Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2027
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2027 De raad van de gemeente Hoeksche Waard; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 juni 2026; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna te noemen de wet) en de artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en ook gelet op artikel 156 van de Gemeentewet; Overwegende dat: • Inwoners in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun zelfredzaamheid, gezondheid en participatie en daarbij zoveel mogelijk gebruik maken van eigen kracht, gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk en de sociale basis; • Van inwoners mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen ondersteunen en bijdragen aan samenredzaamheid en betrokkenheid binnen de gemeenschap; • De gemeente een verantwoordelijkheid heeft om inwoners die op eigen kracht of met hulp vanuit hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of niet volwaardig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven, tijdig passende ondersteuning te bieden; • Deze ondersteuning erop is gericht dat inwoners zo lang mogelijk veilig en met regie over het eigen leven kunnen blijven wonen en meedoen in de samenleving; • Het gemeentelijk beleid inzet op preventie, versterking van de sociale basis, herstel- en ontwikkelgerichte ondersteuning, doelmatige inzet van maatwerkvoorzieningen en samenhang tussen wonen, welzijn, zorg, gezondheid en participatie; • Het noodzakelijk is nadere regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, om de kwaliteit, toegankelijkheid, rechtmatigheid en betaalbaarheid van ondersteuning te waarborgen; • Het bevorderen van toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking en het realiseren van een inclusieve samenleving uitgangspunt is van het gemeentelijk beleid; Besluit vast te stellen de: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2027. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Aanbieder: een organisatie of zelfstandig ondernemer (ZZP) die beroeps- of bedrijfsmatig ondersteuning levert. b. Aanvrager: inwoner die een melding/aanvraag heeft gedaan. c. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten of diensten. d. Beperking: lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking, dan wel een chronisch psychisch of psychosociaal probleem, waardoor de inwoner niet of onvoldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. e. Budgetplan: plan waarin staat beschreven hoe het persoonsgebonden budget wordt gebruikt om zorg of ondersteuning te regelen. Het plan geeft inzicht in welke zorg nodig is, wie daarvoor wordt ingeschakeld en hoeveel het gaat kosten. f. Centrumgemeente: de gemeente Nissewaard, die als centrumgemeente belast is met de uitvoering van beschermd wonen, maatschappelijke opvang en opvang bij huiselijk geweld voor de gemeenten Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard, Nissewaard en Voorne aan Zee tezamen Zuid-Hollandse Eilanden. g. Collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die aan meerdere inwoners tegelijk wordt aangeboden, maar waarvoor wel een individueel onderzoek en beschikking nodig zijn. h. Dagbesteding: Ondersteuning in de vorm van gestructureerde groepsactiviteiten die bijdragen aan zelfredzaamheid, participatie of ontlasting van mantelzorg. i. Draagkracht: de fysieke, psychische en sociale (niet de financiële) vermogens waarover een persoon of huishouden beschikt om dagelijkse zorgtaken en problemen zelfstandig of met hulp uit het eigen netwerk aan te kunnen. Dit omvat onder meer de gebruikelijke zorg die huisgenoten bieden, ook in situaties waarin sprake is van ziekte, beperking of aandoening. j. Draaglast: de totale hoeveelheid fysieke, psychische en sociale belasting die op een persoon of huishouden rust, inclusief het vermogen te voorzien in een inkomen, als gevolg van omstandigheden, gebeurtenissen of verantwoordelijkheden die aandacht, energie of aanpassing vragen. De draaglast omvat zowel structurele taken als plotselinge of ingrijpende gebeurtenissen die de beschikbare draagkracht op de proef stellen. k. Eigen kracht: de mogelijkheden van de inwoner om zelf, met inzet van zijn eigen capaciteiten en middelen, tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen dan wel een oplossing te vinden voor zijn ondersteuningsbehoefte. l. Formele ondersteuning: ondersteuning die wordt verleend door een professional die handelt vanuit een beroepsmatige of bedrijfsmatige relatie. m. Gesprek: Het gesprek tussen de inwoner en het college naar aanleiding van een melding over de hulpvraag. n. Gemeenschappelijke ruimten: Ruimten in een woongebouw die door meerdere bewoners worden gebruikt, zoals een portiek, galerij of lift. o. Gebruikelijke hulp: De hulp die huisgenoten elkaar redelijkerwijs geven in het dagelijks leven, omdat zij samen een huishouden vormen. p. Handhaving: Maatregelen om naleving van regels te bevorderen en onrechtmatige situaties te herstellen. q. Herstelactiviteit: Tijdelijke ondersteuning die erop gericht is dat een inwoner weer zo zelfstandig mogelijk dagelijkse activiteiten kan uitvoeren. r. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de aanvrager zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres de aanvrager in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven staat of zal staan, dan wel het feitelijke woonadres als de aanvrager met een briefadres in de basisregistratie personen is ingeschreven. s. Huishoudelijke ondersteuning: Ondersteuning bij het uitvoeren en organiseren van huishoudelijke taken wanneer iemand door beperkingen niet in staat is zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren. t. Hulpvraag: De behoefte van de aanvrager aan maatschappelijke ondersteuning. u. Informele ondersteuning: ondersteuning die wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk van de inwoner, al dan niet tegen betaling, en die niet wordt verleend vanuit een professionele organisatie. v. Inwoner: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Hoeksche Waard die op grond daarvan aanspraak kan maken op ondersteuning op basis van deze verordening. w. Kortdurend verblijf: Tijdelijk verblijf in een instelling of andere passende locatie ter ondersteuning van de aanvrager of ter ontlasting van de mantelzorger. x. Mantelzorger: iemand die vanuit een persoonlijke relatie langdurig en intensief onbetaalde hulp verleent aan een persoon met een ziekte, beperking of hulpvraag, voor zover deze hulp de gebruikelijke hulp overstijgt. y. Preventie: Het creëren en versterken van omstandigheden die bijdragen aan zelfredzaamheid, participatie, gezondheid en sociale samenhang en die erop gericht zijn het ontstaan, verergeren of terugkeren van ondersteuningsvragen te voorkomen of uit te stellen. z. Regionale toegang: De door de centrumgemeente georganiseerde toegang tot voorzieningen waarvoor regionale afspraken zijn gemaakt, waaronder opvang en beschermde woonvormen, bestaande uit melding, onderzoek, beoordeling en besluitvorming of toeleiding. aa. Regionale verordening beschermde woonvormen en maatschappelijke opvang: De in regionaal verband vastgestelde verordening voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. bb. Respijtzorg: Tijdelijke vervangende ondersteuning ter ontlasting van de mantelzorger. cc. Samenredzaamheid: Het vermogen van inwoners en hun sociale netwerk om, vanuit ieders mogelijkheden en draagkracht, elkaar te ondersteunen, gezamenlijk oplossingen te vinden en bij te dragen aan het opvangen of voorkomen van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie. dd. Sociale basis: Het geheel van informele netwerken, vrijwilligersinitiatieven en algemene voorzieningen. ee. Sociaal netwerk: personen uit de directe omgeving van de inwoner, waaronder familieleden, huisgenoten, vrienden, kennissen en andere betrokkenen, die een bijdrage kunnen leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. ff. Toegang: Op gebiedsniveau georganiseerd