Beleidsregel handhavingsstrategie Omgevingswet en dwangsommen gemeente Halderberge

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op3 november 2026
Gepubliceerd doorGemeente Halderberge

Beleidsregel handhavingsstrategie Omgevingswet en dwangsommen gemeente Halderberge Intitulé Beleidsregel voor de toepassing van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) Gemeente Halderberge De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, ieder voor zover het hun eigen bevoegdheid betreft; overwegende dat, - de aan hen toegekende wettelijke bevoegdheden en taken om al dan niet handhavend op te treden tegen overtredingen van wet- en regelgeving gebaat is bij rechtszekerheid en rechtsgelijkheid; - deze beleidsregel voor de hierin genoemde overtredingen bepaalt welke dwangsomhoogten en begunstigingstermijnen zij hanteren in handhavingszaken. Gelet op: - Artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; - Artikel 125 Gemeentewet - Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht, in het bijzonder Titels 4.4. Bestuursrechtelijke geldschulden, 5.3 Herstelsancties; - Artikel 18.1 en 18.20, eerste lid, Omgevingswet; - Artikel 13.5 Omgevingsbesluit - Overige specifieke bij of krachtens wet gestelde en opgedragen handhavende taken en bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders en/of de burgemeester; Alsmede - De uitvoerings- en handhavingsstrategie Halderberge 2025-2028 - De uitgangspunten van de Landelijke Handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO), behoudens de hierna in deze beleidsregel gestelde uitzonderingen en/of aanvullingen. Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: Beleidsregel handhavingsstrategie Omgevingsrecht en dwangsommen gemeente Halderberge Inleiding Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het stelsel voor vergunningverlening, toezicht en handhaving ingrijpend gewijzigd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het handhaven van een breed en samenhangend pakket aan regels die gericht zijn op een veilige, gezonde en leefbare fysieke omgeving. Dit vraagt om een actuele en duidelijke handhavingsstrategie die past bij dit nieuwe stelsel. Landelijk is hiervoor de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) vastgesteld. Deze strategie biedt gemeenten en andere overheden een gezamenlijk denkkader voor handhaving. De LHSO helpt om per situatie zorgvuldig en evenwichtig te bepalen welke handhavingsmaatregel passend is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de interventiematrix waarin de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder centraal staan. Hiermee draagt de LHSO bij aan een transparante en consistente aanpak en aan goede afstemming tussen bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving. De LHSO biedt een gezamenlijk uitgangspunt voor handhaving, maar laat ruimte aan gemeenten om lokale beleidskeuzes te maken die passen bij de lokale situatie, zoals de aard en omvang van het gemeentelijk takenpakket, de beschikbare uitvoeringscapaciteit en lokale bestuurlijke accenten. Zonder het expliciet vastleggen van deze keuzes bestaat het risico dat handhaving in vergelijkbare situaties verschillend wordt uitgevoerd, wat kan leiden tot onduidelijkheid richting inwoners en bedrijven en tot juridische kwetsbaarheid. 