Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Alkmaar 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op30 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Alkmaar

Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Alkmaar 2026 De raad van de gemeente Alkmaar gelet op artikel 33 Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Bestuur en Middelen besluit vast te stellen de Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Alkmaar 2026 Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -ambtelijke bijstand: bijstand, verleend door onder het gezag van het college werkzame ambtenaren; -bijstand: ondersteuning bij het opstellen van voorstellen, amendementen en moties of andere ondersteuning niet zijnde een verzoek om informatie; -fractie: leden van de raad die conform het Reglement van Orde van de gemeenteraad tot een fractie worden beschouwd. Paragraaf 2. Verzoeken om informatie of bijstand Artikel 2. Verzoek om informatie 1.Een raadslid kan de griffier verzoeken om feitelijke informatie van geringe omvang of om inzage in of afschrift van bij de raad, burgemeester en wethouders of de burgemeester berustende schriftelijke stukken en ander materiaal dat gegevens bevat. 2.De griffier verstrekt zo spoedig mogelijk de verzochte informatie, voor zover deze daarover kan beschikken. Voor zover daarmee niet aan het verzoek voldaan is, verzoekt de griffier de secretaris één of meer ambtenaren aan te wijzen die voor zover mogelijk de resterende informatie zo spoedig mogelijk verstrekken.3.Een verzoek om feitelijke informatie dat betrekking heeft op een aan de raad voorgelegd of voor te leggen raadsvoorstel (technische vragen), wordt binnen twee werkdagen na ontvangst van het verzoek afgehandeld. Van deze termijn wordt slechts afgeweken, indien bijvoorbeeld de omvang of complexiteit van het verzoek, of omstandigheden buiten de invloedssfeer van de gemeente, tijdige afhandeling redelijkerwijs verhinderen.4.Een verzoek om feitelijke informatie dat (nog) geen betrekking heeft op een aan de raad voorgelegd of voor te leggen raadsvoorstel, wordt in beginsel binnen twee werkdagen na ontvangst van het verzoek afgehandeld, tenzij de secretaris vanwege de omvang of complexiteit van het verzoek bepaalt dat een langere termijn nodig is.5.Indien de secretaris bepaalt dat een verzoek als bedoeld in het derde en/of vierde lid niet binnen de termijn kan worden afgehandeld, stelt de secretaris de griffier hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. De secretaris informeert het raadslid, via de griffier, hierover vooraf en vermeldt daarbij de reden voor de langere termijn en, voor zover mogelijk, de verwachte termijn van afhandeling.6.De in dit artikel genoemde termijnen zijn termijnen van orde. Artikel 3. Verzoek om bijstand 1.Een raadslid kan de griffier verzoeken om bijstand. 2.De verzochte bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend, voor zover dit naar het oordeel van de griffier in redelijkheid kan worden gevergd. Als de griffier de verzochte bijstand niet kan verlenen, verzoekt hij de secretaris om een of meer ambtenaren aan te wijzen die ambtelijke bijstand verlenen.3.De secretaris weigert het verzoek om ambtelijke bijstand als: a.naar zijn oordeel niet aannemelijk is gemaakt dat de ambtelijke bijstand betrekking heeft op raadswerkzaamheden; b.dit naar zijn oordeel het belang van de gemeente kan schaden; c.het verlenen van de verzochte ambtelijke bijstand naar zijn oordeel in redelijkheid niet kan worden gevergd. 4.Als de secretaris het verzoek om ambtelijke bijstand weigert, deelt hij dit binnen vijf werkdagen met redenen omkleed mee aan de griffier en aan het raadslid door wie het verzoek is ingediend. De griffier of het raadslid kan de burgemeester verzoeken met de griffier en de secretaris en zo nodig het raadslid in overleg te treden over het alsnog laten verlenen van de ambtelijke bijstand. De burgemeester geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan dit verzoek. Artikel 4. Geschil over verleende ambtelijke bijstand 1.Een raadslid dat niet tevreden is over de aan hem verleende ambtelijke bijstand, kan de griffier verzoeken hierover in overleg te treden met de secretaris.2.Als overleg met de secretaris niet leidt tot een ook voor het raadslid bevredigende oplossing, kan deze de burgemeester verzoeken met de griffier en de secretaris en zo nodig het raadslid in overleg te treden over de aan hem verleende ambtelijke bijstand. De burgemeester geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan dit verzoek. Artikel 5. Verstrekking informatie over verzoeken om ambtelijke bijstand Als het college of een of meer leden van het college informatie wensen over een verzoek om ambtelijke bijstand of over de inhoud van verleende ambtelijke bijstand, wenden zij zich daartoe rechtstreeks tot het betrokken raadslid. Paragraaf 3. Fractieondersteuning Artikel 6. Recht op financiële bijdrage 1.De raad verstrekt een in de raad vertegenwoordigde fractie voor de duur van de zittingsperiode een financiële bijdrage ter ondersteuning van het functioneren van de fractie. 