Re-integratie- en Participatieverordening gemeente Coevorden 2026
Re-integratie- en Participatieverordening gemeente Coevorden 2026 De raad van de gemeente Coevorden; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nummer ..... gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid, 8b, 10b, vijfde en zevende lid en 47 van de Participatiewet en artikelen 4a, 35 onder b en d van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikelen artikelen 4a, 35 onder b en d van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 78f Participatiewet, 60b en (toekomstig) 60ba Besluit bijstandsverlening zelfstandigen; gelet op het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 21 mei 2026; Besluit vast te stellen: Re-integratie- en Participatieverordening gemeente Coevorden 2026. HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: inwoner: de persoon die ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen van de gemeente Coevorden; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden; doelgroep: -de persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a Participatiewet, met uitzondering van de persoon bedoeld in artikel 7, derde lid , onderdelen a, b en c Participatiewet; en -de persoon als bedoeld in artikel 7a van de Participatiewet wie niet meer leerplichtig is met uitzondering van de persoon bedoeld in artikel 7a, zesde lid Participatiewet; en -de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; en -de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; en -de persoon die een uitkering ontvangt op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen; leerplichtig: kinderen zijn leerplichtig vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin ze 5 jaar zijn geworden en duurt tot het einde van het schooljaar waarin ze 16 jaar zijn geworden of totdat ze 12 volledige schooljaren hebben doorlopen: kwalificatieplichtig: de niet meer leerplichtige persoon jonger dan 18 jaar zonder startkwalificatie, tenzij praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht of dagbesteding is gevolgd of de persoon vrijgesteld is geweest van de leerplicht; vso: voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra; pro: praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; Mbo: middelbaar beroepsonderwijs; BOL: beroepsopleidende leerweg; niet-uitkeringsgerechtigde (nugger): de persoon als bedoeld in artikel 6 onder a van de Participatiewet; grote afstand tot de arbeidsmarkt: -de persoon die minimaal één jaar achter elkaar een werkloosheidsuitkering heeft gehad; of -om andere redenen minstens één jaar achter elkaar niet heeft deelgenomen aan het arbeidsproces; of -de persoon die geen startkwalificatie heeft; kleine afstand tot de arbeidsmarkt: de persoon die redelijkerwijs binnen één jaar kan deelnemen aan de arbeidsmarkt; langdurig werkloze: de persoon die minimaal één jaar achter elkaar een werkloosheidsuitkering heeft gehad; (arbeids)beperking: de situatie waarin een inwoner door een lichamelijk, psychische, verstandelijke of leerbeperking, of door een chronische ziekte, belemmeringen ervaart bij bijvoorbeeld het vinden van werk, leren, begrijpen, onthouden en uitvoeren of volhouden van activiteiten. Het kan gaan om dingen als minder belastbaarheid, een lager tempo, sneller overprikkeld raken, moeite met bepaalde handelingen, of een grote behoefte aan structuur en begeleiding. Een (arbeids)beperking zegt niets over talent of inzet, maar wel dat er soms aanpassingen of ondersteuning nodig is om goed mee te kunnen doen; voorziening: door het college noodzakelijk gevonden ondersteuning als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a en 7a, eerste lid van de Participatiewet gericht op arbeidinschakeling; overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de Participatiewet; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Participatiewet; mantelzorg: onbetaalde, vrijwillige hulp van minimaal 8 uur per week en langer dan 3 maanden voortkomend uit een persoonlijke sociale relatie, zoals familie of vrienden voor iemand die extra ondersteuning nodig heeft door ziekte, handicap of ouderdom, en is gericht op zelfredzaamheid en participatie; gebruikelijke hulp: -de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen (passend bij de leeftijd) geacht worden elkaar onderling te bieden ,omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden; -hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Hieronder wordt in elk geval verstaan: ⋆de plicht en het recht van de ouder de jeugdige te verzorgen en op te