multidisciplinair team dat namens het college de toegang tot ondersteuning verzorgt, de ondersteuningsbehoefte verkent en inzet op oplossingen in de eigen kracht, het sociaal netwerk en voorliggende voorzieningen. Als deze niet passend of toereikend zijn, verwijst het lokaal team de inwoner door voor nader onderzoek en besluitvorming over een maatwerkvoorziening. gg. Toezicht: Controle op rechtmatigheid, kwaliteit en doelmatig gebruik van ondersteuning en (financiële) middelen. hh. Verslag: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. ii. Vervoersvoorziening: Een voorziening die het mogelijk maakt zich lokaal te verplaatsen. jj. Voorliggende v oorziening: Een voorziening of regeling die een passende oplossing biedt voor de hulpvraag en daarom voorgaat op ondersteuning vanuit de Wmo. kk. Wet: De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. ll. Woning: De woning waar de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft. mm. Woningaanpassing: een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woning, die vast verbonden is aan de woning en niet zonder ingrijpende werkzaamheden kan worden verwijderd. nn. Woonvoorziening: een maatwerkvoorziening gericht op het geschikt maken of houden van de woning voor normaal gebruik door de inwoner, bestaande uit een woningaanpassing, een roerende woonvoorziening of een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. oo. Zelfredzaamheid: In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. pp. Zelfstandig: het vermogen om, zo nodig met inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociale ondersteuning, algemene voorzieningen of hulpmiddelen, regie te voeren over het dagelijks leven en zo volwaardig mogelijk te kunnen wonen en participeren in de samenleving. Begrippen die in deze verordening niet zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Doel van de verordening 1.Deze verordening geeft uitvoering aan de verantwoordelijkheid van het college om inwoners te ondersteunen bij het behouden of vergroten van zelfredzaamheid en participatie, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig in hun eigen leefomgeving kunnen wonen en deelnemen aan de samenleving. De verordening geldt voor inwoners met hoofdverblijf in de gemeente Hoeksche Waard.De ondersteuning is gericht op: a.inwoners zo lang mogelijk in staat te stellen in de eigen leefomgeving te wonen en naar vermogen deel te nemen aan de samenleving; b.normaliseren waar mogelijk; c.preventie en vroegsignalering vóór inzet van zwaardere ondersteuning; d.het versterken van eigen kracht, samenredzaamheid, preventie en herstel waar mogelijk; e.waar mogelijk algemene en collectieve voorzieningen als voorliggende voorziening inzetten en maatwerk verstrekken waar dat nodig is; f.mantelzorgers te ondersteunen, te ontlasten en overbelasting te voorkomen; g.de kwaliteit, veiligheid, rechtmatigheid, doelmatigheid en betaalbaarheid van de geboden ondersteuning te waarborgen. Artikel 1.3 Integrale benadering 1.Het college voert deze verordening integraal uit en betrekt bij de beoordeling van ondersteuningsbehoeften mede de samenhang met wonen, welzijn, gezondheid, werk en inkomen, participatie, beschermd wonen en regionale samenwerking. Artikel 1.4 Kwaliteit, rechtmatigheid en naleving 1.Het college draagt zorg voor een kwalitatief goede, veilige, doelmatige en rechtmatige uitvoering van maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.2.Preventie, toezicht en handhaving vormen één samenhangend nalevingsbeleid.3.Het college zet in op: a.duidelijke communicatie over rechten en plichten; b.toetsbare kwaliteitseisen bij inkoop en contractering; c.screening en integriteitsbeoordeling van aanbieders; d.risicogericht toezicht; e.herstelgerichte handhaving bij onrechtmatigheden. 4.Toezicht en handhaving zijn primair gericht op herstel van de rechtmatige situatie en het voorkomen van herhaling. Artikel 1.5 Nadere regels 1.Het college stelt een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard (hierna: het Besluit) vast, waarin in ieder geval regels worden opgenomen over: a.tarieven en indexering; b.de hoogte van het persoonsgebonden budget en de wijze waarop dit wordt vastgesteld; c.financiële voorwaarden en bijdragen. 2.Het college kan beleidsregels vaststellen over de uitvoering van deze verordening, waaronder in ieder geval: a.uitvoeringsprocedures en normeringen; b.kwaliteitseisen en verantwoordingsvereisten; c.de nadere uitwerking van preventie, toezicht en handhaving. HOOFDSTUK 2. AANBOD ALGEMENE VOORZIENINGEN EN MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 2.1 Vormen van ondersteuning 1.Het college draagt zorg voor een samenhangend en toereikend aanbod van voorzieningen ter uitvoering van deze verordening.Ondersteuning wordt verstrekt in de vorm van: a.algemene voorzieningen; b.collectieve voorzieningen; c.maatwerkvoorzieningen. 2.Het college bepaalt de aard, omvang en inrichting van het aanbod, met inachtneming van deze verordening. Artikel 2.2 Aanbod algemene voorzieningen 1.Het college draagt zorg voor een samenhangend aanbod van algemene voorzieningen gericht op: a.informatie en advies, waaronder wegwijsondersteuning en (kortdurende) vraagverheldering; b.ontmoeting, meedoen en sociale basis (welzijn), inclusief inzet op preventie en het tegengaan van eenzaamheid; c.mantelzorgondersteuning, waaronder informatie, advies, training, respijtzorg en andere ondersteuningsvormen voor mantelzorgers; d.activerende, herstelgerichte ondersteuning waar passend; e.collectieve mobiliteits- en vervoersoplossingen. 2.Het college draagt zorg voor begrijpelijke, toegankelijke informatie over het aanbod, en biedt zo nodig ondersteuning bij digitale toegang.3.Het college kan voor het gebruik van een algemene voorziening een bijdrage in de kosten vragen en stelt dit vast in nadere regels. Artikel 2.3 Collectieve voorzieningen 1.Het college kan voorzieningen organiseren die gelijktijdig aan meerdere inwoners worden aangeboden, als dit passend, doelmatig en toereikend is. 2.Een collectieve voorziening kan worden aangemerkt als: a.een algemene voorziening; of b.een maatwerkvoorziening. 3.Als een collectieve voorziening wordt aangemerkt als algemene voorziening, kan het college hiervoor een bijdrage vragen die rechtstreeks door de inwoner wordt betaald. 4.Als een collectieve voorziening wordt aangemerkt als maatwerkvoorziening, is de bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet van toepassing. 5.Het college kan bepalen dat een collectieve voorziening voorliggend is op een individuele maatwerkvoorziening, indien hiermee het beoogde resultaat wordt bereikt. Artikel 2.4 Aanbod maatwerkvoorzieningen 1.Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als de aanvrager op grond van hoofdstuk 4 daarvoor in aanmerking komt en de voorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.2.Maatwerkvoorzieningen kunnen bestaan uit: a.huishoudelijke ondersteuning; b.begeleiding, individueel of in groepsverband; c.kortdurend verblijf; d.hulpmiddelen; e.woonvoorzieningen en woningaanpassingen; f.vervoersvoorzieningen. 3.Het college kan nadere regels stellen over de wijze van verstrekking, waaronder in ieder geval: a.de toegang tot en voorwaarden voor voorzieningen; b.de omvang en duur van de ondersteuning; c.kwaliteitseisen; d.de leveringsvorm. Artikel 2.5 Leveringsvormen 1.Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt in natura of, op verzoek van de inwoner, in de vorm van een persoonsgebonden budget. 2.Verstrekking in natura kan plaatsvinden in de vorm van: a.dienstverlening: het verlenen van een dienst door een aanbieder aan de inwoner, zoals huishoudelijke ondersteuning, begeleiding of vervoer; b.bruikleen: het ter beschikking stellen van een hulpmiddel of voorziening waarbij de gemeente eigenaar blijft en verantwoordelijk is voor onderhoud, verzekering en terugname; c.eigendom: het overdragen van een hulpmiddel of roerende woonvoorziening aan de inwoner, waarbij het onderhoud en de verzekering voor rekening van de inwoner komen; c.financiële tegemoetkoming: een eenmalige of forfaitaire vergoeding voor de (gedeeltelijke) kosten van een maatwerkvoorziening. 