Beleidsregels Beoordelingskader omgeving van monumenten

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op28 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Leiden

Beleidsregels Beoordelingskader omgeving van monumenten Besluiten: 1.In te stemmen met de beantwoording van de inspraakreacties zoals weergegeven in de inspraaknota behorende bij de beleidsregels Beoordelingskader omgeving van monumenten; 2.de beleidsregels Beoordelingskader omgeving van monumenten vast te stellen; 3.dit besluit in werking te laten treden gelijktijdig met de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Leiden (Monumenten en omgeving van monumenten). Inleiding Doel van het beoordelingskader Het doel van dit beoordelingskader is het scheppen van een kader om onevenredige ontsiering van monumenten te voorkomen. Dit beoordelingskader heeft alleen betrekking op activiteiten binnen de in het omgevingsplan aangegeven functie-aanduiding ‘omgeving van het monument’. Om welke monumenten gaat het De functie-aanduiding ‘omgeving van monument’ in het omgevingsplan is één groot gebied. Om te kijken welk monument of monumenten op een specifieke locatie relevant zijn voor de beoordeling wordt het Erfgoed Registratie Systeem gebruikt (erfgoedregistratie.nl/gemeente/Leiden). Wanneer is er sprake van ontsiering De ontsiering van een monument ontstaat doordat een activiteit wordt verricht in de omgeving van een monument. Om in dat geval van ontsiering te spreken is het nodig dat: •De activiteit het zicht op een monument belemmert; •De activiteit afleidt van het monument; •De activiteit de historische functionele relatie van het monument met zijn omgeving verstoort. Het kan voorkomen dat een activiteit aan meerdere punten voldoet, maar één is voldoende om van ontsiering te spreken. Wat kan leiden tot ontsiering? •Het bouwen van bouwwerken in de openbare ruimte rondom of in een zichtlijn van een monument; •Het bouwen van bouwwerken in de private ruimte rondom of in een zichtlijn van een monument; •De ruimtelijke inrichting van de openbare ruimte rondom een monument; •De ruimtelijke inrichting van de private ruimte rondom een monument. Ook hier hoeft maar aan één punt te worden voldaan om te kunnen leiden tot een ontsiering. Relatie met de fysieke ruimte De mate van ontsiering is sterk afhankelijk van het betreffende monument en hoe dit in de fysieke ruimte staat. Een activiteit voor een gevel van de Meelfabriek heeft bijvoorbeeld minder grote gevolgen voor het monument dan dezelfde activiteit bij de pomp op de Garenmarkt. Dat is omdat een activiteit zoals het bouwen van een schuurtje naast de pomp het zicht op de hele pomp kan blokkeren terwijl datzelfde schuurtje maar een heel klein deel van het zicht op de Meelfabriek blokkeert. Sommige monumenten hebben een functionele relatie met hun omgeving en kunnen door een activiteit in deze omgeving niet of minder goed functioneren. Of het historische gebruik is minder goed afleesbaar. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een poldermolen waarbij de weteringsloot wordt gedempt, waardoor de functie van de molen niet meer afleesbaar is. De mate van ontsiering van een monument is afhankelijk van hoe vijf verschillende aspecten zich verhouden tot het monument. Deze aspecten staan niet op zichzelf en zullen bijna altijd in samenhang moeten worden gezien. De vijf aspecten zijn: 1.Schaal; 2.Positionering; 3.Vorm; 4.Historische functionele relatie; en 5.Kleur- en materiaaluitdrukking. Deze aspecten worden in het hoofdstuk Richtlijnen toegelicht. Onevenredige ontsiering Een bepaalde mate van ontsiering is toelaatbaar, omdat dit onvermijdelijk voortkomt uit het functioneren en levendig houden van