2.De financiële bijdrage bestaat uit een basisbedrag van € 5.195 per fractie per jaar en een variabel deel van € 1.025 per raadszetel van de fractie per jaar. De financiële bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd met hetzelfde indexeringspercentage dat de gemeente hanteert voor de bedragen in haar begroting.3.Aan de tot een fractie behorende raadsleden wordt de hoogte van de bijdrage jaarlijks bekendgemaakt door middel van (een kopie van) een beschikking. Artikel 7. Besteding financiële bijdrage 1.De financiële bijdrage wordt uitsluitend besteed aan ondersteuning die ertoe strekt de volksvertegenwoordigende, kaderstellende of controlerende rol van de fractie te versterken.2.Het presidium stelt jaarlijks een leidraad voor de bestedingen vast. 3.De financiële bijdrage wordt in ieder geval niet gebruikt ter bekostiging van: a.betalingen, inclusief die ter voldoening van contributie c.q. afdrachten, aan politieke partijen, met politieke partijen verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan ter vergoeding van diensten of goederen geleverd ten behoeve van de versterking van de ondersteuning van de fractie op basis van een gespecificeerde, reële declaratie of arbeidsovereenkomst; b.giften, donaties, cadeaus, attenties, leningen, beleggingen en voorschotten; c.uitgaven die op grond van enige andere wettelijke regeling in aanmerking komen voor vergoeding van overheidswege; d.Uitgaven in verband met verkiezingsactiviteiten. e.Uitgaven die geacht worden bekostigd te worden uit de maandelijkse onkostenvergoeding die raadsleden ontvangen op basis van het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling politieke ambtsdragers Artikel 8. Voorschot financiële bijdrage 1.De financiële bijdrage wordt uitsluitend overgemaakt op een door de fractie aangehouden afzonderlijke bankrekening, die geen deel uitmaakt van een privé-, partij- of campagnerekening. 2.In een jaar waarin de raadsleden aftreden na reguliere raadsverkiezingen of op grond van artikel 56d of 56e van de Wet Algemene regels herindeling wordt, in afwijking van het eerste lid, een voorschot verleend voor de periode tot en met de maand maart en een voorschot voor de periode omvattende de resterende maanden. Het eerste voorschot wordt vóór 1 februari van dat jaar verstrekt; het tweede voorschot wordt vóór 1 mei van dat jaar verstrekt. Artikel 9. Gevolgen splitsen en einde bestaan fractie 1.Het basisbedrag per fractie conform artikel 6 lid 2 wordt uitgekeerd aan fracties die op basis van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen bij aanvang van de zittingsperiode in de gemeenteraad vertegenwoordigd zijn. 2.Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt het voor elk van deze zetels beschikbaar gestelde variabele deel van de financiële bijdrage ter ondersteuning van de fractie waar zij uittreden, toebedeeld aan de nieuw gevormde fractie of aan de fractie waarbij aangesloten wordt.3.Als zich een situatie als bedoeld in het tweede lid voordoet, worden de verleende voorschotten naar evenredigheid van het nog resterende aantal maanden van het jaar waarvoor het voorschot is verleend onverwijld bijgesteld overeenkomstig de uit het tweede lid voortvloeiende verdeling.4.Als een fractie tijdens een zittingsperiode ophoudt te bestaan, vervalt de aanspraak op de financiële bijdrage ter ondersteuning van die fractie met ingang van de maand volgend op de maand waarin hiervan kennisgeving is gedaan aan de raad. Artikel 10. Reserve 1.De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van de financiële bijdrage voor het kunnen verlenen van een aanvullende financiële bijdrage ten behoeve van die fractie in volgende jaren.2.Een reserve is niet groter dan 30% van de financiële bijdrage die in het voorgaande kalenderjaar als voorschot verleend was ten behoeve van die fractie op grond van artikel 8. Een negatieve reserve is niet toegestaan. Indien er toch een tekort optreedt, dient dit door de fractie zelf te worden aangezuiverd. 