3.Als een maatwerkvoorziening naar zijn aard niet in natura kan worden verstrekt, kan het college een financiële tegemoetkoming verstrekken.4.Het college beoordeelt of een voorziening in natura passend en doelmatig is. Indien de inwoner een persoonsgebonden budget wenst, toetst het college dit aan de voorwaarden als bedoeld in de wet en deze verordening. Artikel 2.6 Voorliggende en algemeen gebruikelijke oplossingen 1.Geen aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening voor zover: a.een oplossing beschikbaar is via eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of het sociaal netwerk; b.een algemeen gebruikelijke voorziening toereikend is; c.een algemene of collectieve voorziening het beoogde resultaat bereikt; d.een andere wettelijke voorziening passend is. 2.Het college kan bepalen dat eerst gebruik wordt gemaakt van een voorliggende oplossing alvorens maatwerk wordt verstrekt. HOOFDSTUK 3. PROCEDUREREGELS Artikel 3.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1.Een inwoner met een hulpvraag of diens vertegenwoordiger kan bij het college een melding doen van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Een melding kan schriftelijk, telefonisch of digitaal worden gedaan.2.Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of per e-mail.3.Het college wijst de inwoner bij de melding op: a.de mogelijkheid gebruik te maken van gratis, onafhankelijke cliëntondersteuning; b.de mogelijkheid een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet te overhandigen, binnen zeven dagen na de melding; c.de wijze waarop dit plan kan worden ingediend. 4.Als de melding betrekking heeft op een inwoner die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, en waarbij verwacht wordt dat ondersteuning na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar nodig blijft, kan het college tijdig onderzoek starten naar passende ondersteuning op grond van deze verordening, zodat een zorgvuldige overgang naar ondersteuning vanuit de Wmo kan plaatsvinden.5.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding direct een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.6.Als de melding betrekking heeft op beschermde woonvormen of maatschappelijke opvang, wordt deze afgestemd met de regionale toegang en behandeld overeenkomstig het regionaal vastgestelde toegangskader. Artikel 3.2 Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt voor gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning voor inwoners en mantelzorgers.2.Het college wijst inwoners met een hulpvraag vóór het onderzoek op de mogelijkheid hiervan gebruik te maken.3.Cliëntondersteuning is toegankelijk voor alle inwoners, ook voor inwoners met beperkte taal- of digitale vaardigheden. Artikel 3.3 Onderzoek 1.Het college onderzoekt samen met de inwoner, en zo nodig met de vertegenwoordiger of mantelzorger(s), de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Daarbij staat het belang van de inwoner centraal.2.Het onderzoek omvat in ieder geval: a.de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; b.het gewenste resultaat van de hulpvraag; c.de mogelijkheden op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van het sociaal netwerk; d.de mogelijkheden tot versterking van samenredzaamheid, inclusief inzet van het sociaal netwerk en de sociale basis; e.de draagkracht en draaglast van de inwoner en diens netwerk, voor zover dit van invloed is op de mogelijkheden om de beperkingen te compenseren; f.de mogelijkheden van algemene en collectieve voorzieningen (sociale basis), inclusief preventief aanbod; g.de mogelijkheden van activerende, tijdelijke ondersteuning; h.de mogelijkheden van voorliggende voorzieningen op grond van andere wetgeving; i.de (on)veiligheid en risico’s die relevant zijn voor het realiseren van het resultaat. 3.Het college is bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de inwoner vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.4.De inwoner en, voor zover van toepassing, diens huisgenoten verlenen medewerking aan het onderzoek voor zover dit redelijkerwijs van hen kan worden verwacht, waaronder het verstrekken van informatie over de mogelijkheden van gebruikelijke hulp. Artikel 3.4 Verslag 1.Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag.2.Het verslag bevat in ieder geval: a.het vastgestelde ondersteuningsresultaat; b.de onderzochte oplossingen; c.de gemaakte afwegingen; d.de voorgestelde voorziening of voorzieningen; e.de motivering; f.de onderzochte alternatieven en de motivering van de gemaakte keuze, inclusief de weging van algemene/collectieve voorzieningen; g.als van toepassing: de gevolgen voor mantelzorg en afspraken over mantelzorgondersteuning/respijt; h.als van toepassing: de betrokkenheid van een vertegenwoordiger of mantelzorger. 3.Het college verstrekt het verslag aan de inwoner. Artikel 3.5 Aanvraag 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door de inwoner of vertegenwoordiger worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.2.Een aanvraag kan schriftelijk worden ingediend: a.met gebruikmaking van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier; of b.door middel van een door de inwoner ondertekend verslag van het onderzoek, waarin de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de inwoner zijn opgenomen, indien het college dit aanmerkt als aanvraag. 3.Als de aanvraag of het daarbij behorende verslag naar het oordeel van het college onvolledige of verouderde gegevens bevat, stelt het college de inwoner in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen binnen een door het college te stellen termijn. Het college wijst de inwoner er daarbij op dat de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld als de gevraagde gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt binnen de gestelde termijn.4.De beslistermijn als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het college de inwoner heeft uitgenodigd de aanvraag aan te vullen als bedoeld in het derde lid, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de gestelde termijn ongebruikt is verstreken, overeenkomstig artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.5.Als de gevraagde gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt binnen de gestelde termijn, kan het college de aanvraag buiten behandeling stellen overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.6 Besluitvorming 1.Het college beslist op de aanvraag binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag, overeenkomstig artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet. 2.Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn verlengen overeenkomstig artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college stelt de aanvrager hiervan vóór afloop van de termijn schriftelijk in kennis onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.3.Als voor de beoordeling van de aanvraag aanvullende gegevens of een deskundigenadvies noodzakelijk zijn, kan het college: a.de aanvrager verzoeken deze gegevens te verstrekken; of b.een onafhankelijk deskundigenadvies inwinnen. 4.Als de aanvrager wordt verzocht aanvullende gegevens te verstrekken, wordt de beslistermijn opgeschort overeenkomstig artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht.5.Het college kan aanvullende gegevens of een onafhankelijk deskundigenadvies inwinnen als dit noodzakelijk is voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag als: a.onduidelijkheid bestaat over de aard, ernst of prognose van de beperkingen van de aanvrager; b.het college voornemens is de aanvraag op medische of andere gronden die deskundige beoordeling vergen geheel of gedeeltelijk af te wijzen; c.het college dit anderszins noodzakelijk acht voor een zorgvuldig besluit. 