voeden, ⋆de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van de jeugdige, ⋆het bevorderen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid door het begeleiden en stimuleren van de jeugdige in de ontwikkelings- en ontplooiingsactiviteiten, het bieden van ruimte daartoe en creëren van mogelijkheden daarvoor met name in de sfeer van scholing en opleiding inclusief het voorzien in de kosten van de scholing en opleiding totdat de jeugdige de 21-jarige leeftijd heeft bereikt; jeugdige: de persoon volgens artikel 1.1 Jeugdwet; Pw: Participatiewet; IOAW: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Bbz: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen; WW: Werkloosheidswet. HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT ONDERSTEUNING Artikel 2. Algemene bepalingen 1.Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om werk te vinden en mee te doen in de samenleving. Als dat niet lukt, kan het college helpen. Het college biedt aan de persoon die behoort tot de doelgroep ondersteuning die nodig en zinvol is om werk te vinden of te behouden of om een blijvende betere positie op de arbeidsmarkt te krijgen. Als werken (nog) niet haalbaar is, ziet de ondersteuning op het vergroten van de mogelijkheden op werk of op activiteiten om mee te doen in de samenleving. Meedoen in de samenleving noemen we maatschappelijk participeren.2.Het college geeft de ondersteuning vorm in overleg met de inwoner. In een gesprek worden de wensen, de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften, capaciteiten en vaardigheden van de persoon verkend. Inwoner en college bepalen samen of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling nodig en welke voorziening of dat (ondersteuning bij) maatschappelijke participatie (voorlopig) meer passend is.3.Het inzetten van een voorziening is maatwerk. Het college houdt in ieder geval rekening met: a.de persoonlijke situatie van de inwoner, waaronder de afstand tot de arbeidsmarkt en gezondheid; b.of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of beschut werk; c.hoe de persoon werk denkt te vinden of te behouden; d.welke voorzieningen nuttig zijn; e.de kosten van een voorziening; f.hoe de voorzieningen evenwichtig worden verdeeld over de doelgroep; g.dat de voorziening niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt; h.dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed; i.wettelijke verplichtingen. 4.Een voorziening wordt zo goed mogelijk afgestemd op de situatie van de persoon, het noodzakelijk verrichten van (mantel) zorg, de behoefte aan en beschikbaarheid van passende kinderopvang.5.Binnen de gemeentelijke organisatie wordt het aanbod van voorzieningen afgestemd op voorzieningen die binnen andere delen van het sociaal domein beschikbaar zijn. Doel is inwoners zo goed mogelijk te ondersteunen om zich te ontwikkelen. Het gaat daarbij zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij overgangen, bijvoorbeeld van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk en tussen dagbesteding en werk.6.Als een persoon naar de gemeente Coevorden verhuist en in de vorige woongemeente ondersteuning kreeg bij de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie, beoordeelt het college of en in welke vorm deze ondersteuning wordt voortgezet. Het uitgangspunt is continuïteit van ondersteuning. Het college overlegt zo spoedig mogelijk met de vorige gemeente en uitvoeringspartners om afspraken te maken over de voortzetting van de ondersteuning. 7.Het college kan ook werkgevers en leerbedrijven ondersteunen. Bijvoorbeeld bij het matchen van een inwoner en werkgevers of leerbedrijven. Of door loonkostensubsidie en duurzaamheidssubsidie. Het college informeert werkgevers en leerbedrijven over mogelijk te ontvangen subsidies van andere instanties. Artikel 3. Nugger 1.Het college kan ondersteuning bieden aan een nugger. De ondersteuning kan maximaal voor de duur van éen jaar worden aangeboden, tenzij het een persoon is als bedoeld in artikel 7a, eerste lid onder a of het derde lid van de Pw en deze persoon jonger is dan 27 jaar. Dan is de duur maximaal twee jaar.2.Het college voorziet in elk geval in de kosten van de noodzakelijke voorziening als: a.het inkomen van de persoon maximaal 100% van de geldende bijstandsnorm is; en b.het vermogen van de persoon maximaal de vermogensgrens genoemd in artikel 34, derde lid van de Pw bedraagt; c.en voorzover voor de persoon bedoeld in artikel 7a van de Pw de kosten niet worden voldaan uit het budget ter beschikking gesteld aan de school; d.en voorzover ouders van de persoon bedoeld in