzingsbesluit Stichting Interkerkelijk Diaconaal Overleg (IDO) Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, Overwegende dat: •gemeente Lelystad haar ambities voor het sociaal domein heeft vastgelegd in de Maatschappelijke Agenda 2023 en in dat kader uitvoering geeft aan de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; •het beleid van de gemeente erop is gericht: ote streven naar een aanvaardbaar niveau van bestaanszekerheid voor alle inwoners van de gemeente Lelystad; oin te zetten op onder meer vroegsignalering van schulden, met als doel het terugdringen van het aantal problematische en structurele schulden onder inwoners; ote streven naar een halvering van het aantal kinderen dat in armoede opgroeit in de gemeente Lelystad in 2026; •het college van burgemeester en wethouders, met instemming van de gemeenteraad, het wenselijk acht dat de uitvoering van de gemeentelijke schuldhulpverlening wordt verricht door een lokale uitvoeringsorganisatie; •het college van burgemeester en wethouders de uitvoering van de schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening heeft gemandateerd aan stichting IDO. Deze uitvoering omvat in ieder geval: opreventieve schuldhulpverlening; ovroegsignalering van schulden; ointake, stabilisatie, schuldregeling en nazorg; obegeleiding van inwoners met problematische schulden; osamenwerking met relevante ketenpartners; •stichting IDO op een voor de gemeente Lelystad kenmerkende wijze uitvoering geeft aan deze werkzaamheden door toepassing van de presentiebenadering, waarbij aansluiting wordt gezocht bij kwetsbare inwoners die kampen met psychosociale problematiek, zoals verslavingsproblematiek, relationele problematiek en instabiele woonsituaties; •de dienstverlening van stichting IDO in het bijzonder geschikt is voor inwoners die niet of onvoldoende kunnen deelnemen aan de reguliere schuldhulpverlening, waardoor de effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening wordt vergroot en maatwerk mogelijk wordt gemaakt; •de inzet van vrijwilligers in combinatie met de presentiebenadering een wezenlijk onderdeel vormt van deze dienstverlening; •de combinatie van activiteiten die stichting IDO aanbiedt, zoals de inloophuizen op verschillende locaties binnen gemeente Lelystad, uniek is binnen het lokale aanbod van schuldhulpverlening; •financiële ondersteuning ten behoeve van voornoemde activiteiten aan een organisatie als stichting IDO mogelijk kwalificeert als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; •uit eerder door het college verricht onderzoek uit 2025 blijkt dat de markt de door de gemeente Lelystad gewenste diensten niet levert tegen maatschappelijk aanvaardbare voorwaarden, zodat sprake is van marktfalen; Gelet op: -Artikel 106 lid 2, en artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU); -Besluit (EU) 2025/2630 van de Commissie van 16 december 2025 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (het DAEB-Vrijstellingsbesluit); -De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), in het bijzonder artikel 3a; -De Algemene Subsidieverordening gemeente Lelystad (ASVL). Besluit: de volgende diensten aan te wijzen als Dienst van Algemeen Economisch belang (hierna: DAEB): Het aanbieden van schuldhulpverlening in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening aan de meest kwetsbare inwoners van de gemeente Lelystad, uitgevoerd volgens de presentiebenadering. Onder deze dienstverlening worden begrepen: a.het bieden van schuldhulpverlening aan de meest kwetsbare inwoners die niet in staat zijn zelfstandig gebruik te maken van de reguliere schuldhulpverlening; b.het verzorgen van vrijwillig en tijdelijk budgetbeheer ten behoeve van de meest kwetsbare inwoners die niet in staat zijn zelfstandig gebruik te maken van de reguliere schuldhulpverlening; c.de inzet van vrijwilligers ten behoeve van de onder a en b genoemde activiteiten De aanwijzing geldt voor een periode van 10 jaren na inwerkingtreding van het DAEB aanwijsbesluit. De DAEB wordt periodiek geëvalueerd. Compensatiemechanisme, parameters voor berekening, monitoring en herziening van de compensaties De compensatie voor de uitvoering van de DAEB wordt verleend in de vorm van een subsidie en een garantstelling. Subsidie De subsidie wordt verstrekt op basis van DAEB-Vrijstellingsbesluit. De parameters voor de berekening, de monitoring en herziening van de subsidie zijn beschreven in de subsidieaanvraag van stichting IDO, de vooraf door het college vastgestelde prestatie-indicatoren (streefcijfers), de jaarlijkse subsidieverleningsbeschikking(en) en subsidievaststellingsbeschikking(en) van het college. De ASVL, alsmede de toepasselijke bepalingen uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorzien verder in bepalingen omtrent het afleggen van rekening en verantwoording, inclusief accountantscontrole(s). Voor 2026 bedraagt de subsidie schuldhulpverlening aan stichting IDO €354.369,-. Dit bedrag is opgenomen in de subsidieplafonds in de programmabegroting. Indien er indexering plaatsvindt