Beleidsregels Woonkostentoeslag 2026 gemeente Hollands Kroon

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op29 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Hollands Kroon

Beleidsregels Woonkostentoeslag 2026 gemeente Hollands Kroon Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, gelet op artikel 35, 54 en 55 van de Participatiewet; overwegende dat: de Wet op de huurtoeslag per 1 januari 2026 wordt gewijzigd, waardoor de huurtoeslag beter aansluit op de basishuur maar niet voorziet in volledige dekking van de daadwerkelijke woonkosten; deze wijzigingen ertoe leiden dat belanghebbenden vaker een beroep moeten doen op bijzondere bijstand voor woonkosten op grond van artikel 35 van de Participatiewet; het noodzakelijk is om duidelijk, uitvoerbaar en rechtmatig beleid te hanteren met betrekking tot de aard, omvang, duur en voorwaarden van woonkostentoeslag; het gewenst is rekening te houden met eigen verantwoordelijkheid, het voorkomen van problematische schulden en het bevorderen van structurele woonlastenverlaging; het ter bescherming van rechtszekerheid en inkomensrust wenselijk is dat lopende toekenningen worden afgewikkeld volgens het oude beleid; besluit vast te stellen: Beleidsregels Woonkostentoeslag 2026 gemeente Hollands Kroon Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a.basishuur: het deel van de woonkosten dat een belanghebbende geacht wordt zelf te betalen voordat recht kan bestaan op woonkostentoeslag. De basishuur vormt daarmee de ondergrens van de woonlasten die bij de berekening van woonkostentoeslag buiten aanmerking blijven. Het bedrag aan basishuur sluit aan bij wat in het algemeen als redelijke minimale woonlast wordt beschouwd en is bedoeld om eigen verantwoordelijkheid te waarborgen. Alleen de woonkosten die boven deze basishuur uitstijgen, kunnen als noodzakelijke meerkosten worden aangemerkt; b.belanghebbende: de persoon die een aanvraag om woonkostentoeslag heeft ingediend en op wie de beoordeling betrekking heeft; c.Participatiewet (PW): de Participatiewet; d.woonkostentoeslag: bijzondere bijstand voor noodzakelijke woonkosten als bedoeld in artikel 35 PW; e.rekenhuur: de huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag; f.niet‑gesubsidieerd deel: het niet-gesubsidieerde deel is het gedeelte van de huurprijs dat uitstijgt boven de voor de woning geldende rekenhuur. Voor dit deel bestaat binnen de systematiek van de huurtoeslag geen aanspraak op een tegemoetkoming. Bij de beoordeling van een aanvraag om woonkostentoeslag wordt dit deel afzonderlijk in aanmerking genomen, omdat hogere woonlasten in beginsel voor rekening van de belanghebbende komen. De omvang van het niet-gesubsidieerde deel is daarom van belang voor de vaststelling van de noodzakelijke woonkosten en de hoogte van een eventuele woonkostentoeslag. g.servicekosten: de door de verhuurder in rekening gebrachte kosten voor diensten, leveringen of voorzieningen die verband houden met het gebruik, beheer of onderhoud van de woning of de woonomgeving; h.woning: een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, dat naar aard en inrichting bestemd en geschikt is voor permanente bewoning en waarvoor op grond van het geldende bestemmingsplan, omgevingsplan of andere publiekrechtelijke regelgeving bewoning is toegestaan. Niet als woning worden aangemerkt: -recreatiewoningen, vakantiewoningen, chalets, stacaravans of andere vormen van verblijfsaccommodaties die naar hun aard of volgens het bestemmingsplan uitsluitend of overwegend bestemd zijn voor recreatief gebruik, ongeacht of daarin feitelijk wordt of kan worden gewoond; -tiny houses die geen permanente woonbestemming hebben, waaronder verplaatsbare tiny houses op tijdelijke of recreatieve locaties of anderszins niet als hoofdwoning mogen worden gebruikt. -mantelzorgwoningen die tijdelijk zijn geplaatst, niet zelfstandig zijn of geen permanente woonbestemming hebben. Een mantelzorgwoning geldt uitsluitend als woning wanneer zij een zelfstandige woonruimte vormt én permanent voor bewoning is bestemd; -woonwagen: ondanks de bestemming tot bewoning wordt de woonwagen uitgesloten, omdat een woonwagen een verplaatsbaar bouwwerk betreft, de woonlasten een hybride karakter hebben (standplaats + wagen), woonwagens onder een eigen juridisch regime vallen dat afwijkt van reguliere woningbouw, woonkostentoeslag gericht is op reguliere permanente woonruimte; i.Woninggebonden kosten zijn de noodzakelijke kosten die direct voortvloeien uit het eigendom en gebruik van de door belanghebbende bewoonde woning. Tot deze kosten worden in ieder geval gerekend de hypotheekrente, eigenaarslasten van gemeentelijke en waterschapsbelastingen, de premie voor de opstalverzekering en een forfaitair of redelijk bedrag voor onderhoud. Artikel 2. Doel van de woonkostentoeslag 1.De woonkostentoeslag heeft tot doel om binnen de kaders van artikel 35 Participatiewet tijdelijke bijzondere bijstand te verstrekken voor noodzakelijke woonkosten die de algemeen aanvaardbare kosten te boven gaan en die niet uit het inkomen of vermogen van de belanghebbende kunnen worden voldaan. 2.De woonkostentoeslag wordt alleen verstrekt indien sprake is van een aantoonbare en onvoorziene inkomensverlaging, waardoor de belanghebbende tijdelijk niet in staat is de noodzakelijke woonkosten te voldoen.3.De woonkostentoeslag heeft een aanvullend karakter en wordt slechts verstrekt indien en voor zover geen voorliggende of passende voorziening aanwezig is. 4.De toeslag is gericht op het waarborgen van bestaanszekerheid, het voorkomen van (dreigende) problematische schulden en het bieden van een tijdelijke overbrugging totdat een structurele oplossing voor de woonlasten beschikbaar is. Hoofdstuk 2 Belanghebbende met een huurwoning Artikel 3. Omvang van de woonkostentoeslag 1.De basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag vormt het eigen aandeel van de belanghebbende in de woonkosten en wordt aangemerkt als een algemene bestaanskost. De basishuur wordt niet betrokken bij de vaststelling van de woonkostentoeslag.2.Als noodzakelijke meerkosten van wonen in de zin van artikel 35 van de Participatiewet wordt uitsluitend aangemerkt het deel van de feitelijke huur dat uitstijgt boven de voor de belanghebbende geldende maximale rekenhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Woonkosten tot en met deze maximale rekenhuur, waaronder begrepen het deel waarop huurtoeslag van toepassing is, komen niet in aanmerking voor woonkostentoeslag.3.Het college verleent bijzondere bijstand tot maximaal 75% van de in het tweede lid bedoelde noodzakelijke meerkosten van wonen. Het resterende deel van de noodzakelijke meerkosten blijft voor rekening van de belanghebbende, ter bevordering van de eigen verantwoordelijkheid en ter voorkoming van overcompensatie.4.Op het vastgestelde bedrag van de woonkostentoeslag wordt de draagkracht van de belanghebbende in mindering gebracht, overeenkomstig de draagkrachtregels zoals opgenomen in de geldenede beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon. Artikel 4. Duur van de woonkostentoeslag 1.De woonkostentoeslag wordt toegekend voor een maximale periode van twaalf maanden.2.Het college kan deze periode verlengen indien: a.de noodzaak nog steeds aanwezig is; en b.de belanghebbende heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 5. Artikel 5. Verplichtingen gericht op woonlastenverlaging (art. 55 PW) 1.Het college kan op grond van artikel 55 PW aan de toekenning of voortzetting van de woonkostentoeslag de verplichting verbinden dat de belanghebbende aantoonbare inspanningen verricht gericht op structurele verlaging van de woonlasten. 