de stad. In de beoordeling van de mate van ontsiering moet sprake zijn van onevenredige ontsiering van een monument om tot een negatief advies te komen. Wanneer er in dit hoofdstuk wordt gesproken over een ontsiering betreft dat een onevenredige ontsiering van een monument. In de beoordeling wordt altijd naar het specifieke object gekeken wat de regels beogen te beschermen tegen ontsiering. Er is dus sprake van maatwerk. Iconische monumenten Bij de beoordeling maken we onderscheid tussen iconische monumenten en niet-iconische monumenten. Iconische monumenten zijn de bouwwerken die het meest beeldbepalend zijn voor Leiden: gebouwen die de identiteit en de beleving van de historische stad bepalen. Iconische monumenten zijn vaak verbonden aan belangrijke momenten in de geschiedenis van de stad. Daarnaast zijn het ook vaak toeristische trekpleisters. In de omgeving van een iconisch monument is er sprake van een verscherpte beoordeling. Deze monumenten zijn immers van uitzonderlijke waarde voor de afleesbare ruimtelijke ontwikkeling van Leiden en voor de beleving van de historische stad. Door het onderscheid te maken tussen iconische en niet-iconische monumenten beschermen we wat moet en laten we los wat kan. De iconische monumenten zijn mede op basis van participatie geselecteerd. De iconische monumenten zijn: •De Burcht en Burchtpoort Bij Burgsteeg 13 •Pieterskerk Pieterskerkhof 1 •Hooglandse Kerk Nieuwstraat 26C •Marekerk Lange Mare 48 •Visfontein Tegenover Stadhuisplein 1 •Stadhuis Stadhuisplein 1 e.a. •De Waag en het Waaghoofd Aalmarkt 21 •Museum de Lakenhal Oude Singel 30 e.a. •Gravensteen Pieterskerkhof 6 •Academiegebouw Rapenburg 73 •Zijlpoort Havenweg 100 •Morspoort Bij Morsstraat 64 •Koornbrug Tegenover Nieuwe Rijn 23 •Sterrenwacht Sterrenwachtlaan 9 e.a. •Molen de Valk Molenwerf 1 Leeswijzer Hieronder geven wij eerst de sneltoetscriteria aan. Hieruit blijkt welke aanvragen ter advisering worden voorgelegd aan de Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Leiden (WML). Vervolgens lichten wij de vijf aspecten kort toe en voorzien wij ze van beoordelingsrichtlijnen, die de WML hanteert. Sneltoetscriteria Activiteit in de omgeving van een iconisch monument Gaat de aanvraag over een activiteit in de omgeving van een iconisch monument? Dan wordt die aanvraag altijd ter advisering voorgelegd aan de WML. Activiteit in omgeving van niet-iconisch monument Gaat de aanvraag over een bouw-, aanleg- of sloopactiviteit in de omgeving van een niet-iconisch monument? Dan wordt een aanvraag voor één of meerdere van onderstaande werkzaamheden ter beoordeling voorgelegd aan de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit Leiden (WML): Bouwactiviteiten: • Het bouwen van een losstaand bouwwerk voor een vanuit de openbare ruimte zichtbaar deel van het (gebouwde) monument; • Het verhogen van een bestaand bouwwerk met een afstand van 10 meter of minder van het monument waarbij de bestaande goot-, nok- of bouwhoogte toeneemt en in de nieuwe situatie meer dan 20% afwijkt van de goot-, nok- of bouwhoogte van het monument; • Het plaatsen van een installatie met een afstand van 10 meter of minder van het monument die geheel of grotendeels zichtbaar is vanuit de openbare ruimte; • Het bouwen van een bouwwerk in een waterpartij, als dit het (historisch) functioneren van het monument belemmert; • Activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van sterk afwijkende kleurgebruik en niet traditioneel materiaalgebruik ten opzichte van het monument met een afstand van 10 meter of minder van het monument; Aanlegactiviteiten • Activiteiten bestaande uit het graven, dempen van water; • Activiteiten waarbij grond wordt