1. Reikwijdte en algemene voorwaarden 1. De beleidsregel vormt het juridisch kader voor de wijze waarop handhaving plaatsvindt. Prioriteiten, inzet van capaciteit en planning van handhavingsactiviteiten worden vastgelegd in de Uitvoerings en Handhavingsstrategie Halderberge 2025 – 2028 (VTH beleid) en het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. Deze voorliggende beleidsregel is een verdere uitwerking van de genoemde uitvoerings- en handhavingsstrategie; 2. Voor de basistaken en de aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant opgedragen vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken binnen de fysieke leefomgeving sluit de gemeente aan bij het Gemeenschappelijk Uitvoeringskader (GUK) en de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Advies-, informatie- en beheeractiviteiten vallen hier niet onder; 3. De beleidsregel is van toepassing op de handhaving van de Omgevingswet en -regelgeving die namens het college wordt uitgevoerd door de gemeentelijke organisatie. Deze is van toepassing op de gemeentelijke omgevingstaken op basis van de prioriteiten in de actuele U&H-strategie van de gemeente Halderberge; 4. De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) vormt het generieke afwegings- en interventiekader voor de handhaving van het omgevingsrecht, waaronder mede begrepen de uitvoering van niet‑basistaken die door de gemeentelijke organisatie worden uitgevoerd. In bijlage 1, dwangsommenmatrix en begunstigingstermijnen staat het overzicht met afbakening van de taken die onder de LHSO vallen door middel van deze beleidsregel; 5. De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht wordt uitsluitend toegepast op handhaving die primair is gericht op herstel of bescherming van de fysieke leefomgeving. Voor onderwerpen die hoofdzakelijk zien op handhaving van de openbare orde, bestuursrechtelijke strafbeschikking, handhaving Opiumwet (Damocles beleid), illegale vuurwerkopslag of bezit, persoonsgericht toezicht of grondrechten wordt de LHSO niet toegepast; 6. APV‑regels die betrekking hebben op het gebruik van de openbare ruimte, hinder, uiterlijk aanzien van de omgeving en andere aspecten van de fysieke leefomgeving, worden bij handhaving benaderd overeenkomstig de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht; 7. Het college en de burgemeester houden bij de uitvoering van hun handhavingstaken, waar mogelijk rekening met de inhoud van deze beleidsregel; 8. De in deze beleidsregel beschreven dwangsomhoogten en begunstigingstermijnen zijn slechts indicatief. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend door derden. Afwijking per individuele situatie is altijd mogelijk en afhankelijk van de specifieke feiten, omstandigheden en belangenafweging van dat specifieke geval; 9. De in deze beleidsregel genoemde voorbeelden, waaronder de in bijlage 1 opgenomen tabellen, zijn niet uitputtend. Voor zover bepaalde overtredingen en/of wettelijke grondslagen niet expliciet zijn genoemd, worden de hoogtes van dwangsommen, de modaliteiten en begunstigingstermijnen bepaalt naar redelijkheid en de specifieke feiten, omstandigheden en belangen van een situatie; 10. Indien voor specifieke regelgeving een eigen wettelijk handhavingskader geldt, wordt dat kader leidend toegepast: a. Voor de handhaving van de Wet goed verhuurderschap past het college het landelijk handhavingsprotocol Wet goed verhuurderschap toe. Dit protocol is leidend voor de beoordeling van meldingen, toezicht, handhaving en sanctie‑inzet op grond van die wet; b. De toepassing van de LHSO bij de handhaving van de Wet goed verhuurderschap is aanvullend en beperkt tot de algemene uitgangspunten van handhaving, de motivering en vastlegging van besluiten en de bestuurlijke afstemming, voor zover dit niet in strijd is met het wettelijke kader of het handhavingsprotocol Wet goed verhuurderschap. 