3.Het beroep in enig jaar op de opgebouwde reserve komt tot uitdrukking in de afrekening over dat jaar. Bevoorschotting vindt desgevraagd plaats.4.Een reserve blijft na verkiezingen beschikbaar ten behoeve van de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel ten behoeve van de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd.5.Als bij zetelverlies de reserve voor een fractie hoger zou worden dan aangegeven in het tweede lid, vervalt het recht op die hogere reserve. 6.Als zich een situatie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, voordoet, wordt een eventuele reserve toebedeeld aan die fractie die bij de eerste zitting van een nieuwe raad na de verkiezingen als dusdanig is aangemerkt. Als een fractie tijdens een zittingsperiode ophoudt te bestaan, vervalt de aanspraak op de reserve met ingang van de maand volgend op de maand waarin hiervan kennisgeving is gedaan aan de raad. Artikel 11. Administratieve verplichtingen 1.De financiële administratie wordt gevoerd op basis van het door de griffie verstrekte elektronische formulier en op basis van het stelsel van baten en lasten. Deze administratie wordt op een zodanige wijze gevoerd dat deze steeds een volledig en juist inzicht geeft in alle bezittingen en schulden, verplichtingen, reserves, baten en lasten, alsmede overige gegevens die voor de financiële verantwoording van belang zijn.2.De administratie wordt zodanig ingericht dat elke opgevoerde uitgave te herleiden is naar het onderliggende bewijsstuk. Elke rekening of factuur wordt voorzien van een opvolgend nummer dat correspondeert met het nummer in de administratie. 3.Elke door de fractie opgevoerde uitgave moet worden onderbouwd met bewijsstukken, zoals bonnen, facturen of andere schriftelijke onderbouwing. Uit de bewijsstukken moet herleidbaar of aannemelijk zijn dat de opgevoerde kosten in lijn zijn met de in artikel 7 eerste lid gestelde doelen en de gemaakte kosten niet in strijd zijn met de in artikel 7 derde lid van deze verordening genoemde exclusiegronden.4.Indien een opgevoerde uitgave betrekking heeft op drukwerk of digitale publicaties, voegt de fractie een kopie van het drukwerk of de digitale publicatie als bewijsstuk toe aan de administratie5.Andere inkomensbronnen dan de financiële bijdrage worden afzonderlijk geadministreerd.6.De administratie wordt zodanig ingericht dat op eerste aanvraag van de accountant en/of raad nadere informatie kan worden gegeven en bescheiden of bewijsstukken met betrekking tot de uitgaven kunnen worden overgelegd.7.Bij uitgaven worden de onderliggende bescheiden, indien de fractie uit twee of meer personen bestaat, door ten minste twee personen geautoriseerd. Artikel 12. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage 1.De fractie dient uiterlijk vóór 15 januari van het jaar volgend op het boekjaar bij de griffie in te leveren: a.de financiële administratie van de besteding van de fractiebijdrage zoals bedoeld in en conform artikel 11 van deze verordening; en b.de daarbij behorende bewijsstukken 2.In tegenstelling tot de in het eerste lid gestelde termijn, zal een fractie welke tijdens een zittingsperiode ophoudt te bestaan, de financiële administratie en bijbehorende bewijsstukken binnen één maand bij de griffie indienen, volgend op de maand waarin aan de raad kennis is gedaan van de beëindiging van de fractie; Indien de fractie ophoudt te bestaan na gemeenteraadsverkiezingen of een herindeling zal een fractie eveneens de financiële administratie en bijbehorende bewijsstukken binnen één maand na vaststelling van de verkiezingsuitslag of herindeling bij de griffie indienen. Indien een deel van de financiële bijdrage niet besteed is of teruggestort dient te worden, ontvangt de fractie een voorschotnota voor het terug te betalen bedrag. Nadat de specifiek overeengekomen werkzaamheden van de accountant zijn afgerond en de vaststelling door de gemeenteraad heeft plaatsgevonden van het te verrekenen verschil als genoemd in de leden 6 en 7 van dit artikel volgt de definitieve factuur voor het terug te betalen bedrag. 3.De griffie maakt de ingediende administratie zoals bedoeld in het eerste en tweede lid actief openbaar via het raadsinformatiesysteem van de raad.4.De originele, onbewerkte administratie en bewijsstukken blijven bij de griffie berusten en zijn op verzoek in te zien door raadsleden.5.alvorens de ingediende administratie zoals bedoeld in het eerste en tweede lid aan de accountant wordt aangeboden, voert de griffie een interne toets uit op volledigheidsaspecten zoals het volledig ingevuld zijn van het verslag en het aanwezig zijn van alle bewijsstukken. 