Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op29 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Amsterdam

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam (Wijzigingsbesluit Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam) Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 108 Gemeentewet en artikel 35 Participatiewet, besluit: Artikel I De Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam als volgt te wijzigen: a.In de Inhoudsopgave (geen artikelnummer) wordt ‘Artikel 1. Begripsbepaling’ vervangen door ‘Artikel 1. Definities’; b.In de Inhoudsopgave (geen artikelnummer) wordt ‘art. 7.9. Bijzondere bijstand in verband met de éénverdienersproblematiek’ vervangen door ‘art. 7.9. [vervallen]’ ; c.In de Inhoudsopgave (geen artikelnummer) wordt ‘Artikel 8. Jongerentoeslag’ vervangen door ‘Artikel 8. [vervallen]’; d.In de Inhoudsopgave (geen artikelnummer) wordt ‘Artikel 9. Woonkostentoeslag Artikel 9.1. Uitgangspunten woonkostentoeslagArtikel 9.2. Woonkostentoeslag voor een huurwoningArtikel 9.3. Woonkostentoeslag voor een eigen woningArtikel 9.4. Aanvraag woonkostentoeslag door een zelfstandige’ vervangen door: ‘Artikel 9. Woonkostentoeslag art. 9.1. Uitgangspunten woonkostentoeslagart. 9.2. Woonkostentoeslag voor een huurwoningart. 9.3. Woonkostentoeslag voor een eigen woningart. 9.4. Aanvraag woonkostentoeslag door een zelfstandige’’; e.In de Inhoudsopgave (geen artikelnummer) wordt na Artikel 10. Collectieve ziektekostenverzekering op de volgende regel tussengevoegd: ‘Artikel 11: Calamiteiten’; f.In de Inhoudsopgave (geen artikelnummer) wordt ‘Artikel 11. Hardheidsclausule’ vervangen door ‘Artikel 12. Hardheidsclausule’; g.In de Inhoudsopgave (geen artikelnummer) wordt na (nieuw) Artikel 12. Hardheidsclausule op de volgende twee regels toegevoegd: ‘ToelichtingBijlage: Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, behorend bij artikel 3.4.’ h.De titel van ‘Artikel 1. Begripsbepaling’ wordt vervangen door ‘Artikel 1. Definities’; i.In artikel 1. (Definities) wordt de nummering vervangen door aandachtstreepjes j.In artikel 1. (Definities) wordt tussen de definitie van ‘Bijstandsnorm’ en de definitie van ‘College’ een nieuwe definitie gevoegd als volgt: ‘- Calamiteit: plotselinge, onvoorziene en zeer ernstige gebeurtenis zoals een zeer grote brand, explosie of natuurramp, met ernstige en direct nadelige gevolgen voor de leefsituatie van een aanwijsbare groep financieel kwetsbare alleenstaanden of gezinnen;’; k.In artikel 1. (Definities) vervalt de regel ‘16. Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;’; l.In artikel 1. (Definities) wordt als laatste regel toegevoegd: ’- Wtos: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten’; m.In artikel 3.4. (Hoogte van de bijzondere bijstand) wordt de tekst van het artikel vervangen door de volgende tekst: ‘1. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand sluit het college aan bij de richtbedragen van de Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, die is opgenomen in bijlage 1. 2. De richtbedragen zoals genoemd in lid 1 worden elke drie jaar geïndexeerd, tenzij het college een reden ziet om van deze termijn af te wijken. 3. Voor de indexering van de richtbedragen zoals genoemd in lid 1 sluit de gemeente aan bij het alimentatie-indexeringspercentage van het Ministerie van Justitie.’; n.In artikel 3.5. (Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening) lid 2 c. wordt ‘artikel 9.3 lid 2’ vervangen door ‘artikel 9.3 lid 3’; o.In artikel 4. (Indienen van een aanvraag) wordt lid 3 vervangen door de volgende tekst: ‘Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt, met uitzondering van hetgeen genoemd staat onder artikel 7.6 leden 2a en 2b, artikel 7.7. leden 1a en 1b en artikel 11 van deze beleidsregels.’; p.In artikel 5.1.3. (Inkomen) wordt lid 4b vervangen door de volgende tekst: ‘4b. In afwijking van lid 3 wordt het netto-inkomen dat meer is dan de in lid 2 genoemde bijstandsnorm plus € 100,- respectievelijk bijstandsnorm plus € 300,-, geheel (100%) meegenomen bij de berekening van de draagkracht wanneer de bijzondere bijstandsaanvraag betrekking heeft op: a.de kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, en vergoeding van de eerste huur of waarborgsom, zoals bedoeld in de artikelen 7.1 en 7.2 van deze beleidsregels; of b.de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap, zoals bedoeld in artikel 7.7. van deze beleidsregels, of c.de woonkostentoeslag voor een eigen woning, zoals bedoeld in artikel 9.3 van deze beleidsregels.’; q.In artikel 5.1.4. (Vermogen) wordt lid 1 vervangen door de volgende tekst: ‘1. Het vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid van de Participatiewet wordt vrijgelaten, tenzij de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op: a.een situatie waarin er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager; b.de kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, en vergoeding van de eerste huur of waarborgsom; of c.kosten waarvoor alleen om zeer dringende redenen bijzondere bijstand wordt verleend.’; r.In artikel 5.1.4. (Vermogen) lid 2 wordt ‘het voorgaande lid 1a t/m 1d’ vervangen door ‘het voorgaande lid 1a t/m 1c’; s.In artikel 7.1.1. (Uitgangspunten duurzame gebruiksgoederen) vervalt lid 3 geheel.; t.In artikel 7.5. (uitvaartkosten) wordt de laatste zin van lid 1 ‘Het aandeel wordt afgeleid van de richtprijs Prijslijst Bijzondere Bijstand.’ vervangen door de zin ‘Het aandeel wordt afgeleid van de richtprijs voor uitvaartkosten zoals genoemd in de Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, opgenomen in bijlage 1.’; u.De tekst van artikel 7.9. (Bijzondere bijstand in verband met de éénverdienersproblematiek) vervalt geheel, en de titel wordt vervangen door: ‘Artikel 7.9. [Vervallen]’; v.De tekst van artikel 8. (Jongerentoeslag) vervalt geheel, en de titel wordt vervangen door: ‘Artikel 8. [Vervallen]’; w.De tekst van artikel 9 (Woonkostentoeslag) artikel 9.1 tot en met artikel 9.4 vervalt geheel en wordt vervangen door de volgende tekst: ‘Artikel 9. Woonkostentoeslag Artikel 9.1 Uitgangspunten woonkostentoeslag 1.Wanneer een aanvrager een huurwoning of eigen woning heeft met hoge woonkosten, kan het college op grond van individuele omstandigheden, in het bijzonder in het geval van een niet voorzienbare inkomensdaling, bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een tijdelijke woonkostentoeslag. Het kan hierbij ook gaan om een woonwagen of een woonboot in huur of eigendom. 2a.De woonkostentoeslag wordt verleend voor maximaal twaalf maanden, met daarbij de verplichting voor de aanvrager om zo snel mogelijk goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de financiële middelen en de woonkosten meer met elkaar in evenwicht te brengen. 2b.De toekenning van de woonkostentoeslag kan na afloop van twaalf maanden éénmalig worden verlengd met maximaal zes maanden wanneer daar aanleiding voor is, gezien iemands inzet voor lagere woonlasten of hogere inkomsten, en zijn of haar overige omstandigheden. 3a.Wanneer iemand woonkostentoeslag ontvangt, vindt iedere drie maanden een persoonlijk gesprek plaats met de betrokkene, omdat zonder deze gesprekken de noodzaak van de woonkostentoeslag niet kan worden vastgesteld. 3b.Wanneer de aanvrager onvoldoende meewerkt aan de voorwaarden zoals genoemd in de voorgaande leden 2 en 3a kan de woonkostentoeslag worden beëindigd of van verlenging worden afgezien. 4.Bij de berekening van de woonkostentoeslag wordt geen rekening gehouden met kostendelers. Artikel 9.2 Woonkostentoeslag voor een huurwoning 1.Wanneer een aanvrager een huurwoning bewoont waarvoor de kale huur lager dan of gelijk is aan de maximale huurgrens (zie artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag), dan geldt de huurtoeslag als een voorliggende voorziening die als toereikend wordt beschouwd en is er geen recht op woonkostentoeslag. 2a.Wanneer de aanvrager een huurwoning bewoont waarvan de kale huur hoger is dan de maximale huurgrens en lager of gelijk is aan € 1.900,- per maand, dan wordt de woonkostentoeslag als volgt berekend: Op de kale huur worden de volgende posten in mindering gebracht: (1)het bedrag van de maximale huurgrens volgens artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag; (2)de financiële draagkracht zoals genoemd in artikel 5.1.3. lid 4a van deze beleidsregels. Voor het resterende bedrag kan woonkostentoeslag worden verleend. 2b.Wanneer de aanvrager een huurwoning bewoont waarvan de kale huur hoger is dan € 1.900,- per maand, dan wordt het meerdere boven deze € 1.900,- per maand niet meegenomen in de onder lid 2a genoemde berekening van de woonkostentoeslag. De berekening van de woonkostentoeslag is dan als volgt: Op de kale huur worden de volgende posten in mindering gebracht: (1)het bedrag aan maandelijkse kale huur dat meer is dan € 1.900,-; (2)het bedrag van de maximale huurgrens volgens artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag); (3)de financiële draagkracht zoals genoemd in artikel 5.1.3. lid 4a van deze beleidsregels. Voor het resterende bedrag kan woonkostentoeslag worden verleend. Artikel 9.3 Woonkostentoeslag voor een eigen woning 1a.Het college beschouwt de woonkosten van een aanvrager tot een bedrag van € 410,- per maand (bedrag 2026) als algemene kosten van bestaan. De woonkosten moeten tot dit bedrag van het eigen inkomen worden betaald. Wanneer de woonkosten meer bedragen dan dit bedrag, kan de aanvrager recht hebben op woonkostentoeslag. 1b.Het bedrag genoemd onder lid 1a van dit artikel wordt jaarlijks berekend op basis van de Wet op de huurtoeslag, en afgerond op een bedrag van € 10,-. 2a.Voor de berekening van de woonkostentoeslag voor een eigen woning wordt uitgegaan van het bedrag van de maandelijkse hypotheekrente en, indien van toepassing, erfpachtcanon, vermeerderd met een bedrag van € 125,- per maand (bedrag 2026) voor de overige eigenaarslasten. Wanneer dit totaalbedrag niet meer bedraagt dan € 1.900,- per maand kan, na aftrek van zowel (1)het van toepassing zijnde bedrag zoals genoemd onder lid 1a van dit artikel 9.3. als ( (2)de aanwezige financiële draagkracht zoals genoemd in artikel 5.1.3. lid 4b van deze beleidsregels, woonkostentoeslag worden verleend. 2b.Wanneer het totaalbedrag zoals genoemd onder voorgaand lid 2a meer bedraagt dan € 1.900,- per maand, dan wordt het meerdere boven het bedrag van € 1.900,- per maand niet meegenomen in de berekening van de woonkostentoeslag. 2c.Het bedrag voor de overige eigenaarslasten zoals genoemd in het voorgaande lid 2a wordt jaarlijks geïndexeerd. Hiervoor sluit de gemeente aan bij het alimentatie-indexeringspercentage van het Ministerie van Justitie. 3. Wanneer de aanvrager een woning heeft waarvan de overwaarde uitgaat boven een bedrag van € 235.000,- dan wordt de woonkostentoeslag verstrekt als lening. Artikel 9.4. Aanvraag woonkostentoeslag door een zelfstandige 1a.Wanneer de aanvraag voor woonkostentoeslag (mede) wordt ingediend door een zelfstandige, wordt de aanspraak op woonkostentoeslag beoordeeld volgens de regels van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). 1b. Bij de berekening zoals genoemd in lid 1a worden de bedragen gehanteerd zoals hiervoor genoemd in artikel 9.2 lid 1 (de maximale huurgrens), artikel 9.3 leden 1a en 1b (€ 410,- per maand (bedrag 2026)), en artikel 9.3 lid 2a en 2c (het bedrag van de maandelijkse hypotheekrente en (indien van toepassing) erfpachtcanon, vermeerderd met een bedrag van € 125,- per maand (bedrag 2026) voor de overige eigenaarslasten). 2.De woonkostentoeslag wordt verstrekt overeenkomstig de systematiek van artikel 10, 11, 12 en 19 van het Bbz 2004. 3. Artikel 9.1 lid 2a en lid 2b en artikel 9.3 lid 3 zijn bij zelfstandigen niet van toepassing.’; x.In artikel 10 (Collectieve zorgverzekering) vervalt de tekst van lid 1 geheel, en wordt deze vervangen door de volgende tekst: ‘1a. Het college biedt, anders dan bepaald in artikel 5.1.3 en 5.1.4, aan degene die volgens de Beleidsregels Stadspas recht heeft op een Stadspas, een collectieve zorgverzekering aan die bestaat uit een basisverzekering zonder eigen bijdrage in combinatie met een of meer aanvullende zorgverzekeringen. 1b.Het college biedt, anders dan bepaald in artikel 5.1.3 en 5.1.4, aan degene die onderwijs volgt in de zin van hoofdstuk 2 van de Wsf of hoofdstuk 4 van de Wtos een collectieve ziektekostenverzekering aan zoals bedoeld in voorgaand lid 1a, wanneer diegene voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de Stadspas volgens de Beleidsregels Stadspas, met uitzondering van toepassing van artikel 4, lid 1 van deze Beleidsregels Stadspas.’; y.In artikel 10 (Collectieve zorgverzekering) wordt in lid 2 tussen de woorden ‘aanvullende zorgverzekering’ het woord ‘collectieve’ geplaatst; z.Na artikel 10 (Collectieve zorgverzekering) wordt, na een witregel, een nieuw artikel 11 toegevoegd met de volgende tekst: ‘Artikel 11. Calamiteiten 1.Wanneer zich een ernstige calamiteit voordoet, kan het college het recht op bijzondere bijstand voor de getroffen groep ambtshalve vaststellen. 