2.De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde inspanningen kunnen onder meer omvatten: a.inschrijving bij minimaal twee woningcorporaties en/of andere aanbieders van passende en betaalbare woonruimte; b.een adviesgesprek aanvragen bij de gemeente over wonen (team Woonurgentie/spoedzoekers); c.handelen overeenkomstig het advies van het team Woonurgentie/spoedzoekers; d.actief en aantoonbaar reageren op passend woningaanbod; e.het onderzoeken van reële verhuismogelijkheden; f.overleg met de verhuurder over verlaging van huur of servicekosten; g.het beoordelen en zo nodig aanvechten van onjuiste of bovenmatige servicekosten of VvE‑bijdragen; h.optimalisatie van woninggebonden contracten en kosten; i.benutting van voorliggende voorzieningen of tegemoetkomingen; j.het voorkomen en beperken van huurachterstanden; k.overige acties die in de gegeven omstandigheden redelijk kunnen bijdragen aan structurele woonlastenverlaging. 3.Het college verbindt deze verplichtingen uitsluitend voor zover deze, gelet op de individuele omstandigheden, noodzakelijk, passend en evenredig zijn (art. 3:4 Awb). Artikel 6. Servicekosten 1.Alleen servicekosten die op grond van artikel 35 PW als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt, komen voor woonkostentoeslag in aanmerking.2.Het college beoordeelt per kostensoort of deze: a.noodzakelijk is voor het normale gebruik van de woning; b.voldoende verband houdt met bewoning; c.naar aard en omvang passend is. 3.Servicekosten die niet noodzakelijk, onvoldoende verbonden aan bewoning of bovenmatig zijn, worden niet vergoed.4.Als niet noodzakelijke servicekosten gelden in beginsel luxeverhogende, comfortverhogende of anderszins niet essentiële voorzieningen. Hoofdstuk 3. Eigen woning Artikel 7. Woonkosten bij een eigen woning 1.Ook belanghebbenden die eigenaar zijn van de door hen bewoonde woning kunnen in aanmerking komen voor woonkostentoeslag.2.Tot noodzakelijke woonkosten van een eigenaar bewoner kunnen behoren: onroerendezaakbelasting (OZB eigenaar); hypotheekrente; waterschapslasten voor eigenaren; rioolheffing; opstalverzekering; noodzakelijke VvE bijdragen en overige noodzakelijke woninggebonden kosten.3.Niet voor vergoeding komen in aanmerking: -aflossing hypotheekschuld; -VvE bijdragen voor luxe of verbeteringen; -kosten zonder direct verband met bewoning. 4.Voor eigenaren gelden dezelfde beoordelingskaders als elders in deze beleidsregels.5.De basishuur wordt op de berekende noodzakelijke woonkosten in mindering gebracht voordat de woonkostentoeslag wordt vastgesteld. Alleen de woonkosten die uitstijgen boven deze basishuur komen in aanmerking voor woonkostentoeslag. Hoofdstuk 4 Eerste maand huur Artikel 8. Bijzondere bijstand voor de gebroken eerste maand huur 1.Indien huurtoeslag niet kan worden toegekend over de eerste maand van bewoning omdat de belanghebbende niet op de eerste dag van die maand op het betreffende adres stond ingeschreven, kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de hierdoor ontbrekende huurtoeslag.2.De bijzondere bijstand wordt verstrekt over het gedeelte van de maand vanaf de datum van inschrijving in de basisregistratie personen tot en met de laatste dag van die kalendermaand.3.De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal het bedrag aan huurtoeslag dat de belanghebbende over die periode zou hebben ontvangen indien hij op de eerste dag van de maand op het betreffende adres ingeschreven zou zijn geweest.4.Deze bijstand wordt uitsluitend verstrekt indien de belanghebbende aanspraak heeft op huurtoeslag vanaf de eerstvolgende volledige maand en er geen voorliggende voorziening aanwezig is.5.Op de te verlenen bijzondere bijstand wordt de draagkracht van de belanghebbende in mindering gebracht, overeenkomstig de draagkrachtregels zoals deze zijn opgenomen in de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Hollands Kroon 2026. Hoofdstuk 5 Uitsluiting Artikel 9 Uitsluitingen woonkostentoeslag 1.Geen recht op woonkostentoeslag bestaat voor woonkosten die betrekking hebben op de volgende vormen van huisvesting: a.Recreatiewoningen, vakantiewoningen, chalets, stacaravans en overige recreatieve verblijfsaccommodaties, ongeacht of deze feitelijk worden bewoond, indien deze naar aard, inrichting of publiekrechtelijke bestemming (zoals bestemmingsplan of omgevingsplan) uitsluitend of overwegend zijn bestemd voor recreatief gebruik. b.Tiny houses zonder permanente woonbestemming, waaronder begrepen verplaatsbare tiny houses op tijdelijke of recreatieve locaties of andere situaties waarin permanente bewoning niet is toegestaan. c.Mantelzorgwoningen die tijdelijk zijn geplaatst, niet als zelfstandige woonruimte zijn ingericht of geen permanente woonbestemming hebben. Een mantelzorgwoning komt uitsluitend in aanmerking wanneer zij een volledig zelfstandige woonruimte vormt én permanent voor bewoning is bestemd. d.Woonwagens, ook indien deze voor bewoning zijn bestemd. Woonwagens worden uitgesloten omdat zij op grond van de Woningwet een verplaatsbaar bouwwerk zijn dat is geplaatst op een standplaats en daarmee niet kwalificeren als reguliere, gebouwgebonden woning. Bovendien kennen woonwagens gesplitste woonlasten (standplaats + wagen) en vallen zij onder een eigen publiekrechtelijk regime, hetgeen wezenlijk afwijkt van de systematiek waarop de woonkostentoeslag is gebaseerd. 2.De beoordeling of een object onder één van bovenstaande categorieën valt, vindt plaats op basis van de aard en feitelijke inrichting van het bouwwerk, de publiekrechtelijke bestemming volgens bestemmingsplan of omgevingsplan, de bouwtechnische status en juridische kwalificatie op grond van de Woningwet. Wanneer permanente bewoning niet is toegestaan of niet tot de aard van het bouwwerk behoort, kan geen aanspraak op woonkostentoeslag bestaan. Hoofdstuk 6 Slotbepalingen Artikel 10. Lopende toekenningen Op aanvragen die zijn ingediend en toekenningen die zijn verleend vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels blijft het eerder geldende beleid van toepassing, teneinde de rechtszekerheid van belanghebbenden te waarborgen.” Artikel 11. Afwijkingsbevoegdheid Indien strikte toepassing van deze beleidsregels in een individueel geval tot onevenredige, onredelijke of onbillijke gevolgen leidt, kan het college gemotiveerd besluiten van deze beleidsregels af te wijken. Artikel 12. Inwerkingtreding, intrekking en citeertitel 1.Deze beleidsregels treden in werking op de dag na die van de bekendmaking. 2.Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de bepalingen omtrent woonkostentoeslag, zoals opgenomen in paragraaf 4.4 van de ‘Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026’, volledig ingetrokken en komen deze te vervallen.3.Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels woonkostentoeslag 2026 gemeente Hollands Kroon”. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon van 20 oktober 2026. Het college van burgemeester en wethouders,secretaris,H. van der Woude burgemeester,A. van Dam Algemene Toelichting 1. Aanleiding en context Per 1 januari 2026 wordt de Wet op de huurtoeslag gewijzigd. Door deze wijziging sluit de huurtoeslag beter aan op de basishuur, maar wordt een deel van de woonkosten niet langer gedekt. Dit heeft tot gevolg dat een groep huishoudens tijdelijk een hogere woonlast draagt dan op grond van hun inkomen redelijkerwijs van hen kan worden verwacht. Voorliggende voorzieningen, zoals huurtoeslag, vergoeden vanaf 2026 minder volledige bedragen. Daardoor kunnen belanghebbenden vaker een beroep doen op artikel 35 van de Participatiewet voor aanvullende bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag. Het college acht het daarom noodzakelijk om duidelijke, actuele en uitvoerbare beleidsregels vast te stellen waarin staat wanneer en onder welke voorwaarden woonkostentoeslag kan worden verleend, hoe de hoogte wordt bepaald, hoe verplichtingen worden opgelegd, en hoe wordt omgegaan met huurders en eigenwoningbezitters. 