6.De fractie legt, met behulp van de in het eerste lid van dit artikel genoemde administratie en bewijsstukken, aan de raad verantwoording af over de besteding van de fractiebijdrage gedurende het vorige kalenderjaar en onder overlegging van een financieel verslag conform het door het presidium vastgesteld elektronische formulier.7.De accountant die belast is met de controle van de jaarrekening van de raad verricht specifiek overeengekomen werkzaamheden met betrekking tot het financieel verslag en brengt vóór 1 maart van het jaar volgend op het boekjaar advies uit aan de raad. De griffie bereidt daartoe, in samenspraak met de accountant, een raadsvoorstel voor dat uiterlijk in mei van het jaar volgend op het boekjaar wordt geagendeerd voor bespreking door de gemeenteraad. 8.De accountant verricht specifiek overeengekomen werkzaamheden met betrekking tot het financieel verslag van ieder van de fracties individueel en geeft een rapport van feitelijke bevindingen af over het geheel. Indien de bestedingen die worden verantwoord niet juist zijn, niet tijdig zijn aangeleverd of niet volledig zijn, rapporteert de accountant hierover in zijn verslag van bevindingen. 9.De raad stelt na ontvangst van het rapport van feitelijke bevindingen van de accountant de hoogte vast van: a.de financiële bijdrage; b.het te verrekenen verschil tussen de vastgestelde financiële bijdrage en het ontvangen voorschot (restant); c.de wijziging van de reserve; d.de resterende reserve; e.en de terug te vorderen bedragen 10.Teveel ontvangen voorschotten in jaren waarvoor de raad de bedragen heeft vastgesteld, worden in het jaar van vaststelling door de raad teruggevorderd. Deze terugvordering dient binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur te worden voldaan. Indien een fractie deze terugvordering vóór 1 februari van het volgende jaar nog niet heeft voldaan, vindt geen bevoorschotting plaats tot het moment dat het terug te vorderen bedrag is betaald. 11.Eventuele nagekomen baten en lasten die niet eerder zijn opgenomen in de verantwoording, mogen worden opgevoerd in het opvolgende jaar zonder dat hier een opmerking in het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgenomen. 12.Indien een factuur is verantwoord die niet volledig toe te rekenen is aan het verantwoordingsjaar, dient er boven de € 150 een toerekening gedaan te worden aan de verschillende verantwoordings- jaren. Paragraaf 4. Slotbepalingen Artikel 13 1.De tot een fractie behorende raadsleden zijn ieder verantwoordelijk en aansprakelijk voor naleving van deze verordening en de daarop gebaseerde voorschriften, de verantwoording en voor eventuele terugbetaling van teveel ontvangen voorschotten. Dit geldt ook als zij de gelden over laten maken aan een rechtspersoon. Artikel 14. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De verordening van de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar houdende regels omtrent de ambtelijke bijstand, financiële fractieondersteuning en fractieassistenten 2020 wordt ingetrokken.2.De verordening van de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar houdende regels omtrent de ambtelijke bijstand, financiële fractieondersteuning en fractieassistenten 2020 blijft van toepassing ten aanzien van de op basis van die verordening verleende financiële bijdragen en de verantwoording, controle, vaststelling en afrekening van die financiële bijdragen. Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 01-01-2027.2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning gemeente Alkmaar 2026 Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 oktober 2026. De voorzitter, De griffier, Algemeen Artikel 33 van de Gemeentewet (hierna: wet) bepaalt dat de raad en elk van zijn leden recht hebben op ambtelijke bijstand (eerste lid) en dat de in de raad vertegenwoordigde groeperingen (de fracties) recht hebben op ondersteuning (tweede lid). Met betrekking tot de ambtelijke bijstand en de ondersteuning van fracties moet de raad een verordening vaststellen die ten aanzien van de ondersteuning regels over de besteding en de verantwoording bevat (derde lid). Met deze verordening wordt hieraan uitvoering gegeven. De formulering van artikel 33 van de wet laat buiten twijfel dat individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad, recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle raadsleden een beroep worden gedaan. De financiële