2.Wanneer zich een ernstige calamiteit voordoet en de situatie van de getroffen groep dit vereist, kan het college tijdelijk van deze beleidsregels bijzondere bijstand afwijken. 3.De directeur Inkomen kan vaststellen wanneer het voorgaande lid 3a en 3b van toepassing zijn.’; aa.De titel van ‘Artikel 11. Hardheidsclausule’ wordt gewijzigd in ‘Artikel 12. Hardheidsclausule’; bb.In de toelichting op artikel 1 wordt de titel ‘Artikel 1 – Begripsbepaling’ vervangen door ‘Artikel 1 – Definities’ cc.In de toelichting op artikel 1 (Definities) worden de lid-aanduidingen vervangen door aandachtsstreepjes, als volgt: Lid 4. (Beslag):’ wordt ‘- Beslag:’‘Lid 5. (Bijstandsnorm):’ wordt ‘- Bijstandsnorm:’‘Lid 10. (Inkomen):’ wordt ‘- Inkomen:’‘Lid 18. (Vermogen):’ wordt ‘- Vermogen:’; dd.In de toelichting op de definitie van Vermogen van artikel 1 (Definities) wordt in de laatste zin de zinssnede ‘zie artikel 9 lid 4 van deze beleidsregels’ vervangen door ‘zie artikel 9.3 lid 3 van deze beleidsregels’; ee.In de toelichting op artikel 3.3 (Voorliggende voorzieningen) lid 2 onder e vervalt in de opsomming de passage ‘- schulden’; ff.In de toelichting op artikel 3.4 (Hoogte van de bijstand) lid 1 vervalt de tekst, en wordt deze vervangen door:‘Lid 1: Voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand zijn richtbedragen vastgelegd. De richtbedragen voor een groot aantal kostensoorten zijn terug te vinden in de Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, die als bijlage 1 onderdeel is van deze beleidsregels.’; gg.In de toelichting op artikel 3.4 (Hoogte van de bijstand) lid 2 wordt het jaartal ‘2028’ vervangen door ‘2029’; hh.In de toelichting op artikel 3.5 (Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening) lid 2 worden de woorden ‘onder artikel 9 lid 4 en lid 6 genoemde gevallen’ vervangen door de woorden ‘onder artikel 9.3 lid 3 en artikel 9.4 lid 1a en lid 2 van deze beleidsregels genoemde gevallen’; ii.In de toelichting op artikel 4 (Indienen van een aanvraag) lid 1 vervalt de tekst, en wordt deze vervangen door:‘lid 2: Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet normaliter worden ingediend met een vastgesteld digitaal of papieren formulier. Wanneer dit door individuele omstandigheden niet mogelijk is (bijvoorbeeld door een acute ziekenhuisopname waardoor de betrokkene niet kan handelen), dan kan het recht op bijzondere bijstand ambtshalve worden vastgesteld en toegekend, dus zonder dat de burger zelf een aanvraag heeft gedaan of iemand heeft kunnen machtigen om een aanvraag voor hem of haar te doen.Lid 3. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend vóórdat de kosten worden gemaakt. Hierop zijn uitzonderingen, deze staan in artikel 7.6 (Rechtsbijstand en griffierecht) lid 2, artikel 7.7. (Bewindvoering, curatele en mentorschap) lid 1 en in artikel 11 (Calamiteiten).Op Externe link:www.Amsterdam.nl / Bijzondere bijstand leest u hoe u een aanvraag kunt indienen.’; jj.In de toelichting op lid 3 en 4 van artikel 5.1.3. (Inkomen) vervalt de gehele tekst en wordt deze vervangen door de volgende tekst: ‘Lid 3 en 4: Het meerinkomen hoger dan € 100,- respectievelijk € 300,- wordt in principe voor 25% als draagkracht meegeteld. - In een aantal gevallen is de bijzondere bijstand in feite een toeslag op de norm, bedoeld voor specifieke noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten en woonkostentoeslag. In die gevallen moet het meerinkomen boven de vrijlating van € 100,- respectievelijk € 300,- volledig meegeteld worden bij de berekening van de draagkracht.Ook bij kosten voor financiële dienstverlening, zoals bewindvoering, curatele en mentorschap moet het meerinkomen boven de vrijlating van € 100,- respectievelijk 300,- volledig gebruikt worden. Meestal is iemand namelijk zelf in staat zijn of haar financiën te regelen, waarmee de kosten voor financiële dienstverlening in feite onderdeel uitmaken van de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. - Met ingang van 1 januari 2026 is de Wet op de huurtoeslag veranderd en dit had consequenties voor de Amsterdamse woonkostentoeslag voor huurders met een huur boven de maximale huurgrens (Wet op de huurtoeslag art. 13 lid 1a) en voor hun draagkracht. Om die reden wordt voor de woonkostentoeslag voor deze groep huurders met ingang van 1 januari 2026 een draagkrachtpercentage van 60% gehanteerd.’; kk.In de toelichting op lid 1 en 2 van artikel 5.1.4. (Vermogen) worden de woorden ‘(2023: voor een alleenstaande: € 7.605,-, voor een echtpaar of alleenstaande ouder: € 15.210,-)’ vervangen door ‘(2026: voor een alleenstaande: € 8.000,-, voor een echtpaar of alleenstaande ouder: € 16.000,-)’; ll.In de toelichting op artikel 7.2 (Kosten in verband met verhuizing) wordt na de opsomming die eindigt met ‘vluchtelingen met een voorlopige status die in Amsterdam gehuisvest worden (statushouders).’ de zin ‘Deze opsomming is niet limitatief.’ toegevoegd.’; mm.De titel en de tekst van de toelichting op artikel 7.9 (Bijzondere bijstand in verband met de éénverdienersproblematiek) vervallen geheel, en worden vervangen door de volgende tekst: ‘Artikel 7.9 [Vervallen] De éénverdienersproblematiek, waarbij sommige gezinnen waarvan één van de partners een loongerelateerde uitkering van het UWV (WW, TW of WIA) ontvangt en de ander een laag of geen inkomen heeft, door botsende landelijke regelgeving onder het netto sociaal minimum kunnen belanden, werd in Amsterdam van 01/08/2023 tot en met 31/12/2024 vanuit de bijzondere bijstand gecompenseerd. Aangezien de vergoeding voor de burgers die dit betreft nu vanuit het Rijk wordt vergoed, kan dit onderdeel van de Beleidsregels bijzondere bijstand vervallen.’; nn.De titel en de tekst van de toelichting op artikel 8 (Jongerentoeslag) vervallen geheel, en worden vervangen door de volgende tekst: ‘Artikel 8 [Vervallen] Met ingang van 01/01/2026 is aan de Participatiewet een nieuwe bijstandsnorm toegevoegd voor jongeren die geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders (Participatiewet art. 20 lid 3). Een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand op deze bijstandsnorm voor jongeren is daarom niet meer nodig. Om die reden is artikel 8 (Jongerentoeslag) in deze Beleidsregels bijzondere bijstand vervallen.’; oo.De tekst van de toelichting op artikel 9 (Woonkostentoeslag), artikel 9.1 en artikel 9.2 vervalt geheel en wordt vervangen door de volgende tekst: ‘Artikel 9 - Woonkostentoeslag Artikel 9.1 - Uitgangspunten woonkostentoeslag Lid 1: In de meeste gevallen zal een woonkostentoeslag bedoeld zijn voor de woonkosten van een woning. Ook voor een woonwagen of een woonboot is echter een woonkostentoeslag mogelijk. De regels van dit artikel 9 zijn dan van overeenkomstige toepassing.Lid 2: De woonkostentoeslag heeft als doel om Amsterdammers met een laag inkomen te ondersteunen wanneer zij onverwacht met hoge woonkosten te maken krijgen. Het is een tijdelijke regeling van maximaal twaalf maanden, die kan worden verlengd met maximaal zes maanden.Aan toekenning en eventuele verlenging van een woonkostentoeslag is de verplichting verbonden dat de aanvrager zijn of haar best doet om goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de woonkosten en de financiële middelen met elkaar in evenwicht te brengen, waardoor er voor de aanvrager geen woonkostentoeslag meer nodig is. Mogelijkheden hiervoor zijn bijvoorbeeld: -herbeoordeling van de huurprijs vragen bij de landelijke of de gemeentelijke Huurcommissie; -actief zoeken via het puntenstelsel en verhuizen naar een goedkopere woning binnen of buiten Amsterdam; -een kamer verhuren (hospitaverhuur) -(beter) betaald werk zoeken of meer uren gaan werken. Wanneer degene die de woonkostentoeslag ontvangt zich onvoldoende inzet om goedkopere passende woonruimte te vinden of meer inkomsten te verwerven, kan dit een reden zijn om de woonkostentoeslag te beëindigen of niet te verlengen.Lid 3: Om te kunnen beoordelen of de woonkostentoeslag wordt verlengd of beëindigd, vindt er elke drie maanden een persoonlijk gesprek plaats met de aanvrager. Deze gesprekken vinden plaats op een kantoor van de gemeente of online, wanneer dit op kantoor niet mogelijk is.Deze gesprekken zijn verplicht omdat: -alleen op deze manier voldoende kan worden gewaarborgd dat de betrokkene zich bewust wordt van de tijdelijkheid en van de voorwaarden van de woonkostentoeslag, en van de inzet die van hem of haar wordt verwacht om goedkopere passende woonruimte te vinden of meer inkomsten te verwerven; -door deze gesprekken een goed beeld ontstaat van de inzet van de betrokkene om aan de onder lid 2 genoemde verplichting te voldoen; -door deze gesprekken een goed beeld ontstaat van de individuele omstandigheden van de betrokkene, wat noodzakelijk is voor de beoordeling of er sprake kan zijn van een besluit tot maatwerk. Lid 4: De kostendelersnormen zijn bedoeld om optredende schaalvoordelen met betrekking tot de bestaanskosten te verrekenen. Met de toepassing van de kostendelersnorm op de bijstandsnorm worden die schaalvoordelen al afdoende verrekend. Artikel 9.2 - Woonkostentoeslag voor een huurwoning Lid 1. Zie ook artikel 3.3. lid 2 van deze beleidsregels.Lid 2: - Met ingang van 1 januari 2026 is de Wet op de huurtoeslag gewijzigd en is huurtoeslag mogelijk voor huurwoningen waarvan de kale huur hoger is dan de maximale huurgrens volgens artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag. De huurtoeslag geldt als een voorliggende voorziening (zie ook artikel 3.3. lid 2 van deze beleidsregels). Voor dit deel van de huur wordt daarom geen woonkostentoeslag toegekend. - Wanneer de kale huur van een woning meer bedraagt dan € 1.900,- per maand, dan bestaat er geen recht op woonkostentoeslag voor het deel van de huur dat meer is dan € 1.900,- per maand. Deze maximumgrens is onder andere gebaseerd op het gemiddelde bedrag dat een huurder volgens de Factsheet Woningmarkt 2025 Amsterdam (p.10) in 2025 per maand aan kale huur voor een “private dure huurwoning” betaalt, en is ingesteld (1) om te voorkomen dat personen met een zeer hoog inkomen en een zeer hoge huur onbedoeld aanspraak zouden kunnen maken op woonkostentoeslag, en (2) om aan te geven dat de keuze voor een woning met een hoge huur ook met zich meebrengt dat de huurder een eigen verantwoordelijkheid heeft om andere keuzes te maken bij de besteding van de eigen middelen. Verder is meegenomen dat er een relatief ruime beschikbaarheid bestaat van woningen met een lagere huur dan deze maximumhuurgrens en dat het huurbedrag tot aan dit maximumbedrag (en boven de maximale huurgrens) wel voor woonkostentoeslag in aanmerking kan komen.’; pp.In de toelichting op lid 2 van artikel 9.3 (Woonkostentoeslag voor een eigen woning) wordt na de laatste zin van dit lid 2 een zin toegevoegd, die luidt als volgt: ‘Wanneer het maandelijkse bedrag voor hypotheekrente plus erfpachtcanon meer bedraagt dan € 1.900,- per maand, dan bestaat er geen recht op woonkostentoeslag voor het deel van de hypotheekrente plus erfpachtcanon dat meer is dan € 1.900,- per maand. Zie ook de toelichting op artikel 9.2 lid 2 van deze beleidsregels.’; qq.In de toelichting op lid 3 van artikel 9.4 (Aanvraag woonkostentoeslag door een zelfstandige) vervallen in de eerste zin van dit lid de woorden ‘(de zgn. “verhuisplicht”)’; rr.In de toelichting op artikel 10 (Collectieve zorgverzekering) wordt de tweede zin (‘Amsterdam biedt zo'n collectieve zorgverzekering aan voor Amsterdammers die volgens de Beleidsregels Stadspas Amsterdam recht hebben op een Stadspas.’) vervangen door de zin ‘Amsterdam biedt zo'n collectieve zorgverzekering aan voor Amsterdammers die volgens de Beleidsregels Stadspas recht hebben op een Stadspas en aan studenten die aan de toelatingsvoorwaarden, met uitzondering van artikel 4 lid 1, van de Beleidsregels Stadspas voldoen.’; ss.Na de toelichting op artikel 10 (Collectieve zorgverzekering) wordt, na een witregel, een nieuwe tekst toegevoegd, als volgt: Artikel 11 – Calamiteiten Lid 1: In het geval van een ernstige calamiteit kan het nodig zijn om op korte termijn ambtshalve bijzondere bijstand toe te kennen aan financieel kwetsbare Amsterdammers voor de eerste noodzakelijke kosten voor levensonderhoud. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld kosten voor ID-bewijzen die verloren zijn gegaan, kleding, babyspullen, inrichtingskosten voor de eigen woning of inrichtingskosten voor een noodzakelijke nieuwe of tijdelijke woning. Lid 2: In het geval van een ernstige calamiteit kan de situatie van de slachtoffers het nodig maken dat tijdelijk van de beleidsregels bijzondere bijstand wordt afgeweken om snellere en bij de situatie passende besluitvorming mogelijk te maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan afwijking van de hoogte van de toe te kennen bedragen (art. 3.4) of aan bijzondere bijstand als gift of als lening (art. 3.5). Lid 3: Het college heeft bepaald dat de directeur Inkomen bevoegd is om deze werkwijze van toepassing te verklaren, zodat snel kan worden gehandeld op het moment dat dit nodig is. tt.Na de toelichting op artikel 11, op een nieuwe pagina, wordt als integraal onderdeel van deze Beleidsregels bijzondere bijstand de bijlage (Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam) bijgevoegd die op de volgende twee pagina’s is opgenomen in dit wijzigingsbesluit. Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam (bijlage bij artikel 3.4: Hoogte van de bijzondere bijstand) Ingangsdatum 01/01/2026. 1. Kosten woninginrichting 1a Woonkamermeubilair Bedrag Bank (3 persoons) € 350 Bank (4 of meer personen) € 600 Salontafel € 50 Eettafel € 100 Stoelen € 100 TV/Wandmeubel € 50 Totaal Woonkamermeubilair € 1.250 1b. Slaapkamer 1 persoon Bedrag 1-persoons: bed + lattenbodem € 75 1 persoons: Hang/legkast 2-deur € 80 1 persoons: Matras en beddengoed € 200 Slaapkamerinrichting 1 persoon € 355 1c. Slaapkamer 2 personen Bedrag 2-persoons bed + lattenbodem € 100 2 persoons Stapelbed+ lattenbodems € 150 Slaapkamer 2 persoons: Hang/legkast 3-deurs € 130 Slaapkamer 2 persoons: matras en beddegoed € 400 Totaal 2 persoons slaapkamerinrichting variabel 1d. Keuken, badkamer en verlichting Bedrag Pannenset € 50 Totaal keukengerei € 150 Badkamermeubilair + linnen € 150 Verlichting woning € 60 Totaal keuken en badkamer € 410 1e. Huishoudelijke apparatuur Bedrag Combimagnetron + kookplaat € 225 Fornuis incl. oven € 225 Koel/vries-combinatie € 300 Wasmachine € 350 Droger € 500 Stofzuiger € 80 Strijkijzer € 25 TV € 170 Totaal huishoudelijke apparatuur variabel 2. Stoffering 2a. Stoffering 1 -2 persoons huishouden Bedrag Vloer € 700 Gordijnen € 200 Wand € 100 Totaal 1-2 persoons huishouden € 1.000 2b. Stoffering 3 of meer persoons huishouden Bedrag Vloer € 900 Gordijnen € 250 Wand € 150 Totaal 3+ persoons huishouden € 1.300 3. Totaalbedragen woninginrichting inclusief stoffering Woninginrichting Stoffering Totaalbedrag kleine éénkamerwoning of tijdelijke woning, 1 persoon € 1.830 € 1.830 Reguliere woning, 1 persoon € 2.540 € 1.000 € 3.540 Reguliere woning, 2 personen € 2.815 € 1.000 € 3.815 Reguliere woning, 3 personen € 3.170 € 1.300 € 4.470 Reguliere woning, 4 personen € 3.745 € 1.300 € 5.045 Reguliere woning, 5 persoon € 4.200 € 1.300 € 5.500 Opslag per extra lid van het huishouden € 450 4. Verhuiskosten Bedrag 4a. Zelf verhuizen (huur busje of aanhanger, brandstof en materiaal) € 125 4b. Verhuisbedrijf (maximum) € 1.000 5. Babyuitzet Bedrag Totaal toebehoren ledikant en commode € 150 Totaal babykleding: € 150 Totaal babyartikelen: € 150 Totaal babyverzorging: € 25 Ledikantje € 50 Commode € 50 Kinderwagen /buggy € 350 Kinderstoel/-zitje € 75 Babybox € 50 Totaal babyuitzet € 1.050 6. Kleding Bedrag Garderobe, richtbedragen per persoon: Volwassene: € 400 Kind 1 - 6 jaar € 200 Kind 6 - 12 jaar € 300 Jongere 12 – 18 jaar € 400 7. Begrafenis-/crematiekosten Bedrag Uitvaart € 4.300 Artikel II Dit besluit treedt in werking na bekendmaking en met ingang van 1 november 2026, met uitzondering van: -de Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam (als bijlage bij artikel 3.4 (Hoogte van de bijzondere bijstand)) (artikel I onder g, m, ff en tt) en de wijziging van artikel 10 (Collectieve ziektekostenverzekering) (artikel I onder l, x, y en rr) die in werking treden met terugwerkende kracht naar 1 januari 2026; en -de artikelen 9.1 lid 2b (verlenging van de woonkostentoeslag met zes maanden) (artikel I onder w en oo), 9.2 lid 2 (het instellen van een maximum huurbedrag van € 1.900,- waardoor er geen recht bestaat op woonkostentoeslag voor het meerdere boven dat bedrag) ) (artikel I onder w en oo) en 9.3 lid 2 (het instellen van een maximum bedrag aan hypotheekrente en, indien van toepassing, erfpachtcanon van € 1.900,- waardoor er geen recht bestaat op woonkostentoeslag voor het meerdere boven dat bedrag) ) (artikel I onder w en pp) die in werking treden op 1 mei 2027. Artikel III Deze regeling wordt aangehaald als Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam. Aldus vastgesteld in de vergadering van 20 oktober 2026. De burgemeesterFemke Halsema De gemeentesecretarisCatrien Lenstra Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam Artikel I Inhoudsopgave: Artikel 1. DefinitiesArtikel 2. Juridische grondslagArtikel 3. Uitgangspunten art. 3.1. Algemene uitgangspuntenart. 3.2. Bijzondere omstandighedenart. 3.3. Voorliggende voorzieningenart. 3.4. Hoogte van de bijzondere bijstandart. 3.5. Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening Artikel 4. Indienen van een aanvraag Artikel 5. Financiële draagkracht art. 5.1. Hoe is de draagkracht opgebouwd?art. 5.1.1. Individuele inkomenstoeslag (IIT) en Studietoeslagart. 5.1.2. Beslag en schuldenart. 5.1.3. Inkomenart. 5.1.4. Vermogenart. 5.1.5. Overige bepalingenart. 5.2. De draagkrachtperiode Artikel 6. Drempelbedrag Artikel 7. Veel voorkomende kostensoorten art. 7.1. Duurzame gebruiksgoederenart. 7.1.1.Algemene voorwaarden voor duurzame gebruiksgoederenart. 7.1.2. Woninginrichtingart. 7.1.3. Babyuitzetart. 7.2. Kosten i.v.m. verhuizingart. 7.3. Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in een inrichting of detentieart. 7.4. Medische kostenart. 7.5. Uitvaartkostenart. 7.6. Rechtsbijstand en griffierechtart. 7.7. Bewindvoering, curatele en mentorschapart. 7.8. Reiskostenart. 7.9. [Vervallen] Artikel 8. [Vervallen]Artikel 9. Woonkostentoeslag art. 9.1. Uitgangspunten woonkostentoeslagart. 9.2. Woonkostentoeslag voor een huurwoningart. 9.3. Woonkostentoeslag voor een eigen woningart. 9.4. Aanvraag woonkostentoeslag door een zelfstandige Artikel 10. Collectieve ziektekostenverzekeringArtikel 11. CalamiteitenArtikel 12. HardheidsclausuleToelichtingBijlage: Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, behorend bij artikel 3.4. Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - Aanvrager: de persoon die de aanvraag doet en zijn of haar gezin; - Alleenstaande: een alleenstaande of alleenstaande met kinderen; - Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; - Beslag: Van beslag is sprake wanneer een schuldeiser, ter aflossing van een schuld, op grond van een executoriale titel aanspraak maakt op de totale ruimte in het inkomen van de aanvrager. Hierbij moet de schuldeiser de beslagvrije voet toepassen; - Bijstandsnorm: de norm die op een alleenstaande of gehuwde van toepassing is als bedoeld in artikel 20, artikel 21 of artikel 22 van de Participatiewet; -Calamiteit: plotselinge, onvoorziene en zeer ernstige gebeurtenis zoals een zeer grote brand, explosie of natuurramp, met ernstige en direct nadelige gevolgen voor de leefsituatie van een aanwijsbare groep financieel kwetsbare alleenstaanden of gezinnen; - College: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam; - Draagkracht: het deel van het inkomen en/of vermogen dat de aanvrager zelf kan bijdragen aan de kosten; - Echtpaar: gehuwden of daarmee gelijkgestelden, al of niet met kinderen; - Individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet; - Inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, lid 1, 3 en 4, in artikel 6 van de Bbz indien het inkomen uit onderneming betreft, en in artikel 3.18 overzicht 1 en 2 van de Wsf wanneer het studenten betreft. De heffingskortingen zoals bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en (voorlopige) aanslag Inkomstenbelasting / Premies volksverzekeringen door de Belastingdienst worden bij de draagkrachtberekening bijzondere bijstand niet als inkomen in aanmerking genomen; - Inkomensvrijlating: het vrij te laten inkomen zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 en artikel 33 lid 5 van de Participatiewet; - Inrichting: een instelling voor kort- of langdurige zorg zoals bedoeld in artikel 1 onder f van de Participatiewet; - Kale huur: De huurprijs, zoals bedoeld in artikel 237, lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; - Kind: kind in de leeftijd van 0 tot 18 jaar; - Maximale huurgrens: Het bedrag zoals genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag. Dit bedrag wordt jaarlijks gewijzigd conform artikel 13 lid 2 van de Wet op de huurtoeslag; - Studietoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet; - Vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid van de Participatiewet en art. 7 van de Bbz indien de aanvrager zelfstandige is. De overwaarde van de eigen woning zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid Participatiewet wordt tot een bedrag van € 235.000,- niet als vermogen in aanmerking genomen.Wanneer een aanvrager slachtoffer is van de toeslagenaffaire en hiervoor een schadevergoeding heeft ontvangen, wordt deze schadevergoeding niet meegerekend bij het vermogen; - Vermogensvrijlating: het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid van de Participatiewet; -Voorliggende voorziening: een passende en toereikende voorziening waarop de aanvrager een beroep kan doen of aanspraak kan maken voor de bekostiging van specifieke uitgaven zoals bedoeld in artikel 5 sub e en 15 van de Participatiewet; - Wet: Participatiewet; - Wht: Wet op de huurtoeslag; - Wlz: de Wet langdurige zorg; - Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - Woonkosten: Het bedrag dat iemand betaalt voor huur en servicekosten in het geval van een huurwoning, en betaalt voor de hypotheek, eventuele erfpachtcanon en eigenaarslasten in het geval van een eigen woning, woonwagen of woonboot waarin hij of zij woont; - Wsf: Wet studiefinanciering 2000; - WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen - Wtos: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Artikel 2. Juridische grondslag 1. Het college kent op grond van artikel 35 van de Participatiewet bijzondere bijstand toe aan een alleenstaande of het gezin, indien zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze beleidsregels. 2. Voor begrippen die in deze beleidsregels worden gehanteerd, geldt de wettelijke betekenis, tenzij in deze beleidsregels een andere formulering is gegeven. 3. Wanneer bedragen en percentages in de wetten en regels waar in deze beleidsregels naar verwezen wordt, veranderen, dan veranderen de bedragen en percentages in deze beleidsregels gelijktijdig en op gelijke wijze. Artikel 3. Uitgangspunten Artikel 3.1. Algemene uitgangspunten 1. Het college beoordeelt de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de uitgangspunten van de Participatiewet, artikel 35 van de Participatiewet en deze beleidsregels. 2.Bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor kosten die in Nederland gemaakt zijn en aan Nederland verbonden zijn. Artikel 3.2. Bijzondere omstandigheden 1.Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt wanneer er bijzondere omstandigheden zijn die leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan. 2. Noodzakelijke kosten van het bestaan komen normaliter niet voor bijzondere bijstand in aanmerking omdat wordt verwacht dat de aanvrager daarin kan voorzien door te sparen of een lening aan te gaan. Wanneer het college echter oordeelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor niet van de aanvrager verwacht kan worden dat hij of zij voor deze noodzakelijke kosten had gereserveerd of hiervoor een lening aangaat, dan wordt bijzondere bijstand verstrekt. 3.De kosten voor alimentatie, de betaling van een boete, geleden of toegebrachte schade, premiebetaling en medische kosten zoals genoemd in artikel 14 van de Participatiewet komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, behalve wanneer het college oordeelt dat er sprake is van een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet. Artikel 3.3. Voorliggende voorzieningen 1.Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand wanneer er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, of als de betreffende kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd. 2. Als voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet wordt in ieder geval aangemerkt: a. de Wet langdurige zorg; b. de Zorgverzekeringswet; c.de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; d. de Wet op de rechtsbijstand; e.een persoonlijke lening, bijvoorbeeld bij de Kredietbank Amsterdam f.de wet op de huurtoeslag g.de Re-integratieverordening Participatiewet en de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet, voor zover het gaat om kosten van een re-integratievoorziening of om andere kosten voor arbeidsinschakeling. Artikel 3.4. Hoogte van de bijzondere bijstand 1. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand sluit het college aan bij de richtbedragen van de Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, die is opgenomen in bijlage 1. 