2. Toepassing Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht 1. Voor onderwerpen waarop de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht een eenduidige interventierichting biedt, volstaat toepassing van de LHSO. De gemeente stelt uitsluitend aanvullende regels vast waar de LHSO expliciet ruimte laat voor lokale keuzes of prioritering; 2. Het college past de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht toe bij de handhaving van de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregel; 3. De toepassing van de LHSO laat bijzondere wettelijke handhavingskaders, waaronder het handhavingsprotocol Wet goed verhuurderschap, onverlet; 4. Indien sprake is van samenloop tussen het omgevingsrecht en de Wet goed verhuurderschap, wordt het toepasselijke wettelijke kader leidend toegepast, met gebruikmaking van de LHSO als aanvullend afwegingskader voor algemene beginselen, motivering en bestuurlijke afstemming; 5. De gemeente werkt volgens vaste werkafspraken met het Openbaar Ministerie en de politie over de afweging tussen bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden. De LHSO vormt hiervoor ons beoordelingskader; 6. Besluitvorming vindt plaats binnen de geldende mandaatregeling. Bestuurlijk of maatschappelijk gevoelige afwijkingen worden voorgelegd aan het college. 7. Er wordt gewerkt met een vast model voor verslaglegging van de stappen en beslissingen in handhavingstrajecten. Dit verslag wordt opgeslagen in het Zaaksysteem. In ieder besluit wordt minimaal vastgelegd: – de positionering in de interventiematrix; – de verzwarende omstandigheden; – de gekozen interventie en de motivering daarvan; – eventuele afstemming met ketenpartners; – Motivatie bij afwijking van de interventiematrix/LHSO; 8. Voor de lengte van begunstigingstermijnen en hoogte van dwangsommen voor milieuovertredingen gelden primair de voorwaarden en uitgangspunten voor milieuovertredingen, zoals neergelegd in de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht en daar bijbehorende leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen (laatste versie). 3. Beleidskeuzes De LHSO is vanwege de breedte van het omgevingsrecht algemeen van aard. De LHSO biedt de gemeente de ruimte om lokale beleidskeuzes te maken. Voor onderwerpen waarop de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht een eenduidige interventierichting biedt, volstaat toepassing van de LHSO. De gemeente stelt uitsluitend aanvullende regels vast waar de LHSO hiervoor ruimte laat. Met deze beleidsregel kiest de gemeente ervoor om lokale keuzes vast te leggen en daarmee de toepassing van de LHSO concreet en voorspelbaar te maken. In de beleidsregel wordt vastgelegd hoe de gemeente omgaat met onder meer het inzetten van waarschuwingen, het moment van opschaling naar formele handhavingsmaatregelen, de behandeling van herhaalde overtredingen (recidive), begunstigingstermijnen en dwangsombedragen. 1. De bestuurlijke waarschuwing is een erkend herstellend instrument binnen de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht. De gemeente zet dit instrument uitsluitend in bij overtredingen met (vrijwel) nihil of beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving en bij goedwillend gedrag van de overtreder. Bij recidive of verhoogd risico wordt geen waarschuwing toegepast en wordt direct opgeschaald. 2. Aan een schriftelijke waarschuwing wordt in beginsel een hersteltermijn verbonden van twee weken (segment A1), vier weken (segment A2). Bij overtredingen in de segmenten B1, B2, A3, C1 wordt de hersteltermijn afgestemd op de aard van de overtreding en de redelijkerwijs benodigde herstelhandelingen. 3. Bij overtredingen waarbij ingeschaald wordt in de matrix op A4, B3, B4, C2, C3, C4, D1, D2, D3 en D4 wordt direct opgeschaald naar last onder dwangsom/bestuursdwang. 4. Van recidive is sprake indien binnen een periode van twee jaar (lichte overtredingen), drie jaar (middelzware overtredingen) of vijf jaar (ernstige overtredingen) eerder een overtreding is geconstateerd die betrekking heeft op hetzelfde voorschrift, een vergelijkbaar voorschrift of hetzelfde omgevingscompartiment. Bij recidive wordt afgezien van een bestuurlijke waarschuwing. Er wordt direct een herstelsanctie ingezet en er kan een hogere dwangsom worden opgelegd indien eerdere interventies onvoldoende effectief zijn gebleken. 