bijdrage voor de fractieondersteuning is een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat titel 4.2 van de Awb van toepassing is op het verstrekken van de financiële bijdrage en dat het besluit van de raad waarmee – na verantwoording en controle – de hoogte van de financiële bijdrage wordt vastgesteld (zie artikel 13) vatbaar is voor bezwaar en beroep. In deze verordening vervult de griffier een centrale rol. De hoofdverantwoordelijkheid van de griffier is de ondersteuning van de raad; de griffier is onder andere het eerste aanspreekpunt als het gaat om verzoeken om informatie en bijstand. Een nadere omschrijving van en toelichting op de taken van de griffier is vastgelegd in de ambtsinstructie van de griffier. De griffiemedewerkers vallen onder het gezag van de griffier. De griffier vervult, via de secretaris, ook de rol van schakel tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie. Dat de raad over een griffier met griffie beschikt die bijstand kan verlenen, betekent niet dat er geen behoefte is aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke organisatie. De griffie is, in vergelijking met de reguliere organisatie, beperkt in omvang. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken van amendementen, moties en regelingen zal in bepaalde gevallen een beroep op deze organisatie dan ook nodig zijn. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. Omdat de griffier geen zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie zal daarom de secretaris in dergelijke gevallen de ambtenaar die de ambtelijke bijstand verleent moeten aanwijzen. Daarom zijn bepaalde aspecten van de rol van de gemeentesecretaris in deze verordening nader uitgewerkt. Dat is van belang om de rol van de secretaris op een juiste wijze vorm te geven nu er een splitsing heeft plaatsgevonden tussen griffie en reguliere ambtelijke organisatie. Artikelsgewijs In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven behandeld. Artikel 1. Definities Bijstand in de vorm van ondersteuning bij het opstellen van voorstellen, amendementen en moties kan verleend worden door ambtenaren die onder het gezag van de raad vallen (artikel 107e van de wet) of door de reguliere ambtelijke organisatie die onder het gezag van het college valt (artikel 160 van de wet). Hoewel medewerkers van de griffie wel degelijk ambtenaren zijn in de zin van de Ambtenarenwet, is de term ‘ambtelijke bijstand’ in deze verordening voorbehouden aan het verlenen van bijstand door medewerkers van de reguliere ambtelijke organisatie. Artikel 2. Verzoek om informatie Raadsleden die feitelijke informatie van geringe omvang nodig hebben of inzage of afschrift van bij de raad, burgemeester en wethouders of de burgemeester berustende schriftelijke stukken, hoeven zich niet via de formele weg van artikel 169, tweede en volgende lid, van de wet tot het college te richten. In dit artikel is bepaald dat zij hun verzoek aan de griffier kunnen richten. Verzoeken die betrekking hebben op documenten waarop al dan niet geheimhouding rust, worden eveneens aan de griffier gericht. Daarbij zij er volledigheidshalve op gewezen dat de griffier een opgelegde geheimhouding in acht moet nemen. Als een raadslid geheime stukken opvraagt die alleen mogen worden ingezien, moet de griffier het verzoek van het raadslid doorgeleiden naar het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd. De griffier (of één van de griffiemedewerkers) verstrekt de informatie zo spoedig mogelijk (tweede lid). Als de griffier niet in staat is om volledig tegemoet te komen aan het verzoek, kan hij de secretaris vragen of de reguliere ambtelijke organisatie de informatie kan leveren. Het is in lijn met de onderlinge taakverdeling dat de griffier het aanspreekpunt en de aangewezen persoon is om de voortgang in het proces te bewaken. Artikel 3. Verzoek om bijstand Ook verzoeken om bijstand moeten aan de griffier gericht worden. Als de griffier of de griffiemedewerkers de verzochte ondersteuning niet kunnen leveren, verzoekt de griffier de secretaris om inzet van ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie. Het is aan de secretaris om te beoordelen of een van de in het derde lid genoemde ‘weigeringsgronden’ voor het door ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie verlenen van ambtelijke bijstand zich voordoet. Overigens ligt het bij een conflict over het al dan niet verlenen van ambtelijke bijstand in de rede dat de burgemeester, als voorzitter van de raad en het college, hierover overleg voert met