opgehoogd of wordt verlaagd; Sloopactiviteiten •Activiteiten waarbij hoofdgebouwen of delen daarvan worden gesloopt. Tijdelijke activiteiten Een activiteit in de omgeving van een niet-iconisch monument die korter duurt dan 1 jaar en niet wordt herhaald, wordt niet ter beoordeling voorgelegd aan de WML. Het wijzigen van een monument Gaat de aanvraag over een wijziging van een beschermd monument en vindt de activiteit alleen plaats binnen de omgeving van het te wijzigen monument? Dan wordt de aanvraag niet voorgelegd aan de WML. De aanvraag voor het wijzigen van een monument wordt wel voorgelegd aan de WML als deze in de omgeving van een ander monument plaatsvindt en volgens de andere sneltoetscriteria voorgelegd moet worden. Richtlijnen 1.1 Schaal Met de schaal bedoelen we de grootte van een bouwwerk of activiteit in verhouding tot het monument. Dit kan gaan om een bouwwerk dat vóór een monument komt te staan, waardoor het zicht op het monument wordt belemmerd. Of een nieuw gebouw achter een monument dat veel hoger is en daardoor het monument overschaduwt. Bij een gelijke activiteit wordt het zicht op een groot object zoals de Meelfabriek minder snel onevenredig belemmerd dan dat van een wevershuisje of waterpomp. Figuur 1: Groot flatgebouw naast monument Algemene richtlijnen •Een activiteit is in beginsel in schaal ondergeschikt aan het monument, behalve als de historisch ruimtelijke context aanleiding geeft om hiervan af te wijken. •Een activiteit ondersteunt de ruimtelijke uitstraling van het monument, door een passende (bouw)hoogte te kiezen, en zichtlijnen en de achtergrond van het monument niet te blokkeren. Aanvullende richtlijnen iconische monumenten •Een activiteit respecteert het iconische monument door een ondergeschikte bouwhoogte te kiezen, het zicht op het monument niet te belemmeren en zo mogelijk te vergroten. 1.2 Positionering De locatie van een activiteit heeft invloed op de mate van ontsiering. Het gaat ten eerste om de afstand tot het monument en ten tweede om de vraag of de activiteit loodrecht of schuin voor een monumentale gevel staat. Wanneer een activiteit op grotere afstand wordt gerealiseerd kan dat minder ontsierend zijn dan wanneer deze direct voor een gevel wordt gerealiseerd. De mate van ontsiering is afhankelijk van de ruimtelijke context waarin deze plaatsvindt. Figuur 2: gebouw voor monument Algemene richtlijnen •Een activiteit draagt bij aan een open en respectvolle relatie tussen het monument en zijn omgeving, waarbij de monumentale kenmerken goed zichtbaar en beleefbaar blijven; •Een activiteit gaat met respect om met de bestaande zichtlijnen op monumenten; •Een activiteit behoudt, afhankelijk van de historisch ruimtelijke context, voldoende afstand tot het monument, zodat beide bouwvolumes hun eigen identiteit houden en het monument als zelfstandig element tot zijn recht komt. •Een activiteit houdt, qua positionering, rekening met de historisch functionele relatie van het monument met de omgeving. Aanvullende richtlijnen iconische monumenten •Een activiteit behoudt of vergroot het zicht op het iconische monument en houdt de langere zichtlijnen open, zodat het monument zijn prominente positie behoudt. •Een activiteit bevordert de fysieke toegankelijkheid van het iconische monument, zodat mensen het monument kunnen blijven ervaren en bereiken. 