artikel 7a van de Pw niet bijdragen; e.en voorzover voor de persoon bedoeld in artikel 7a van de Pw het UWV niet in de kosten voorziet. Artikel 4. Het re-integratie- en participatieplan 1.Het college stelt een re-integratie- en participatieplan op afgestemd op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften, capaciteiten en vaardigheden van de persoon.2.Het re-integratie- en participatieplan heeft de vorm van een beschikking. Hierin staan ondermeer vermeld: a.gevolgd onderwijs; b.werkervaring; c.persoonlijke omstandigheden waaronder fysieke en mentale gezondheid; d.mogelijkheden kinderopvang; e.welke afspraken er zijn gemaakt over (arbeids)participatie; f.ondersteuning en begeleiding, waaronder voortgangsgesprekken; g.de aangeboden voorzieningen; h.de voorwaarden voor de voorzieningen; i.de bekostiging van de voorzieningen. Bij het re-integratie- en participatieplan zit een begeleidende brief. In deze brief staan de naam en bereikbaarheid van de contactpersoon bij het college. Ook staat in de brief dat het re-integratie- en participatieplan aangepast kan worden als er een belangrijke wijziging is. En verder dat de persoon een bezwaarschrift kan schrijven. 3.Het college stuurt het re-integratie- en participatieplan aan de persoon per post of digitaal. 4. 4.Voor de persoon die recht heeft op algemene bijstand is het re-integratie en participatieplan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Pw. 5.Het eerste lid is niet van toepassing als ter uitvoering van de Wet verbetering Poortwachter, de regeling procesgang vangnetters en artikel 7, eerste lid onderdeel a van de Pw de bedrijfsarts een plan van aanpak opstelt. Artikel 5. Geen voorziening (meer) 1.Een voorziening moet nuttig zijn. Het college kan daarom besluiten een voorziening niet (langer) aan te bieden, als: a.de persoon niet (meer) behoort tot de doelgroep; b.de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Pw; c.de persoon geen gebruik (meer) maakt van de voorziening; d.de persoon of werkgever onvoldoende meewerkt om te kunnen beoordelen of de voorziening nuttig is; e.de persoon een beroep kan doen op geschikte ondersteuning via een andere organisatie of regeling, of gebruikelijke hulp of via de werkgever; f.de voorziening niet (meer) geschikt is voor de persoon; g.de voorziening niet (meer) nodig is om de positie op de arbeidsmarkt te verbeteren of om werk te vinden of te behouden; h.de kosten van de voorziening niet (langer) in verhouding staan tot het te verwachten effect van die voorziening voor de persoon. 2.Voordat het college besluit een voorziening te beëindigen, nodigt de contactpersoon de persoon uit voor een gesprek. De persoon kan zijn mening geven. 3.Een voorziening moet passen bij wettelijke verplichtingen. Het college biedt daarom geen voorzieningen aan: a.als de persoon bedoeld in artikel 7a, eerste lid van de wet leerplichtig is; b.(mede) door de voorziening er sprake is van strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidstijdenwet geldend voor 16- en 17-jarigen; c.het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het verzoek om ondersteuning heeft gedaan en daarbij geen overgangsdocument heeft verstrekt. Artikel 6. Evaluatie en klanttevredenheid 1.Het college brengt elk jaar, via de Sturen en Verantwoorden cyclus, aan de gemeenteraad verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. 2.Het college voert klanttevredenheidsonderzoeken uit. Het doel is om: a.inzicht te krijgen in de kwaliteit van de dienstverlening; b.verbeterpunten voor de ondersteuning, voorzieningen en communicatie te horen; c.vast te stellen of de ondersteuning daadwerkelijk uitzicht geeft op duurzaam werk, armoede en schulden worden voorkomen en bestreden, bijdraagt aan het vergroten van de zelfredzaamheid, eenzaamheid voorkomt en mantelzorgers ontlast. HOOFDSTUK 3 PREVENTIE EN VROEGSIGNALERING DOOR SAMENWERKING Artikel 7. Samenwerking met het UWV 1.Het college biedt aan de persoon die een WW- uitkering ontvangt preventieve en passende ondersteuning, aan als: a.de WW-uitkering binnen zes maanden afloopt; en b.de kans groot is dat de persoon na het einde van de WW-uitkering voor het inkomen gebruik zal maken van een uitkering op grond van de Pw of de IOAW; en c.de inzet van voorzieningen tot doel heeft ervoor te zorgen dat de persoon de juiste kwalificaties, ervaring en/of competenties verkrijgt in relatie tot het (opnieuw) verkrijgen van betaald werk; en d.d. het UWV voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat zij de voorziening zelf niet of onvoldoende kan aanbieden. 