6.Voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, is het college bevoegd de inwoner, dan wel – indien sprake is van gebruikelijke hulp – personen die tot de leefeenheid van de inwoner behoren: a.uit te nodigen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een gesprek of nader onderzoek; b.te laten onderzoeken of bevragen door één of meer door het college aangewezen deskundigen. Artikel 3.7 Heronderzoek en evaluatie 1.Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget te heroverwegen. Aanleiding kan bestaan in gewijzigde omstandigheden aan de zijde van de inwoner dan wel in een wijziging van het gemeentelijk beleid.2.De inwoner verleent desgevraagd medewerking en verstrekt relevante informatie.3.Het heronderzoek leidt tot een ambtshalve beslissing van het college omtrent wijziging, voortzetting of beëindiging van de voorziening. Een nieuwe aanvraag door de inwoner is daarvoor niet vereist. Bij toepassing van gewijzigd beleid als grond voor herziening houdt het college rekening met het rechtszekerheidsbeginsel en biedt het zo nodig een redelijke overgangsperiode. HOOFDSTUK 4. BEOORDELING AANSPRAAK EN ALGEMENE CRITERIA Artikel 4.1 Beoordeling aanspraak op maatschappelijke ondersteuning 1.Het college beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning met inachtneming van: a.de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; b.deze verordening; c.de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3; d.het verslag en, indien aanwezig, het persoonlijk plan. 2.Een maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als: a.sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die, gelet op de omstandigheden van de inwoner en op basis van een zorgvuldig en integraal onderzoek, aannemelijk zijn; b.deze beperkingen niet kunnen worden verminderd of weggenomen: 1°. op eigen kracht; 2°. met gebruikelijke hulp; 3°. met mantelzorg of hulp vanuit het sociaal netwerk; 4°. met gebruikmaking van algemene of collectieve voorzieningen; 5°. met een voorliggende voorziening; c.de voorziening passend en toereikend is; d.de voorziening de goedkoopst adequate oplossing vormt; e.de voorziening noodzakelijk is om het vastgestelde resultaat te bereiken. Artikel 4.2 Inhoud maatschappelijke ondersteuning 1.Onder maatschappelijke ondersteuning wordt in ieder geval verstaan: a.ondersteuning bij noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; b.ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd huishouden; c.ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijk verkeer. Artikel 4.3 Gebruikelijke hulp 1.Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als huisgenoten van de inwoner naar het oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen bieden. Bij de beoordeling of gebruikelijke hulp kan worden verlangd, houdt het college in ieder geval rekening met: a.de aard, omvang en duur van de ondersteuningsbehoefte; b.de aard van de relatie binnen de leefeenheid; c.de leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; d.de mogelijkheden van huisgenoten om taken te leren en bij te dragen aan de ondersteuning. Artikel 4.4 Tijdelijkheid en leerbaarheid 1.Het college kan maatschappelijke ondersteuning combineren met eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp vanuit het sociaal netwerk.2.Maatwerkvoorzieningen kunnen tijdelijk worden toegekend als: a.de inwoner of personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn; of b.verbetering van zelfredzaamheid of participatie verwacht mag worden. 3.Tijdelijke ondersteuning is gericht op het versterken van zelfredzaamheid, waaronder mede wordt verstaan toeleiding naar algemene of voorliggende voorzieningen. Artikel 4.5 Weigeringsgronden 1.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor zover: a.de hulpvraag kan worden opgelost: 1°. op eigen kracht; 2°. met gebruikelijke hulp; 3°. met mantelzorg of hulp vanuit het sociaal netwerk; 4°. met een algemeen gebruikelijke voorziening; 5°. met een algemene of collectieve voorziening; of 6°. met een passende voorliggende voorziening op grond van andere wet- of regelgeving; b.de voorziening niet noodzakelijk is voor het bereiken van het vastgestelde resultaat inzake zelfredzaamheid of participatie; c.de voorziening niet kan worden aangemerkt als de goedkoopst adequate oplossing; d.geen sprake is van aantoonbare meerkosten ten opzichte van de situatie voorafgaand aan de ondersteuningsbehoefte; e.de voorziening reeds eerder is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn of technische gebruiksduur nog niet is verstreken, tenzij: 1°. de voorziening buiten toedoen van de aanvrager verloren is gegaan of beschadigd; 2°. de voorziening niet langer passend is; of 3°. de aanvrager geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de kosten van vervanging; f.sprake is van een indicatie voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg, of gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager daarvoor in aanmerking komt, en de aanvrager weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is; g.de aanvrager door gedrag, nalatigheid of het niet naleven van verplichtingen het verstrekken, gebruiken, onderhouden of controleren van de voorziening onmogelijk maakt. 2.Aanvullende specifieke weigeringsgronden kunnen per maatwerkvoorziening zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van deze verordening. Artikel 4.6 Voorziening aangeschaft vóór melding 1.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget indien de voorziening door de inwoner is aangeschaft of geaccepteerd voordat een melding als bedoeld in artikel 3.1 is gedaan en het college in de gelegenheid is gesteld onderzoek te verrichten. 2.Als de inwoner zonder het onderzoek af te wachten een voorziening aanschaft of laat realiseren, komt dit voor eigen rekening en risico. 3.In afwijking van het eerste lid kan het college alsnog een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget toekennen als: a.sprake was van een aantoonbare acute noodzaak waardoor het doen van een melding redelijkerwijs niet kon worden afgewacht; en b.uit het onderzoek blijkt dat de aangeschafte voorziening passend, noodzakelijk en goedkoopst adequaat is. 4.De aanvrager draagt de bewijslast van de in het derde lid bedoelde acute noodzaak. HOOFDSTUK 5. SPECIFIEKE CRITERIA PER VOORZIENING Artikel 5.1 Huishoudelijke ondersteuning 1.Het college verstrekt huishoudelijke ondersteuning indien de inwoner als gevolg van beperkingen niet in staat is om noodzakelijke huishoudelijke taken te organiseren en uit te voeren.2.Het college beoordeelt eerst of: a.gebruikelijke hulp van huisgenoten kan worden verwacht; b.ondersteuning kan worden geboden vanuit het sociaal netwerk; c.het huishouden anders kan worden ingericht of vereenvoudigd; d.algemene of voorliggende voorzieningen een passende oplossing bieden. 3.De omvang van de ondersteuning wordt objectief vastgesteld met toepassing van een door het college vastgesteld normenkader.4.De inzet kan tijdelijk, opbouwend of afbouwend plaatsvinden en wordt periodiek geëvalueerd. Artikel 5.2 Begeleiding en dagbesteding 1.Het college kan begeleiding of dagbesteding verstrekken als de inwoner beperkingen ondervindt bij: a.het voeren van regie over het dagelijks leven; b.het structureren van activiteiten; c.het aanleren, toepassen of behouden van vaardigheden met betrekking tot zelfredzaamheid; d.maatschappelijke participatie; e.sociale redzaamheid; f.het organiseren van het huishouden of het herstellen van een ontregeld huishouden; g.daginvulling gericht op het ondersteunen van de inwoner bij het zo zelfstandig mogelijk functioneren en deelnemen aan de samenleving, inclusief het daarvoor noodzakelijke vervoer; h.het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger, voor zover dit noodzakelijk is voor het behoud van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. 