de secretaris, de griffier en indien nodig ook het betrokken raadslid (vierde lid). Artikel 4. Geschil over verleende ambtelijke bijstand Net als bij de weigering om ambtelijke bijstand door ambtenaren vanuit de reguliere ambtelijke organisatie te verlenen, kan de burgemeester ook een rol vervullen als een raadslid niet tevreden is over de door een ambtenaar van de reguliere ambtelijke organisatie verleende ambtelijke bijstand. Als er een conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan zal de burgemeester ook hier een bemiddelende rol kunnen spelen (tweede lid). De positie van de burgemeester maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer. Artikel 5. Verstrekking informatie over verzoeken om ambtelijke bijstand Dit artikel voorkomt dat de betreffende ambtenaar in een spagaat tussen raad en college terecht komt. Als een raadslid om ambtelijke bijstand verzoekt, moet hij ervan uit kunnen gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die werkzaamheden onafhankelijk opereert van het college. Om te verzekeren dat een ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet om toch inlichtingen te verschaffen over het verzoek van een raadslid, is bepaald dat collegeleden zich voor informatie direct tot het betrokken raadslid wenden en niet tot de behandelend ambtenaar. Dit biedt bovendien een extra waarborg voor de onafhankelijke behandeling van een verzoek om ambtelijke bijstand. De ambtenaar die ambtelijke bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de reguliere ambtelijke organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot de normale uitoefening van zijn taak. Als hij dit gedeelte van zijn taak niet goed uitoefent, behoudt het college dus de mogelijkheid om de ambtenaar hierop aan te spreken. Artikel 6. Recht op financiële bijdrage Fractieondersteuning vindt zijn vorm in een financiële ondersteuning. De hoogte van het totale budget voor fractieondersteuning wordt door de raad in de gemeentebegroting opgenomen. De fractieondersteuning bestaat uit een basisbedrag per in de raad vertegenwoordigde fractie en een variabel deel per raadszetel van die fractie (tweede lid). Het basisbedrag garandeert dat elke fractie de kans krijgt zich op een gelijkwaardig basisniveau te laten ondersteunen. Naar rato van fractiegrootte wordt daarnaast een variabel deel toegekend, zodat ook ieder fractielid op gelijkwaardig niveau ondersteund kan worden. De bijdrage wordt verstrekt voor de duur van de zittingsperiode van de raad (eerste lid). Ook na een gemeentelijke herindeling waarbij de nieuwe raad vanaf 1 januari aantreedt, zal de bijdrage voor de duur van de zittingsperiode van die raad verstrekt worden (op basis van een door de nieuwe raad vastgestelde verordening). De herindelingsverkiezingen zijn dan in november van het jaar daarvóór geweest. De financiële bijdrage voor fractieondersteuning voldoet aan de definitie van subsidie van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Omdat het verlenen van subsidies in de Algemene subsidieverordening ((hierna: ASV) indien van kracht) in de gemeente doorgaans aan het college gedelegeerd is, zal voornoemde verordening uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard moeten worden op de bijdrage voor fractieondersteuning. Niet alleen vanwege het dualisme tussen de raad en het college, maar ook omdat het regime in de ASV wezenlijk anders is dan het regime voor het verlenen, vaststellen en verantwoorden van de bijdrage voor fractieondersteuning. Artikel 7. Besteding financiële bijdrage Voor wat betreft de besteding van de fractieondersteuning worden de fracties grotendeels vrijgelaten. Minimumvoorwaarde is wel dat de financiële bijdrage besteed wordt aan ondersteuning om de volksvertegenwoordigende, kaderstellende of controlerende rol van de fractie te versterken. Daarnaast is in het tweede lid een aantal doelen genoemd waarvoor de financiële bijdrage voor fractieondersteuning in ieder geval niet gebruikt mag worden. Deze opsomming is niet limitatief. Het is uiteraard niet de bedoeling dat raadsleden hun eigen vergoeding voor het raadswerk aanvullen met de financiële bijdrage voor fractieondersteuning en dat ook contributies aan politieke partijen of met politieke partijen gelieerde organisaties via de fractieondersteuning kunnen worden gefinancierd (onder a). Een lidmaatschap van een dergelijk orgaan is immers een individuele aangelegenheid van een raadslid en niet van de betreffende gemeenteraadsfractie. Bij (andere) uitgaven die op grond van enige andere wettelijke