1.3 Vorm Met de vorm van een activiteit bedoelen we de vormgeving van ruimtelijke volumes, zoals een bouwwerk met een kap of met een plat dak. Door in de vorm van een bouwwerk of andere activiteit rekening te houden met het monument kan deze minder ontsierend worden. Afwijkende hoofdvormen, zoals afwijkende kapvormen, gevelbreedtes of plattegronden kunnen afleiden van het monument. Figuur 3: Futuristisch vormgegeven gebouw naast monument Algemene richtlijnen •Een activiteit respecteert, met betrekking tot vormgeving, het monument en draagt bij aan de beleefbaarheid van de historische ruimtelijk context. Aanvullende richtlijnen iconische monumenten •n.v.t. 1.4 Historisch functionele relatie Sommige monumenten hebben een functionele relatie met hun omgeving zoals boerderijen met het erf, molens met watergangen en kerken met een kerkhof. De afleesbaarheid van deze relatie met de directe omgeving geeft betekenis en herkenbaarheid aan het monument. De indeling en inrichting van het omliggende terrein draagt bij aan de cultuurhistorische waarden en beleving van de monumenten. Figuur 4: Molen met watergangen Algemene richtlijnen •Een activiteit behoudt of versterkt de (historische) functionele en ruimtelijke relatie tussen het monument en zijn omgeving, zodat deze relatie goed beleefbaar en herkenbaar blijft. oBij molens wordt de functionele verbondenheid met het water behouden, door watergangen die essentieel zijn of waren voor het functioneren van de molen in hun ligging en vorm te respecteren en intact te houden. oBij boerderijen blijft het historische karakter en gebruik van het erf duidelijk leesbaar, doordat wijzigingen in de erfindeling zorgvuldig worden vormgegeven en de oorspronkelijke structuur en gebruikslogica zichtbaar blijven. Aanvullende richtlijnen iconische monumenten •Een activiteit ondersteunt en versterkt zo veel mogelijk de historisch functionele relatie tussen het monument en zijn omgeving zodat de beleefbaarheid, herkenbaarheid en betekenis van het iconische monument zo mogelijk vergroot wordt. 1.5 Kleur- en materiaaluitdrukking Een activiteit kan afleiden van het monument door een zeer afwijkende kleur- of materiaaluitdrukking. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat er zeer felle, niet historische kleuren worden toegepast in de omgeving van een monument dat juist een zeer ingetogen kleurenpalet heeft. Figuur 5: Blauw monument naast traditioneel monument Algemene richtlijnen •Een activiteit maakt een zorgvuldige keuze in kleur- en materiaalgebruik, zodanig dat de monumentale waarden van het monument herkenbaar blijven en niet worden aangetast. Aanvullende richtlijnen iconische monumenten •n.v.t. 2.1 Afwijken van richtlijnen Het kan voorkomen dat een activiteit naar aanleiding van de bovenstaande richtlijnen wordt gezien als een onevenredige ontsiering van een monument. Toch kan een dergelijke activiteit positieve gevolgen hebben voor het monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het planten van bomen voor een monument. Deze kunnen het zicht ontnemen op een monument maar kunnen, in het geval van het terugbrengen van een historische situatie, het monument ook juist ten goede komen. In de volgende gevallen kan er worden afgeweken van de beoordelingsrichtlijnen, omdat dit het monument of de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving van het monument uiteindelijk ten goede komt. •Als de activiteit noodzakelijk is ten aanzien van het gebruik van het monument; •Als de activiteit een historische situatie herstelt; •Als er sprake is van vergroening van de directe omgeving van een monument, die vanuit een historische situatie gemotiveerd wordt. Bijlage 1 Methode Werkingsgebieden Toelichting De omgeving van monumenten wordt aangegeven met een contour op de kaart behorende bij het Omgevingsplan gemeente Leiden. Met de contour wordt de omgeving van een monument begrensd. De omgeving van het monument krijgt de functie-aanduiding ‘omgeving van monument’. Op locaties binnen de grens van die contour gelden dan de regels