2.Het college en het UWV kunnen overeenkomen dat het college personen als bedoeld in artikel 7a van de Pw en aan wie het UWV een uitkering verstrekt, ondersteunt en aan die personen voorzieningen aanbiedt. 3.Voorzieningen kunnen alleen aangeboden worden na aanmelding bij het college door het UWV. Artikel 8. Samenwerking met scholen, instellingen, doorstroompunt , regio-gemeenten 1.Het college heeft periodiek een casusoverleg op maat met scholen om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Voordat de jongere de school verlaat, wordt er gekeken naar een passend traject richting dagbesteding of de arbeidsmarkt.2.Het college kan voorzieningen aanbieden aan de persoon bedoeld in artikel 7a, eerste lid Pw als: a.de persoon -korter dan een jaar geleden een Entree-diploma, Mbo-2-BOL-diploma; of: -korter dan twee jaar gelden een vso-uitstroomprofiel arbeidsmarkt gericht-diploma, pro-verklaring of diploma, of; -een chronische ziekte of functiebeperking en korter dan een jaar geleden een Hbo- of universitair-diploma heeft gehaald; en b.het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling of school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra daarom verzoekt; en c.na overleg met het bevoegd gezag van de school of instelling over de aangeboden loopbaanbegeleiding; en d.na ontvangst van een overgangsdocument. 3.Het college geleidt de persoon jonger dan 27 jaar die geen startkwalificatie heeft en mogelijk uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, door naar het Doorstroompunt. 4.De ondersteuning van de persoon die geen startkwalificatie heeft, vindt plaats in de vorm van een leer-werktraject of, als dat gelet op de omstandigheden van de persoon passender is, op andere wijze. Artikel 9. Samenwerking binnen het sociaal domein, met andere organisaties en ervaringsdeskundigen De afdelingen binnen het sociaal domein werken samen. Het college werkt ook samen met andere organisaties en ervaringsdeskundigen. Het doel is om: a.afhankelijkheid van een uitkering te voorkomen en/of inwoners te helpen werk te vinden en te behouden; b.een actief en gezond leven voor inwoners toegankelijk te maken; c.te voorkomen dat inwoners hoge schulden krijgen en in armoede leven; d.een overzicht te scheppen in de diverse initiatieven op het gebied van participatie, de onderlinge verbinding tussen deze initiatieven en inzicht te krijgen in de doorlopende leer- of ontwikkellijnen van dagbesteding tot aan betaald (gesubsidieerd) werk en als dat nodig is veilig terug (het zogenaamde simpelswitchen); e.voorkomen dat inwoners eenzaam zijn. Daarom zijn er in de gemeente plekken waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten en kunnen meedoen aan activiteiten. f.inwoners professioneel te ondersteunen bij een (herstel)proces op basis van eigen praktijkervaringen. HOOFDSTUK 4 LEREN, ONTWIKKELEN EN WERKEN Artikel 10. Leer-werktraject 1.Het college biedt een persoon uit de doelgroep die geen startkwalificatie heeft een leer-werktraject aan.2.Het college kan een statushouder- naast zijn verplichte inburgeringslessen- een leer-werktraject aanbieden, ook als de statushouder een startkwalificatie heeft.3.Een leer-werktraject kan verschillende doelen hebben, onder andere: a.het leren van de taal op de werkvloer/het leren van vaktaal; b.het behouden en leren van werknemersvaardigheden; c.het opdoen van werkervaring en het ontwikkelen van arbeidsritme; d.het vergroten van vakkennis; e.beroepsoriëntatie en een realistisch beroepsbeeld in kaart brengen; f.ter voorbereiding op de praktijkroute (artikel 17) en behoud van de werkplek. 4.De omvang van een leer-werktraject bedraagt maximaal 32 uur per week.5.Het college kan, als dat nodig is, opeenvolgende leer-werktrajecten aanbieden. De duur kan variëren van 3 tot 6 maanden en kan verlengd worden tot maximaal 12 maanden. Voor statushouders is de maximale duur 24 maanden.6.Tijdens het leer-werktraject vindt begeleiding plaats en kan scholing/training worden ingezet. 