2. Doel en karakter van de woonkostentoeslag Woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand op grond van artikel 35 Participatiewet en heeft een tijdelijk en aanvullend karakter. De toeslag is bedoeld voor noodzakelijke woonlasten die niet uit het beschikbare inkomen kunnen worden voldaan, en waarvoor geen voorliggende of passende voorziening bestaat. Het gaat om kosten die: •noodzakelijk zijn om het wonen te kunnen voortzetten; •onvermijdbaar zijn; •niet door een andere regeling worden gedekt; •leiden tot financiële problemen als bijstand uitblijft. Het beleid legt nadruk op bestaanszekerheid, eigen verantwoordelijkheid, en het voorkomen van problematische schulden. 3. Hoofdlijnen van het nieuwe beleid 3.1 Hoogte van de woonkostentoeslag De gemeente kiest ervoor om alleen bij te dragen aan het deel van de huur dat boven de rekenhuur ligt (het niet‑gesubsidieerde deel). De hoogte van de toeslag is gemaximeerd op 75% van dit deel. Met deze keuze wordt enerzijds aansluiting gezocht bij de gewijzigde huurtoeslag en anderzijds recht gedaan aan het uitgangspunt dat belanghebbenden een gedeelte van de meerkosten zelf blijven dragen. Hierdoor blijft de woonkostentoeslag aanvullend en wordt overcompensatie voorkomen. 3.2 Tijdelijkheid en verlenging Woonkostentoeslag is geen structurele voorziening. Om die reden geldt een tijdsduur van maximaal 12 maanden. Het college kan een verlenging toekennen, maar uitsluitend wanneer: •de noodzaak nog bestaat, •passende woonruimte niet beschikbaar of bereikbaar is, en •de belanghebbende aantoonbare inspanningen heeft geleverd om woonlasten te verlagen. Elke verlenging wordt voorafgegaan door een volledige herbeoordeling. 3.3 Verplichtingen gericht op woonlastenverlaging Op grond van artikel 55 PW kan het college verplichtingen verbinden aan de toekenning of voortzetting van de woonkostentoeslag. Deze verplichtingen richten zich uitsluitend op het verlagen van de woonlasten en kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op: •inschrijving bij een woningcorporatie en/of andere aanbieders van passende en betaalbare woonruimte; •het actief zoeken naar passende goedkopere woonruimte; •het reageren op passend woningaanbod; •schuldpreventie of schuldhulpverlening; •het meewerken aan herbeoordelingen; •het optimaliseren van woon- en servicekosten; •het aanvragen van voorliggende voorzieningen. Het college past deze verplichtingen proportioneel en met maatwerk toe (art. 3:4 Awb). Niet-naleving kan leiden tot weigering, beperking of opschorting van de toeslag. Herziening of intrekking is alleen toegestaan bij schending van de inlichtingenplicht of wanneer bijstand ten onrechte is verleend. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepaling Ad a. Basishuur De basishuur geeft weer welk deel van de woonkosten de belanghebbende geacht wordt uit eigen middelen te dragen. Dit volgt uit het uitgangspunt van eigen verantwoordelijkheid in de Participatiewet. Door een vaste basishuur te hanteren wordt geborgd dat bijzondere bijstand alleen wordt ingezet voor de woonkosten die uitgaan boven wat algemeen als minimale en redelijke woonlast wordt beschouwd. Pas het deel van de woonkosten dat uitstijgt boven deze basishuur kan daarom worden aangemerkt als noodzakelijke meerkosten. De basishuur voorkomt overcompensatie en zorgt dat woonkostentoeslag aansluit bij de systematiek van de huurtoeslag en de redelijkheidstoets zoals toegepast in de jurisprudentie. Ad b. Belanghebbende De term belanghebbende verwijst naar de persoon die een aanvraag om woonkostentoeslag heeft ingediend en op wie de beoordeling betrekking heeft. Dit sluit aan bij de definitie in de Algemene wet bestuursrecht. Het begrip maakt duidelijk dat de beleidsregels alleen betrekking hebben op de aanvrager zelf en dat diens individuele omstandigheden bepalend zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Ad c. Participatiewet (PW) De vermelding van de Participatiewet dient ter verduidelijking dat de woonkostentoeslag wordt verstrekt op grond van artikel 35 PW, dat voorzieningen mogelijk maakt voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De begripsbepaling voorkomt misverstanden over de wettelijke basis waarop de bijzondere bijstand wordt verleend. Ad d. Woonkostentoeslag Woonkostentoeslag wordt in deze beleidsregels opgevat als bijzondere bijstand voor noodzakelijke woonkosten. Het begrip maakt duidelijk dat het gaat om een vorm van individuele bijzondere bijstand, waarbij het college per situatie beoordeelt of en in welke omvang de woonkosten noodzakelijk zijn. Het is dus geen algemene toeslag of structurele voorziening, maar een vangnet voor bijzondere situaties. Ad e. Rekenhuur De rekenhuur is de huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Dit bedrag vormt binnen de systematiek van de woonkostentoeslag een belangrijk referentiepunt. De rekenhuur bepaalt welk deel van de huur als subsidiabel wordt aangemerkt en welk deel buiten de tegemoetkoming valt. Door aan te sluiten bij het begrip rekenhuur uit de Wet op de huurtoeslag wordt aangesloten bij de landelijke systematiek voor de beoordeling van woonkosten. Ad f. Niet gesubsidieerd deel Het niet gesubsidieerde deel is het deel van de huur dat boven de toepasselijke rekenhuur uitkomt. Dit hogere deel komt in aanmerking voor beoordeling als noodzakelijke meerkosten van wonen. De begripsbepaling verduidelijkt het onderscheid tussen reguliere woonkosten (binnen de rekenhuur) en de extra kosten (boven de rekenhuur) waarvoor mogelijk bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Ad g. Servicekosten De term servicekosten verwijst naar de kosten die de verhuurder bij de huurder in rekening brengt voor diensten, leveringen of voorzieningen die samenhangen met het gebruik, beheer of onderhoud van de woning of de woonomgeving. Deze begripsomschrijving is bewust ruim en neutraal geformuleerd, omdat servicekosten in de praktijk zeer uiteenlopend kunnen zijn. Door een brede definitie te hanteren, kan het college alle opgevoerde serviceposten beoordelen, ongeacht of deze doorgaans als noodzakelijk of niet noodzakelijk worden beschouwd. De omschrijving maakt duidelijk dat het moet gaan om kosten die verband houden met de woonfunctie van de woning. Dat betekent dat de kosten betrekking moeten hebben op voorzieningen of diensten die de huurder in staat stellen de woning normaal te gebruiken of die noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van gemeenschappelijke ruimten of wooncomplexen. Voorbeelden zijn schoonmaakkosten, glasbewassing, verlichting van gemeenschappelijke ruimten of kosten voor het technisch beheer. Deze begripsbepaling zegt nog niet of deze kosten al dan niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Die beoordeling vindt plaats op basis van de afzonderlijke beleidsregel waarin wordt vastgesteld welke servicekosten noodzakelijk zijn, welk verband zij moeten hebben met bewoning en wanneer zij als bovenmatig, luxe of niet noodzakelijk worden aangemerkt. De begripsomschrijving bepaalt dus alleen het kader waarbinnen het college servicekosten kan toetsen; de inhoudelijke toets volgt in de daaropvolgende bepalingen. Ad h Woning De in dit artikel opgenomen omschrijving sluit aan bij de bouwrechtelijke basis uit de Woningwet, waarin een gebouw wordt gedefinieerd als een bouwwerk dat een “voor mensen toegankelijke, overdekte en (geheel of gedeeltelijk) met wanden omsloten ruimte vormt”. Een woning is in beleids- en jurisprudentiële zin dan ook een gebouwgebonden, permanent bewoonbare ruimte die naar haar aard, inrichting en publiekrechtelijke bestemming geschikt en bedoeld is voor duurzame huisvesting. [lokalerege...verheid.nl] De Hoge Raad heeft bevestigd dat een bouwwerk slechts als woning kan gelden wanneer het oorspronkelijk voor bewoning is ontworpen en gebouwd, dan wel zonder ingrijpende verbouwing weer voor bewoning geschikt kan worden gemaakt. Daarbij is de publiekrechtelijke bestemming (bestemmingsplan / omgevingsplan) een essentieel criterium: wanneer permanente bewoning niet is toegestaan, kan het bouwwerk niet juridisch als woning worden aangemerkt, ongeacht feitelijk gebruik. Deze beleidsbepaling sluit volledig aan bij deze kaders door te eisen dat bewoning bestemd en toegestaan moet zijn op grond van geldende ruimtelijke regelgeving. Afbakeningen