2.De richtbedragen zoals genoemd in lid 1 worden elke drie jaar geïndexeerd, tenzij het college een reden ziet om van deze termijn af te wijken. 3.Voor de indexering van de richtbedragen zoals genoemd in lid 1 sluit de gemeente aan bij het alimentatie-indexeringspercentage van het Ministerie van Justitie. Artikel 3.5. Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening 1. Bijzondere bijstand wordt in principe verstrekt als gift. 2.Bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening wanneer: a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; of b.er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager, waardoor deze niet in staat is om zelf de gevraagde kosten te betalen, terwijl dat redelijkerwijs wel van hem of haar kon worden verwacht; of c.in de situatie als genoemd onder artikel 9.3 lid 3 en artikel 9.4 lid 1a en lid 2 van deze beleidsregels. 3. Wanneer in situaties, zoals genoemd in het tweede lid onder b, het verstrekken van een lening er toe zou leiden dat de aanvrager in zwaar problematische financiële omstandigheden dreigt te raken, verleent het college bijstand als gift. Artikel 4. Indienen van een aanvraag 1. De aanvraag voor bijzondere bijstand wordt schriftelijk of digitaal ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier. 2.Wanneer een schriftelijke of digitale aanvraag vanwege individuele omstandigheden niet mogelijk is, kan het college het recht op bijzondere bijstand ambtshalve vaststellen. 3.Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt, met uitzondering van hetgeen genoemd staat onder artikel 7.6 leden 2a en 2b, artikel 7.7. leden 1a en 1b en artikel 11 van deze beleidsregels. Artikel 5. Financiële draagkracht voor bijzondere bijstand Artikel 5.1. Hoe is de draagkracht opgebouwd? Wanneer de aanvrager een inkomen heeft boven de bijstandsnorm en/of in het bezit is van vermogen, dan moet de gemeente vaststellen welk gedeelte van dat inkomen en/of vermogen de aanvrager zelf kan gebruiken om de kosten te betalen. Dit wordt de financiële draagkracht genoemd. Het deel dat de aanvrager niet zelf kan betalen, vergoedt de gemeente vanuit de bijzondere bijstand. Artikel 5.1.1. Individuele inkomenstoeslag (IIT) en Studietoeslag 1. De individuele inkomenstoeslag (IIT) en de Studietoeslag worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht voor bijzondere bijstand. Artikel 5.1.2. Beslag en schulden 1. Aanvragers met een inkomen waarop executoriaal beslag ligt, worden geacht geen draagkracht te hebben. Aanvragers die aannemelijk kunnen maken dat op korte termijn executoriaal beslag wordt gelegd, worden eveneens geacht geen draagkracht te hebben. 2. Aanvragers die (a) in een wettelijke schuldsanering (WSNP) zitten, of (b) waar met behulp van een lening bij de Kredietbank Amsterdam of een Bbz lening (indien het een zelfstandige betreft) een minnelijke schuldsanering tot stand is gekomen, worden geacht vanaf aanvang van die sanering geen draagkracht te hebben. Artikel 5.1.3. Inkomen 1.Het vrij te laten inkomen zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid van de Participatiewet, wordt niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht. 2. Netto-inkomen dat lager is dan de bijstandsnorm plus €100,- (voor een alleenstaande) dan wel lager is dan de bijstandsnorm plus 300,- (voor een echtpaar) wordt niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht. 3.Netto-inkomen dat hoger is dan de in lid 2 genoemde bijstandsnorm plus € 100,- respectievelijk bijstandsnorm plus €300,- wordt voor 25% meegenomen bij de berekening van de draagkracht. 4a. In afwijking van lid 3 wordt het netto-inkomen dat meer is dan de in lid 2 genoemde bijstandsnorm plus € 100,- respectievelijk bijstandsnorm plus € 300,-, voor 60% meegenomen bij de berekening van de draagkracht wanneer de bijzondere bijstandsaanvraag betrekking heeft op de woonkostentoeslag voor een huurwoning (zie verder artikel 9.2 lid 2 van deze beleidsregels). 4b.In afwijking van lid 3 wordt het netto-inkomen dat meer is dan de in lid 2 genoemde bijstandsnorm plus € 100,- respectievelijk bijstandsnorm plus 300,-, geheel (100%) meegenomen bij de berekening van de draagkracht wanneer de bijzondere bijstandsaanvraag betrekking heeft op: a. de kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, en vergoeding van de eerste huur of waarborgsom, zoals bedoeld in de artikelen 7.1 en 7.2 van deze beleidsregels; of b.de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap, zoals bedoeld in artikel 7.7. van deze beleidsregels, of c.de woonkostentoeslag voor een eigen woning, zoals bedoeld in artikel 9.3 van deze beleidsregels. 5. Wanneer hier reden voor is, kunnen de bedragen genoemd in lid 2, 3 en 4 door de directeur Inkomen worden geïndexeerd. Artikel 5.1.4. Vermogen 1.Het vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid van de Participatiewet wordt vrijgelaten, tenzij de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op: a.een situatie waarin er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager; b.de kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, en vergoeding van de eerste huur of waarborgsom; of c.kosten waarvoor alleen om zeer dringende redenen bijzondere bijstand wordt verleend. 2.In de situaties zoals genoemd in het voorgaande lid 1a t/m 1c wordt van het in aanmerking te nemen vermogen een bedrag vrijgelaten ter hoogte van: a.2 maanden bijstandsnorm wanneer de aanvrager geen kinderen heeft; b.3 maanden bijstandsnorm wanneer de aanvrager wel één of meer kinderen heeft. 3. Wanneer de aanvrager beschikt of kan beschikken over vermogen waarvan de waarde de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, te boven gaat, dan wordt dit meervermogen in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht. Artikel 5.1.5. Overige bepalingen 1.Met het oog op het vaststellen van de financiële draagkracht gaat het college uit van het inkomen: a.over de drie kalendermaanden voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een aanvrager met sterk wisselende inkomsten, waaronder een aanvrager die als zelfstandige werkt; b.over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een zelfstandige en de hoogte van de inkomsten niet in redelijkheid is af te leiden uit de opgave over de drie maanden voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag; c.over de kalendermaand voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag in andere gevallen dan die bedoeld onder a en b. 2.Bij de draagkrachtberekening wordt alleen het inkomen en het vermogen van het individu of het gezin betrokken. Er wordt geen rekening gehouden met het inkomen en vermogen van andere inwoners of kostendelers. Artikel 5.2. De draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt berekend zoals is beschreven in artikel 5.1. en is dan geldig voor een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstandsaanvraag is gedaan. 2.De draagkrachtberekening zoals genoemd in lid 1 wordt gemaakt met het inkomen en het vermogen zoals die op het moment van de aanvraag aanwezig zijn. Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. Richtlijn hierbij is dat een inkomens- en/of vermogensdaling die ertoe leidt dat de aanvrager recht heeft op meer bijzondere bijstand altijd tot herberekening kan leiden. Een substantiële inkomensstijging kan ertoe leiden dat de aanvrager zijn of haar recht op de bijzondere bijstand verliest. Van een substantiële inkomens- of vermogensstijging is sprake wanneer het inkomen van de aanvrager toeneemt met 20% en/of wanneer het vermogen zodanig toeneemt dat dit boven de vermogensvrijlating zoals genoemd in artikel 34 lid 3 uitkomt Participatiewet. 3.Wanneer de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op periodieke kosten, dan ontvangt de aanvrager voor de betreffende periode iedere maand hetzelfde bedrag aan bijzondere bijstand. Artikel 6. Drempelbedrag Het college hanteert geen drempelbedrag voor de bijzondere bijstand. Artikel 7. Veel voorkomende kostensoorten Artikel 7.1. Duurzame gebruiksgoederen art. 7.1.1. Uitgangspunten duurzame gebruiksgoederen 1.De aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren in principe tot de algemene kosten van bestaan en moeten van het eigen inkomen worden betaald. 2.Wanneer er sprake is van een bijzondere situatie en er geen reserveringen zijn die aangewend kunnen worden, of mogelijkheden om een lening af te sluiten bij de Kredietbank Amsterdam, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt. De mate waarin dat moet gebeuren is afhankelijk van de problematiek en de individuele omstandigheden. Artikel 7.1.2. Woninginrichting 1. Wanneer de aanvrager een woning betrekt aansluitend op een periode van crisisopvang, verblijf in een inrichting of detentie, of vanwege een andere zwaarwegende sociale of medische reden, dan geldt dit als een bijzondere situatie en kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Artikel 7.1.3. Babyuitzet 1.Wanneer de aanstaande ouder door bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen sparen voor een (gedeeltelijke) babyuitzet, hiervoor geen beroep kan doen op familie of vrienden, en ook niet kan lenen bij de Kredietbank Amsterdam, dan is hiervoor bijzondere bijstand mogelijk. 2.Wanneer de ouder al een kind heeft, wordt ervan uit gegaan dat er nog duurzame goederen aanwezig zijn, of hadden moeten zijn. Artikel 7.2. Kosten in verband met verhuizing 1.Wanneer de aanvrager om sociale of medische redenen moet verhuizen, zonder dat er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, dan wordt dit gezien als een bijzondere situatie en kan bijzondere bijstand worden verstrekt conform de voorwaarden in deze beleidsregels 2.Aan aanvragers die vanuit een crisissituatie, een inrichting of detentie een huurwoning betrekken wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de eerste huur en de waarborgsom van deze woning. Artikel 7.3. Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in een inrichting of detentie 1.Wanneer een aanvrager tijdelijk is opgenomen in een inrichting worden, gedurende de periode van de opname, de kosten voor het aanhouden van de woning vergoed via de bijzondere bijstand. Het betreft hier de kosten voor de huur minus de huurtoeslag en de energiekosten met een maximum van zes maanden. 2.In principe moet een gedetineerde zelf maatregelen nemen voor doorbetaling van de woonlasten tijdens zijn of haar detentie. Alleen als dat niet mogelijk is, en ook huisbewaring geen oplossing biedt, kan in bijzondere gevallen bijzondere bijstand worden verstrekt na onderzoek door het college naar de noodzakelijkheid van de kosten. Bovendien mag de detentie naar verwachting niet langer dan 6 maanden duren. Artikel 7.4. Medische kosten 1. Premies voor zorgverzekeringen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. 2.Wanneer de aanvrager niet is aangesloten bij de collectieve verzekering van de gemeente Amsterdam maar bij een andere verzekeraar met een vergelijkbaar, aanvullend pakket en deze verzekering de kosten niet vergoedt in tegenstelling tot de collectieve verzekering van de gemeente Amsterdam, of tot een lager bedrag, dan wordt bijzondere bijstand verstrekt ter hoogte van de vergoeding van de collectieve ziektekostenverzekering van de gemeente Amsterdam, of een aanvulling tot dat bedrag. 3.De regeling tegemoetkoming meerkosten (Rtm) is bedoeld ter compensatie van de extra kosten die mensen met een chronische ziekte of beperking maken vanwege hun aandoening. Wanneer de vergoeding van de Rtm voor extra kledingwaskosten, kosten vanwege extra kledingslijtage, extra energiekostenen/of dieetkosten ontoereikend is, kan aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt. In alle in dit lid genoemde gevallen is een indicatie en advies van de GGD noodzakelijk. Artikel 7.5. Uitvaartkosten 1. Voor de kosten van een uitvaart in Nederland kunnen de nabestaanden bijzondere bijstand aanvragen, wanneer hun eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om deze kosten te dekken. De nabestaanden kunnen ieder voor zich in hun woonplaats bijzondere bijstand aanvragen voor hun aandeel in de kosten. Het aandeel wordt afgeleid van de richtprijs voor uitvaartkosten zoals genoemd in de Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, opgenomen in bijlage 1. 