regeling in aanmerking komen voor vergoeding van overheidswege (onder c) kan onder andere gedacht worden aan bepaalde reis- en verblijfkosten, kosten voor een buitenlandse excursie of reis, kosten voor scholing, kosten voor een computer en internetverbinding en de contributie van bepaalde beroepsverenigingen. Deze komen voor vergoeding in aanmerking op grond van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dat zijn grondslag vindt in de artikelen 95 en 96 van de wet. In het bijzonder wordt benadrukt dat het dus ook niet is toegestaan om met de financiële bijdrage voor fractieondersteuning verkiezingscampagnes te financieren.] [Artikel 8. Voorschot financiële bijdrage Dit artikel regelt de jaarlijkse, ambtshalve verlening van voorschotten ter hoogte van de overeenkomstig artikel 6 berekende voorwaardelijke aanspraak op de financiële bijdrage. In een jaar waarin de raadsleden naar aanleiding van verkiezingen tegelijkertijd aftreden, wordt het voorschot in twee gedeelten gesplitst. [Artikel 9. Gevolgen splitsen en einde bestaan fractie Als er mutaties plaatsvinden in zittende fracties is het wenselijk dat de financiële bijdrage aangepast wordt aan veranderde verhoudingen in de raad. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het vaste basisbedrag dat ten behoeve van iedere fractie wordt verleend en het variabel deel per raadszetel. Het vaste deel is ook daadwerkelijk ‘vast’; dit deel van de bijdrage blijft bestemd voor de betreffende fractie, ook al vindt er tussentijds een splitsing of afscheiding plaats. Alleen het variabele deel van de fractievergoeding wordt overgeheveld ten behoeve van de nieuwe fractie (tweede lid). Bij splitsing van een fractie zal het al eerder verleende voorschot voor wat betreft het variabele deel direct bijgesteld moeten worden naar evenredigheid van het resterende aantal maanden van het jaar waarvoor het voorschot is verleend (derde lid). Als dat niet zou gebeuren zou een deel van de oorspronkelijke fractie over een te groot variabel voorschot beschikken. Na het kalenderjaar zou dan alsnog verrekend moeten worden. Het is handiger dit direct recht te trekken. Artikel 10. Reserve Het deel van de financiële bijdrage waarop voorwaardelijk aanspraak wordt gemaakt en dat niet wordt gebruikt, wordt door de raad gereserveerd voor gebruik ten behoeve van die fractie in de volgende jaren (eerste lid). [Als in die jaren verkiezingen plaatsvinden, dan wordt de reserve na verkiezingen beschikbaar gesteld ten behoeve van de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd (vierde lid).] Omdat het niet wenselijk is dat een reserve eindeloos groeit, is hier wel een maximum aan verbonden (tweede lid). Ook met betrekking tot de reserve is het van belang dat goed wordt omgegaan met mutaties in zittende fracties. De regeling van het vijfde lid voorziet in toedeling over de oorspronkelijke fractie. Artikel 11. Administratieve verplichtingen Om te zorgen dat aan het verslag waarmee de besteding van de financiële bijdrage wordt verantwoord (zie artikel 12) een deugdelijke administratie ten grondslag ligt, worden in dit artikel enkele eisen gesteld aan het voeren van deze administratie. Artikel 12. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage Nadat de accountant het rapport van bevindingen aan de raad heeft uitgebracht, stelt de raad de hoogte van de financiële bijdrage ten behoeve van het functioneren van de betreffende fractie vast. Daarmee ontstaat een onvoorwaardelijke aanspraak op het vastgestelde bedrag. Omdat dit bedrag kan afwijken van het verstrekte voorschot – en dus mogelijk een verrekening dient plaats te vinden – wordt tevens de hoogte van het te verrekenen verschil tussen de vastgestelde financiële bijdrage en het ontvangen voorschot vastgesteld. Als het verleende voorschot lager is dan de vastgestelde financiële bijdrage, dan wordt het resterende bedrag alsnog uitbetaald. Als het verleende voorschot hoger is dan de vastgestelde financiële bijdrage, dan kan het onverschuldigde bedrag overeenkomstig artikel 4:57, eerste lid, van de Awb teruggevorderd worden. De beslissing tot terugvordering is – evenals het besluit waarmee de financiële bijdrage wordt vastgesteld – een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Voorts wordt vastgesteld de hoogte van de wijziging van de reserve en van de resterende reserve; deze kan voor een of beide uiteraard ook nul bedragen. De raad van Alkmaar, 22 oktober 2026 mw. drs. A.M.C.G. Schouten, burgemeester mw. mr. V.H. Hornstra, griffier

Meer informatie