en uitsluitingen Recreatiewoningen, vakantiewoningen, chalets, stacaravans en overige recreatieve verblijfsaccommodatie. Deze categorieën worden uitgesloten omdat zij naar aard of publiekrechtelijke bestemming niet tot de reguliere woonvoorraad behoren. Hoewel dergelijke objecten feitelijk bewoond kunnen worden, zijn zij niet bestemd voor permanente woonfunctie, maar voor recreatief gebruik. De Hoge Raad heeft vastgelegd dat recreatiewoningen—juist vanwege hun bestemming en ontwerp—geen woning zijn in de zin van wet- en regelgeving over woonruimte met permanente woonbestemming. De beleidsuitzondering voorkomt dat ongewenste of feitelijk illegale permanente bewoning van recreatieobjecten wordt gefaciliteerd via woonkostentoeslag. Tiny houses vormen een heterogene categorie van kleine, vaak verplaatsbare woningen. Gemeentelijke beleidsregels definiëren een tiny house doorgaans als een kleine, volwaardige woning voor permanente bewoning—maar uitsluitend wanneer deze woonvorm ook daadwerkelijk onder een permanente woonbestemming valt. Wanneer een tiny house verplaatsbaar is,op een tijdelijke locatie staat, of op gronden met recreatieve of andere niet-woonbestemmingen staat, kan het niet als woning worden aangemerkt. De uitsluiting is daarom juridisch noodzakelijk om aan te sluiten bij de begripsmogelijkheden van de Woningwet en de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin permanente bewoning en bestemming doorslaggevend zijn. Mantelzorgwoningen worden vaak geplaatst als tijdelijke zorgvoorziening en hebben in veel gevallen geen zelfstandige woonfunctie of permanente woonbestemming. Zij zijn doorgaans bedoeld als tijdelijke uitbreiding bij een hoofdwoning en worden na beëindiging van de zorgsituatie weer verwijderd of onttrokken aan bewoning.Omdat zij veelal niet als zelfstandige woning kwalificeren en doorgaans niet onder een permanente woonbestemming vallen, is uitsluiting beleidsmatig noodzakelijk. Slechts wanneer een mantelzorgwoning zowel zelfstandig bewoonbaar is als een permanente woonbestemming heeft, kan zij als woning gelden onder deze beleidsregels. De Woningwet definieert een woonwagen als: “een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.” Ondanks deze bestemming tot bewoning wordt de woonwagen uitgesloten, en dit is juridisch-technisch onderbouwd om de volgende redenen: -Een woonwagen is een verplaatsbaar bouwwerk en geen regulier gebouw. -Een woonwagen is niet een gebouw in de zin van reguliere woningbouw zoals bedoeld in de Woningwet; het onderscheid tussen gebouw en woonwagen is bewust wettelijk verankerd. De woonwagen mist de gebouwgebonden permanentie die aan het begrip “woning” in bouwrechtelijke zin ten grondslag ligt. -Anders dan bij reguliere woningen bestaan de woonlasten bij woonwagens uit twee gescheiden componenten—de standplaats en de woning zelf—wat leidt tot een andersoortige koststructuur dan waarop de woonkostentoeslag is ontworpen. -Woonwagens vallen onder een specifiek publikrechtelijk en beleidsmatig kader (standplaatsenbeleid, specifieke voorzieningen), dat duidelijk afwijkt van het reguliere woningregime. De woonkostentoeslag is een instrument bedoeld voor huishoudens die geconfronteerd worden met noodzakelijke woonlasten van reguliere woningen, niet voor woonvormen die buiten de kern van de woningkwalificatie vallen zoals bedoeld in bouw- en woonregelgeving. Dit volgt direct uit zowel de systematiek van de Woningwet (gebouwbegrip) als uit HR‑jurisprudentie over wat een woning is. Ad i. Woninggebonden kosten Woninggebonden kosten zijn de noodzakelijke kosten die direct voortvloeien uit het eigendom en gebruik van de door belanghebbende bewoonde woning. Tot deze kosten worden in ieder geval gerekend de hypotheekrente, eigenaarslasten van gemeentelijke en waterschapsbelastingen, de premie voor de opstalverzekering en een forfaitair of redelijk bedrag voor onderhoud. Voor een beleidsregel woonkostentoeslag wordt vaak aangesloten bij de kostensoorten die ook bij de berekening van woonkosten voor eigenaar-bewoners worden meegenomen. Een definitie als hierboven biedt voldoende duidelijkheid zonder alle mogelijke kostensoorten limitatief op te sommen. Dat geeft het college enige beoordelingsruimte. Artikel 2. Doel van de woonkostentoeslag Lid 1. Tijdelijke bijzondere bijstand voor noodzakelijke woonkosten Dit lid verduidelijkt dat woonkostentoeslag een vorm van tijdelijke individuele bijzondere bijstand is op grond van artikel 35 Participatiewet. Het gaat uitsluitend om woonkosten die als noodzakelijk worden aangemerkt en die hoger zijn dan algemeen aanvaardbaar wordt geacht binnen een normale leefsituatie. De woonkostentoeslag is niet bedoeld voor regulier hoge woonlasten of voor extra kosten die voortvloeien uit persoonlijke keuzes, maar voor situaties waarin de woonlasten tijdelijk niet gedragen kunnen worden, ondanks dat de kosten strikt genomen passend en noodzakelijk zijn. Lid 2. Onvoorziene en aantoonbare inkomensverlaging De woonkostentoeslag wordt alleen verstrekt als sprake is van een onvoorziene, buiten de belanghebbende gelegen inkomensdaling. Hierbij valt te denken aan het plotseling wegvallen van werk, scheiding, ziekte, overlijden van een partner of andere omstandigheden die niet structureel zijn. Het doel van dit criterium is om te voorkomen dat de toeslag wordt ingezet voor situaties waarin iemand structureel boven zijn draagkracht woont of waarin de hoge woonlasten voortkomen uit een eigen keuze. De gemeentelijke ondersteuning richt zich daarmee op mensen die tijdelijk niet in staat zijn de noodzakelijke woonkosten te betalen, maar wel uitzicht hebben op herstel van draagkracht. Lid 3. Aanvullend karakter en voorliggende voorzieningen De woonkostentoeslag is nadrukkelijk een aanvullende voorziening. Dat betekent dat het college eerst moet vaststellen of er voorliggende of passende voorzieningen beschikbaar zijn, zoals huurtoeslag, verlaging van servicekosten, betalingsregelingen of herziening van contracten. Alleen wanneer dergelijke voorzieningen ontbreken of onvoldoende toereikend zijn, kan bijzondere bijstand worden verleend. Dit volgt uit de wettelijke rangorde in de Participatiewet, waarin bijzondere bijstand niet bedoeld is om bestaande voorliggende stelsels (zoals de huurtoeslag of het privaatrechtelijk huurrecht) te vervangen. Lid 4. Waarborgen bestaanszekerheid en voorkomen van schulden De woonkostentoeslag is gericht op het voorkomen van problematische schulden en stabilisatie van de leefsituatie. Door tijdelijk bij te springen bij noodzakelijke woonkosten, kan dakloosheid, woningontruiming of escalatie van schulden worden voorkomen. Daarnaast biedt de toeslag de belanghebbende tijd om een structurele oplossing te vinden, bijvoorbeeld via goedkoper wonen, herstel van inkomen, het aantrekken van huurtoeslag, het treffen van betalingsregelingen of andere maatregelen die leiden tot financiële stabiliteit. Deze doelstelling sluit aan bij het bredere sociaal maatschappelijke belang van bestaanszekerheid en het voorkomen van maatschappelijke kosten. Artikel 3. Omvang van de woonkostentoeslag Algemeen Dit artikel geeft invulling aan artikel 35 van de Participatiewet en bepaalt welke woonkosten als noodzakelijk worden aangemerkt, in welke mate woonkostentoeslag kan worden verleend en hoe eigen verantwoordelijkheid en draagkracht daarbij worden betrokken. De regeling sluit bewust aan bij de systematiek van de Wet op de huurtoeslag om een objectieve, uitvoerbare en juridisch houdbare afbakening te waarborgen. Lid 1 (basishuur als eigen aandeel) Dit lid bepaalt dat de basishuur – zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag – wordt aangemerkt als het eigen aandeel van de belanghebbende in de woonkosten. De basishuur maakt onderdeel uit van de algemene bestaanskosten en komt daarom niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Hiermee wordt voorkomen dat de woonkostentoeslag wordt ingezet als structurele inkomensondersteuning. De bijzondere bijstand