7.In een trajectplan, ondertekend door het college, de persoon en de onderneming, wordt in elk geval vastgelegd: de startdatum, de duur, de omvang, de ontwikkeldoelen, de wijze van begeleiding en de afspraken over de tussen- en eindevaluatie.8.De persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a 1°, behoudt het recht op uitkering. Artikel 11. Praktijkleren in het Mbo (derde leerweg) 1.Het voorgaande artikel is niet van toepassing op de persoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid onder a van de Pw voor wie praktijkleren in het Mbo mogelijk en passend is.2.Bij praktijkleren in het Mbo wordt werken bij een erkend leerbedrijf gecombineerd met het volgen van een Mbo-opleiding of een deel daarvan. Het is gericht op het behalen van een Mbo-diploma,- certificaat of praktijkverklaring.3.Het college zoekt voor de persoon in het eerste lid een werkgever die een leerbaan kan aanbieden die aansluit bij de wensen, mogelijkheden, vaardigheden en capaciteiten van de persoon, bemiddelt als de persoon zelf een leerbaan heeft gevonden en draagt de persoon voor bij een werkgever met een vacature. De persoon en het college zoeken samen naar een passende Mbo-instelling.4.Het college kan voorzieningen aanbieden als en voorzover dat nodig is voor het doen van de leerbaan en de werkgever hierin niet voorziet. Artikel 12. Detacheringsbaan 1.Het college of een organisatie namens het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling.2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid maximaal 6 maanden gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.3.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 13. Proefplaats 1.Als het college dit nodig vindt, kan zij een persoon uit de doelgroep die algemene bijstand ontvangt, toestemming geven om op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te doen. Dit mag met behoud van uitkering voor de duur van 2 maanden. Deze termijn kan in individuele situaties verlengd worden met maximaal 2 keer 2 maanden. Als de persoon ziek was, kan de proefplaatsing worden verlengd met de tijd dat de persoon ziek was. Verlenging kan niet bij seizoenswerk. 2.Het doel van een proefplaatsing is: a.het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie; of b.de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3.Voor een proefplaats wordt alleen toestemming gegeven als: a.de persoon, rekening houdend met zijn vaardigheden en capaciteiten, het werk kan doen; b.het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d.de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem/haar bij die werkgever, of zijn/haar rechtsvoorganger, zijn verricht; en e.de werkgever bij de start van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat de persoon, als hij/zij geschikt is, direct na zijn proefplaatsing, een arbeidsovereenkomst krijgt -voor minimaal 12 maanden; en -zonder proeftijd; en -voor hetzelfde aantal uren als tijdens de proefplaatsing. Bij seizoenswerk moet de arbeidsovereenkomst tot het einde van het seizoen duren, zonder proeftijd en voor minimaal hetzelfde aantal uren als tijdens de proefplaatsing. Artikel 14. Werkstage 1.1. Het college kan aan een pers oon uit de doelgroep een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden, als deze persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft.2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring in een bepaald vakgebied of een specifieke functie.3.Een werkstage duurt maximaal 3 maanden bij één en dezelfde werkgever. Het is mogelijk deze éénmalig met 3 maanden te verlengen. Voor statushouders geldt een maximale duur van 24 maanden en maximaal 32 uren per week.4.Het college plaatst een persoon alleen als: a.het college geen kosten aan de werkgever hoeft te vergoeden die te maken hebben met de werkstage; b.er begeleiding op de werkvloer aanwezig is die goed past bij de situatie van de persoon; c.door deze plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed; d.er door deze plaatsing geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5.De persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a 1°, behoudt het recht op uitkering. Ten aanzien van een te ontvangen stagevergoeding gelden artikel 34a van de Pw en de beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz.6.In een schriftelijk contract tussen het college, de persoon en de werkgever wordt in elk geval opgeschreven: het doel van de werkstage, de startdatum, de duur, het aantal werkuren per week, hoe de begeleiding eruit ziet en afspraken over de tussen- en eindevaluatie. Artikel 15. Participatieplaats 1.Het college kan een participatieplaats geven aan een persoon van 27 jaar of ouder die recht heeft op een uitkering op grond van de Pw en een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, zoals is uitgelegd in artikel 10a eerste lid van de Pw.2.Het doel van een participatieplaats is om een persoon zoals bedoeld in het eerste lid, ervaring met werken op te laten doen en werknemersvaardigheden aan te leren. Een participatieplaats is een additionele werkplek en wordt niet omgezet naar betaald werk.3.In een schriftelijk contract tussen het