2. Kosten van en in verband met uitvaarten in het buitenland komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Artikel 7.6. Rechtsbijstand en griffierecht 1a.Voor de kosten van rechtsbijstand bij het voeren van een procedure die voor rekening komen van de burger (griffierecht, de eigen bijdrage rechtshulp, en andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak) wordt bijzondere bijstand verstrekt. Hierbij geldt als voorwaarde een positief advies van het Juridisch Loket of een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt. 1b. Kosten van contra-expertise komen niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking. 2a. In het geval van rechtsbijstand is het toegestaan om de bijzondere bijstand niet vooraf aan te vragen, maar uiterlijk binnen drie maanden na afgifte van de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand. 2b. Een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van griffierecht moet worden aangevraagd binnen drie maanden nadat de kosten bij betrokkene in rekening zijn gebracht. Ingeval er sprake is van professionele rechtshulp is de datum dat de kosten in rekening zijn gebracht gelijk aan de ontvangstdatum van het maandelijkse rekeningcourant overzicht. Artikel 7.7. Bewindvoering, curatele en mentorschap 1a.Voor de kosten van een curator, bewindvoerder en mentor kan bijzondere bijstand worden aangevraagd. Als de rechtbank het bewind heeft uitgesproken komen de kosten in aanmerking voor bijzondere bijstand. Wanneer de aanvraag voor deze kosten is gedaan binnen drie maanden na de datum van de uitspraak door de rechter, wordt met de bijstandsverlening aangesloten bij de ingangsdatum van de bewindvoering, mentorschap of curatele. Voor aanvragen die later dan drie maanden na de uitspraak worden gedaan, telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum. 1b. Wanneer de aanvraag tot verlenging van de vergoeding bijzondere bijstand voor bewindvoering, curatele of mentorschap is gedaan binnen drie maanden na de einddatum van de vorige toekenning, dan wordt met de bijstandsverlening aangesloten bij de einddatum van de vorige toekenning. Voor aanvragen die later dan drie maanden na de einddatum van de vorige toekenning worden gedaan, telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum. 2. Voor budgetbeheer wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. 3. Voor WSNP-bewindvoerdersloon wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. 4.Wanneer een onder bewind, mentorschap of curatele gestelde burger een inkomen op bijstandsniveau heeft, wordt bijzondere bijstand verstrekt voor het loon van de bewindvoerder, mentor of curator en voor de eenmalige extra kosten. Deze eenmalige extra kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als deze zijn bekrachtigd door de rechter. Berekening van een hoger tarief vanwege problematische schulden is toegestaan wanneer de rechtbank Amsterdam dit in de beschikking heeft opgenomen. 5. Wanneer de aanvrager die onder curatele is gesteld, zelf om de curatele heeft verzocht, komen de kosten voor publicatie in de landelijke dagbladen in aanmerking voor bijzondere bijstand. 6. Voor de vergoeding van de tarieven sluit de gemeente aan bij de “Regeling indexering beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren” zoals deze jaarlijks wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 7.8. Reiskosten 1. Alleen in bijzondere omstandigheden wordt voor reiskosten bijzondere bijstand toegekend. De (aanvullende) zorgverzekering, Wlz en de WMO gelden hierbij als voorliggende voorziening. 2. Een reiskostenvergoeding wordt verstrekt op basis van openbaar vervoer 2e klas, zo mogelijk met gebruikmaking van kortingskaarten. Er wordt geen vergoeding gegeven voor kosten van openbaar vervoer binnen Amsterdam voor de eerste 2 zones. 3.De vergoeding is op basis van het openbaar vervoer, maar mag ook voor een andere vorm van vervoer worden gebruikt. Ook kan in overleg met de aanvrager desgewenst worden besloten de aanschaf van een tweede handsfiets via Pantar te vergoeden. 4. Wanneer de reiskosten voor noodzakelijk ziekenbezoek niet worden vergoed door de voorliggende voorziening, en het bezoek een bijzondere omstandigheid is, dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. De reiskosten voor het bezoek worden in dat geval vergoed voor familieleden tot en met de tweede graad, voor zover ze buiten de stadsgrenzen moeten worden gemaakt. 5a. De reiskosten voor vervoer van en naar een inrichting komen alleen in bijzondere gevallen voor bijzondere bijstand in aanmerking. Hierbij is een individuele toelichting van de inrichting vereist. 5b. Voor de meerkosten van het vervoer van en naar de Prinsenstichting wordt voor inwoners van Amsterdam bijzondere bijstand verstrekt. De betaling wordt jaarlijks op declaratiebasis aan de Prinsenstichting verstrekt. 6a. In geval van detentie van een gezinslid wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de reiskosten binnen Nederland voor een bezoek van 1 x per maand per achterblijvend gezinslid. 6b. Wanneer de gedetineerde in een halfopen of open inrichting verblijft, komen de reiskosten voor familiebezoek niet voor vergoeding in aanmerking. 6c.In het geval van bijzondere psychosociale of sociale omstandigheden die aantoonbaar aanleiding zijn om de gedetineerde vaker te bezoeken, wordt bijzondere bijstand verstrekt. 7.Voor reiskosten in verband met deelname aan een re-integratietraject of activiteiten gericht op arbeidsinschakeling is een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in artikel 2.3 en 2.4 van de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet een voorliggende voorziening. Voor iemand aan wie het college ondersteuning biedt bij arbeidsinschakeling vormt ook een zogenoemde vervoersvoorziening een aan de bijzondere bijstand voorliggende voorziening volgens artikel 3.4 van de Re-integratieverordening Participatiewet. Artikel 7.9. [Vervallen] Artikel 8. [Vervallen] Artikel 9. Woonkostentoeslag Artikel 9.1 Uitgangspunten woonkostentoeslag 1. Wanneer een aanvrager een huurwoning of eigen woning heeft met hoge woonkosten, kan het college op grond van individuele omstandigheden, in het bijzonder in het geval van een niet voorzienbare inkomensdaling, bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een tijdelijke woonkostentoeslag. Het kan hierbij ook gaan om een woonwagen of een woonboot in huur of eigendom. 2a. De woonkostentoeslag wordt verleend voor maximaal twaalf maanden, met daarbij de verplichting voor de aanvrager om zo snel mogelijk goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de financiële middelen en de woonkosten meer met elkaar in evenwicht te brengen. 2b. De toekenning van de woonkostentoeslag kan na afloop van twaalf maanden éénmalig worden verlengd met maximaal zes maanden wanneer daar aanleiding voor is, gezien iemands inzet voor lagere woonlasten of hogere inkomsten, en zijn of haar overige omstandigheden. 3a. Wanneer iemand woonkostentoeslag ontvangt, vindt iedere drie maanden een persoonlijk gesprek plaats met de betrokkene, omdat zonder deze gesprekken de noodzaak van de woonkostentoeslag niet kan worden vastgesteld. 3b.Wanneer de aanvrager onvoldoende meewerkt aan de voorwaarden zoals genoemd in de voorgaande leden 2 en 3a kan de woonkostentoeslag worden beëindigd of van verlenging worden afgezien. 4.Bij de berekening van de woonkostentoeslag wordt geen rekening gehouden met kostendelers. Artikel 9.2 Woonkostentoeslag voor een huurwoning 1. Wanneer een aanvrager een huurwoning bewoont waarvoor de kale huur lager dan of gelijk is aan de maximale huurgrens (zie artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag), dan geldt de huurtoeslag als een voorliggende voorziening die als toereikend wordt beschouwd en is er geen recht op woonkostentoeslag. 2a. Wanneer de aanvrager een huurwoning bewoont waarvan de kale huur hoger is dan de maximale huurgrens en lager of gelijk is aan € 1.900,- per maand, dan wordt de woonkostentoeslag als volgt berekend: Op de kale huur worden de volgende posten in mindering gebracht: (1).het bedrag van de maximale huurgrens volgens artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag); (2)de financiële draagkracht zoals genoemd in artikel 5.1.3. lid 4a van deze beleidsregels. Voor het resterende bedrag kan woonkostentoeslag worden verleend. 2b.Wanneer de aanvrager een huurwoning bewoont waarvan de kale huur hoger is dan € 1.900,- per maand, dan wordt het meerdere boven deze € 1.900,- per maand niet meegenomen in de onder lid 2a genoemde berekening van de woonkostentoeslag. De berekening van de woonkostentoeslag is dan als volgt: Op de kale huur worden de volgende posten in mindering gebracht: (1) het bedrag aan maandelijkse kale huur dat meer is dan € 1.900,-; (2) het bedrag van de maximale huurgrens volgens artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag); (3) (de financiële draagkracht zoals genoemd in artikel 5.1.3. lid 4a van deze beleidsregels. Voor het resterende bedrag kan woonkostentoeslag worden verleend. Artikel 9.3 Woonkostentoeslag voor een eigen woning 1a. Het college beschouwt de woonkosten van een aanvrager tot een bedrag van € 410,- per maand (bedrag 2026) als algemene kosten van bestaan. De woonkosten moeten tot dit bedrag van het eigen inkomen worden betaald. Wanneer de woonkosten meer bedragen dan dit bedrag, kan de aanvrager recht hebben op woonkostentoeslag. 1b. Het bedrag genoemd onder lid 1a van dit artikel wordt jaarlijks berekend op basis van de Wet op de huurtoeslag, en afgerond op een bedrag van € 10,-. 2a. Voor de berekening van de woonkostentoeslag voor een eigen woning wordt uitgegaan van het bedrag van de maandelijkse hypotheekrente en, indien van toepassing, erfpachtcanon, vermeerderd met een bedrag van € 125,- per maand (bedrag 2026) voor de overige eigenaarslasten. Wanneer dit totaalbedrag niet meer bedraagt dan € 1.900,- per maand kan, na aftrek van zowel (1) het van toepassing zijnde bedrag zoals genoemd onder lid 1a van dit artikel 9.3. als (2) de aanwezige financiële draagkracht zoals genoemd in artikel 5.1.3. lid 4b van deze beleidsregels, woonkostentoeslag worden verleend. 2b. Wanneer het totaalbedrag zoals genoemd onder voorgaand lid 2a meer bedraagt dan € 1.900,- per maand, dan wordt het meerdere boven het bedrag van € 1.900,- per maand niet meegenomen in de berekening van de woonkostentoeslag. 2c. Het bedrag voor de overige eigenaarslasten zoals genoemd in het voorgaande lid 2a wordt jaarlijks geïndexeerd. Hiervoor sluit de gemeente aan bij het alimentatie-indexeringspercentage van het Ministerie van Justitie. 3 Wanneer de aanvrager een woning heeft waarvan de overwaarde uitgaat boven een bedrag van € 235.000,- dan wordt de woonkostentoeslag verstrekt als lening. Artikel 9.4 Aanvraag woonkostentoeslag door een zelfstandige 1a.Wanneer de aanvraag voor woonkostentoeslag (mede) wordt ingediend door een zelfstandige, wordt de aanspraak op woonkostentoeslag beoordeeld volgens de regels van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). 1b. Bij de berekening zoals genoemd in lid 1a worden de bedragen gehanteerd zoals hiervoor genoemd in artikel 9.2 lid 1 (de maximale huurgrens), artikel 9.3 leden 1a en 1b (€ 410,- per maand (bedrag 2026)), en artikel 9.3 leden 2a en 2c (het bedrag van de maandelijkse hypotheekrente en (indien van toepassing) erfpachtcanon, vermeerderd met een bedrag van € 125,- per maand (bedrag 2026) voor de overige eigenaarslasten). 2.De woonkostentoeslag wordt verstrekt overeenkomstig de systematiek van artikel 10, 11, 12 en 19 van het Bbz 2004. 3.Artikel 9.1 lid 2a en lid 2b en artikel 9.3 lid 3 zijn bij zelfstandigen niet van toepassing. Artikel 10. Collectieve zorgverzekering 1a. Het college biedt, anders dan bepaald in artikel 5.1.3 en 5.1.4, aan degene die volgens de Beleidsregels Stadspas recht heeft op een Stadspas, een collectieve zorgverzekering aan die bestaat uit een basisverzekering zonder eigen bijdrage in combinatie met een of meer aanvullende zorgverzekeringen. 1b. Het college biedt, anders dan bepaald in artikel 5.1.3 en 5.1.4, aan degene die onderwijs volgt in de zin van hoofdstuk 2 van de Wsf of hoofdstuk 4 van de Wtos een collectieve ziektekostenverzekering aan zoals bedoeld in voorgaand lid 1a, wanneer diegene voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de Stadspas volgens de Beleidsregels Stadspas, met uitzondering van toepassing van artikel 4, lid 1 van deze Beleidsregels Stadspas. 2.Het college bepaalt jaarlijks of er een bijdrage in de premie van de aanvullende collectieve zorgverzekering wordt verstrekt, en voor zover van toepassing, de hoogte van de bijdrage. 3.De deelname aan de collectieve zorgverzekering wordt op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar beëindigd indien tussentijds blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de inkomensvoorwaarden en/of de persoon niet meer woonachtig is in Amsterdam. Artikel 11. Calamiteiten 1.Wanneer zich een ernstige calamiteit voordoet, kan het college het recht op bijzondere bijstand voor de getroffen groep ambtshalve vaststellen. 2.Wanneer zich een ernstige calamiteit voordoet en de situatie van de getroffen groep dit vereist, kan het college tijdelijk van deze beleidsregels bijzondere bijstand afwijken. 