is bedoeld voor noodzakelijke, bijzondere kosten die niet uit het reguliere inkomen kunnen worden voldaan, en niet voor kosten die geacht worden uit algemene middelen te worden betaald. Deze benadering sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Lid 2 (afbakening noodzakelijke meerkosten) In dit lid wordt bepaald welke woonkosten wél als noodzakelijke meerkosten worden aangemerkt. Dat zijn uitsluitend de woonkosten die uitstijgen boven de voor de belanghebbende geldende maximale rekenhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Woonkosten tot en met de maximale rekenhuur, inclusief: de basishuur (eigen aandeel), en het deel van de huur dat via de huurtoeslag kan worden gesubsidieerd, komen niet in aanmerking voor woonkostentoeslag. Door deze afbakening wordt voorkomen dat de bijzondere bijstand het huurtoeslagsysteem aanvullend of vervangend compenseert. Tegelijkertijd wordt daarmee een objectieve grens gehanteerd voor wat als passend en noodzakelijk wonen wordt beschouwd. Lid 3 (hoogte en eigen verantwoordelijkheid) Dit lid regelt de omvang van de vergoeding. Het college verleent woonkostentoeslag tot maximaal 75% van de noodzakelijke meerkosten zoals bepaald in lid 2. Het resterende deel blijft voor rekening van de belanghebbende. Met deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan: -het uitgangspunt van eigen verantwoordelijkheid; -het voorkomen van overcompensatie; -de tijdelijke en aanvullende aard van bijzondere bijstand. De keuze voor een maximumpercentage biedt beleidsmatige begrenzing, terwijl ruimte blijft voor maatwerk via toepassing van de hardheidsclausule elders in de beleidsregels. Lid 4 (toepassing draagkracht) Dit lid bepaalt dat bij de vaststelling van de woonkostentoeslag rekening wordt gehouden met de draagkracht van de belanghebbende. Inkomen en vermogen worden in mindering gebracht overeenkomstig de draagkrachtregels zoals vastgelegd in de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026. Hiermee wordt gewaarborgd dat woonkostentoeslag alleen wordt verleend voor zover de belanghebbende de kosten niet (deels) zelf kan dragen, in overeenstemming met het complementaire karakter van de Participatiewet. Praktijkvoorbeelden Uitgangspunten (voor alle voorbeelden) Basishuur (eigen aandeel): € 300 Maximale rekenhuur: € 808 Percentage woonkostentoeslag: max. 75% Niet‑noodzakelijke servicekosten: buiten beschouwing Draagkracht: afhankelijk van het voorbeeld Voorbeeld 1 — Huur ligt onder de maximale rekenhuur → géén woonkostentoeslag Feitelijke huur: € 750 Maximale rekenhuur: € 808 Beoordeling: De huur ligt onder de maximale rekenhuur. Alle woonkosten (basishuur + huurtoeslagdeel) vallen binnen het huurtoeslagsysteem. Er zijn geen noodzakelijke meerkosten in de zin van artikel 35 Participatiewet. Resultaat: Geen woonkostentoeslag mogelijk Voorbeeld 2 — Huur nét boven de maximale rekenhuur, geen draagkracht Feitelijke huur: € 900 Maximale rekenhuur: € 808 Stap 1: Vaststellen noodzakelijke meerkosten (artikel 3 lid 2) € 900 − € 808 = € 92 Noodzakelijke meerkosten = € 92 (Basishuur en huurtoeslagdeel tellen niet mee.) Stap 2: Toepassing percentage (artikel 3 lid 3) 75% van € 92 = € 69 Stap 3: Draagkracht (artikel 3 lid 4) Draagkracht: € 0 Resultaat: Woonkostentoeslag: € 69 per maand Eigen bijdrage belanghebbende: € 23 per maand Voorbeeld 3 — Huur ruim boven de maximale rekenhuur, met draagkracht Feitelijke huur: € 1.050 Maximale rekenhuur: € 808 Draagkracht: € 40 per maand Stap 1: Noodzakelijke meerkosten € 1.050 − € 808 = € 242 Stap 2: Maximaal te verlenen woonkostentoeslag (75%) 75% van € 242 = € 181,50 Stap 3: In mindering brengen van draagkracht € 181,50 − € 40 = € 141,50 Resultaat: Woonkostentoeslag: € 141,50 per maand Eigen bijdrage belanghebbende: 25% niet‑vergoed deel: € 60,50 draagkracht: € 40 totaal eigen bijdrage: € 100,50 Voorbeeld 4 — Zeer hoge huur (beleidsmatig maximum blijft gelden) Feitelijke huur: € 1.400 Maximale rekenhuur: € 808 Stap 1: Noodzakelijke meerkosten € 1.400 − € 808 = € 592 Dit volledige bedrag valt buiten de rekenhuur en kan beleidsmatig worden beoordeeld als noodzakelijke meerkosten. Stap 2: Beperking tot 75% 75% van € 592 = € 444 Eigen aandeel: € 148 Resultaat: Woonkostentoeslag: maximaal € 444 per maand, Samenvattend rekenschema (voor uitvoering) Bepaal maximale rekenhuur Feitelijke huur − maximale rekenhuur = noodzakelijke meerkosten 75% van dit bedrag = maximaal recht Trek draagkracht af Rest = woonkostentoeslag Artikel 4. Duur van de woonkostentoeslag Lid 1. Maximale toekenningsduur van twaalf maanden Dit lid maakt duidelijk dat woonkostentoeslag een tijdelijke vorm van bijzondere bijstand is. Het betreft uitsluitend een overbruggingsvoorziening voor situaties waarin de woonkosten tijdelijk niet kunnen worden gedragen als gevolg van een onvoorziene inkomensdaling of andere bijzondere omstandigheden. Een maximale toekenningsduur van twaalf maanden sluit aan bij: •het uitgangspunt van tijdelijkheid van bijzondere bijstand (artikel 35 PW); •de noodzaak dat de belanghebbende binnen redelijke termijn structurele woonlasten moet realiseren; •de gemeentelijke verantwoordelijkheid om te voorkomen dat de woonkostentoeslag een structurele inkomensaanvulling wordt, wat in strijd zou zijn met het karakter van de Participatiewet. De termijn van twaalf maanden biedt voldoende tijd om: •de inkomenssituatie te stabiliseren; •te zoeken naar goedkopere woonruimte; •aanspraak te maken op voorliggende voorzieningen (zoals huurtoeslag); •met de verhuurder in overleg te gaan over huur- of servicekosten. Daarom is deze termijn zowel praktisch uitvoerbaar als juridisch verdedigbaar. Lid 2. Mogelijkheid tot verlenging bij blijvende noodzaak De woonkostentoeslag kan worden verlengd, maar uitsluitend wanneer aan beide onderstaande voorwaarden wordt voldaan: a. De noodzaak is nog steeds aanwezig Het college moet vaststellen dat de belanghebbende: •ondanks inspanningen nog steeds tijdelijk niet in staat is de woonkosten te betalen, én •dat er géén structurele financiële oplossing voorhanden is. Voorbeelden van blijvende noodzaak kunnen zijn: •aanhoudende medische beperkingen die verhuizing tijdelijk onmogelijk maken; •een nog lopend traject richting huurtoeslag; •tijdelijke inkomensschommelingen door re integratie of scheiding. b. De belanghebbende voldoet aan de verplichtingen uit artikel 5 Een verlenging is alleen aan de orde wanneer de belanghebbende aantoonbaar heeft voldaan aan de verplichtingen gericht op: •woonlastenverlaging, zoals inschrijving bij een woningcorporatie; •actief reageren op passend woningaanbod; •overleg voeren met de verhuurder; •optimaliseren van woninggebonden contracten; •beperken van huurachterstanden. Deze voorwaarde waarborgt dat de woonkostentoeslag niet wordt verstrekt in situaties waarin iemand geen inspanningen verricht om zijn woonsituatie te verbeteren. Het voorgaande resumerend: •De woonkostentoeslag is tijdelijk en gericht op overbrugging. •Na twaalf maanden is een herbeoordeling verplicht. •Verlenging is uitzonderlijk en alleen mogelijk als noodzaak blijft bestaan én de belanghebbende zelf alles heeft gedaan om een structurele oplossing te realiseren. •Hiermee wordt zowel de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende als het zorgvuldige en doelmatige gebruik van publieke middelen gewaarborgd. Artikel 5. Verplichtingen gericht op woonlastenverlaging Lid 1. Verplichting op grond van artikel 55 Participatiewet In dit lid wordt vastgelegd dat het college op grond van artikel 55 PW aanvullende verplichtingen kan verbinden aan het verlenen of voortzetten van woonkostentoeslag. De achtergrond hiervan is dat woonkostentoeslag een tijdelijke voorziening is voor verhoogde woonlasten die door bijzondere omstandigheden niet kunnen worden gedragen. Van de belanghebbende mag daarom worden verwacht dat hij zich inspant om zijn woonlasten structureel te verlagen, zodat de bijzondere bijstand niet langer dan noodzakelijk hoeft te worden ingezet. De