2.Begeleiding en dagbesteding zijn gericht op het vergroten of behouden van zelfredzaamheid en niet op het structureel overnemen van taken.3.Bij begeleiding of dagbesteding heeft een collectieve maatwerkvoorziening de voorkeur.4.Individuele begeleiding wordt uitsluitend verstrekt als deze noodzakelijk is om het vastgestelde resultaat te bereiken.5.De inwoner komt niet in aanmerking voor begeleiding of dagbesteding wanneer huisgenoten naar het oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen bieden.6.Het college hanteert als uitgangspunt dat begeleiding en ondersteuning waar mogelijk collectief en in groepsverband worden ingezet, tenzij uit het onderzoek blijkt dat individuele begeleiding noodzakelijk is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Artikel 5.3 Vervoer naar dagbesteding 1.Het college draagt zorg voor het noodzakelijke vervoer naar en van de dagbesteding als de inwoner daarop is aangewezen.2.Vervoer wordt noodzakelijk geacht als: a.de inwoner niet zelfstandig, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de locatie kan bereiken; b.de inwoner niet zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel kan reizen; en c.vervoer niet kan worden gerealiseerd met hulp van personen uit het sociaal netwerk of vrijwilligers. 3.Het vervoer wordt verstrekt als onderdeel van de maatwerkvoorziening en uitsluitend voor zover dit noodzakelijk is voor deelname aan de dichtstbijzijnde passende dagbesteding. Artikel 5.4 Kortdurend verblijf 1.Het college kan een maatwerkvoorziening kortdurend verblijf verstrekken aan een inwoner die is aangewezen op ondersteuning in verband met beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, als dit noodzakelijk is ter ontlasting van de mantelzorger of het sociaal netwerk.2.Kortdurend verblijf bestaat uit een tijdelijk verblijf in een instelling of logeeromgeving, waarbij toezicht en ondersteuning worden geboden die noodzakelijk zijn voor het veilig functioneren van de inwoner gedurende het verblijf.3.Het kortdurend verblijf is gericht op: a.het overnemen van de ondersteuning door de mantelzorger; b.het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger; c.het stabiliseren van de thuissituatie zodat de inwoner zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen. 4.Kortdurend verblijf wordt slechts verstrekt als: a.de inwoner is aangewezen op toezicht of ondersteuning gedurende een beperkte periode; b.andere algemene of collectieve voorliggende voorzieningen geen passende oplossing bieden; en c.de ondersteuning niet structureel of permanent noodzakelijk is. 5.Geen aanspraak op kortdurend verblijf bestaat als de inwoner is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel voor zichzelf of anderen. In dat geval kan sprake zijn van een zorgbehoefte die valt onder de Wet langdurige zorg.6.Het college kan nadere regels stellen over: a.de omvang en duur van het kortdurend verblijf; b.de frequentie van het verblijf; c.de wijze waarop toezicht en ondersteuning worden geboden. Artikel 5.5 Opvang en beschermde woonvormen 1.Voor opvang en beschermde woonvormen is de regionale verordening van de centrumgemeente van toepassing. 2.Als bepalingen in deze verordening afwijken van de regionale verordening, is de regionale verordening leidend. 3.Beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Het college en de centrumgemeente handelen overeenkomstig de landelijke afspraken hierover.4.Een inwoner met een ondersteuningsvraag op het gebied van beschermde woonvormen meldt zich bij de toegang. 5.Een inwoner met een acute behoefte aan opvang kan zich melden bij: a.de toegang; b.via de aandachtsfunctionaris van de gemeente; of c.rechtstreeks wenden tot een voorziening voor opvang. 6.In geval van een acute of onveilige situatie wordt door of namens de regionale toegang zo spoedig mogelijk passende opvang ingezet, vooruitlopend op het onderzoek.7.Het college verricht een eerste beoordeling van de ondersteuningsvraag. 8.Deze beoordeling richt zich in ieder geval op: a.de aard en ernst van de problematiek; b.de mogelijkheden van eigen kracht en het sociaal netwerk; c.de inzet van voorliggende en algemene voorzieningen; d.de noodzaak van opvang of beschermd wonen. 9.Als uit de eerste beoordeling blijkt dat mogelijk een voorziening voor opvang of een beschermde woonvorm nodig is, draagt het college zorg voor overdracht van de melding en relevante onderzoeksgegevens aan de regionale toegang.10.De overdracht bevat in ieder geval: a.de resultaten van het onderzoek; b.de motivering van de ondersteuningsbehoefte; c.een beschrijving van al ingezette ondersteuning; d.een plan van aanpak, indien beschikbaar. 11.De regionale toegang is verantwoordelijk voor het verdere onderzoek, de indicatiestelling en het nemen van een besluit. 12.De regionale toegang neemt het besluit over de toegang tot opvang of beschermde woonvorm. 13.De regionale toegang verstrekt de beschikking aan de inwoner. 14.De regionale toegang informeert het college tijdig over het genomen besluit en de inhoud daarvan, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering en de aansluiting op ondersteuning.15.Het college en de regionale toegang stemmen af over de uitvoering van de ondersteuning en dragen zorg voor een zorgvuldige overdracht bij instroom, doorstroom en uitstroom.16.De overdracht, bedoeld in het vorige lid, vindt tijdig plaats en is gericht op het waarborgen van de continuïteit van ondersteuning, in het bijzonder bij de overgang naar ondersteuning na uitstroom.17.Het college draagt zorg voor een passende aansluiting op ondersteuning, vanuit de sociale basis en maatwerkvoorzieningen, na uitstroom uit een opvang of beschermde woonvorm.18.Het college en de regionale toegang maken afspraken over een zorgvuldige overdracht. Artikel 5.6 Woonvoorzieningen en verhuizing 1.Het college verstrekt een woonvoorziening indien de inwoner als gevolg van beperkingen problemen ondervindt bij het normale gebruik van de woning en deze problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp uit het sociaal netwerk, met een algemeen gebruikelijke voorziening of met een voorliggende voorziening kunnen worden opgelost. 2.Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college de volgende volgorde van afweging: a.een algemeen gebruikelijke oplossing; b.herinrichting of organisatorische aanpassing van de woning; c.verhuizing naar een geschikte of gemakkelijker geschikt te maken woning; d.aanpassing van de huidige woning. 3.Verhuizing naar een geschikte of gemakkelijker geschikt te maken woning wordt als eerste passende oplossing aangemerkt indien deze, gelet op de omstandigheden van de inwoner, de goedkoopst adequate en duurzame oplossing vormt. 4.Bij de toepassing van het derde lid betrekt het college in ieder geval: a.de aard en omvang van de beperkingen van de inwoner; b.de mogelijkheden om de huidige woning aan te passen; c.de beschikbaarheid van een geschikte of gemakkelijker geschikt te maken woning; d.de sociale omstandigheden van de inwoner, waaronder mantelzorg en binding met de woonomgeving; e.de kosten van woningaanpassing in verhouding tot verhuizing. 5.Indien toepassing wordt gegeven aan het primaat van verhuizen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten, voor zover: a.verhuizing noodzakelijk is ter compensatie van de beperkingen; en b.geen aanspraak bestaat op een andere wettelijke of contractuele vergoeding. 6.Het college stelt in het Besluit nadere regels over de financiële tegemoetkoming, bedoeld in het vijfde lid, waaronder in ieder geval: a.de hoogte van de tegemoetkoming; b.de wijze van indexering; c.de voorwaarden voor verstrekking. 