voor de omgeving van het monument. Hoe we de omgeving van een monument bepalen is afhankelijk van het type monument en de ligging van dat monument. Er is gekozen om 7 verschillende categorieën omgevingen te onderscheiden op basis van verschillen in typologie en de ruimtelijke context waarin deze gelegen zijn. De 7 categorieën van specifieke monumenttypen zijn: 1.Standaard 2.Monumenten met bijzonder bijbehorend terrein 3.Losse monumenten in de openbare ruimte 4.Parken 5.Molens 6.Hoogteaccenten 7.Archeologie De omgeving wordt altijd bepaald door de contour van het beschermde monument zelf met daar omheen een buffer en indien relevant, het bijbehorend terrein. Om de contour van het monument ligt een buffer van een bepaalde afstand. Monumenten kennen soms ook een bijbehorend terrein, deze vallen binnen een specifieke categorie. Daarnaast zijn voor een aantal monumenten zichtlijnen opgenomen dit gaat bijvoorbeeld om kerken en molens. In hoofdlijnen zijn de omgevingen als volgt opgemaakt: Categorie Buffer Bijbehorend terrein Zichtlijnen Standaard 10 meter Nee Nee Monumenten met bijzondere bijbehorende terrein 10 meter Ja Nee Losse monumenten in de openbare ruimte 25 meter Nee Nee Parken 50 meter Nee Nee Molens 100 meter Ja Ja Hoogteaccenten 100 meter Nee Ja Archeologische monumenten 1 meter Nee Nee 1.1 Standaard Onderdelen omgeving Buffer 10 meter Bijbehorend terrein Nee Zichtlijnen Nee Figuur 6: Kaartbeeld van een woonhuis met daaromheen een buffer van 10 meter. De standaard omgeving is de categorie waarin de meeste monumenten vallen. Deze monumenten zijn van groot belang in het straatbeeld, maar zijn niet zo hoog dat ze boven de omliggende bebouwing uit torenen. Ook is er geen sterke functionele of historische relatie van deze monumenten met direct omliggende terrein. De standaard omgeving bestaat uit het monument en het gebied tot 10 meter om het monument. Activiteiten in dit gebied hebben een directe invloed op het monument. De buffer van 10 meter is afgestemd op de gemiddelde pandbreedte en straatbreedte in Leiden. De gemiddelde breedte van een hoofdgebouw is ca. 5 meter. Als uitgangspunt wordt genomen dat de twee naastgelegen panden aan weerszijden het aanzicht van het monument ondersteunen. Grote wijzigingen aan deze panden hebben gevolgen voor de zichtbaarheid of rol in het straatbeeld van het monument. Met een buffer van 10 meter vallen twee panden aan weerszijden van een monument binnen deze contour. Daarnaast kunnen activiteiten in de openbare ruimte invloed hebben op de monumentale waarden van een pand. De gemiddelde straatbreedte is ca. 20 meter. Met een buffer van 10 meter om het monument heen valt vaak de helft van de nabijgelegen openbare ruimte binnen de omgeving van het monument. Met een buffer van 10 meter valt het invloedrijkste deel van het aangrenzende gebied binnen de omgeving van het monument. 1.2 Monumenten met bijzondere bijbehorende terreinen Onderdelen omgeving Buffer 10 meter Bijbehorend terrein Ja Zichtlijnen Nee Figuur 7: Kaartbeeld van Heilige Maria Middelareskerk en bijgebouwen. Om elk gebouw een buffer van 10 meter en een vlak van het bijbehorende terrein. Een aantal monumenten hebben een duidelijke sterke relatie met een bijbehorend terrein. Dit is vaak een functionele relatie. Dit gaat bijvoorbeeld om een boerderij met het boerenerf. Dit geldt ook voor scholen met een schoolplein, universiteitsterreinen zoals de hortus, industriële complexen zoals het slachthuisterrein, villa’s met tuinen, etc. Het bijbehorende terrein is een terrein dat een sterke relatie vertoont met de bebouwing en waarbij de monumenten een deel van hun waarde ontlenen aan de directe omgeving. Activiteiten in het