Beleidsregels BOPA klein gemeente Zuidplas
Beleidsregels BOPA klein gemeente Zuidplas 1. Overgang Wet algemene bepalingen omgevingsrecht naar Omgevingswet ingeval sprake is af te wijken van de regels zoals benoemd in de ruimtelijke plannen 1.1 Tot 1 januari 2024: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Tot 1 januari 2024 waren de lokale planologische regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken vastgelegd in ruimtelijke plannen: de lokale bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Met een omgevingsvergunning kon het college van burgemeester er wethouders van de gemeente Zuidplas (hierna: het college) een aanvrager toestemming verlenen om af te wijken van die planologische regels. Het toetsingskader en de voorbereidingsprocedure waren opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Zo kon een omgevingsvergunning om af te wijken slechts worden verleend indien de aangevraagde activiteit niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Dat was een open norm waarvan de grenzen door de bestuursrechter werden gegeven. Aan de hand van die jurisprudentie kon worden ingeschat of een aanvraag al dan niet in strijd was met die open norm. Ten aanzien van de voorbereidingsprocedure bevatte de Wabo onder andere een zogenoemde kruimelgevallenregeling, een relatief snelle route om met een verleende omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan. Het ging daarbij om afwijkingen van - volgens de wetgever - een beperkte planologische betekenis. Hoewel de naam kruimelgevallenregeling anders doet vermoeden, waren hiermee ook betrekkelijk grote afwijkingen mogelijk zoals bijvoorbeeld het bouwen van een grote hal naast een reeds bestaande hal dan wel het gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Het vergunnen via de kruimelgevallenregeling was een relatief snelle route omdat de reguliere voorbereidingsprocedure van 8 weken van toepassing was en omdat de gemeenteraad in beginsel hiervoor geen toestemming hoefde te verlenen. De lijst met kruimelgevallen was opgenomen in artikel 4 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Als het ging om de motivering dan kon bij een kruimelgeval worden volstaan met een beknopte ruimtelijke motivering in plaats van een uitvoerige ruimtelijke onderbouwing. Het college van Zuidplas heeft gezien het vorenstaande in 2015 het beleid genaamd ‘Beleid inzake toepassing van planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas’ vastgesteld waarbij een toetsingskader werd gerealiseerd voor de kruimelgevallen zoals benoemd in artikel 4 van bijlage II van het Bor. Het doel hierbij was om een duidelijk en eenduidig toetsingskader te hebben om te beoordelen of medewerking kan worden verleend aan afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van een kruimelafwijking. Door concrete toetsingskaders werd het mogelijk een betere afweging te maken. Hiermee werd het doel bereikt van een doelmatige en consequente beoordeling van kruimelgevallen. Het college heeft op 5 maart 2019 de herziene beleidsregel “Beleidsregels planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas” is vastgesteld. De vorige beleidsregel “Beleid inzake toepassing van planologische kruimelgevallen” uit 2015 is daarbij ingetrokken. 1.2 Sinds 1 januari 2024: de Omgevingswet Op 1 januari 2024 is, onder andere, de Wabo opgegaan in een nieuwe wet: de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van die nieuwe wet is de kruimelgevallenregeling zoals die bestond onder de Wabo komen te vervallen. Onder de Omgevingswet is namelijk het toepassen van de reguliere procedure op een vergunningaanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) de hoofdregel; slechts in een beperkt aantal gevallen kan of moet daarvan worden afgeweken. Onder de Omgevingswet geldt voor zowel kleine als grote afwijkingen van het omgevingsplan een termijn van 8 weken. Hiermee is ook het onderscheid tussen de (beperkte) ruimtelijke motivering voor de kruimelgevallen en de (uitgebreide) ruimtelijke onderbouwing voor niet-kruimelgevallen komen te vervallen. Om onder de Omgevingswet een blijvend toetsingskader voor kleinere ruimtelijke initiatieven te hebben, heeft het college op 12 december 2023 besloten de “Beleidsregel voor toepassing van planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas (het Kruimelbeleid)", zoals vastgesteld in 2019, te verlengen. Het oude beleid is dus na 1 januari 2024 voortgezet. Dit hield dus in dat de beleidsregels op dit thema waarmee het lokale afwegingskader, zoals dat van kracht was onder de Wabo, ook van toepassing bleef onder de Omgevingswet. Het gaat dan om gevallen die onder de kruimelgevallenregeling vielen en gelet op de beperkte invloed op de fysieke leefomgeving ook door middel van een BOPA kan worden verleend. Met deze beleidsregel wordt een efficiënte afhandeling van kleine, veelvoorkomende buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan bevorderd. Om ervoor te zorgen dat ons beleid ook toekomstbestendig is en blijvend kan worden toegepast binnen ons werkgebied, wordt het beleid