Verordening Jeugdhulp Nijkerk 2023
Gemeente Nijkerk - Besluit van de raad van de gemeente Nijkerk tot wijziging van de verordening jeugdhulp Nijkerk 2023 De raad van de gemeente Nijkerk; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 5 maart en 2038529; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet ; besluit: De Verordening Jeugdhulp Nijkerk 2023 wordt als volgt gewijzigd: Artikel I A In artikel 1 wordt het opschrift “Begripsbepaling” vervangen door “Definities”. B. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: 1.In het eerste lid, onder a wordt na “jeugdige en ouders” ingevoegd “bij het consultatiebureau”. 2.In het eerste lid, onder b wordt “ambulante kortdurende hulp bestaande uit opvoed- en opgroei ondersteuning” vervangen door “kortdurende ondersteuning door het Team Jeugd”. 3.In het eerste lid, onder c wordt “cliëntondersteuning” vervangen door “opvoedspreekuur”. 4.Onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel c door een puntkomma, worden vijf onderdelen toegevoegd, luidende: d.echtscheidingsspreekuur; e.schoolmaatschappelijk werkers; f.onafhankelijke cliëntondersteuning; g.specialistische ondersteuner huisartsen (SOH); h.aanbod vanuit PIT Nijkerk. 5.In het tweede lid, onder a wordt “individuele begeleiding” vervangen door “ambulante begeleiding en behandeling; begeleiding en behandeling aan de jeugdige en ouders in de thuissituatie of op locatie van de jeugdhulpaanbieder, met een lage intensiteit of hoge intensiteit”. 6.In tweede lid, onder b “groepsbegeleiding” vervangen door: “groepsbegeleiding; daghulp op de locatie van de jeugdhulpaanbieder”. 7.In het tweede lid, onder c wordt “behandeling” vervangen door “crisiszorg; acute hulpverlening aan jeugdigen en gezinnen bij ernstige en direct bedreigende situaties, gericht op stabilisatie en het voorkomen van escalatie”. 8.In het tweede lid, komen de onderdelen d tot en met l te vervallen. 9.In het tweede lid, worden na onderdeel c negen onderdelen toegevoegd, luidende: d.geestelijke gezondheidszorg; geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen met psychische of psychiatrische problematiek, variërend van basis- tot specialistische behandeling; e.diagnostiek; onderzoek door gekwalificeerde professionals naar aard, ernst en oorzaken van problemen bij jeugdigen, als basis voor passende hulp; f.ernstige dyslexiezorg; diagnostiek, om vast te stellen of sprake is van ernstige dyslexie, en behandeling als uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige dyslexie g.kindergeneeskunde; medische zorg door kinderartsen voor jeugdigen met lichamelijke aandoeningen die samenhangen met opgroei- en opvoedproblemen; h.persoonlijke verzorging; ondersteuning bij of overname van dagelijkse verzorgingstaken bij jeugdigen met een beperking of aandoening, gericht op vergroten van zelfredzaamheid; i.verblijf: tijdelijke of langdurige opvang van jeugdigen buiten het eigen gezin, met of zonder behandeling, in pleeggezinnen, gezinshuizen of instellingen; I.pleegzorg II.logeeropvang III.gezinsgericht verblijf IV.verblijf met behandeling V.verblijf zonder behandeling VI.crisiszorg VII.gesloten jeugdhulp. j.vervoer van en naar een jeugdhulpaanbieder; k.essentiële functies: hoogspecialistische jeugdhulp voor jeugdigen met zeer complexe hulpvragen waarbij de veiligheid van de jeugdige en/of de ontwikkeling van de jeugdige door de aard van de problematiek zeer ernstig in het geding is. Essentiele functies zijn zowel ambulante als residentiële jeugdhulp. Ook de gesloten jeugdhulp valt hieronder. Deze bieden we op bovenregionaal niveau; l.landelijk transitiearrangement (LTA): Voor zeer weinig voorkomende zorgvragen die zeer specialistische inzet vragen is landelijk via het LTA beschikbaarheid van zorg georganiseerd. Het gaat hierbij om zeer diverse vormen van specialisme die de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) inkoopt namens de gemeenten. C. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: 1.Het tweede lid komt te luiden: 2.De jeugdige en/of ouder(s) dienen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk of langs de elektronische weg in bij het college. 2.In het derde lid wordt een zin ingevoegd, luidende: De onafhankelijke cliëntondersteuner kan op verzoek van de jeugdige en/of ouder(s) aanwezig zijn bij het evaluatiegesprek en bij bezwaarprocedures. 3.In het vijfde lid wordt “zo snel mogelijk” vervangen door “binnen een passende termijn”. D. Artikel 4, eerste lid wordt als volgt gewijzigd: 1.Onder verlettering van onderdeel b tot en met lid i tot lid c tot en met lid j wordt een onderdeel ingevoegd, luidende: b.als sprake is van problemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan onderzoekt het college achtereenvolgens: I.welke problemen of stoornissen dat zijn; II.welke hulp nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; III.of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; IV.voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; V.hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en; VI.indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. E. Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 5a. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.Onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt verstaan, het vermogen van de jeugdige en diens ouders om zelf, zo nodig met inzet van personen met wie zij binnen de kring van familie, vrienden of kennissen een sociale relatie onderhouden, of met ondersteuning van hulpverlenende instellingen de benodigde hulp te bieden. 