college, de persoon en de werkgever wordt in elk geval opgeschreven: het doel van de participatieplaats, de startdatum, de duur, het aantal werkuren per week, en hoe de begeleiding eruit ziet. Artikel 16. Participatiepremie 1.Het college kan volgens artikel 10a, zesde lid, van de Pw, een participatiepremie geven aan een persoon die wordt bedoeld in het eerste lid van het voorgaande artikel.2.De participatiepremie is € 150,- voor iedere 6 maanden. Voorwaarde is dat de persoon in die 6 maanden voldoende heeft meegewerkt om de kans op werk groter te maken.3.De participatiepremie kan door de persoon zelf worden aangevraagd tot één jaar nadat de participatieplaats is gestopt.4.Er is geen recht op een participatiepremie als de persoon die wordt bedoeld in het eerste lid, minder bijstand heeft gehad, omdat niet is voldaan aan arbeids- en/of participatieverplichtingen. Artikel 17. Praktijkroute 1.Het college kan aan een persoon uit de doelgroep die door een (arbeids)beperking naar het (voorlopig) oordeel van het college niet het minimumloon kan verdienen, helpen bij het zoeken van een baan via de praktijkroute.2.Binnen 6 maanden na aanvang van het dienstverband (inclusief eventuele proefplaatsing en een leer-werktraject) wordt de loonwaarde van de persoon op de werkplek gemeten.3.Loonwaarde is de waarde – uitgedrukt in euro’s – van de arbeid die iemand nog kan uitvoeren. Voor de berekening van de loonwaarde wordt bepaald wat de actuele inzetbaarheid van de werknemer is ten opzichte van de normfunctie. De hoogte van de loonwaarde wordt onder andere gebaseerd op actuele inzetbaarheid op de hoofdtaken, het tempo waarin het werk wordt uitgevoerd, de kwaliteit die wordt geleverd en de mogelijke bijkomende kosten die gemaakt moeten worden om werknemer te laten functioneren. 4.Bij een verminderde loonwaarde komt de persoon in aanmerking voor registratie in het doelgroepenregister. 5.Tijdens het doorlopen van de praktijkroute kan het college de persoon een voorziening aanbieden. Artikel 18. Scholing en begeleiding 1.Er zijn drie vormen van scholing en begeleiding: a.het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een scholingstraject aanbieden als dit de enige mogelijkheid is om deze persoon te steunen bij het vinden van duurzaam betaald werk; b.het college biedt aan een persoon die op een participatieplaats (artikel 15) werkt en geen startkwalificatie heeft, na een periode van 6 maanden scholing of opleiding aan; c.het college kan een werkgever een bijdrage voor scholing en begeleiding (duurzaamheidssubsidie) verstrekken bij het aanbieden van een arbeidsovereenkomst van minimaal één jaar aan een persoon die behoort tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 2.Voor de scholing/opleiding en begeleiding als bedoeld onder a, b en c gelden in ieder geval de volgende eisen: a.uit onderzoek door het college is gebleken dat de scholing/opleiding en/of begeleiding nodig is om een echte kans te krijgen op betaald werk; b.de scholing/opleiding en/of begeleiding duurt niet langer dan noodzakelijk om het doel te halen; c.de persoon moet de scholing kunnen doen. 3.Het eerste lid onder c is niet van toepassing op de werkgever die subsidie voor de scholing/opleiding en/of begeleiding (bijv. praktijkleren, SLIM, stagefonds zorg) ontvangt.4.Het college stelt nadere regels over de aanvraag, verplichtingen en hoogte van de subsidie als bedoeld in het eerste lid onder c. HOOFDSTUK 5 MAATSCHAPPELIJKE PARTICIPATIE Artikel 19. Maatschappelijke participatie 1.Meedoen in de samenleving is belangrijk. We noemen dit maatschappelijke participatie. Het college ondersteunt een persoon uit de doelgroep wie (nog) niet betaald kan werken bij activiteiten om maatschappelijk te kunnen participeren. Dit doet het college alleen als de persoon zelf nog geen activiteiten doet of een idee daarover heeft. 2.De in het eerste lid bedoelde activiteiten zijn onder andere: a.het doen van vrijwilligerswerk b.het beheersen van de Nederlandse taal c.het verbeteren van basisvaardigheden d.arbeidsmatige dagbesteding. 