aangepast. Dit zorgt ervoor dat een andere benaming zal worden gebruikt namelijk ‘BOPA klein’. Met die term worden de gevallen van artikel 2.2.2 van de beleidsregels bedoeld, gebaseerd op voormalige lijst met kruimelgevallen. Om die reden zal deze ‘omzetting’ van beleidsregels ook beleidsneutraal1 zijn; het ‘oude’ kruimelgevallenbeleid wordt gecontinueerd. Ook de opzet van de beleidsregels is hetzelfde gebleven, namelijk met algemene en specifieke regels. Gekozen is om de aanwijzing van categorieën kruimelgevallen in Bijlage II van het inmiddels vervallen Besluit omgevingsrecht op te nemen als toepassingsbereik in het eerste lid van elke specifieke regel. Daarna volgt per categorie de afweging of het verlenen van deze (kleine) buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk is. 1.3 Beoordelingskader De beoordelingscriteria voor een BOPA-aanvraag zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In artikel 8.0a lid 2 van die regeling wordt de verbinding gemaakt met het ETFAL-criterium: Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college dient in het kader van een BOPA-aanvraag dus te beoordelen of wordt voldaan aan het ETFAL-criterium. Van activiteiten die vallen onder het hierna uitgewerkte toepassingsbereik, is het college van oordeel dat die een beperkte invloed op de fysieke leefomgeving hebben, en waarvan met een beknopte ruimtelijke motivering en eventueel een beperkt onderzoek kan worden bepaald dat ze aan het ETFAL-criterium voldoen. Daarmee kan het college een BOPA klein-vergunning zonder een heel uitgebreide toetsing en motivering verlenen, met verwijzing naar deze beleidsregels. Vanzelfsprekend blijven de beoordelingsregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland – zoals de gegeven instructies en instructieregels – onverminderd van toepassing. 2. Beleidsregels 2.1 Inleiding Het is van belang dat initiatiefnemers zoveel mogelijk gefaciliteerd worden in hun plannen, echter met inachtneming van bepaalde randvoorwaarden op het gebied van leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit. Deze beleidsregel is er dan ook op gericht om enige flexibiliteit te bieden aan initiatiefnemers en om oplossingen te kunnen faciliteren die vanuit ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid de voorkeur hebben. Dit brengt met zich mee dat de verantwoordelijkheid voor een passende oplossing in beginsel bij de initiatiefnemer komt te liggen, conform de uitgangspunten van de Omgevingswet. 2.2 Beoordeling aanvraag BOPA Klein Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een beperkte invloed op de fysieke leefomgeving hanteert het college het criterium als hieronder verwoord in artikel 2.2.2, met een verwijzing naar de regels in de paragrafen 2.3 en 2.4. Indien aan die regels wordt voldaan dan verleent het college in beginsel de aangevraagde omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA Klein). Met de term ‘in beginsel’ wil het college tot uitdrukking brengen dat, hoewel de beleidsregel het uitgangspunt is, in een uitzonderlijk geval gemotiveerd kan worden afgeweken van dat uitgangspunt. NB: Net als alle andere gevallen die buiten het toepassingsbereik van deze beleidsregels vallen, zal dan een uitgebreidere aanvraag nodig zijn waarna die aanvraag alsnog volledig wordt getoetst aan het ETFAL-criterium. Artikel 2.2.1 Definities Op deze beleidsregels zijn de volgende definities van toepassing: –college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas –de begrippen in Bijlage I van de Omgevingswet, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het besluit activiteiten leefomgeving, besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit Omgevingswet. –de bebouwde kom: Een belangrijk onderdeel van de vraag of medewerking verleend kan worden, is de vraag of sprake is van een situatie binnen of buiten de bebouwde kom. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is een planologische bebouwde kom vastgesteld die als referentie geldt voor deze beleidsregel. In Bijlage 1 is deze planologische bebouwde kom ingetekend. –BOPA Klein: een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een beperkte invloed op de fysieke leefomgeving afgegeven door het college van gemeente Zuidplas en beoordeeld naar de regels zoals verwoord onder paragraaf 2.3 en paragraaf 2.4 en de daarbij aangegeven beleid/wetgeving zoals verwoord in dit beleidsstuk. Indien een begrip hierin niet is opgenomen, wordt uitgegaan van de begripsbepalingen verwoord in het Omgevingsplan gemeente Zuidplas en indien noodzakelijk de uitleg zoals gegeven in de Dikke van Dale. Artikel 2.2.2 Verlenen omgevingsvergunning Het college verleent in beginsel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA klein) in de zin van de Omgevingswet waarvan de aanvraag voldoet aan alle voorwaarden uit paragraaf 2.3 én een specifieke regel waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk is op grond van een bepaling uit paragraaf 2.4. 