5. Op basis van deze beleidsregel worden de dwangsomhoogten en begunstigingstermijnen bij de benoemde overtredingen overgenomen uit bijlage 1 Dwangsommenmatrix en begunstigingstermijnen. Afwijkingen van deze dwangsomhoogten en begunstigingstermijnen worden gemotiveerd vastgelegd binnen de geldende mandaatregeling. Bestuurlijk of maatschappelijk gevoelige afwijkingen worden voorgelegd aan het college. 6. De gemeente kan, waar wettelijk mogelijk, in uitzonderlijke gevallen gebruikmaken van de bestuurlijke boete. De bestuurlijke boete wordt niet generiek of standaard ingezet, maar uitsluitend overwogen bij ernstige of calculerende overtredingen, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. 7. De prioritering van (soorten) overtredingen wordt bepaald in uitvoerings- en handhavingsstrategie 2025-2028. Deze voorliggende beleidsregel is een verdere uitwerking van de genoemde uitvoerings- en handhavingsstrategie. 4. Dwangsommen 4.1 Dwangsommen algemeen Uitgangspunten last onder dwangsom 1. De in bijlage 1 bij deze beleidsregel opgenomen tabellen geven de vooraf bepaalde dwangsomhoogten, modaliteiten (=vormen) en begunstigingstermijnen bij veel voorkomende overtredingen weer; 2. De gehanteerde dwangsomhoogtes zijn onder andere gebaseerd op 1 of meer van de volgende uitgangspunten: a. De (maximum) dwangsomhoogte moet voldoende afschrikwekkend voor de overtreder zijn om een overtreding te stoppen, te voorkomen of te herhalen of in de oude toestand te herstellen; b. De (maximum) dwangsomhoogten staan in redelijke verhouding tot de aard, ernst en omvang van de overtreding; c. Verwachte herstelkosten van de overtreding; d. De (maximum) dwangsomhoogte is gebaseerd op het te verwachten economische voordeel dat een overtreder heeft bij het laten voortbestaan van de overtreding; e. De (maximum) dwangsomhoogte moet hoger zijn dan de geschatte kosten om een overtreding te beëindigen; f. Onrechtmatig verkregen en toekomstig voordeel moet worden weggenomen; g. Normbevestiging: herstel van de geschonden wettelijke normen en waarden; h. De financiële draagkracht van een overtreder is in beginsel niet bepalend voor de hoogte van de dwangsom; 3. Aanvullend en in afwijking van de tabellen van bijlage 1 kunnen onder andere de volgende uitgangspunten een rol spelen om in een individueel geval een hogere dwangsomhoogte op te leggen; a. Algemeen naleefgedrag van de overtreder in het verleden, waaronder eerdere andersoortige overtredingen; b. Herhaling van dezelfde (soort) overtreding; c. De specifieke feiten en omstandigheden van het geval; d. De mate van gevaarzetting e. De mate van calculerend, crimineel of roekeloos gedrag van de overtreder; f. De mate van (mogelijke) overlast en andere negatieve effecten en gevolgen van de overtreding voor de omgeving en omwonenden; 4. Wanneer een opgelegde last onder dwangsom volledig is verbeurd en de overtreding ook niet is opgeheven, of dat sprake is van recidive dan worden de in de tabellen genoemde dwangsomhoogten met een factor 2 verhoogd wanneer er gekozen wordt voor een (nieuwe) last onder dwangsom in plaats van bestuursdwang; 5. In uitzondering op lid 4 kan het college of de burgemeester ook een nog niet volledig verbeurde eerdere lastgeving onder dwangsom intrekken en ter vervanging tussentijds in een nieuw besluit een verhoogde dwangsom opleggen, als uit feiten en omstandigheden blijkt dat de eerdere lastgeving onder dwangsom niet of niet snel genoeg het beoogde effect heeft; 6. Voor zover de in lid 5 genoemde deeldwangsommen van de eerdere (ingetrokken) dwangsom al zijn verbeurd, worden deze wel ingevorderd; 7. Heeft ook de in lid 5 of 6 genoemde (al dan niet verhoogde) last onder dwangsom niet het beoogde effect, dan volgt na intrekking of volledige verbeuring van die eerdere dwangsom(men) een last onder bestuursdwang; 8. Wanneer het college of de burgemeester afwijkt van de in tabellen van bijlage 1 gehanteerde richtbedragen, modaliteiten of begunstigingstermijnen, dan