bijbehorende terrein hebben directe gevolgen voor de afleesbaarheid van de historische functie van het monument. Boerderijen In veel gevallen zijn de grenzen van een bijbehorend terrein duidelijk af te lezen door perceelsafscheidingen zoals heggen en waterwegen rondom terreinen. In het geval van boerderijen kunnen deze terreinen zeer groot zijn. Daarom is er voor boerderijen gekozen om niet het volledige terrein inclusief de wei- en hooilanden mee te nemen. Het boerenerf en de cultuurhistorisch kenmerkende gronden direct rondom de boerderij zijn onderdeel van de omgeving van het monument. Voor het bepalen van dit gebied is gebruik gemaakt van cultuurhistorische onderzoeken en historische kadastrale kaarten. Op basis hiervan zijn de nu nog herkenbare landschappelijke elementen als tuin, het hakbos, de boomgaard en het weiland die in het verleden bij het monument hoorden onderdeel van de omgeving van het monument. Als bron is de eerste kadastrale kaart van Leiden gebruikt uit het begin van de negentiende eeuw. De dwars op de verkaveling staande afwateringssloot richting de watermolens (de molentocht) wordt aangehouden als uiterste diepte van de omgeving. De omgeving van de monumenten binnen deze categorie bestaan net als de standaard omgeving uit een buffer van 10 meter om het monument heen. Daarnaast is ook het bijbehorende terrein onderdeel van de omgeving van het monument. 1.3 Losse Monumenten in de openbare ruimte Onderdelen omgeving Buffer 25 meter Bijbehorend terrein Nee Zichtlijnen Nee Figuur 8: Kaartbeeld van de Herenbrug met daaromheen transparante buffer van 25 meter. Dit monumenttype betreft vrijstaande monumenten zoals bruggen, poorten en andere losstaande monumentale objecten die in de openbare ruimte staan. Deze monumenten hebben een vrijstaand karakter, waardoor ze omringd worden door een ruime openbare ruimte. Hierdoor zijn deze objecten van verder af te zien. Door het vrijstaande karakter hebben activiteiten die verder dan 10 meter van het monument afliggen invloed op de beleving en monumentale waarde van het beschermde object. De omgeving van de losse monumenten in de openbare ruimte bestaat uit het object met een buffer van 25 meter om het monument. 1.4 Vrijliggende parken Onderdelen omgeving Buffer 50 meter Bijbehorend terrein Nee Zichtlijnen Nee Figuur 9: Kaartbeeld van begraafplaats Zijlpoort met daaromheen een transparante buffer van 50 meter. Leiden kent drie monumentale parken en twee monumentale begraafplaatsen. De meeste van deze monumentale parken en begraafplaatsen liggen vrij. Dat wil zeggen dat ze niet opgesloten liggen in een bouwblok of tussen meerdere bouwblokken. Ze zijn van een afstand zichtbaar en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De zichtbaarheid van deze parken is een belangrijk onderdeel van de monumentale waarden van deze parken. Vaak is de zichtbaarheid van deze parken onderdeel van het ontwerp. De parken hebben een duidelijke ruimtelijke relatie met hun omgeving. Daarom is het van belang dat er een ruime buffer om de monumentale parken wordt genomen om het vrij liggende karakter, de bestaande zichtbaarheid en ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Monumentale parken worden voorzien van een buffer van 50 meter. Deze afstand is bepaald aan de hand van de hoogte van de bomen, en de gemiddelde gracht- en straatbreedte rondom de parken. 