7.Het college kan een aanvraag voor een woonvoorziening weigeren als: a.de inwoner de woonruimte niet rechtmatig bewoont; b.de beperkingen voortvloeien uit achterstallige onderhouds- of herstelwerkzaamheden die naar algemeen gebruikelijke maatstaven behoren tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar of gebruiker van de woning en niet rechtstreeks voortvloeien uit de beperking van de inwoner; c.de aanvraag betrekking heeft op een verhuizing die niet noodzakelijk is ter compensatie van beperkingen; d.sprake is van verhuizing wegens sloop, renovatie of beëindiging van huur op initiatief van de verhuurder; e.wordt verhuisd naar een niet-zelfstandige woonvorm of instelling; f.wordt verhuisd van een geschikte naar een niet geschikte woning zonder dat beperkingen worden opgelost; g.de inwoner verhuist naar een woning die niet geschikt is of niet geschikt kan worden gemaakt, tenzij vooraf toestemming door het college is verleend of de inwoner aan kan tonen dat er sprake was van een acute en onvoorzienbare noodzaak tot verhuizing; h.de aanvraag betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, met uitzondering van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de toegankelijkheid van de woning; i.de problemen voortvloeien uit de aard van gebruikte materialen in de woning. Artikel 5.7 Hulpmiddelen en rolstoelvoorzieningen 1.Het college verstrekt hulpmiddelen of rolstoelvoorzieningen als deze noodzakelijk zijn voor zelfredzaamheid of participatie van de inwoner. Verstrekking vindt in beginsel plaats in natura en in bruikleen.2.Het college kan kiezen voor: a.standaardvoorzieningen; b.hergebruik van voorzieningen; c.collectieve of poolvoorzieningen. 3.Regels over onderhoud, vervanging, verzekering en terugname worden door het college vastgelegd in nadere regels. Artikel 5.8 Vervoersvoorzieningen 1.Onder maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit artikel wordt in ieder geval verstaan het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving en het kunnen ontmoeten van medemensen en aangaan van sociale verbanden, gericht op zelfredzaamheid en participatie.2.Het te bereiken resultaat met betrekking tot het zich kunnen verplaatsen bestaat in ieder geval uit de mogelijkheid tot: a.het onderhouden van sociale contacten; b.het deelnemen aan activiteiten, binnen de leefomgeving van de inwoner. 3.Het college verstrekt een vervoersvoorziening indien de inwoner als gevolg van objectiveerbare beperkingen niet in staat is zich lokaal te verplaatsen en deze beperkingen niet kunnen worden opgelost: a.op eigen kracht; b.met gebruikelijke hulp of hulp vanuit het sociaal netwerk; c.met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel; d.met een voorliggende voorziening. 4.De maatwerkvoorziening kan betrekking hebben op: a.verplaatsing over korte afstand rond de woning; b.verplaatsing over langere afstand binnen de leefomgeving van de inwoner. 5.Onder leefomgeving wordt verstaan de gemeente Hoeksche Waard en het gebied binnen een straal van 25 kilometer rond de woning van de inwoner tenzij de inwoner geen aansluiting heeft op het landelijke Valysvervoer.6.Het college hanteert het primaat van de collectieve vervoersvoorziening.7.Een individuele vervoersvoorziening wordt slechts verstrekt als het collectieve vervoer, gelet op de individuele beperkingen van de inwoner, niet passend of niet toereikend is om het vastgestelde resultaat te bereiken.8.Het college kan nadere regels stellen over gebruiksvoorwaarden, reisafstanden, frequentie, eigen bijdragen en doelmatigheidscriteria. HOOFDSTUK 6. BESCHIKKING Artikel 6.1 Beschikking 1.Het college legt een besluit tot verstrekking, wijziging of weigering van een maatwerkvoorziening vast in een schriftelijke beschikking. 2.De beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt in ieder geval: a.het beoogde resultaat van de ondersteuning; b.de aard en omvang van de voorziening; c.de ingangsdatum en duur van de verstrekking; d.de wijze van verstrekking; e.de voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; f.of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de wijze waarop deze wordt vastgesteld en geïnd; g.de mogelijkheid van bezwaar en beroep. 3.Indien een maatwerkvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget, vermeldt de beschikking in aanvulling op het tweede lid in ieder geval: a.het budget en de wijze waarop dit is berekend; b.de kwaliteitseisen waaraan de ondersteuning moet voldoen; c.de voorwaarden voor besteding van het budget; d.de wijze van verantwoording en controle; e.de verplichting tot het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in de wet en de toetsing daarvan door het college. 4.Het college vermeldt in de beschikking dat het CAK de bijdrage vaststelt en int.5.Als de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, motiveert het college dit in de beschikking, waarbij wordt ingegaan op de individuele omstandigheden van de inwoner en de uitkomsten van het onderzoek. Artikel 6.2 Leveringsvormen 1.Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a.in natura; of b.in de vorm van een persoonsgebonden budget overeenkomstig hoofdstuk 8. 2.Het college beoordeelt per situatie welke leveringsvorm passend, doelmatig en veilig is. Artikel 6.3 Verstrekking in natura 1.Het college draagt zorg voor tijdige, passende en kwalitatief verantwoorde levering.2.Het college kan voorzieningen: a.standaardiseren; b.hergebruiken; c.collectief organiseren. 3.Aan het gebruik kunnen voorwaarden worden verbonden met betrekking tot onderhoud, verzekering, gebruik en teruggave. Artikel 6.4 Tarieven en kostprijs 1.Het college stelt tarieven in het Besluit vast voor: a.voorzieningen in natura; b.bijdragen voor algemene voorzieningen, voor zover van toepassing. 2.De tarieven zijn gebaseerd op een reële kostprijs.3.Bij de vaststelling houdt het college in ieder geval rekening met: a.loonkosten en arbeidsvoorwaarden; b.overheadkosten; c.vervanging bij ziekte en verlof; d.opleidings- en deskundigheidsbevordering; e.reis- en organisatiekosten; f.administratieve lasten; g.indexatie. 4.De concrete tarieven en normbedragen worden vastgelegd in het Besluit.5.Het college kan deze bedragen periodiek indexeren. HOOFDSTUK 7. BIJDRAGE IN KOSTEN Artikel 7.1 Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budget en aangewezen algemene voorzieningen 1.De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt, voor zover dit is bepaald bij of op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.2.De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor door het college aangewezen voorzieningen, zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt.3.De hoogte van de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) overeenkomstig de wet en de daarop gebaseerde landelijke regelgeving.4.De bijdrage bedraagt maximaal 100% van de kostprijs, voor zover dit op grond van de Wmo 2015 is toegestaan.5.In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a.rolstoelvoorzieningen; b.maatwerkvoorzieningen voor minderjarigen (kindvoorzieningen). 6.De kostprijs van een voorziening wordt bepaald: a.bij maatwerkvoorzieningen en aangewezen algemene voorzieningen op basis van aanbesteding, marktconsultatie of overleg met aanbieders; b.bij hulpmiddelen en woningaanpassingen mede aan de hand van de wijze van beschikbaarstelling (bruikleen, koop of financiële tegemoetkoming); c.bij een persoonsgebonden budget op het bedrag van het toegekende budget. 7.De kosten voor het gebruik van een rolstoeltaxi of individuele taxi bedragen maximaal het bijbehorende reguliere tarief per kilometer, tijdtarief en het van toepassing zijnde reguliere voorrijdtarief per rit onder aftrek van de reguliere kosten voor openbaar vervoer. HOOFDSTUK 8. PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) Artikel 8.1 Recht op een persoonsgebonden budget 1.Het college verstrekt een persoonsgebonden budget overeenkomstig artikel 2.3.6 van de wet. 2.De inwoner die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening kan kiezen voor een persoonsgebonden budget, als wordt voldaan aan de voorwaarden in dit hoofdstuk. Artikel 8.2 Voorwaarden voor verstrekking persoonsgebonden budget 1.Het college verstrekt een persoonsgebonden budget als: a.de inwoner gemotiveerd aangeeft dat de maatwerkvoorziening in natura niet passend is; b.de inwoner of diens vertegenwoordiger in staat is tot een verantwoord beheer van het persoonsgebonden budget; c.naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen ondersteuning of het hulpmiddel van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. 