2.Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als uit het onderzoek, bedoeld in artikel 4 eerste lid, onderdeel b, blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, toereikend zijn om de gevraagde jeugdhulp zelf te bieden. 3.Het college betrekt bij het onderzoek naar de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen de plicht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden als bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het gezond en veilig opgroeien van het minderjarig kind primair tot de plicht en verantwoordelijkheid van de ouder behoort. 4.Onverminderd het bepaalde in het derde lid, houdt het college bij de beoordeling of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouders toereikend zijn om zelf de nodige hulp te bieden, in ieder geval rekening met de volgende factoren: ▪de behoefte en de mogelijkheden van de jeugdige; ▪de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; ▪de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders; ▪de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; ▪het belang van de ouders om betaalde arbeid te verrichten, waarbij niet de financiële draagkracht van het gezin wordt beoordeeld om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen; ▪de mogelijkheden van personen binnen de sociale kring zoals bedoeld in het eerste lid, om de jeugdige en de ouders te ondersteunen; ▪de mogelijkheid om gebruik te maken van een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet die voor de Jeugdwet gaat of algemene voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1; ▪overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid de benodigde hulp zelf te bieden. 5.Bij het onderzoeken van de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders, beoordeelt het college of sprake is van dreigende overbelasting of overbelasting en welke mogelijkheden ouders hebben om deze te voorkomen of op te heffen, waarbij verwacht mag worden dat ouders sociale of maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. F. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 4.Indien twijfel bestaat over de effectiviteit van een individuele voorziening, raadpleegt het college erkende databanken zoals het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) of het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De onderbouwing van de effectiviteit wordt opgenomen in de beschikking. G. Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 6a. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1.Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2.Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a.bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b.bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c.op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3.Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. H. Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: 1.Het eerste lid komt te luiden: 1.Het college verstrekt een pgb als de budgethouder pgb vaardig is en als er een goedgekeurd budgetplan is, waarin het navolgende is opgenomen: a.waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en hulp in de vorm van een pgb wel; b.wie de hulp gaat uitvoeren en de wijze waarop de jeugdhulp wordt georganiseerd; c.de kwaliteiten van de uitvoerder; d.hoe de kwaliteit van hulp voldoende is gewaarborgd; e.de kosten van de jeugdhulp uitgewerkt in aantal eenheden en tarief; f.hoe er aan de doelen uit het verslag worden gewerkt; g.wie het pgb volgens de regels en zorgvuldig beheert. 2.Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot en met zesde lid tot tweede lid tot en met vijfde lid. 3.In het tweede lid wordt “zorgverlener” vervangen door “jeugdhulpverlener”. 4.In het derde lid onder e (nieuw) wordt “Behalve als deze vertegenwoordiger ook de (jeugdhulp)verlener is” vervangen door “De persoon die ook als (jeugdhulp)verlener bij de jeugdige of het gezin betrokken is mag deze taken niet uitvoeren” en wordt na “ (een deel van) de zorg verlenen” ingevoegd “mits de beheerstaken met voldoende afstand kunnen worden vervuld”, I. Artikel 12, vijfde lid, komt te luiden: 5.De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: a.de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). Voor loonkosten en materiële kosten worden verschillende percentages gebruikt; b.het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. J. Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd: 1.Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 2.Het college kan daarbij: a.een vaste prijs bepalen, die geldt voor inschrijving op een aanbesteding en voor de overeenkomst met de aanbieder; of b.een reële prijs vaststellen, gebaseerd op de kosten die een efficiënte en kwalitatief goede aanbieder redelijkerwijs moet maken. 