Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone centrum Hardenberg 2027-2031

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op2 november 2026
Gepubliceerd doorGemeente Hardenberg

Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone centrum Hardenberg 2027-2031 De raad van de gemeente Hardenberg; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 juni 2026; gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones en de artikelen 216 en 217 van de Gemeentewet; gezien de uitvoeringsovereenkomst gesloten met Stichting Centrummanagement Stad Hardenberg (SCSH); Besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening bedrijveninvesteringszone centrum Hardenberg 2027-2031 Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a.bedrijveninvesteringszone: het op de bij deze verordening behorende kaart aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven; b.de wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones; c.het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; d.Uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Hardenberg en Stichting Centrummanagement Stad Hardenberg gesloten Uitvoeringsovereenkomst 2027-2031 als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet. Hoofdstuk II Belastingbepalingen Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting 1.Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.2.De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Artikel 3 Voorwerp van de belasting 1.Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.2.Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Belastingplicht 1.De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak gebruikt.2.Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt: a.gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b.het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie die onroerende zaak ter beschikking is gesteld; 3.Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar, zijnde degene die van die onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft.4.Voor de toepassing van het derde lid van dit artikel wordt als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 5 Maatstaf van heffing 1.De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze geldt voor het kalenderjaar.2.Indien met betrekking tot de onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 6 Vrijstellingen 1.In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b.glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c.onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d.één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f.openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g.waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h.werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i.werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. j.straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen; k.begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2.In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 7 Belastingtarief 1.De belasting bedraagt bij een WOZ-waarde van: voor het kalenderjaar in € : 2027 2028 2029 2030 2031 minder dan € 100.000 573 579 585 592 599 € 100.000 of meer, maar minder dan € 200.000 754 763 772 781 790 € 200.000 of meer, maar minder dan € 300.000 934 945 956 967 978 € 300.000 of meer, maar minder dan € 400.000 1120 1133 1146 1159 1172 € 400.000 of meer, maar minder dan € 500.000 1215 1229 1243 1257 1272 € 500.000 of meer, maar minder dan € 1.500.000 1353 1369 1385 1401 1417 € 1.500.000 of meer 1460 1477 1494 1511 1529 2.Indien de heffingsmaatstaf beneden € 12.000,- blijft, wordt geen belasting geheven. Artikel 8 Wijze van heffing De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.2.In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor aanslagen die worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen , of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100 doch minder dan € 2.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later, met dien verstande dat, indien na de kalendermaand, waarin de aanslagen worden opgelegd, minder dan tien kalendermaanden in het belastingjaar overblijven, de aanslagen moeten worden betaald in zoveel bedoelde termijnen als er nog kalendermaanden in het jaar overblijven, met een minimum van vier. 3.In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor een aanslag die wordt opgelegd na afloop van het belastingjaar waarop zij betrekking heeft, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100 doch minder dan € 2.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later.4.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel 10 Looptijd belastingheffing De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van deze belasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Nadere regels door het college Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage. Hoofdstuk III Subsidiebepalingen Artikel 13 Buiten toepassing algemene subsidieverordening Op de subsidie bedoeld in artikel 15 is de Algemene subsidieverordening gemeente Hardenberg 2018 niet van toepassing. Artikel 14 Aanwijzing stichting Stichting Centrummanagement Stad Hardenberg (hierna: stichting) wordt aangewezen als de stichting bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht. Artikel 15 Subsidievaststelling 1.De subsidie wordt verstrekt aan de in artikel 14 genoemde stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst.2.De subsidie wordt vastgesteld op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen die in de in artikel 10 bedoelde periode worden geheven verminderd met de kosten voor niet-inbare vorderingen, invoering, bezwaar en beroep zoals opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst. Artikel 16 Subsidieverplichtingen Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de stichting ook andere doelgebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de stichting gesloten uitvoeringsovereenkomst. Artikel 17 Wijze van betalen 1.De subsidie wordt jaarlijks betaald in meerdere termijnen (voorschotten), gevolgd door een eindafrekening.2.Het termijnbedrag bedraagt in elk jaar dat de BIZ-bijdrage wordt geheven: •Termijn 1: 45% •Termijn 2: 15% •Termijn 3: 15% •Termijn 4: 15% •Termijn 5: restant eindafrekening rekening houdend met artikel 15 van deze verordening. Artikel 18 Melding van relevante wijzigingen 1.De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie.2.De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een wijziging van de statuten, dan wel van verandering of beëindiging van activiteiten. Artikel 19 Delegatie van de bevoegdheid tot intrekken of wijzigen subsidievaststelling Het college is bevoegd tot het intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen van de subsidievaststelling bedoeld in artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 20 Inwerkingtreding en citeertitel 1.De ‘Verordening bedrijveninvesteringszone centrum Hardenberg 2022-2026’ van 12 oktober 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zicht voor die datum hebben voorgedaan.2.Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun, als bedoeld in artikel 4 van de wet, is gebleken.3.De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2027.3.Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening bedrijveninvesteringszone centrum Hardenberg 2027-2031’. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 21 september 2026. De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, F.G.S. Droste M.W. Offinga Kaart BIZ-centrumgebied Hardenberg;

Meer informatie