verplichting heeft een activerend karakter: het doel is niet om te sanctioneren, maar om de belanghebbende te ondersteunen bij het bereiken van een financieel duurzame woonsituatie. Lid 2. Voorbeelden van inspanningen In dit lid wordt toegelicht welke concrete acties van de belanghebbende kunnen worden verwacht. De opsomming is niet limitatief: het gaat om voorbeelden van redelijkerwijs te verlangen inspanningen. •Inschrijving bij minimaal twee woningcorporaties is noodzakelijk om aanspraak te kunnen maken op betaalbare huurwoningen. •Een adviesgesprek aanvragen bij de gemeente Hollands Kroon over wonen (team Woonurgentie/spoedzoekers). •Handelen overeenkomstig het advies van het team Woonurgentie/spoedzoekers (In het advies van voornoemd team staat vermeld welke acties de belanghebbende kan ondernemen om zo snel mogelijk andere geschikte woonruimte te vinden). •Actief reageren op passend woningaanbod hoort bij de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende. •Onderzoek naar verhuismogelijkheden toont aan dat de belanghebbende bereid is mee te werken aan een structurele oplossing. •Overleg met de verhuurder over huurverlaging, servicekosten of betalingsregelingen kan voorkomen dat woonkosten onnodig hoog blijven. •Beoordelen en eventueel aanvechten van servicekosten of VvE bijdragen sluit aan bij de plicht om geen onnodige kosten te accepteren. •Optimalisatie van contracten, zoals energie, internet of verzekeringen, draagt bij aan lagere vaste lasten. •Voorkomen en beperken van huurachterstanden is essentieel om problematische schulden en huisuitzetting te voorkomen. •Tot slot elke redelijke inspanning die in de gegeven omstandigheden bijdraagt aan woonlastenverlaging kan worden verlangd. Deze verplichtingen ondersteunen het doel van de regeling: de tijdelijke aard van de woonkostentoeslag en het streven naar een duurzame oplossing. Lid 3. Evenredige toepassing (Awb art. 3:4) Bij het opleggen van verplichtingen moet het college altijd beoordelen of deze, gelet op de persoonlijke omstandigheden, •noodzakelijk, •passend, en •evenredig zijn. Dit betekent dat niet elke verplichting voor iedere belanghebbende passend is. Bijvoorbeeld: •iemand die al is ingeschreven bij een woningcorporatie hoeft niet opnieuw te worden aangemaand; •iemand die vanwege medische redenen niet kan verhuizen, hoeft niet te worden verplicht actief naar andere woonruimte te zoeken; •iemand met beperkte digitale vaardigheden kan niet worden verplicht uitsluitend digitaal op woningen te reageren. De verplichtingen moeten dus altijd op maat worden opgelegd en mag niet leiden tot een onevenredige belasting. Artikel 6 Servicekosten Servicekosten vormen vaak een substantieel deel van de maandelijkse woonlasten. Voor veel huurders (en een deel van de eigenaar-bewoners, via VvE-bijdragen) kan onduidelijkheid bestaan over welke servicekosten noodzakelijk zijn en of zij voor woonkostentoeslag in aanmerking komen. De Participatiewet kent geen limitatieve lijst van woonkosten. Daarom moet het college per kostensoort beoordelen of er sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35 PW. De Centrale Raad van Beroep heeft in vaste jurisprudentie bepaald dat: •alleen noodzakelijke en onvermijdbare kosten in aanmerking komen; •gemeenten servicekosten per kostensoort moeten beoordelen (CRvB 14-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:511); •luxe of comfortverhogende voorzieningen nooit noodzakelijk zijn. Lid 1. Alleen noodzakelijke servicekosten komen in aanmerking Artikel 35 van de Participatiewet bepaalt dat bijzondere bijstand alleen wordt verstrekt voor kosten die noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat servicekosten pas voor woonkostentoeslag kunnen worden vergoed als zij behoren tot de basale woonlasten die onvermijdelijk zijn om de woning normaal te kunnen gebruiken. Kosten die louter comfort toevoegen of optioneel zijn, vallen daar niet onder. Lid 2. Beoordeling per kostensoort Het college moet per afzonderlijke servicepost vaststellen of deze: a.noodzakelijk is voor normaal gebruik van de woning; b.voldoende verband houdt met bewoning, dat wil zeggen dat de kosten direct samenhangen met de functie van de woning als woonruimte; c.passend en niet bovenmatig is ten opzichte van wat gebruikelijk is voor vergelijkbare woningen en omstandigheden. Deze toets voorkomt dat kosten worden vergoed die te hoog, ongebruikelijk of niet essentieel zijn. Ad a. noodzakelijk is voor het normale gebruik en functioneren van de woning De vraag is: kan de woning zonder deze voorziening normaal worden gebruikt? Voorbeelden van wel noodzakelijk: •schoonmaak trappenhuis •verlichting gemeenschappelijke ruimte •onderhoud liften •basis huismeesterdienst t.b.v. veiligheid of orde. Voorbeelden van niet noodzakelijk: •schoonheidsteam plus •diensten gericht op leefbaarheid/gezelligheid •premium glasbewassingsabonnement •huismeester-pluspakketten met sociale activiteiten. •recreatieruimtes, fitnessvoorzieningen. •luxe groenvoorziening of sierbeplanting. Ad b. voldoende verband houdt met bewoning Sommige kosten zien wel op de woonomgeving, maar niet op het functioneren van de woning. Voldoende verband: -schoonmaak gebouw -onderhoud gebouw. Onvoldoende verband: •kosten voor recreatievoorzieningen •kabeltelevisiepakketten •beveiligingsdiensten “luxe plus” •wellness-ruimtes, sauna, fitness. Ad c. naar aard en omvang passend en niet bovenmatig is Zelfs noodzakelijke kosten kunnen bovenmatig zijn. Het college beoordeelt dan: •is de kost redelijk? •is de hoogte passend voor het type woning? •is het een marktconforme prijs? Voorbeeld: Een bijdrage van € 75 per maand voor schoonmaak van een klein portiek kan bovenmatig zijn, afhankelijk van facturen of marktniveau. Lid 3. Wanneer servicekosten worden uitgesloten Servicekosten die niet voldoen aan de criteria van noodzaak, verband met bewoning of redelijkheid worden niet vergoed. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 35 PW: er bestaat geen recht op bijstand voor kosten die niet noodzakelijk zijn of waarvoor een algemeen gebruikelijk alternatief bestaat. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan het uitgangspunt van financiële zelfredzaamheid. Lid 4. Niet noodzakelijke servicekosten Onder niet noodzakelijke servicekosten vallen in beginsel kosten die gericht zijn op luxe, comfort of extra voorzieningen die niet nodig zijn voor het normale functioneren van een woning. Denk aan wellnessvoorzieningen, recreatieve ruimtes, huismeester services die niet functioneel gekoppeld zijn aan veiligheid of onderhoud, of andere comfortverhogende diensten. Deze kosten horen bij de eigen keuze van de huurder en vallen daarom buiten de bijzondere bijstandsverlening. Voorbeelden uit de praktijk Hieronder staan concrete voorbeelden die medewerkers kunnen gebruiken bij de uitvoering: Voorbeeld 1 – Wel vergoeding: schoonmaak gemeenschappelijke ruimte Mevrouw A woont in een flat waar de schoonmaak van trappenhuis en galerij via de servicekosten verplicht wordt afgenomen. De kosten zijn € 18 per maand. noodzakelijk→ ja verband met bewoning → ja niet bovenmatig → ja Conclusie: voor vergoeding in aanmerking. Voorbeeld 2 – Geen vergoeding: fitnessruimte De heer B woont in een appartementencomplex met fitnessruimte, sauna en recreatieruimte. Er wordt € 35 per maand aan servicekosten in rekening gebracht voor deze voorzieningen. noodzakelijk → nee verband met bewoning → nee luxevoorziening → ja Conclusie: geen vergoeding. Voorbeeld 3 – Gedeeltelijke vergoeding: VvE-bijdrage met gemengde posten Een VvE‑bijdrage bevat de volgende posten: schoonmaak (€ 15) onderhoud lift (€ 8) bloemen in hal (€ 7) extra beveiligingscamera’s (€ 12) Noodzakelijk: schoonmaak onderhoud lift Niet noodzakelijk: bloemen beveiligingscamera’s (luxe/comfort) Conclusie: Bijdrage wordt gedeeltelijk vergoed. Voorbeeld 4 – Bovenmatige kosten Bij meneer C wordt voor glasbewassing € 45 per maand gerekend, terwijl vergelijkbare bedrijven € 14–€ 20 