3.De directeur Inkomen kan vaststellen wanneer het voorgaande lid 3a en 3b van toepassing zijn. Artikel 12. Hardheidsclausule In afwijking van deze beleidsregels kan het college bijzondere bijstand verlenen aan een persoon die geen recht heeft op bijzondere bijstand indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn. Toelichting Artikel 1 – Definities - Beslag: Tot nog toe was in de beleidsregels bijzondere bijstand van Amsterdam niet vastgelegd hoe de gemeente bij de berekening van de draagkracht voor bijzondere bijstand omgaat met beslag. In deze beleidsregels is de werkwijze omtrent beslag wel meegenomen (zie ook art. 5.1.2 lid 1). -Bijstandsnorm: Bij de draagkrachtberekening bijzondere bijstand (zie artikel 5 van deze beleidsregels) wordt de alleenstaandennorm (artikel 21 Participatiewet onder a) ook als bijstandsnorm gehanteerd wanneer het gaat om: 1. een aanvrager die verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 23 Participatiewet; 2. een aanvrager die dak- of thuisloos is zoals bedoeld in artikel 27 Participatiewet en artikel 2.2 van de gemeentelijke Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ; 3.een jongere van 18, 19 of 20 jaar van wie de bestaanskosten uitgaan boven de jongerennorm (artikel 20 Participatiewet) en die redelijkerwijs geen financieel beroep kan doen op zijn of haar ouders. - Wanneer de aanvrager een partner heeft, hanteren we de gezinsnorm (artikel 21 Participatiewet onder b). - Wanneer de aanvrager pensioengerechtigd is, hanteren we de norm voor pensioengerechtigden (artikel 22 Participatiewet). - De eigen bijdrage van de aanvrager die in een inrichting verblijft (CAK-bijdrage of bijdrage Wlz) wordt bij de draagkrachtberekening bijzondere bijstand niet vrijgelaten. -Inkomen: In deze beleidsregels wordt het inkomensbegrip in artikel 32 van de Participatiewet, in artikel 6 van de Bbz, en artikel 3.18 Wsf als uitgangspunt genomen, met daarbij twee uitzonderingen: -art. 32 lid 2 Participatiewet wordt niet meegenomen. Dit betekent dat zgn. “uitgesteld inkomen”, zoals vakantiegeld en een eindejaarsuitkering, niet meetelt bij het inkomensbegrip (en daarmee ook niet meetelt bij de berekening van de draagkracht). -de heffingskortingen zoals bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden niet als inkomen in aanmerking genomen. Ook een (voorlopige) teruggaaf van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt niet bij het draagkrachtinkomen betrokken. Veelal gaat het hierbij om de hypotheekrenteaftrek. Hiermee wordt de draagkrachtberekening vereenvoudigd, in het voordeel van de aanvrager. -Vermogen: In deze beleidsregels wordt het vermogensbegrip in artikel 34, eerste lid van de Participatiewet en artikel 7 van de Bbz als uitgangspunt genomen, met daarbij als uitzondering dat de overwaarde van de eigen woning tot een bedrag van € 235.000,-1 niet als vermogen in aanmerking wordt genomen. Wanneer de overwaarde meer is dan € 235.000,- dan wordt het meerdere beschouwd als voorliggende voorziening cf. artikel 3.3. van deze beleidsregels. De reden voor deze uitzondering is dat de overwaarde van een eigen woning in Amsterdam dusdanig hoog is, dat, zonder deze uitzondering, woningbezitters in de praktijk zouden zijn uitgesloten van bijzondere bijstand, ook als zij aan de overige voorwaarden zoals genoemd in deze beleidsregels zouden voldoen.Wanneer een aanvrager een aanvraag doet voor de woonkostentoeslag, kan de overwaarde van de woning wel reden zijn om de bijzondere bijstand in dat geval toe te kennen in de vorm van een lening (zie artikel 9.3 lid 3 van deze beleidsregels). Artikel 2 - Juridische grondslag Lid 3: In een aantal gevallen staat achter bedragen in deze beleidsregels een peiljaar genoemd of wordt er verwezen naar een wetsartikel. Dit lid 3 zorgt ervoor dat in latere jaren steeds de bedragen en percentages van het desbetreffende jaar van toepassing zijn. Artikel 3.1 - Algemene uitgangspunten In paragraaf 2.2 (artikelen 11 tot en met 16) van de Participatiewet staan de algemene voorwaarden voor het recht op (bijzondere) bijstand. Lid 2 geldt niet als de bijzondere kosten gemaakt zijn voor tijdelijk verblijf in een inrichting in het buitenland en in Nederland geen goed alternatief aanwezig is. Artikel 3.2 - Bijzondere omstandigheden Lid 1 geeft aan dat het alleen mogelijk is bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke kosten wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Lid 2: Voor kosten die als algemene noodzakelijke kosten worden beschouwd, geldt in principe dat de aanvrager deze zelf moet betalen, door hiervoor te sparen (de reserveringsplicht) of door gebruik te maken van een lening. Het is afhankelijk van de individuele situatie van de aanvrager of de omstandigheden, en daarmee de kosten, als bijzonder en als noodzakelijk kunnen worden beschouwd. Lid 3 beschrijft een aantal kostensoorten waarvan wettelijk bepaald is dat deze niet noodzakelijk zijn, maar deze opsomming is niet limitatief. Voor deze kostensoorten is dus geen bijzondere bijstand mogelijk, tenzij hier een zeer dringende reden voor is. Artikel 3.3 - Voorliggende voorzieningen Artikel 15 van de Participatiewet bepaalt dat er geen recht op bijstand bestaat wanneer de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die toereikend en passend is. Het recht op bijzondere bijstand geldt ook niet voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd. Lid 2 onder e: Het is niet voor elke kostensoort mogelijk en/of noodzakelijk om aanvragers door te verwijzen naar de Kredietbank Amsterdam. Een lening bij de Kredietbank kan een voorliggende voorziening zijn bij: -duurzame gebruiksgoederen, waaronder ook een babyuitzet -kosten van een waarborgsom en/of de eerste huur -incidentele algemene bestaanskosten Artikel 3.4 - Hoogte van de bijzondere bijstand Lid 1: Voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand zijn richtbedragen vastgelegd. De richtbedragen voor een groot aantal kostensoorten zijn terug te vinden in de Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam, die als bijlage 1 onderdeel is van deze beleidsregels. Lid 2: De eerstkomende indexering vindt plaats op 1 januari 2029. Artikel 3.5 - Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening Lid 1: Bijzondere bijstand wordt in principe verstrekt als gift. Artikel 48 tweede lid van de Participatiewet biedt echter de mogelijkheid om in een aantal gevallen bijzondere bijstand te verstrekken in de vorm van een lening . In Amsterdam verstrekken we bijzondere bijstand in de vorm van een lening in de volgende gevallen: Lid 2 a: wanneer iemand bijzondere bijstand aanvraagt, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende geld zal beschikken om zelf in de gevraagde kosten te voorzien; Lid 2 b en lid 3: Het komt voor dat bijstandsverlening onvermijdelijk is, maar dat de oorzaak daarvan de aanvrager is aan te rekenen. Er is dan sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarbij de aanvrager door eigen toedoen in een situatie raakt die bijstandsverlening noodzakelijk maakt. In deze gevallen kan de bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een lening. Alleen wanneer de aanvrager in zwaar problematische financiële omstandigheden dreigt te raken, kan het college ervoor kiezen om de bijzondere bijstand toch als gift te verstrekken, maar dan alleen voor de strikt noodzakelijke kosten. Lid 2c: In de onder artikel 9.3 lid 3 en artikel 9.4 lid 1a en lid 2 van deze beleidsregels genoemde gevallen kan een woonkostentoeslag in de vorm van een lening worden verstrekt. Artikel 4 - Indienen van een aanvraag lid 2: Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet normaliter worden ingediend met een vastgesteld digitaal of papieren formulier. Wanneer dit door individuele omstandigheden niet mogelijk is (bijvoorbeeld door een acute ziekenhuisopname waardoor de betrokkene niet kan handelen), dan kan het recht op bijzondere bijstand ambtshalve worden vastgesteld en toegekend, dus zonder dat de burger zelf een aanvraag heeft gedaan of iemand heeft kunnen machtigen om een aanvraag voor hem of haar te doen. Lid 3. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend vóórdat de kosten worden gemaakt. Hierop zijn uitzonderingen, deze staan in artikel 7.6 (Rechtsbijstand en griffierecht) lid 2, artikel 7.7. (Bewindvoering, curatele en mentorschap) lid 1 en artikel 11 (Calamiteiten). Op Externe link:www.Amsterdam.nl / Bijzondere bijstand leest u hoe u een aanvraag kunt indienen. Artikel 5.1 – Hoe is de draagkracht opgebouwd? Artikel 5.1.2 – Beslag en schulden Lid 1: Tot nog toe was in de beleidsregels bijzondere bijstand van Amsterdam niet vastgelegd hoe de gemeente bij de berekening van de draagkracht voor bijzondere bijstand omgaat met beslag. In deze beleidsregels is de werkwijze omtrent beslag wel meegenomen, en, naar aanleiding van een uitspraak van de rechter2 iets uitgebreid. Deze uitbreiding houdt in dat niet alleen aanvragers met een inkomen waarop beslag ligt, geacht worden geen draagkracht te hebben, maar dat ook aanvragers die aannemelijk kunnen maken dat op korte termijn beslag wordt gelegd, worden geacht geen draagkracht te hebben. Lid 2: Er bestaat een verschil tussen de draagkrachtberekening voor de bijzondere bijstand en het vrij te laten bedrag bij een (minnelijke) schuldsanering. Een gevolg hiervan kan zijn dat voor sommige aanvragers de aanvraag bijzondere bijstand zou moeten worden afgewezen, terwijl zij volgens de berekening van de Kredietbank of de WSNP géén bestedingsruimte hebben boven het vrij te laten bedrag. Dit doet zich met name voor bij aanvragers die een hoger inkomen hebben dan bijstandsniveau. Door het opnemen van lid 2 wordt dit probleem ondervangen. Artikel 5.1.3 – Inkomen Lid 1: De Participatiewet geeft in artikel 31, tweede lid, aan dat inkomensbestanddelen zoals de huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag e.d. niet moeten worden meegerekend bij de vaststelling van (algemene) bijstand. Aangezien deze inkomensbestanddelen als voorliggende voorziening worden beschouwd (zie artikel 3.3. lid 2 van deze beleidsregels) moeten ze bij de draagkrachtberekening niet opnieuw worden meegenomen. Lid 2 : Bij de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand wordt het inkomen dat de geldende bijstandsnorm te boven gaat, tot een bedrag van € 100,- (voor een alleenstaande) dan wel 300,- (voor een echtpaar) altijd vrijgelaten. Deze vrijlating heeft tot doel de armoedeval te beperken: aanvragers met een inkomen tot iets boven de bijstandsnorm hoeven zo niet meteen al hun meerinkomen aan bijzondere kosten te besteden. Lid 3 en 4: Het meerinkomen hoger dan € 100,- respectievelijk € 300,- wordt in principe voor 25% als draagkracht meegeteld. - In een aantal gevallen is de bijzondere bijstand in feite een toeslag op de norm, bedoeld voor specifieke noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten en woonkostentoeslag. In die gevallen moet het meerinkomen boven de vrijlating van € 100,- respectievelijk € 300,- volledig meegeteld worden bij de berekening van de draagkracht. Ook bij kosten voor financiële dienstverlening, zoals bewindvoering, curatele en mentorschap moet het meerinkomen boven de vrijlating van € 100,- respectievelijk 300,- volledig gebruikt worden. Meestal is iemand namelijk zelf in staat zijn of haar financiën te regelen, waarmee de kosten voor financiële dienstverlening in feite onderdeel uitmaken van de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. - Met ingang van 1 januari 2026 is de Wet op de huurtoeslag veranderd en dit had consequenties voor de Amsterdamse woonkostentoeslag voor huurders met een huur boven de maximale huurgrens (Wet op de huurtoeslag art. 13 lid 1a) en voor hun draagkracht. Om die reden wordt voor de woonkostentoeslag voor deze groep huurders met ingang van 1 januari 2026 een draagkrachtpercentage van 60% gehanteerd. Artikel 5.1.4 – Vermogen Lid 1 en 2: Wanneer het vermogen van de aanvrager lager is dan de vermogensgrenzen die worden genoemd in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet (2026: voor een alleenstaande: € 8.000,-, voor een echtpaar of alleenstaande ouder: € 16.000,-), wordt het normaliter niet meegerekend bij de berekening van de draagkracht voor bijzondere bijstand. In lid 1a t/m 1d wordt een aantal uitzonderingen op deze regel benoemd. In deze uitzonderingssituaties wordt het vermogen wél meegerekend bij de draagkracht, maar hierbij wordt een deel vrijgelaten (zie lid 2) om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud. Hierbij is gekozen voor een bedrag ter hoogte van 2 bijstandsnormen voor een alleenstaande of gezin zonder kinderen tot 18 jaar. Wanneer de aanvrager wél één of meer kinderen (tot 18 jaar) heeft, worden 3 bijstandsnormen vrijgelaten. Het is namelijk niet wenselijk dat ouders verplicht worden om middelen die nodig zijn voor de reguliere uitgaven voor hun kinderen, in te zetten voor bijzondere kosten. Lid 3: Wanneer de aanvrager vermogen heeft dat meer is dan de vermogensvrijlating die wordt genoemd in artikel 34, derde lid van de Participatiewet, dan rekent de gemeente dit meervermogen