wordt dit plafond in het volgende programmabegrotingen verhoogd. Bij beleidswijziging kan het bedrag ook nog hoger of lager worden. Om overcompensatie te vermijden wordt de subsidie vastgesteld op basis van daadwerkelijk gemaakte in aanmerking komende kosten. Om dit inzichtelijk te maken, is stichting IDO verplicht de subsidie jaarlijks te verantwoorden op basis van de voorwaarden zoals gesteld in de ASVL en de subsidiebeschikking. Behoudens een vergoeding voor een redelijke winst, mogen op grond van de parameters alleen kosten worden vergoed die doelmatig en redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van de activiteiten, met aftrek van eventuele overige inkomsten die stichting IDO met de DAEB-activiteiten verkrijgt. Indien blijkt dat stichting IDO meer dan een redelijke winst behaalt met de gesubsidieerde DAEB-activiteiten, zal de Gemeente overgaan tot terugvordering van de overcompensatie. Bij de overcompensatiecontrole wordt het voordeel dat IDO verkrijgt uit de garantstelling van de gemeente ten bedrage van €300.000,- meegenomen. Deze garantstelling is noodzakelijk omdat IDO voor het derdengeldbeheer in het kader van de uitvoering van de schuldhulpverleningsactiviteiten een ontheffing nodig heeft van de Nederlandse Bank (DNB) en deze ontheffing uitsluitend wordt verstrekt indien zij beschikt over een adequate garantstelling. De gemeente de garantstelling van maximaal €300.000,- verstrekken op basis van de De-minimisverordening. Het bruto-subsidie-equivalent is berekend op basis van de rekenmethode uit artikel 4, lid 6, sub a en b, De-minimisverordening. Gelet op de looptijd van 10 jaar, bedraagt het bruto-subsidie-equivalent €80.000,-. Cumulering Op grond van artikel 5 lid 3 De-minimisverordening mag De-minimissteun worden gecumuleerd met staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, voor zover door de cumulering de hoogst toegestane steunintensiteit of het hoogst toegestane steunbedrag dat in de specifieke omstandigheden van elke zaak is bepaald door een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie niet wordt overschreden. Artikel 5 lid 1 en 4 DAEB-Vrijstellingsbesluit bepaalt dat alle met de DAEB behaalde inkomsten, ongeacht of deze staatssteun vormen, dienen te worden meegenomen bij de bepaling van de nettokosten. Om ongeoorloofde cumulering onder de De-minimisverordening en het DAEB-Vrijstellingsbesluit te voorkomen zal het jaarlijkse bruto-subsidie-equivalent worden afgetrokken van de maximale jaarlijkse DAEB-compensatie die Stichting IDO kan ontvangen onder het DAEB-Vrijstellingsbesluit. Evaluatie en verantwoording Stichting IDO dient ieder jaar en aan het einde van de periode waarvoor Stichting IDO met de dienst van algemeen economisch belang is belast, een inhoudelijke en een financiële verantwoording in bij de gemeente Lelystad. Bij de inhoudelijke verantwoording moet beschreven worden welke werkzaamheden Stichting IDO heeft verricht en welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De gemeente kan accountantscontroles laten uitvoeren en Stichting IDO dient een gescheiden boekhouding te hanteren voor de inkomsten en kosten in het kader van de dienst van algemeen economisch belang, waarmee Stichting IDO is belast. Naar aanleiding van de financiële en inhoudelijke verantwoording door Stichting IDO evalueert de gemeente Lelystad of de activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de beoogde doelen zijn gerealiseerd, en of er sprake is geweest van overcompensatie. De gemeente Lelystad behoudt zich het recht voor om aanvullende stukken op te vragen bij Stichting IDO. Overige waarborgen De gemeente Lelystad zal zorgdragen voor de beschikbaarheid van de gegevens genoemd in artikel 8 DAEB-Vrijstellingsbesluit. De voorwaarden waaronder de dienst van algemeen economisch belang aan Stichting IDO wordt opgedragen dienen te voldoen aan de vigerende jurisprudentie en EU besluiten over diensten van algemeen economisch belang en partijen zullen, voor zover noodzakelijk en in overleg, de voorwaarden uit dit toewijzingsbesluit zo nodig aanpassen aan de regels. Stichting IDO komt uit hoofde van enige andere subsidieregeling niet in aanmerking voor subsidie voor de activiteiten vallend onder de dienst van algemeen economisch belang, waarmee zij in dit besluit wordt belast, wanneer dit ertoe leidt dat sprake is van overcompensatie dan wel de toepasselijke steunintensiteiten en anti-cumuleringsregels binnen het staatssteunrecht worden geschonden. Dit besluit kan worden aangehaald als ‘DAEB-besluit Stichting IDO 2026-2036’ en treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad van: 27 oktober 2026. Namens het college van de gemeente Lelystad; de secretaris, J.D. Pruim de burgemeester A.E.H. Baltus Rechtsmiddelen: Belanghebbenden kunnen tegen dit besluit binnen 6 weken na bekendmaking van dit besluit schriftelijk bezwaar maken bij het college van burgemeester en wethouders van Lelystad. Een bezwaarschrift schorst de werking van het bovengenoemde aanwijzingsbesluit niet.
Meer informatie