rekenen. noodzakelijk → ja verband met bewoning → ja bovenmatig → ja Het college kan een gedeelte vergoeden, namelijk een redelijke marktconforme prijs. Slotopmerkingen Artikel 6 biedt dus: •juridische duidelijkheid; •een consistente methode voor beoordeling per kostensoort; •bescherming tegen overcompensatie; •duidelijke uitsluitingen voor luxe- en comfortkosten; •ruimte voor maatwerk. Het artikel is volledig verenigbaar met: •artikel 35 PW, •artikel 13 Wht, •vaste CRvB‑jurisprudentie, •het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb. Artikel 7. Woonkosten bij een eigen woning Lid 1. Ook eigenaar bewoners kunnen in aanmerking komen. Dit lid verduidelijkt dat woonkostentoeslag niet alleen voor huurders geldt, maar ook voor eigenaar bewoners die hun woning zelf bewonen. Dit volgt uit artikel 35 PW, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen huurders en eigenaren. Wel moet er, net als bij huurders, sprake zijn van noodzakelijke woonkosten die tijdelijk niet kunnen worden voldaan door bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld inkomensdaling). De regeling sluit hiermee aan bij de landelijke lijn dat bijzondere bijstand een vangnet is voor ieder type woonlast, mits noodzakelijk en passend. Lid 2 Welke woonkosten noodzakelijk kunnen zijn Dit lid somt de categorieën op die voor eigenaar bewoners als noodzakelijke woonkosten kunnen worden aangemerkt. Dit betreft kosten die strikt samenhangen met het behoud en normaal gebruik van de woning. Het gaat vooral om lasten die onvermijdelijk en structureel zijn: •Hypotheekrente: Dit is de kernlast van een koopwoning. Aflossing valt hier echter niet onder (zie lid 3). •OZB eigenaar: Een wettelijke heffing die verbonden is aan het eigendom van de woning. •Waterschapslasten voor eigenaren: Eveneens wettelijk verschuldigd en noodzakelijk voor bewoning in Nederland. •Rioolheffing: Een standaard gemeentelijke heffing. •Opstalverzekering: Verplicht via hypotheekverstrekker en noodzakelijk voor behoud van de woning. •Noodzakelijke VvE bijdragen: Alleen de component die betrekking heeft op onderhoud, beheer, verzekering en verplichte reserves. •Overige noodzakelijke woninggebonden kosten: Een restcategorie die maatwerk mogelijk maakt, zoals onderhoudskosten. Deze opsomming waarborgt dat alleen essentiële woonlasten worden meegenomen en voorkomt dat kapitaalopbouw of optionele uitgaven worden gesubsidieerd. Wat de onderhoudskosten betreft, het volgende. De term "onderhoudskosten" verwijst hier naar de kosten die noodzakelijk zijn om de woning in bewoonbare staat te houden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om: •groot onderhoud aan dak, gevel of fundering; •vervanging van installaties (zoals cv-ketel); •herstel van gebreken die de veiligheid of leefbaarheid beïnvloeden. De onderhoudskosten voor de eigen woning zijn per 01-07-2012 voor het laatst gepubliceerd in Schulinck. Vanaf die datum worden de laatst gepubliceerde bedragen verhoogd met het percentage van de consumentenprijsindex. De geïndexeerde onderhoudskosten voor een eigen woning per juli 2025 bedragen ongeveer €157,07 per maand. Dit is gebaseerd op het oorspronkelijke bedrag van €110,00 per juli 2012, verhoogd met de jaarlijkse consumentenprijsindex (CPI) tot en met 2025. De geïndexeerde toeslag voor appartementen per juli 2025 bedraagt ongeveer €27,64 per maand. Dit komt bovenop de eerder berekende onderhoudskosten van €157,07, wat het totaal voor een appartement op €184,71 per maand brengt. Lid 3. Kosten die niet voor vergoeding in aanmerking komen In dit lid wordt expliciet gemaakt welke kosten niet als noodzakelijke woonkosten worden beschouwd. •Aflossing hypotheekschuld: Dit betreft vermogensopbouw. Bijzondere bijstand mag geen middel zijn om vermogen op te bouwen. De CRvB heeft dit vaker bevestigd. •VvE bijdragen voor luxe of verbeteringen: Denk aan wellnessruimtes, luxe afwerking of andere comfortverhogende investeringen. Deze kosten zijn niet noodzakelijk voor normaal wonen. •Kosten zonder direct verband met bewoning: Hierbij gaat het om kosten die geen verplicht karakter hebben of die niet functioneel zijn voor het gebruik, beheer of onderhoud van de woning. Door deze uitsluitingen blijft de woonkostentoeslag gericht op noodzakelijke basislasten, zoals bedoeld in artikel 35 PW. Lid 4. Toepassing van algemene beoordelingskaders Dezelfde beoordelingskaders die gelden voor huurders (zoals noodzaak, draagkracht, eigen verantwoordelijkheid en evenredigheid) gelden ook voor eigenaar bewoners. Dit zorgt voor gelijke behandeling en voorkomt ongerechtvaardigde verschillen tussen huurders en eigenaren. Daarbij wordt steeds getoetst: •of de kosten noodzakelijk zijn, •of de situatie bijzondere omstandigheden betreft, •of er voorliggende voorzieningen zijn, •en wat de draagkracht van betrokkene is. Lid 5. Basishuur in mindering op noodzakelijke woonkosten Dit lid legt vast dat bij eigenaar bewoners hetzelfde principe geldt als bij huurders: de basishuur vormt de minimale woonlast die iemand zelf behoort te dragen. Daarom wordt eerst berekend: 1.de noodzakelijke woonkosten van de eigenaar bewoner; 2.daarop wordt de basishuur in mindering gebracht; 3.alleen het deel dat daarboven uitkomt, wordt aangemerkt als noodzakelijke meerkosten. Hierdoor ontstaat een gelijke systematiek voor huurders en eigenaren en wordt voorkomen dat eigenaar bewoners een gunstigere positie krijgen. De basishuur borgt bovendien eigen verantwoordelijkheid en evenredige bijstandsverlening. Artikel 8. Bijzondere bijstand voor de gebroken eerste maand huur Lid 1. Geen huurtoeslag door inschrijfdatum – reden voor bijzondere bijstand De huurtoeslag kan uitsluitend worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand, mits de belanghebbende op die dag staat ingeschreven op het betreffende adres. Staat iemand pas later in de maand ingeschreven, dan ontstaat er een gebroken eerste maand waarin geen recht bestaat op huurtoeslag, terwijl er wel huur moet worden betaald. Deze bepaling maakt duidelijk dat het college in die specifieke situatie bijzondere bijstand kan verlenen om het tijdelijke gat te overbruggen dat ontstaat doordat de belanghebbende geen huurtoeslag ontvangt over het deel van die maand. De noodzaak vloeit direct voort uit het wettelijke systeem van de huurtoeslag en vormt een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 35 PW. Lid 2. Bijstand alleen over de daadwerkelijke periode van bewoning De bijzondere bijstand wordt uitsluitend verstrekt over het deel van de maand vanaf de datum van inschrijving in de BRP. De gemeente vergoedt dus geen gehele maand, maar alleen het deel waarin: •de belanghebbende daadwerkelijk op het adres staat ingeschreven, én •er feitelijk woonlasten worden gemaakt. Dit zorgt voor een nauwkeurige en rechtvaardige toepassing van de bijzondere bijstand. Lid 3. Hoogte van de bijzondere bijstand – maximaal misgelopen huurtoeslag De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal gelijk aan het bedrag aan huurtoeslag dat de belanghebbende zou hebben ontvangen als hij wél per de eerste van de maand was ingeschreven. Dit voorkomt dat de bijstand: •hoger wordt dan de reguliere huurtoeslag, of •leidt tot overcompensatie. De gemeente treedt hiermee in de plaats van de huurtoeslag voor het tijdvak waarin geen aanspraak bestaat, maar altijd binnen dezelfde financiële kaders. Lid 4. Voorwaarden voor het verstrekken van bijzondere bijstand Dit lid bevat twee belangrijke voorwaarden: a. Recht op huurtoeslag vanaf de volgende volledige maandEr moet vanaf de eerstvolgende maand wel degelijk recht bestaan op huurtoeslag.Hiermee wordt voorkomen dat bijzondere bijstand wordt gebruikt voor situaties waarin er géén structureel recht op huurtoeslag bestaat (bijvoorbeeld bij te hoge huur, te hoog inkomen of ongeschikte woning). b. Geen voorliggende voorzieningHuurtoeslag is een voorliggende voorziening. Bijzondere bijstand mag niet worden gebruikt voor kosten die op grond van die voorziening behoren