2.Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren als: a.niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid; b.sprake is van een wettelijke weigeringsgrond; c.er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat het budget niet doelmatig of rechtmatig wordt besteed; d.er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag; e.er fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; f.aanbieder betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; g.aanbieder veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of h.op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als aanbieder; Artikel 8.3 Budgetplan 1.De inwoner dient voor het verkrijgen van een persoonsgebonden budget een budgetplan in. 2.Het budgetplan bevat in ieder geval: a.de motivatie waarom zorg in natura niet passend is; b.de aard van de ondersteuning, het beoogde resultaat en de wijze van evaluatie; c.wie de ondersteuning levert en hoe deze wordt georganiseerd; d.op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning of het hulpmiddel is gewaarborgd; e.de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; f.indien van toepassing: de inzet van het sociaal netwerk; g.een onderbouwing waaruit blijkt dat de inwoner of diens vertegenwoordiger in staat is het budget te beheren. Artikel 8.4 Pgb-vaardigheid 1.De inwoner of diens vertegenwoordiger wordt in staat geacht tot verantwoord beheer van een persoonsgebonden budget als deze: a.een duidelijk beeld heeft van de ondersteuningsbehoefte; b.bekend is met de rechten en verplichtingen van een persoonsgebonden budget; c.een administratie kan voeren; d.kan communiceren met de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank en zorgverleners; e.in staat is zelfstandig keuzes te maken; f.afspraken kan maken en verantwoorden; g.de kwaliteit van de ondersteuning kan beoordelen; h.de inzet van ondersteuning kan organiseren en continuïteit kan waarborgen; i.aanbieders kan aansturen; j.kennis heeft van werkgeverschap of dit kan organiseren. 2.Het college kan oordelen dat de inwoner niet pgb-vaardig is indien sprake is van omstandigheden die het verantwoord beheer belemmeren, waaronder: a.schuldenproblematiek; b.verslavingsproblematiek; c.fraude in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d.ernstige cognitieve, psychiatrische of verstandelijke beperkingen; e.onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal; f.belangenverstrengeling, waaronder wanneer de zorgverlener ook het budget beheert. Artikel 8.5 Sociaal netwerk en formele ondersteuning 1.Van formele ondersteuning is sprake als deze wordt geleverd door: a.een organisatie of zelfstandige die staat ingeschreven in het Handelsregister; en b.beschikt over relevante kwalificaties. 2.Van informele hulp is sprake als deze wordt geleverd door: a.personen uit het sociaal netwerk; of b.personen die niet voldoen aan de criteria voor formele ondersteuning. 3.Ondersteuning door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad wordt aangemerkt als ondersteuning vanuit het sociaal netwerk. 4.Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor ondersteuning uit het sociaal netwerk als professionele ondersteuning noodzakelijk is. Artikel 8.6 Kwaliteitseisen 1.De ondersteuning die wordt ingekocht met een persoonsgebonden budget is veilig, doeltreffend en cliëntgericht. 2.De aanbieder van de ondersteuning: a.beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag, niet ouder dan drie maanden bij aanvang en niet ouder dan drie jaar, als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is; b.beschikt over passende deskundigheid; c.voert een deugdelijke administratie; d.werkt op basis van een plan; e.stemt de ondersteuning af op de situatie van de inwoner; f.stemt af met andere betrokken ondersteuning; g.respecteert de privacy van de inwoner; h.meldt calamiteiten en geweldsincidenten; i.werkt mee aan toezicht door het college. 3.Voor formele ondersteuning gelden aanvullende eisen: a.handelen volgens de professionele standaard; b.werken met een systeem van kwaliteitsborging; c.bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de inwoner, neemt de aanbieder voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis. Artikel 8.7 Hoogte van het persoonsgebonden budget 1.De hoogte van het persoonsgebonden budget: a.is toereikend voor het inkopen van passende ondersteuning; en b.bedraagt maximaal de kostprijs van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. 2.Het college hanteert verschillende tarieven voor: a.formele ondersteuning; b.informele ondersteuning. 3.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor formele ondersteuning bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde zorg in natura.4.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele ondersteuning bedraagt het wettelijke minimumloon.5.Het college kan een lager bedrag vaststellen als de ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 6.Het persoonsgebonden budget is toereikend voor de inkoop van de noodzakelijke ondersteuning, inclusief de kosten die samenhangen met het werkgeverschap, waaronder loon, werkgeverslasten en administratieve verplichtingen die voortvloeien uit wet- en regelgeving. 7.De tarieven voor het persoonsgebonden budget worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: a.de indexering wordt berekend uit de som van het geprognosticeerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en b.het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 80% op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZa en voor 20% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZa. 8.Het college stelt nadere regels over de hoogte van het persoonsgebonden budget vast in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. 9.Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend. Artikel 8.8 Besteding en verplichtingen 1.Het persoonsgebonden budget wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt. 2.De inwoner: a.sluit zorgovereenkomsten; b.voldoet aan de verplichtingen die horen bij het persoonsgebonden budget; c.meldt onverwijld feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het budget; d.werkt mee aan controle, toezicht en verantwoording; e.draagt, indien sprake is van werkgeverschap, zorg voor naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit het werkgeverschap, waarbij de uitvoering van betalingen en administratie via de SVB plaatsvindt. Artikel 8.9 Uitsluitingen 1.De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een persoonsgebonden budget: a.bemiddelingskosten; b.kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c.administratiekosten; d.kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget; e.feestdagenuitkeringen of eenmalige uitkeringen; f.ondersteuning in het buitenland zonder toestemming van het college; g.crisishulp; h.kosten voor het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag. HOOFDSTUK 9. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel 9.1 Inlichtingenplicht 1.Het college informeert de inwoner of diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die verbonden zijn aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening, in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget, en over de mogelijke gevolgen van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik. 2.De inwoner of diens vertegenwoordiger doet aan het college, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op: a.het recht op een maatwerkvoorziening; b.de aard en omvang van de ondersteuning; c.de voortzetting van de voorziening. Artikel 9.2 Medewerkingsplicht 1.De inwoner is verplicht om, binnen zijn mogelijkheden, mee te werken aan: a.het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte; b.de beoordeling van het recht op een maatwerkvoorziening; c.de doelmatige en doeltreffende inzet van ondersteuning. 