motiveren zij dat in het te nemen besluit zelf. 4.2 Vormen van een last onder dwangsom 1. Waar mogelijk, kiest het college en de burgemeester in de tabellen van bijlage 1 vanuit efficiëntieoverwegingen en beschikbare toezichtcapaciteit voor zo min mogelijk controlemomenten. Een dwangsom ineens heeft daarbij de voorkeur; 2. Het college of de burgemeester kiest aanvullend voor een dwangsom ineens bij gemakkelijk vast te stellen overtredingen; 3. In afwijking van lid 1 en 2 kan het college of de burgemeester, als de dwangsom primair gericht is op het voorkomen van herhaling van dezelfde (soort) overtreding, een dwangsom ineens of per overtreding opleggen om zo effectiever meerdere toekomstige overtredingen te voorkomen; 4. In afwijking van lid 1 kan het college of de burgemeester een dwangsom per tijdseenheid opleggen als de hoogte van een dwangsom ineens niet proportioneel is, of bij bepaalde duurovertredingen, zoals gebruik, waarbij een langere financiële prikkel of meerdere controlemomenten om de overtreding op te heffen, noodzakelijk of wenselijk is of kunnen zijn; 5. Na toepassing van spoedbestuursdwang, bijvoorbeeld stillegging van bouwwerkzaamheden, volgt altijd gelijk een aanvullende last onder dwangsom om verdere toekomstige overtreding te voorkomen. 4.3 Begunstigingstermijnen voor een last onder dwangsom 1. De in de tabellen van bijlage 1 gehanteerde begunstigingstermijnen staan in redelijke verhouding tot de aard, ernst en omvang van de overtreding en zijn voldoende lang om de overtreding op te heffen zonder dat de overtreder een dwangsom verbeurt; 2. De in de tabellen van bijlage 1 gehanteerde standaard begunstigingstermijn voor overtredingen is 8 weken na verzendatum van het definitieve besluit, behoudens voor overtredingen, waarvoor in de tabellen zelf expliciet al een kortere termijn of langer termijn wordt gehanteerd of waarbij afwijking (zowel langer, als korter) noodzakelijk is op basis van de specifieke feiten, omstandigheden en belangen van een bepaalde situatie; 3. De volgende redenen kunnen aanleiding zijn om een afwijkende langere begunstigingstermijn te hanteren, behoudens de overtreder dit in zijn zienswijze tegen het voorgenomen besluit voldoende concreet en objectief kan onderbouwen en aantonen: a. De belangenafweging van alle feiten en omstandigheden van het individuele geval maken een langere termijn noodzakelijk; b. schaarste van bouwmaterialen, afhankelijkheid en beschikbaarheid van aannemers of levertijden voor specialistische goederen en diensten. c. Derden of het algemeen belang hebben geen onevenredige gevolgen van een langere begunstigingstermijn; 4. In afwijking van de vorige leden kan ook een afwijkende kortere begunstigingstermijn dan 8 weken geboden worden als: a. in de tabellen van bijlage 1 standaard een kortere begunstigingstermijn is aangegeven; b. er al voor dezelfde overtreding een eerdere last onder dwangsom is opgelegd, en die overtreding niet is opgeheven; c. er sprake is van misbruik/uitbuiting (bijvoorbeeld arbeidsmigranten) van derden, waarbij deze directe derden gebaat zijn bij zo snel mogelijke beëindiging van een overtreding; d. de verwachte negatieve gevolgen voor de omgeving, omwonenden, de (brand)veiligheid en/of de leefbaarheid, dit noodzakelijk maken; e. het algemeen belang, dat gebaat is bij een kortere termijn, zwaarder weegt dan het belang van de overtreder om een standaard of langere begunstigingstermijn te bieden; 5. Wanneer het college of de burgemeester afwijkt van de in tabellen van bijlage 1 gehanteerde begunstigingstermijnen, dan motiveren zij dat in het te nemen besluit zelf. 5. Invordering van verbeurde dwangsommen Algemene uitgangspunten bij invordering van bestuurlijke geldschulden 1. Het college en de burgemeester vorderen verbeurde dwangsom, alsmede de daarbij verschuldigde wettelijke rente en invorderingskosten, altijd geheel