2.3 Algemene regels De volgende algemene regels zijn van toepassing: a.De belangen van gebruikers en/of eigenaren van omliggende gronden mogen niet onevenredig worden geschaad; b.Er mag geen inbreuk op bestaande planologische mogelijkheden plaatsvinden; c.Vanuit het oogpunt van milieu mag geen onaanvaardbare situatie ontstaan. Zo moet rekening worden gehouden met milieurechten van bedrijven en moet andersom worden voldaan aan de richtafstanden van milieubelastende functies ten opzichte van milieugevoelige functies; d.De ruimtelijke- en stedenbouwkundige samenhang in de omgeving mag niet onevenredig worden verstoord en de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente moet gewaarborgd blijven; e.Het verzoek moet voldoen aan het gemeentelijke parkeerbeleid zoals dit geldt op het moment van de aanvraag, tenzij dit tot onevenredige belemmeringen leidt, waarbij gemotiveerd kan worden afgeweken; f.De verkeersveiligheid moet gewaarborgd blijven; g.Het verzoek is passend in ander relevant beleid van de gemeente, waaronder o.a. de Omgevingsvisie gemeente Zuidplas 2040 of de rechtsopvolger daarvan, de Beleidsregel Natuurinclusief bouwen en inrichten 2025 of de rechtsopvolger daarvan; h.Het verzoek mag niet in strijd zijn met het ruimtelijk beleid van hogere overheden, zoals de provincie Zuid-Holland en het Rijk; i.De aanvrager dient een beknopte onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo) bij de aanvraag; j.De aanvrager dient – met verwijzing naar het beleidsstuk Beleid inzake participatie Omgevingswet van Zuidplas of de rechtsopvolger daarvan - inzichtelijk te maken hoe de omgeving en omwonenden zijn betrokken bij de aanvraag. 2.4 Specifieke regels In het kader van de beoordeling van een aanvraag gelden de volgende specifieke voorwaarden. Een regel is van toepassing indien de aangevraagde activiteit valt onder de reikwijdte van het artikel. 2.4.1 Bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde kom Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: a.Niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, b.De oppervlakte niet meer dan 150 m². Ten aanzien van deze gevallen gelden binnen de bebouwde kom in het achtererfgebied binnen een woon-, tuin- of erfbestemming de volgende criteria: a.De maximale oppervlakte bedraagt maximaal 50% van het achtererfgebied, tot een maximum van 150 m²; b.In het geval van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk waarbij het dakvlak van het hoofdgebouw wordt doorgetrokken, gelden de bestaande goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw als maximum; c.De maximum bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt 6 m. Gevallen binnen de bebouwde kom in het achtererfgebied binnen andere bestemmingen zullen per geval worden beoordeeld. Gevallen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom in het voorerfgebied zullen per geval worden beoordeeld. In beginsel is het beleid van de gemeente om geen bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied toe te staan. Dit vanwege stedenbouwkundige argumenten om het open karakter van de voorzijde van woningen te behouden. Artikel 2.4.2 Gebouwen voor infrastructurele of openbare voorziening Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a.Niet hoger dan 5 m, en b.De oppervlakte niet meer dan 50 m². Deze gevallen zullen, mede vanwege het incidentele karakter, per geval afzonderlijk beoordeeld worden. Artikel 2.4.3 Bouwwerken niet zijnde een gebouw Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a.met een hoogte niet hoger dan 10 m, en b.een oppervlakte niet groter dan 50 m2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk mits: a.Aan erfafscheidingen in afwijking van het bestemmingsplan wordt in beginsel geen medewerking verleend, tenzij door initiatiefnemer in voldoende mate wordt aangetoond dat dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is; b.Aan reclameobjecten kan uitsluitend medewerking worden verleend indien deze geplaatst worden op of in de directe nabijheid van het terrein van het bedrijf waarop de reclame betrekking heeft. Plaatsing in/op openbaar gebied is uitdrukkelijk niet toegestaan. Overige gevallen zullen per geval afzonderlijk beoordeeld worden. Artikel 2.4.4 Dakkapellen, dakopbouwen, en gelijksoortige uitbreidingen van een gebouw Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw, mits: Aan een dakkapel, dakopbouw of soortgelijke uitbreiding van een gebouw kan medewerking worden verleend, indien zich in hetzelfde bouwblok of in identieke bouwblokken in de onmiddellijke nabijheid reeds soortgelijke precedenten bevinden. Overige gevallen zullen per geval afzonderlijk beoordeeld worden. Artikel 2.4.5 Antenne-installatie, Installaties bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning BOPA klein voor: a)De bouw van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; b)Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitsweg 1998; c)Een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat zie op het vergisten van tenminste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; d)Het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. Deze gevallen zullen, mede vanwege het incidentele karakter, per