1.5 Molens Onderdelen omgeving Buffer 100 meter Bijbehorend terrein Ja Zichtlijnen Ja Figuur 10: Kaartbeeld van Stevenshofjesmolen met daaromheen een gedeeltelijke buffer van 100 meter en vier zichtlijnen. Net als boerderijen vormen molens een functioneel geheel met hun omgeving. Molens hebben vaak een molenerf. Zaagmolens hebben bijvoorbeeld een erf met loodsen en een balkengat waar het hout bewaard werd voordat het verder verwerkt kon worden. En aan poldermolens zijn weteringen en molentochten verbonden. Molens liggen vaak open in het landschap en in veel gevallen direct aan water, daarmee vormen het blikvangers in de omgeving. Vanwege de hoogte van de molens zijn het ook vaak hoogte accenten. De zichtbaarheid en de functionele relatie met de directe omgeving dragen bij aan de monumentale waarden van de molens en de beleving hiervan. Onderdeel van de omgeving van het monument is in het geval van molens ook het direct omliggende terrein mits dit een functioneel geheel vormt met het de molen. De regels en beoordeling voor de omgeving van monumentale molens heeft gedeeltelijk een ander doel dan dat van de bestaande molenbiotoop. De regels voor de molenbiotoop hebben namelijk als doel de windvang van, en het zicht op de molens te waarborgen. Ontsiering is afhankelijk van meerdere aspecten waarvan zicht er één is. 1.6 Hoogteaccenten Onderdelen omgeving Buffer 100 meter Bijbehorend terrein Nee Zichtlijnen Ja Figuur 11: Kaartbeeld van toren van Petruskerk met buffer van 100 meter en vijf zichtlijnen. Enkele monumenten in de gemeente Leiden spelen een prominente rol in het silhouet van de stad. Deze objecten zijn van een relatief grote afstand zichtbaar en fungeren daarom vaak als oriëntatiepunten. Bij dergelijke objecten speelt de zichtbaarheid daarvan een grote rol in de monumentale waardering. Het gaat hierbij om hoge bouwwerken zoals kerken, fabrieksschoorstenen, torens en molens. Vanwege de grote zichtbaarheid als hoogteaccent wordt om de hoogteaccenten een buffer van 100 meter genomen voor het onbebouwde gebied. Wanneer in de bestaande situatie binnen de buffer van 100 meter het beeld volledig wordt belemmerd door bebouwing, is dat deel waar er geen zicht is op het object geen onderdeel van de omgeving van het monument. Naast deze buffer is er bij hoogte accenten sprake van specifieke zichtlijnen. Het monumentale object is op sommige plekken zichtbaar van een grote afstand. Sommige van deze zichtlijnen zijn bewust ontworpen en anderen zijn organisch tot stand gekomen. Allen dragen ze bij aan de zichtbaarheid en het belang van een monumentaal object. Het zicht op deze monumenten van een grote afstand is van belang voor de beleving van dergelijke prominente bouwwerken. De contouren van de zichtlijnen zijn bepaald op basis van veldwerk. 1.7 Archeologie Onderdelen omgeving Buffer 1 meter Bijbehorend terrein Nee Zichtlijnen Nee Figuur 12: Kaartbeeld van het archeologische monument Burchtheuvel met daaromheen een buffer van 1 meter. Ook voor archeologische rijks- of gemeentelijke monumenten is een omgeving opgenomen. Over het algemeen bevinden archeologische monumenten zich onder het maaiveld. Toch kan bij deze monumenten een ontsiering plaatsvinden. Het zicht op de burchtheuvel kan bijvoorbeeld ontnomen worden. Archeologische monumenten betreffen een terrein waardoor een gebied al tot op zeker hoogte beschermd is tegen mogelijke ontsierende activiteiten. Rondom het archeologische monument is een buffer opgenomen van 1 meter om onevenredige ontsierende activiteiten direct tegen het archeologisch monument aan te voorkomen. 2.1 Nieuwe aanwijzing gemeentelijke monumenten Als de beschermde status van gemeentelijk monument of karakteristiek bouwwerk wordt toegekend aan een object, dan wordt voor de omgeving bepaald onder welk van de 7 monumenttypen dit valt. Wanneer dit monument niet binnen een specifiek type valt, zal deze de standaard omgeving krijgen. De omgeving van een monument wordt tegelijkertijd aangewezen met het object.

Meer informatie