in, omdat: a. invordering van deze geldbedragen het sluitstuk van handhaving is; b. financiële gevolgen van het niet opheffen of beëindigen van overtredingen voor risico van de overtreder dienen te blijven; c. niet of slechts gedeeltelijke invordering van deze geldbedragen: niet afschrikwekkend genoeg is voor de overtreder om de overtreding op te heffen of voor derden om van toekomstige overtredingen af te zien; d. de effectiviteit van het handhavingsbeleid en/of -programma ondermijnt; e. kan leiden tot calculerend gedrag van de overtreder, waardoor de overtreding langer blijft voortduren dan strikt noodzakelijk of wenselijk is; 2. In uitzondering op lid 1 kan het college of de burgemeester de hoogte van een in te vorderen dwangsom eventueel matigen, indien de overtreder in zijn zienswijze tegen het voorgenomen invorderingsbesluit concreet en objectief aantoont dat: a. er sprake is van een blijvende of tijdelijke niet voorzienbare overmachtssituatie; b. de gevolgen van volledige invordering andere dan in sub c genoemde bijzondere omstandigheden niet in redelijke verhouding staan tot het bij die invordering gebate doel; c. er sprake is van dusdanige bijzondere persoonlijke omstandigheden en gevolgen of belangenafweging, dat gehele invordering niet proportioneel en evenredig is in dit specifieke geval; 3. Het college en de burgemeester besluiten nooit tot gehele kwijtschelding van een verbeurde dwangsom in de volgende situaties; a. Er is sprake van (eerder) calculerend gedrag van de overtreder; b. Er is sprake van bijkomend crimineel gedrag; c. Er is sprake van voorkoming van herhaling van dezelfde soort overtreding in de toekomst; d. Er is sprake van voortzetting van een bestaande niet opgeheven overtreding, en waarbij al een eerdere dwangsom was opgelegd zonder resultaat; e. Er zijn meerdere/verschillende overtredingen, waartegen meerdere aparte lastgevingen zin opgelegd; f. De overtreder heeft eerder anderszins een aantoonbaar onvoldoende naleefgedrag getoond; g. Het afzien van invordering in een specifiek geval schept een ongewenst negatief precedent voor toekomstige handhaving- of invorderingsmogelijkheden in andere of gelijksoortige situaties; h. Het afzien van invordering leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen; i. Handhaving vloeit voort uit een verzoek om handhaving door derden; j. Het algemeen belang, waaronder de gevolgen van niet invordering voor de omgeving of omwonenden weegt zwaarder dan het individuele belang van de overtreder om wel af te zien van (gedeeltelijke) invordering en/of matiging; 6. Slotbepalingen 6.1 Overgangsbepaling 1. De uitgangspunten en voorwaarden van deze beleidsregel is van toepassing op situaties die ontstaan na bekendmaking van deze beleidsregel; 2. Aanvullend op lid 1 zijn de uitgangspunten en voorwaarden van deze beleidsregel met terugwerkende kracht overeenkomstig van toepassing op situaties, die zijn ontstaan voorafgaand aan de bekendmaking van deze beleidsregel, tenzij op basis van een eerder doorlopen individuele besluitvormings- of andere procedure expliciet afwijkende rechten en plichten gelden; 6.2 Intrekking oude beleidsregels 1. Met de inwerkingtreding van deze beleidsregel komen eventuele eerder door het College vastgestelde handhavingsstrategieën die betrekking hebben op de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) te vervallen, voor zover deze betrekking hebben op de handhaving van het omgevingsrecht. 6.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze beleidsregel treedt in werking op daags na de bekendmaking van deze beleidsregel. 2. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel handhavingsstrategie Omgevingsrecht en dwangsommen gemeente Halderberge OndertekeningAldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge van 27 oktober 2026.De secretaris De burgemeesterNatacha van Eck Anne Mulder

Meer informatie