geval afzonderlijk beoordeeld worden. Artikel 2.4.6 Gebruiken van bouwwerken eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die het bebouwd oppervlak of bouwvolume Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk mits voldaan wordt aan de volgende criteria: a)Een aan-huis-verbonden, dienstverlenend beroep of aan-huis-verbonden bedrijf is toegestaan, mits: 1.Dit beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door de bewoner van de betreffende woning; 2.De woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd wordt: dit betekent dat de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin de primaire functie moet blijven; 3.Maximaal 30% van het totale bebouwde oppervlak van het betreffende perceel gebruikt mag worden ten behoeve van uitoefening van het beroep of bedrijf, tot een maximum van 50 m²; b)Een webshop die vanuit een woning wordt uitgeoefend is toegestaan, mits: 1.De webshop wordt uitgeoefend door de bewoner van de betreffende woning; 2.De woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd wordt: dit betekent dat de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin de primaire functie moet blijven; 3.Maximaal 30% van het totale bebouwde oppervlak van het betreffende perceel gebruikt mag worden ten behoeve van de webshop, tot een maximum van 50 m²; 4.Detailhandel uitsluitend via internet plaatsvindt: dit betekent dat ter plaatse geen showroom of andere uitstalling van goederen mag plaatsvinden en dat afhalen op locatie niet is toegestaan. c)Een Bed & Breakfast in of bij een woning is toegestaan, mits: 1.De woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd wordt: de bewoner woont in het betreffende gebouw of in de directe nabijheid (maximale afstand 100 m); 2.Een eventueel bijbehorend bouwwerk waarin nachtverblijf plaatsvindt in de directe nabijheid van het hoofdgebouw staat en een duidelijke relatie met dat hoofdgebouw heeft; 3.De accommodatie beperkt blijft tot maximaal 4 kamers, met een totale maximale bezetting van 8 personen; 4.De extra parkeerbehoefte die voortvloeit uit het gebruik op eigen terrein wordt opgelost en inzichtelijk wordt gemaakt hoe dit plaatsvindt; 5.Zelfstandige bewoning van de Bed & Breakfastvoorzieningen niet mogelijk is. d)Aan zelfstandige detailhandel buiten de centra van de dorpen zal geen medewerking worden verleend; e)Aan zelfstandige horeca buiten de centra van de dorpen zal eveneens geen medewerking worden verleend, tenzij door de initiatiefnemer expliciet wordt aangetoond of gemotiveerd dat de horeca een versterkende functie heeft ten aanzien van de recreatieve mogelijkheden in de gemeente; f)Een overdekte (caravan)stalling ten behoeve van de stalling van caravans van derden is niet toegestaan in kassen of andere lichte constructies. De reden dat de Bed & Breakfast beperkt moet blijven tot maximaal vier kamers met een totale maximale bezetting van 8 personen heeft te maken met het feit dat bij een groter aantal wordt ingeboet aan kleinschaligheid en persoonlijke aandacht. De accommodatie gaat dan te veel lijken op een pensioen of hotel. Een Bed & Breakfast dient kleinschalig te blijven wat de kans op overlast voor de omgeving verkleint. De Bed & Breakfast mag ook geen nadelig effect hebben op de verkeersafwikkeling. Om deze reden moet er geparkeerd worden op het eigen terrein. Artikel 2.4.7 Tijdelijk gebruik g)Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de artikelen 2.4.1 tot en met artikel 2.4.6, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar. h)Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk mits voldaan wordt aan de volgende criteria inhoudende dat – gezien de specifieke situatie - deze per geval beoordeeld dienen te worden. In elk geval geldt het volgende, aanvullend op de algemene criteria: i)Bij initiatieven met een significante ruimtelijke impact dient een ruimtelijke motivatie te worden aangeleverd, zo nodig aangevuld met milieuonderzoeken; j)Bij het verlenen van de tijdelijke vergunning behoeft slechts in voldoende mate aannemelijk te zijn dat het gebruik, na afloop van de gestelde termijn, daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. 3. Slotopmerkingen 3.1 Overgangsrecht Op een aanvraag van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels, zijn de beleidsregels “ "Beleidsregels planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas" van toepassing, gelezen in samenhang met de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet. 3.2 Hardheidsclausule In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarover een bestuursorgaan beschikt. Deze is ook voor dit beleidsstuk van toepassing en deze voornoemde bevoegdheid luidt: ‘Het college van burgemeester en wethouders handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden of de initiatiefnemer gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.’ 3.3 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: “Beleidsregels BOPA klein gemeente Zuidplas”. 3.4 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dag van bekendmaking. Bijlage 1: Planologische bebouwde kom
Meer informatie