2.Als de inwoner onvoldoende medewerking verleent, kan het college: a.het recht op een maatwerkvoorziening niet vaststellen; b.een aanvraag afwijzen; c.de omvang van de voorziening beperken; d.een eerder genomen besluit herzien of intrekken. Artikel 9.3 Herziening, intrekking, opschorting en terugvordering 1.Het college onderzoekt periodiek of aanleiding bestaat om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 2.Onverminderd de wet kan het college een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget herzien of intrekken als: a.de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en dit tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen; c.de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is; d.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die aan de voorziening zijn verbonden; e.de voorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor het is verstrekt; f.de inwoner ondersteuning betrekt van een aanbieder of persoon waarvan de kwaliteit of integriteit niet is gewaarborgd; g.de inwoner langdurig verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.Het college kan een besluit tot verstrekking van een persoonsgebonden budget intrekken als blijkt dat het budget niet binnen drie maanden na toekenning is aangewend voor het doel waarvoor het is verstrekt. 4.Het college kan een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura intrekken als blijkt dat de inwoner zich niet binnen drie maanden na besluitvorming heeft gemeld bij de aanbieder. 5.Het college kan, bij een gegrond vermoeden van omstandigheden als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f: a.het recht op een maatwerkvoorziening opschorten; b.de betaling van een persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk opschorten; c.de Sociale Verzekeringsbank verzoeken betalingen uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk op te schorten voor een periode van ten hoogste dertien weken. 6.Als het college een besluit heeft herzien of ingetrokken wegens verwijtbaar handelen, kan het college de geldswaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terugvorderen. 7.Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel. Artikel 9.4 Toezicht op recht- en doelmatigheid 1.Het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het toezicht op: a.de rechtmatige uitvoering van de wet; b.de kwaliteit van ondersteuning; c.de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik. 2.De toezichthouder onderzoekt periodiek de rechtmatigheid en doelmatigheid van verstrekte maatwerkvoorzieningen. 3.De toezichthouder onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van persoonsgebonden budgetten met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 4.De toezichthouder kan onderzoeken uitvoeren: a.steekproefsgewijs; b.risicogericht; c.signaalgestuurd. 5.Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop toezicht wordt uitgevoerd. Artikel 9.5 Maatregelen ter voorkoming van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik 1.Het college maakt met gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders afspraken over: a.facturatie en declaraties; b.levering en resultaten; c.controle en verantwoording. 2.Deze afspraken waarborgen dat: a.declaraties in overeenstemming zijn met de daadwerkelijk geleverde ondersteuning; b.ondersteuning doelmatig wordt ingezet; c.rechtmatig gebruik wordt bevorderd. 3.Het college maakt afspraken over het monitoren van de duur en inzet van ondersteuning. 4.Het college kan aanvullende maatregelen treffen ter voorkoming van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik, waaronder: a.gegevensanalyse; b.risicoprofielen; c.samenwerking met ketenpartners. HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN Artikel 10.1 Waardering mantelzorgers 1.Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente.2.De waardering maakt onderdeel uit van een bredere inzet gericht op het versterken, ondersteunen en ontlasten van mantelzorgers, ter voorkoming van overbelasting en ter bevordering van duurzame inzet van informele zorg.3.De ondersteuning kan bestaan uit onder meer: a.een financiële of niet-financiële blijk van waardering; b.respijtzorg; c.informatie, advies en training; d.lotgenotencontact. 4.Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de waardering en ondersteuning van mantelzorgers. Artikel 10.2 Verhouding prijs en kwaliteit 1.Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren maatschappelijke ondersteuning, op ten minste de volgende kostprijselementen: a.cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b.cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c.overheadkosten; d.kosten voor indexering; e.de voor de sector toepasselijke cao-schalen. 2.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders dat zij de ondersteuning alleen aan derden uitbesteden als zij daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3.Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op subsidies voor zover deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke levering van maatschappelijke ondersteuning en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid geleverde ondersteuning. Artikel 10.3 Klachtenregeling 1.Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners of hun vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel 10.4 Betrekken ingezetenen 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning overeenkomstig de op basis van artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt inwoners en hun vertegenwoordigers vroegtijdig in de gelegenheid: a.voorstellen voor beleid te doen; b.advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; c.het college voorziet hen van ondersteuning te voorzien om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel 10.5 Evaluatie 1.Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. De uitvoering van deze verordening wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. 2.Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. 3.Ten behoeve van de evaluatie verzamelt het college systematisch informatie over: a.het aantal inwoners dat gebruik maakt van ondersteuning; b.de kosten van ondersteuning; c.het gebruik van voorzieningen; d.de praktische uitvoerbaarheid van deze verordening. 4.Ten behoeve van de evaluatie van de kwaliteit van ondersteuning wordt ook onderzoek gedaan naar de tevredenheid van inwoners. HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN Artikel 11.1 Hardheidsclausule 1.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 11.2 Overgangsrecht en intrekking oude verordening 1.Een inwoner behoudt recht op een lopende maatwerkvoorziening, verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hoeksche Waard 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hoeksche Waard 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op basis van deze verordening. 3.Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hoeksche Waard 2020, die ten aanzien van de betreffende zaak van toepassing blijft. 4.Van het voorgaande kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken indien heroverweging op grond van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst.5.Het college is bevoegd een besluit, genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hoeksche Waard 2020, te herzien: a.op de gronden, genoemd in die verordening; b.als uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat bij toepassing van de geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c.indien de inwoner wenst te veranderen van aanbieder of verstrekkingsvorm. 6.Het college kan een persoonsgebonden budget dat is verstrekt onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hoeksche Waard 2020 terugvorderen op de gronden zoals opgenomen in deze verordening. 7.De Verordening maatschappelijke ondersteuning Hoeksche Waard 2020 wordt ingetrokken. Artikel 11.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2027.2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2027. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de raad van de Hoeksche Waard, gehouden op 13 oktober 2026, I. Odinot Griffier M. WitteVoorzitter
Meer informatie