2.In het derde lid wordt onder verlettering van onderdeel b tot en met g tot d tot en met j, twee onderdelen ingevoegd, luidende: b.cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten (bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten); c.kosten van indexering; Artikel II Na de ondertekening wordt de artikelsgewijze toelichting als volgt gewijzigd: A Aan de toelichting bij artikel 2 worden de volgende onderdelen toegevoegd, luidende: Artikel 2, tweede lid, onderdeel k De hoogspecialistische jeugdhulp bij de essentiële functies is voor kwetsbare jeugdigen met zeer complexe problemen waarbij de veiligheid van de jeugdige en/of de ontwikkeling van de jeugdige door de aard van de problematiek zeer ernstig in het geding is. Zeer complexe problemen zijn een samenloop van meerdere problematieken zoals (dit is geen uitputtende lijst) gedragsproblemen, een (licht) verstandelijke beperking, psychische problemen. De aard van problematiek betreft in ieder geval de jeugdige zelf (zoals ernstige psychische problemen) maar er zijn ook vaak problemen in combinatie met de omgeving/het netwerk waar de jeugdige opgroeit. De essentiële functies kunnen gaan om 1. open behandelgroepen waar jeugdigen verblijven, vrije tijd besteden en naar school gaan, 2. zorg en behandeling in een gesloten jeugdhulpinstelling voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen waardoor zij een gevaar vormen voor zichzelf en/of hun omgeving of 3. specialistische klinische opname en behandeling voor jeugdigen met psychiatrische problematiek. Zorg vanuit essentiële functies kan ook thuis (ambulant) worden geboden in de vorm van bijvoorbeeld consultatie, gesprek en/of huisbezoek, als onderdeel van en ondersteunend aan specialistische jeugdhulp of generalistische basishulp. Artikel 2, tweede lid onderdeel l De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) maakt namens alle gemeenten afspraken met aanbieders die schaarse en een landelijke functie vervullen in het zorglandschap. Dit kan gaan om jeugdigen en ouders met zeer complexe problemen en een hoge mate van comorbiditeit (meerdere psychische en lichamelijke problemen die elkaar beïnvloeden) waardoor deze zorg niet op lokale of (boven) regionale schaal geboden kan worden. De complexiteit van de problematiek en de meervoudigheid van de hulpbehoefte van deze jeugdigen stellen hoge eisen aan de expertise en kennis van de professionals. Het gaat daarom om de landelijke beschikbaarheid van hoogspecialistische en/of weinig voorkomende jeugdhulp, specialistische verblijfsfuncties en hulp in het kader van urgente crisissituaties. Ook kan het gaan om zorg en ondersteuning voor jeugdigen en ouders met een weinig voorkomende aandoening. Deze zorg wordt geboden door een klein aantal gespecialiseerde instellingen voor cliënten uit het hele land. Denk hierbij aan de behandeling van jeugdigen met een zintuigelijke beperking. B. Aan de toelichting bij artikel 3, derde lid wordt de volgende zin toegevoegd, luidende: Op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) is ervoor gekozen om expliciet te vermelden dat de cliëntondersteuner ook betrokken kan worden bij een evaluatie van de zorg of bij bezwaar (ECLI:NL:CRVB:2019:3124). C. Aan de toelichting bij artikel 4 wordt een alinea toegevoegd, luidende: De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 5 (beoordelen eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen) verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. D. Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 5a Beoordelen eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Artikel 2.3 van de Jeugdwet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en diens ouders staat voorop. (In artikel 1 lid 1 staat eigen kracht omschreven als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (capaciteit), tijd en middelen van de jeugdige en/of ouder(s) om zelf of met personen uit het sociaal netwerk de opgroei en/of opvoedingsproblemen op te lossen.). Pas als de ouders zelf – zo nodig met hulp van personen binnen hun sociaal netwerk of hulpverlenende instellingen - niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet het college hulp bieden. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook hulp die uitstijgt boven de gebruikelijke hulp die ouders op zich nemen (in jurisprudentie ook wel aangeduid als ‘bovengebruikelijke hulp’) kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de CRvB. Deze oordeelde in zijn uitspraak van 17 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2362) dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Het eerste lid specificeert welke sociale relaties tot dit netwerk moeten worden gerekend. Het tweede geeft aan dat een individuele voorziening niet wordt verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, toereikend zijn om de gevraagde jeugdhulp zelf te bieden. In het derde lid wordt verduidelijkt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige ligt. Hierbij wordt de primaire opvoedingsverantwoordelijkheid van ouders zoals vastgelegd in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek benadrukt. Het college dient deze plicht van ouders nadrukkelijk te betrekken bij zijn onderzoek. De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt in de uitvoering van de Jeugdwet. De in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. In het vierde lid wordt opgesomd welke aspecten het college in ieder geval moet onderzoeken om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders te kunnen bepalen. Hier kunnen dus ook andere aspecten bij worden meegenomen, afhankelijk van de concrete situatie. Ten slotte wordt in het vijfde lid bepaald dat bij het bepalen van de draagkracht en belastbaarheid ook dreigende overbelasting van de ouders mate als onderzoeksonderwerp moet worden meegenomen, evenals de mogelijkheden om deze te voorkomen of op te heffen. E. Aan de toelichting bij artikel 12, derde lid wordt de volgende zin toegevoegd, luidende De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein. Artikel III: Inwerkingtreding 1.Dit besluit wordt bekendgemaakt in het gemeenteblad en treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 februari 2026, De voorzitter, De griffier,
Meer informatie