volledig mee bij de berekening van de draagkracht. Artikel 5.1.5 – Overige bepalingen Lid 1: De draagkracht wordt vastgesteld op basis van het laatst bekende inkomen en wordt dan voor een jaar vastgesteld. Net als bij aanvragers met wisselende inkomsten uit loondienst gaan we bij zelfstandigen, waaronder ZZP’ers, uit van de laatste drie maanden aan inkomsten indien de aanvrager de hoogte van dit inkomen in redelijkheid kan doorgeven bij de aanvraag. Soms is dit echt niet mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de aanvrager geen goed inzicht heeft in het inkomen of wanneer er sprake is van lange betaaltermijnen en zeer wisselende kosten. Dan kan ervoor worden gekozen om uit te gaan van het inkomen zoals vermeld in de belastingaangiftes over het meest recente afgesloten kalenderjaar. Lid 2: Bij de berekening van de draagkracht wordt het inkomen en vermogen van andere inwoners of kostendelers niet meegeteld. De kostendelersnormen zijn bedoeld om optredende schaalvoordelen met betrekking tot de bestaanskosten te verrekenen. Met de toepassing van de kostendelersnorm worden die schaalvoordelen al afdoende verrekend. Artikel 5.2 - De draagkrachtperiode Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt het college het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking worden genomen. Lid 1: Om te voorkomen dat er bij het vaststellen van de draagkracht voor bijzondere bijstand met delen van maanden moet worden gerekend, wordt de draagkracht berekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstandsaanvraag is gedaan. Een (periodieke) toekenning gaat dan ook in per de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan. Lid 2: Als het gaat om een wijziging van het inkomen of vermogen, heeft de aanvrager een inlichtingenplicht (artikel 17 van de Participatiewet). Lid 3: Wanneer de aanvrager periodieke kosten heeft, wordt de bijzondere bijstand per maand toegekend. Het totaalbedrag aan bijzondere bijstand waar de aanvrager recht op heeft, wordt naar rato verdeeld over het aantal maanden dat de periodieke kosten zich voordoen, met een maximum van twaalf maanden. Na 12 maanden vindt zo nodig een nieuwe toekenning plaats. Artikel 6 - Drempelbedrag Artikel 35 lid 2 Participatiewet geeft de gemeente de mogelijkheid een drempel te stellen, wat wil zeggen dat bedragen onder een bepaalde hoogte niet worden vergoed. De gemeente Amsterdam hanteert geen drempel voor de bijzondere bijstand. Artikel 7.1 - Duurzame gebruiksgoederen art. 7.1.1 - Uitgangspunten duurzame gebruiksgoederen Lid 1: Van de aanvrager wordt verwacht dat hij of zij voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen geld reserveert, geld leent bij de Kredietbank Amsterdam of gebruik maakt van gespreide betaling achteraf. Artikel 7.1.3 - Babyuitzet lid 1: Babyspullen zijn duurzame gebruiksgoederen. Dit betekent dat de kosten hiervoor in principe uit het eigen inkomen betaald moeten worden of dat de aanstaande ouder hiervoor een lening aangaat bij de Kredietbank Amsterdam of een beroep doet op ouders of familie. Alleen wanneer de aanvrager hier door bijzondere omstandigheden niet toe in staat is, wordt bijzondere bijstand verstrekt. Artikel 7.2 - Kosten in verband met verhuizing Lid 1 en 2: Voorbeelden van een verhuizing in een bijzondere situatie zijn: - mensen die uit de crisisopvang komen en opnieuw moeten beginnen, zoals mensen die uit de opvang van Blijfgroep Vrouwenopvang Amsterdam komen, slachtoffers van eerwraak, mensenhandel of huiselijk geweld; - voormalige dak- en thuislozen; - mensen die na een langdurige verblijf in een verzorgings- of verplegingshuis weer zelfstandig gaan wonen en onvoldoende middelen hebben om deze verhuizing te betalen; - mensen die na een langdurige detentieperiode een zelfstandige woning betrekken; - jongeren die vanuit een crisissituatie zelfstandig gaan wonen; - vluchtelingen met een voorlopige status die in Amsterdam gehuisvest worden (statushouders). Deze opsomming is niet limitatief. Personen die vanuit zo’n situatie een zelfstandige woning betrekken, zijn in de meeste gevallen niet in staat geweest om geld te reserveren voor de noodzakelijke kosten die met het betrekken van een nieuwe woning gepaard gaan. Om die reden wordt bijzondere bijstand verstrekt. Artikel 7.3 – Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in een inrichting of detentie Lid 2: Voorbeelden van redenen waarom het college kan besluiten om geen bijzondere bijstand te verstrekken voor doorbetaling van de vaste lasten tijdens detentie: - de aanvrager zou de woning om andere redenen dan de detentie niet behouden; - de gedetineerde kan bij een partner met een woning intrekken; - de situatie heeft zich al meerdere keren voorgedaan. Huisbewaring houdt in dat iemand tijdelijk als huisbewaarder legaal in een woning woont, met toestemming van de verhuurder of eigenaar. Artikel 7.4 - Medische kosten Lid 3.: De Regeling tegemoetkoming meerkosten (Rtm) maakt deel uit van de WMO (artikel 2.1.7) en is bedoeld ter compensatie van de extra kosten die mensen met een chronische ziekte of beperking maken vanwege hun aandoening. Het gaat hier om extra kosten op het gebied van maaltijdvoorziening, waskosten voor kleding, kosten vanwege extra kledingslijtage, energiekosten en kosten voor het aanschaffen van speciale voedingsmiddelen in verband met een dieet. Deze vergoeding kan alleen worden toegekend na indicatie en advies door de GGD. Wanneer de vergoeding van de Rtm voor de extra kledingwaskosten, kosten vanwege extra kledingslijtage, extra energiekosten en/of dieetkosten ontoereikend is, kan in bijzondere gevallen aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt. Ook hiervoor is een indicatie en advies van de GGD noodzakelijk. Extra bijzonder bijstand bovenop de Rtm-vergoeding voor maaltijdvoorziening is niet mogelijk. Artikel 7.5 - Uitvaartkosten Lid 1: De kosten voor een uitvaart kunnen sterk variëren. Binnen redelijke grenzen wordt rekening gehouden met de persoonlijke voorkeur van de betrokkenen. Artikel 7.6 - Rechtsbijstand en griffierecht Lid 1a: Denk bij andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak bijvoorbeeld aan reiskosten, kosten van de dagvaarding, en kosten van getuigen of deskundigen. Lid 1b: In een beroepszaak kan de rechter contra-expertise vorderen. Deze kosten worden dan door justitie gedragen en komen daarom niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking. Artikel 7.7 - Bewindvoering, curatele en mentorschap lid 1a en 1b : Normaliter moet bijzondere bijstand van te voren worden aangevraagd (zie art. 4). Omdat de bewindvoerder, mentor of curator pas kennis kan nemen van de hoogte van het inkomen van de onder bewind gestelde na de uitspraak van de rechter en na inventarisatie en beoordeling van de financiële gegevens, is het redelijk dat deze aanvragen voor bijzondere bijstand, en de verlenging hiervan, met enige terugwerkende kracht, namelijk drie maanden, kunnen worden gedaan. Lid 5: Curatele dient gepubliceerd te worden in ten minste twee landelijke dagbladen. De kosten daarvan horen gedragen te worden door degene die het verzoek tot onder curatelestelling heeft gedaan. Wanneer de onder curatele gestelde hier zelf om heeft verzocht, dient hij zelf die kosten te betalen. Bij onvoldoende middelen is dan bijzondere bijstand mogelijk. Lid 6: Bij de vergoeding van deze tarieven wordt betaald naar rato van het aantal dagen van de betreffende maand. Dit speelt met name bij nieuwe aanvragen die gedurende de loop van de maand toegekend worden. Artikel 7.8 - Reiskosten Lid 3: De reisvergoeding hoeft niet perse voor openbaar vervoer gebruikt te worden, maar kan bijvoorbeeld ook worden gebruikt om een carpoolpartner te betalen. De aanvrager moet wel aannemelijk kunnen maken dat hij of zij daadwerkelijk reist. Bij vergoeding van een fiets wordt aangesloten bij de mogelijkheid om een tweedehands fiets te kopen zoals deze voor houders van de Stadspas Amsterdam bestaat. De kosten voor zo’n tweedehandsfiets via Pantar kunnen worden vergoed indien die kosten niet hoger uitvallen dan wat aan openbaar vervoer vergoed had kunnen worden voor hetzelfde reisdoel. Ook wanneer de aanvrager geen Stadspas heeft, is de vergoeding mogelijk. Lid 4: In de meeste aanvullende verzekeringspakketten zijn vergoedingen opgenomen voor de reiskosten die gemaakt worden voor ziekenbezoek. Daarnaast is er de mogelijkheid om deze kosten terug te vragen bij de belastingdienst. Ziekenbezoek wordt daarom normaliter niet vergoed uit de bijzondere bijstand, tenzij het noodzakelijk bezoek een bijzondere omstandigheid is. Advies van de instelling over de frequentie van het bezoek is gewenst. Lid 5a: Voor het vervoer van en naar een inrichting gelden de (aanvullende) zorgverzekering, de Wlz en de WMO als voorliggende voorziening. Daarom wordt alleen in bijzondere gevallen bijzondere bijstand verstrekt, zoals bijvoorbeeld voor reiskosten i.v.m. weekendverlof in het geval van resocialisatie. Lid 5b: De Prinsenstichting bevindt zich in Purmerend, maar neemt cliënten op uit Amsterdam. Omdat de Wlz-vergoeding voor het vervoer van en naar de stichting niet toereikend is, komen inwoners van Amsterdam in aanmerking voor bijzondere bijstand voor de meerkosten van het vervoer. Lid 6a: De regelingen van het Ministerie van Justitie gelden als voorliggende voorziening voor vervoer vanuit detentie. Daarnaast zijn gedetineerden uitgesloten van bijstand. Bijzondere bijstand voor hun reiskosten is daarom niet aan de orde. Omdat detentie van een gezinslid is op te vatten als een bijzondere omstandigheid, kan voor het gezin bijzondere bijstand worden verstrekt voor de reiskosten binnen Nederland voor een bezoek van 1 x per maand per achterblijvend gezinslid. 6b: Wanneer de gedetineerde in een halfopen of open inrichting verblijft, kan hij of zij zelf reizen. Reiskosten voor familiebezoek komen dan niet voor vergoeding uit de bijzondere bijstand in aanmerking. 6c: Psychosociale of sociale omstandigheden kunnen aanleiding zijn om de gedetineerde vaker te bezoeken. Dit is een bijzondere omstandigheid die leidt tot extra noodzakelijke bestaanskosten. 7: Voor reiskosten i.v.m. een re-integratietraject of andere activiteiten gericht op werk is een tegemoetkoming reiskosten op basis van de Nadere regels bij de re-integratieverordening een voorliggende voorziening. Deze tegemoetkoming wordt toegekend in de vorm van reistegoed voor het openbaar vervoer; dat wordt geboekt op een OV-chipkaart op naam. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de reisfrequentie; hierbij geldt een minimale reisafstand (enkele reis) van 3 kilometer. Wanneer iemand door omstandigheden volledig is aangewezen op reizen per openbaar vervoer, kan volgens de Nadere regels een tegemoetkoming op basis van maatwerk worden gegeven. Wanneer iemand in de doelgroep Participatiewet in verband met een beperking ondersteuning nodig heeft om op het werk of een scholing te komen, is een vervoersvoorziening mogelijk op grond van art. 3.4 lid 2 onder a van de Re-integratieverordening Participatiewet en artikel 6.1 van de Nadere regels bij de Participatiewet. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een vergoeding van taxivervoer voor iemand die hierop i.v.m. een beperking is aangewezen om op het werk te komen. Artikel 7.9 - [Vervallen] De éénverdienersproblematiek, waarbij sommige gezinnen waarvan één van de partners een loongerelateerde uitkering van het UWV (WW, TW of WIA) ontvangt en de ander een laag of geen inkomen heeft, door botsende landelijke regelgeving onder het netto sociaal minimum kunnen belanden, werd in Amsterdam van 01/08/2023 tot en met 31/12/2024 vanuit de bijzondere bijstand gecompenseerd. Aangezien de vergoeding voor de burgers die dit betreft nu vanuit het Rijk wordt vergoed, kan dit onderdeel van de Beleidsregels bijzondere bijstand vervallen. Artikel 8 - [Vervallen] Met ingang van 01/01/2026 is aan de Participatiewet een nieuwe bijstandsnorm toegevoegd voor jongeren die geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders (Participatiewet art. 20 lid 3). Een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand op deze bijstandsnorm voor jongeren is daarom niet meer nodig. Om die reden is artikel 8 (Jongerentoeslag) in deze Beleidsregels bijzondere bijstand vervallen. Artikel 9 - Woonkostentoeslag Artikel 9.1 - Uitgangspunten woonkostentoeslag Lid 1: In de meeste gevallen zal een woonkostentoeslag bedoeld zijn voor de woonkosten van een woning. Ook voor een woonwagen of een woonboot is echter een woonkostentoeslag mogelijk. De regels van dit artikel 9 zijn dan van overeenkomstige toepassing. Lid 2: De woonkostentoeslag heeft als doel om Amsterdammers met een laag inkomen te ondersteunen wanneer zij onverwacht met hoge woonkosten te maken krijgen. Het is een tijdelijke regeling van maximaal twaalf maanden, die kan worden verlengd met maximaal zes maanden. Aan toekenning en eventuele verlenging van een woonkostentoeslag is de verplichting verbonden dat de aanvrager zijn of haar best doet om goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de woonkosten en de financiële middelen met elkaar in evenwicht te brengen, waardoor er voor de aanvrager geen woonkostentoeslag meer nodig is. Mogelijkheden hiervoor zijn bijvoorbeeld: -herbeoordeling van de huurprijs vragen bij de landelijkeof de gemeentelijke Huurcommissie; -actief zoeken via het puntenstelsel en verhuizen naar een goedkopere woning binnen of buiten Amsterdam; -een kamer verhuren (hospitaverhuur) -(beter) betaald werk zoeken of meer uren gaan werken. Wanneer degene die de woonkostentoeslag ontvangt zich onvoldoende inzet om goedkopere passende woonruimte te vinden of meer inkomsten te verwerven, kan dit een reden zijn om de woonkostentoeslag te beëindigen of niet te verlengen. Lid 3: Om te kunnen beoordelen of de woonkostentoeslag wordt verlengd of beëindigd, vindt er elke drie maanden een persoonlijk gesprek plaats met de aanvrager. Deze gesprekken vinden plaats op een kantoor van de gemeente of online, wanneer dit op kantoor niet mogelijk is. Deze gesprekken zijn verplicht omdat: -alleen op deze manier voldoende kan worden gewaarborgd dat de betrokkene zich bewust wordt van de tijdelijkheid en van de voorwaarden van de woonkostentoeslag, en van de inzet die van hem of haar wordt verwacht om goedkopere passende woonruimte te vinden of meer inkomsten te verwerven; - door deze gesprekken een goed beeld ontstaat van de inzet van de betrokkene om aan de onder lid 2 genoemde verplichting te voldoen; - door deze gesprekken een goed beeld ontstaat van de individuele omstandigheden van de betrokkene, wat noodzakelijk is voor de beoordeling of er sprake kan zijn van een besluit tot maatwerk. Lid 4: De kostendelersnormen zijn bedoeld om optredende schaalvoordelen met betrekking tot de bestaanskosten te verrekenen. Met de toepassing van de kostendelersnorm op de bijstandsnorm worden die schaalvoordelen al afdoende verrekend. Artikel 9.2 - Woonkostentoeslag voor een huurwoning Lid 1. Zie ook artikel 3.3. lid 2 van deze beleidsregels. Lid 2: - Met ingang van 1 januari 2026 is de Wet op de huurtoeslag gewijzigd en is huurtoeslag mogelijk voor huurwoningen waarvan de kale huur hoger is dan de maximale huurgrens volgens artikel 13 lid 1a van de Wet op de huurtoeslag. De huurtoeslag geldt als een voorliggende voorziening (zie ook artikel 3.3. lid 2 van deze beleidsregels). Voor dit deel van de huur wordt daarom geen woonkostentoeslag toegekend. - Wanneer de kale huur van een woning meer bedraagt dan € 1.900,- per maand, dan bestaat er geen recht op woonkostentoeslag voor het deel van de huur dat meer is dan € 1.900,- per maand. Deze maximumgrens is onder andere gebaseerd op het gemiddelde bedrag dat een huurder volgens de Factsheet Woningmarkt 2025 Amsterdam (p.10) in 2025 per maand aan kale huur voor een “private dure huurwoning” betaalt, en is ingesteld (1) om te voorkomen dat personen met een zeer hoog inkomen en een zeer hoge huur onbedoeld aanspraak zouden kunnen maken op woonkostentoeslag, en (2) om aan te geven dat de keuze voor een woning met een hoge huur ook met zich meebrengt dat de huurder een eigen verantwoordelijkheid heeft om andere keuzes te maken bij de besteding van de eigen middelen. Verder is meegenomen dat er een relatief ruime beschikbaarheid bestaat van woningen met een lagere huur dan deze maximumhuurgrens en dat het huurbedrag tot aan dit maximumbedrag (en boven de maximale huurgrens) wel voor woonkostentoeslag in aanmerking kan komen. Artikel 9.3 - Woonkostentoeslag voor een eigen woning Lid 1a: Uitgangspunt van de Participatiewet en de bijzondere bijstand is, dat bewoners een deel van hun eigen inkomen moeten gebruiken om hun woonkosten van te betalen. Dit wordt bedoeld met de “algemene kosten van bestaan”. Voor dit deel van de woonkosten (in 2026: € 410,- per maand) wordt geen bijzondere bijstand gegeven. Lid 1b: Het hiergenoemde bedrag van € 410,- per maand is afgeleid van het afgeronde verschil tussen de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag (artikel 13 lid 1a) en de maximale huurtoeslag voor een alleenstaande. Lid 2: Voor een aanvrager die een woning in eigendom heeft met hoge woonkosten is ook woonkostentoeslag mogelijk. In plaats van met de kale huurprijs wordt rekening gehouden met het bedrag van de maandelijkse hypotheekrente en (indien van toepassing) de erfpachtcanon, vermeerderd met een bedrag van € 125,- per maand (bedrag 2026) voor de overige eigenaarslasten. Het bedrag van € 125,- per maand (bedrag 2026) voor de overige eigenaarslasten gaat om een standaardbedrag dat we aanhouden voor woonkosten die naast de hypotheekrente en een eventuele erfpachtcanon zijn verbonden aan een eigen woning. Denk aan kosten voor onderhoud, eventuele servicekosten voor gemeenschappelijke voorzieningen, de opstalverzekering en zakelijke lasten die door de gemeente en het waterschap worden geheven. Wanneer het maandelijkse bedrag voor hypotheekrente plus erfpachtcanon meer bedraagt dan € 1.900,- per maand, dan bestaat er geen recht op woonkostentoeslag voor het deel van de hypotheekrente plus erfpachtcanon dat meer is dan € 1.900,- per maand. Zie ook de toelichting op artikel 9.2 lid 2 van deze beleidsregels. lid 3: Wanneer iemand een eigen woning heeft, en de overwaarde hiervan is meer dan € 235.000,-, dan wordt de woonkostentoeslag verstrekt als lening, en niet als gift. Het bedrag van € 235.000,- is gebaseerd op het bedrag van de gemiddelde overwaarde van woningen in Amsterdam (meting nov. 2022). Voor de vaststelling van de (over)waarde van de eigen woning kan gebruik worden gemaakt van de (meest actuele) WOZ-waardebeschikking die jaarlijks aan de eigenaar wordt uitgereikt of van een recent taxatierapport van maximaal 1 jaar oud. Wanneer een aanvrager de woning door een taxateur laat taxeren, worden deze taxatiekosten niet door de gemeente vergoed. Artikel 9.4 - Aanvraag woonkostentoeslag door een zelfstandige Lid 1a: Wanneer de aanvrager van de woonkostentoeslag en/of zijn of haar partner zelfstandige is, dan wordt de aanspraak op woonkostentoeslag voor hun gezinssituatie beoordeeld volgens de regels van het Bbz. Lid 1a en lid 2: Voor zelfstandigen die door omstandigheden hun woonkosten niet meer kunnen betalen, worden de regels van de Bbz gevolgd. Uitgangspunt hierbij is dat een zelfstandige die tijdelijk onvoldoende middelen heeft, een (Bbz-)uitkering voor levensonderhoud kan krijgen inclusief bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag (zie artikel 1 onder g van het Bbz). Deze uitkering wordt meestal eerst als lening verstrekt, en soms direct als gift (zie artikel 19 Bbz). Na de definitieve vaststelling van het inkomen van de aanvrager over het jaar van aanvraag van de woonkostentoeslag, wordt bepaald welk deel van de lening moet worden terugbetaald en welk deel wordt omgezet in een gift (zie verder artikel 10, 11, 12 en 19 Bbz). Lid 1b: Bij een aanvraag voor woonkostentoeslag door een zelfstandige vindt de beoordeling plaats volgens de regels van het Bbz en worden de bedragen gehanteerd zoals genoemd in dit lid1b. Omdat de regels van de Bbz worden gevolgd, is een berekening van de financiële draagkracht volgens artikel 5 van deze beleidsregels dan niet meer nodig. Lid 2: zie de toelichting bij lid 1a. Lid 3: Artikel 9.1 lid 2 van deze beleidsregels is voor zelfstandigen niet van toepassing, omdat de Bbz-uitkering inclusief woonkostentoeslag alleen wordt toegekend wanneer de aanvrager(s) na de tijdelijke verstrekking van de ondersteuning weer zelf in het levensonderhoud kan/kunnen voorzien. Ook artikel 9.3 lid 3 is voor zelfstandigen niet van toepassing. De keuze om de woonkostentoeslag toe te kennen in de vorm van een lening vindt op andere gronden plaats, zie ook de toelichting op artikel 9.4 lid 1a en 2. Artikel 10 - Collectieve zorgverzekering De Participatiewet (artikel 35, derde lid) biedt de mogelijkheid om bijzondere bijstand te verstrekken in de vorm van een collectieve zorgverzekering of een tegemoetkoming in de premie daarvoor. Amsterdam biedt zo'n collectieve zorgverzekering aan voor Amsterdammers die volgens de Beleidsregels Stadspas recht hebben op een Stadspas en aan studenten die aan de toelatingsvoorwaarden, met uitzondering van artikel 4 lid 1, van de Beleidsregels Stadspas voldoen. De collectieve zorgverzekering biedt tegen een gereduceerde premie een verplichte basisverzekering aan in combinatie met een aanvullende zorgverzekering. Iedereen die aan de inkomensvoorwaarde en vermogensvoorwaarde voldoet kan zonder medische keuringen deelnemen. Voor wat betreft de (wettelijke) eigen bijdrage (lid 1): dit zijn kosten die verzekerden normaliter zelf moeten betalen voor zorg uit de basisverzekering omdat ze door veel zorgverzekeringen niet volledig worden vergoed. De collectieve zorgverzekering die de gemeente aanbiedt, vergoedt die zorg in bijna alle gevallen wèl volledig. De wettelijke eigen bijdrage is iets anders dan het verplicht eigen risico. Het verplicht eigen risico geldt voor alle verzekerden. Dit bedrag wordt jaarlijks door de verzekeraar bepaald en moet door de verzekerde zelf worden betaald. Artikel 11 – Calamiteiten Lid 1: In het geval van een ernstige calamiteit kan het nodig zijn om op korte termijn ambtshalve bijzondere bijstand toe te kennen aan financieel kwetsbare Amsterdammers voor de eerste noodzakelijke kosten voor levensonderhoud. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld kosten voor ID-bewijzen die verloren zijn gegaan, kleding, babyspullen, inrichtingskosten voor de eigen woning of inrichtingskosten voor een noodzakelijke nieuwe of tijdelijke woning. Lid 2: In het geval van een ernstige calamiteit kan de situatie van de slachtoffers het nodig maken dat tijdelijk van de beleidsregels bijzondere bijstand wordt afgeweken om snellere en bij de situatie passende besluitvorming mogelijk te maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan afwijking van de hoogte van de toe te kennen bedragen (art. 3.4) of aan bijzondere bijstand als gift of als lening (art. 3.5). Lid 3: Het college heeft bepaald dat de directeur Inkomen bevoegd is om deze werkwijze van toepassing te verklaren, zodat snel kan worden gehandeld op het moment dat dit nodig is. Prijslijst bijzondere bijstand gemeente Amsterdam (bijlage bij artikel 3.4: Hoogte van de bijzondere bijstand) Ingangsdatum 01/01/2026. 1. Kosten woninginrichting 1a Woonkamermeubilair Bedrag Bank (3 persoons) € 350 Bank (4 of meer personen) € 600 Salontafel € 50 Eettafel € 100 Stoelen € 100 TV/Wandmeubel € 50 Totaal Woonkamermeubilair € 1.250 1b. Slaapkamer 1 persoon Bedrag 1-persoons: bed + lattenbodem € 75 1 persoons: Hang/legkast 2-deur € 80 1 persoons: Matras en beddengoed € 200 Slaapkamerinrichting 1 persoon € 355 1c. Slaapkamer 2 personen Bedrag 2-persoons bed + lattenbodem € 100 2 persoons Stapelbed+ lattenbodems € 150 Slaapkamer 2 persoons: Hang/legkast 3-deurs € 130 Slaapkamer 2 persoons: matras en beddegoed € 400 Totaal 2 persoons slaapkamerinrichting variabel 1d. Keuken, badkamer en verlichting Bedrag Pannenset € 50 Totaal keukengerei € 150 Badkamermeubilair + linnen € 150 Verlichting woning € 60 Totaal keuken en badkamer € 410 1e. Huishoudelijke apparatuur Bedrag Combimagnetron + kookplaat € 225 Fornuis incl. oven € 225 Koel/vries-combinatie € 300 Wasmachine € 350 Droger € 500 Stofzuiger € 80 Strijkijzer € 25 TV € 170 Totaal huishoudelijke apparatuur variabel 2. Stoffering 2a. Stoffering 1 -2 persoons huishouden Bedrag Vloer € 700 Gordijnen € 200 Wand € 100 Totaal 1-2 persoons huishouden € 1.000 2b. Stoffering 3 of meer persoons huishouden Bedrag Vloer € 900 Gordijnen € 250 Wand € 150 Totaal 3+ persoons huishouden € 1.300 3. Totaalbedragen woninginrichting inclusief stoffering Woninginrichting Stoffering Totaalbedrag kleine éénkamerwoning of tijdelijke woning, 1 persoon € 1.830 € 1.830 Reguliere woning, 1 persoon € 2.540 € 1.000 € 3.540 Reguliere woning, 2 personen € 2.815 € 1.000 € 3.815 Reguliere woning, 3 personen € 3.170 € 1.300 € 4.470 Reguliere woning, 4 personen € 3.745 € 1.300 € 5.045 Reguliere woning, 5 persoon € 4.200 € 1.300 € 5.500 Opslag per extra lid van het huishouden € 450 4. Verhuiskosten Bedrag 4a. Zelf verhuizen (huur busje of aanhanger, brandstof en materiaal) € 125 4b. Verhuisbedrijf (maximum) € 1.000 5. Babyuitzet Bedrag Totaal toebehoren ledikant en commode € 150 Totaal babykleding: € 150 Totaal babyartikelen: € 150 Totaal babyverzorging: € 25 Ledikantje € 50 Commode € 50 Kinderwagen /buggy € 350 Kinderstoel/-zitje € 75 Babybox € 50 Totaal babyuitzet € 1.050 6. Kleding Bedrag Garderobe, richtbedragen per persoon: Volwassene: € 400 Kind 1 - 6 jaar € 200 Kind 6 - 12 jaar € 300 Jongere 12 – 18 jaar € 400 7. Begrafenis-/crematiekosten Bedrag Uitvaart € 4.300

Meer informatie