te worden vergoed.De bijstand kan dus alleen worden ingezet wanneer door het systeem van de huurtoeslag een gat ontstaat dat de belanghebbende niet zelf kan voorkomen of oplossen. Lid 5. Draagkracht wordt in mindering gebracht Net als bij andere vormen van bijzondere bijstand wordt de draagkracht van de belanghebbende in mindering gebracht. Hierdoor blijft: •de eigen verantwoordelijkheid gewaarborgd, en •de toepassing van de regeling consistent met de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Hollands Kroon 2026. De gemeente vergoedt dus nooit méér dan wat de belanghebbende, rekening houdend met draagkracht, nog aan noodzakelijke woonkosten tekortkomt. Het voorgaande resumerend Artikel 8 voorkomt dat inwoners financieel in de problemen raken door een administratief gat in de huurtoeslag bij een verhuizing, door tijdelijk bijzondere bijstand te bieden voor de gebroken eerste maand — maar altijd binnen de grenzen van noodzaak, redelijkheid en draagkracht. Artikel 9 Uitsluitingen woonkostentoeslag Ten aanzien van lid 1 De woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet en heeft als doel huishoudens tijdelijk te ondersteunen bij het betalen van noodzakelijke woonkosten. De regeling is bedoeld als vangnet voor inwoners die wonen in een reguliere woning en die door bijzondere omstandigheden tijdelijk niet in staat zijn deze kosten zelf te dragen. Om de regeling doelgericht, uitvoerbaar en juridisch consistent toe te passen, wordt aangesloten bij het in het woon- en bouwrecht gehanteerde begrip van een woning. Daarbij is niet alleen van belang of een object feitelijk wordt bewoond, maar ook of het object naar zijn aard, inrichting en publiekrechtelijke bestemming is bedoeld en toegestaan voor permanente bewoning. Uitsluiting van niet-reguliere woonvormen Om die reden zijn recreatiewoningen, vakantiewoningen, chalets, stacaravans, tiny houses zonder permanente woonbestemming, tijdelijke of niet-zelfstandige mantelzorgwoningen en woonwagens uitgesloten van woonkostentoeslag. Deze woonvormen maken geen onderdeel uit van het reguliere woningbestand waarop de woonkostentoeslag is gericht. Bij recreatiewoningen en vergelijkbare verblijfsobjecten geldt dat deze veelal zijn bestemd voor recreatief verblijf en niet voor permanente bewoning. Het enkele feit dat een object feitelijk wordt bewoond, maakt het nog geen woning in de zin van deze beleidsregels. Voor tiny houses geldt dat alleen een tiny house met een permanente woonbestemming en een rechtmatige woonfunctie kan worden beschouwd als reguliere woonruimte. Verplaatsbare of tijdelijk toegestane tiny houses vallen buiten de reikwijdte van de regeling. Mantelzorgwoningen komen uitsluitend in aanmerking wanneer sprake is van een zelfstandige woonruimte met een permanente woonbestemming. Tijdelijke of afhankelijke woonvoorzieningen die uitsluitend zijn geplaatst in het kader van mantelzorg worden niet als reguliere woning aangemerkt. Woonwagens worden eveneens uitgesloten. Hoewel woonwagens voor bewoning kunnen zijn bestemd, vormen zij op grond van de Woningwet een afzonderlijke categorie bouwwerken met een eigen juridisch en publiekrechtelijk kader. Daarnaast wijkt de opbouw van de woonlasten af van die van reguliere woningen doordat vaak sprake is van afzonderlijke kosten voor de standplaats en de woonwagen. Ten aanzien van lid 2 Beoordeling van de woonvorm Bij de beoordeling of een object onder de uitsluitingsgronden valt, kijkt het college naar de totale feitelijke en juridische situatie. Daarbij worden onder meer betrokken: •de aard en inrichting van het object; •de bestemming volgens het geldende omgevingsplan; •de bouwtechnische status; •de juridische kwalificatie op grond van relevante wet- en regelgeving; •de vraag of permanente bewoning rechtmatig is toegestaan. De beoordeling richt zich dus niet uitsluitend op de feitelijke bewoning, maar ook op de juridische status en bestemming van het object. Rechtszekerheid en uitvoerbaarheid Met deze afbakening wordt duidelijkheid geboden aan inwoners en uitvoeringsorganisatie over de woonvormen die wel en niet onder de regeling vallen. Hierdoor wordt een uniforme toepassing van de woonkostentoeslag bevorderd en wordt voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor woonvormen die planologisch niet zijn toegestaan of die niet zijn bedoeld als duurzame huisvesting. Artikel 10. Lopende toekenningen Dit artikel regelt de overgang van het oude naar het nieuwe beleid. Toekenningen en aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze nieuwe beleidsregels blijven onder het oude beleid vallen. Dit is noodzakelijk om de rechtszekerheid van belanghebbenden te waarborgen: inwoners moeten kunnen vertrouwen op het beleid dat gold op het moment dat zij hun aanvraag deden of een beschikking ontvingen. In de praktijk betekent dit dat: •lopende toekenningen niet opnieuw worden beoordeeld op grond van deze nieuwe beleidsregels; •herziening of aanpassing alleen plaatsvindt volgens het oude beleid, tenzij er een nieuwe aanvraag wordt gedaan; •burgers niet worden geconfronteerd met beleidswijzigingen die met terugwerkende kracht hun rechten verminderen. Artikel 10 voorkomt daarmee dat wijzigingen in beleid leiden tot onduidelijkheid of onzekerheid bij inwoners en zorgt voor een zorgvuldige overgang naar de nieuwe beleidsregels. Artikel 11. Afwijkingsbevoegdheid Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke individuele situaties af te wijken van deze beleidsregels. Uitgangspunt is dat de beleidsregels op gelijke wijze worden toegepast om rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en een consistente uitvoering te waarborgen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin een strikte toepassing van de beleidsregels leidt tot gevolgen die onevenredig, onredelijk of onbillijk zijn voor de belanghebbende. In dergelijke gevallen kan het college, na een zorgvuldige beoordeling van alle relevante feiten en omstandigheden, gemotiveerd besluiten van de beleidsregels af te wijken. Van deze bevoegdheid wordt terughoudend gebruikgemaakt en uitsluitend wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of onvoldoende in de beleidsregels zijn voorzien. De afwijkingsbevoegdheid is bedoeld als vangnet om maatwerk mogelijk te maken en te voorkomen dat de toepassing van de beleidsregels leidt tot een uitkomst die niet in verhouding staat tot het doel van de regeling. Het toepassen van deze bevoegdheid laat onverlet dat het college bij zijn besluitvorming moet handelen binnen de kaders van de Participatiewet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hiermee wordt invulling gegeven aan de menselijke maat, zonder afbreuk te doen aan de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid van het beleid. Artikel 12. Inwerkingtreding, intrekking en citeertitel Lid 1. Inwerkingtreding Dit lid bepaalt dat de beleidsregels ingaan op de dag na de bekendmaking. Dit sluit aan bij artikel 3:40 Awb, waarin is bepaald dat een besluit pas in werking kan treden nadat het is bekendgemaakt. Lid 2. Intrekking van oude bepalingen Met het in werking treden van deze beleidsregels worden de eerdere bepalingen over woonkostentoeslag, zoals opgenomen in paragraaf 4.4 van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026, volledig ingetrokken. Dit voorkomt dat er dubbele of tegenstrijdige regels bestaan en zorgt voor een heldere één-op-één vervanging van het oude woonkostenbeleid. Hiermee ontstaat een eenduidig en actueel beleidskader, afgestemd op de nieuwe uitgangspunten van tijdelijke woonkostentoeslag, eigen verantwoordelijkheid en duidelijke beoordelingscriteria. Lid 3. Citeertitel De citeertitel "Beleidsregels woonkostentoeslag 2026 gemeente Hollands Kroon" maakt het mogelijk om deze beleidsregels op een eenvoudige, uniforme manier te benoemen in: •beschikkingen, •interne werkinstructies, •beleidsdocumenten, •publicaties. Een citeertitel draagt bij aan duidelijke communicatie en correcte juridische verwijzing.

Meer informatie