3.Het college stemt de activiteiten, de ondersteuning, de omvang en de duur daarvan in samenspraak met de persoon af. Belangrijk bij die afstemming is wat de persoon nodig heeft om, al dan niet op termijn door betaald werk, mee te doen. Ook de mogelijkheden, capaciteiten en vaardigheden van de persoon zijn belangrijk.4.Het college kan op grond van dringende redenen in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting tot maatschappelijke participatie al dan niet met gebruikmaking van ondersteuning door het college.5.Dit artikel is ook van toepassing op personen van wie is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Pw.6.Het college kan nadere regels opstellen over maatschappelijke participatie. Artikel 20. Vrijwilligerswerk Vrijwilligerswerk doen met behoud van uitkering kan worden gezien als voorziening gericht op maatschappelijke participatie als: a.het werk tot doel heeft werkritme op te doen en/of te laten behouden b.het werk, behoudens een onbelaste maximale vergoeding, onbetaald is c.de werkzaamheden worden verricht voor een organisatie zonder winstoogmerk d.de persoon of een ander deed het werk niet eerder voor loon. Artikel 21. Beheersing Nederlandse taal Het college biedt inwoners de mogelijkheid om de Nederlandse taal beter te leren lezen en schrijven. Deelname aan een traject kan worden gezien als maatschappelijke participatie. Artikel 22. Verbeteren basisvaardigheden Het college biedt inwoners de mogelijkheid om basisvaardigheden (onder andere rekenen, digitale geletterdheid), aan te leren of te verbeteren. Deelname aan een traject kan worden gezien als maatschappelijke participatie. Artikel 23. Arbeidsmatige dagbesteding 1.Arbeidsmatige dagbesteding is een vorm van werken met veel begeleiding en structuur en weinig werkdruk.Het college kan arbeidsmatige dagbesteding aanbieden aan een persoon uit de doelgroep: a.zonder startkwalificatie; en b.bij wie sprake is van chronische, fysieke en/of langer durende problematiek; en c.die niet in staat is zelfstandig een zinvolle dag vorm te geven; en d.die niet in staat is zelfstandig kennis en vaardigheden op een bepaald interesse- en/of vakgebied te behouden of uit te breiden; en e.langdurig werkloos is; en f.zich kan ontwikkelen om algemeen geaccepteerd, waaronder gesubsidieerd, werk te verrichten. 2. Een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Jeugdwet is niet nodig. Volgens deze wetten en de beleidsregels van het college bij deze wetten is het doel van dagbesteding aan (jeugdige) inwoners een herkenbare dagstructuur en een zinvolle invulling te geven. Artikel 24. Mantelzorg 1.Mantelzorg kan worden gezien als maatschappelijke participatie als de persoon mantelzorg verricht voor een periode van ten minste 3 maanden en voor ten minste 8 uur per week, voor zo lang de zorgbehoefte bestaat. 2.Het verlenen van mantelzorg kan een reden zijn voor tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de Pw, als: a.de zorg voortkomt uit een sociale relatie die bestaat tussen de zorgbehoevende en zorgverlener; en b.de zorg voor ten minste 8 uur per week wordt verricht; en c.er niet op andere wijze in de zorg kan worden voorzien. 3.De tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen en maatschappelijke participatie vinden in redelijkheid plaats, waarbij de uren die moeten worden besteed aan zorgtaken in relatie moeten staan tot de resterende uren die redelijkerwijs besteed kunnen worden aan re-integratieactiviteiten. 4.De tijdelijk ontheffing van de arbeidsverplichtingen en maatschappelijke participatie geldt voor de duur dat de mantelzorg noodzakelijk is. 5.Het college kan als nodig ter onderbouwing van de beoordelingen een onafhankelijke externe deskundige hierover om advies vragen. Artikel 25. Participatievoorziening beschut werk 1.Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: a.fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b.uitsplitsing van taken; of c.aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2.Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a.maatschappelijke participatie; b.scholing; c.persoonlijke ondersteuning; of d.schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 3.Het maximaal aantal dienstbetrekkingen beschut werk dat de gemeente elk jaar beschikbaar stelt, is gelijk aan het aantal dat het rijk elk jaar bij ministeriële regeling voor de gemeente vaststelt.4.Als het college toch meer dienstbetrekkingen beschut werk wil aanbieden dan het gemaximeerde aantal genoemd in derde lid dan kan dat alleen als daaraan een separaat besluit van de gemeenteraad ten grondslag ligt. Artikel 26. Uitstroompremie 1.Het college kan eenmalig een uitstroompremie geven van € 300,- aan een langdurig werkloze die minimaal één jaar aan het werk gaat en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand.2.De persoon die wordt bedoeld in het eerste lid, kan de uitstroompremie aanvragen vanaf de zevende maand tot één jaar nadat hij/zij is gaan werken. Artikel 27. Kosten kinderopvang 1.Het college verstrekt op aanvraag een vergoeding voor de eigen bijdrage kosten kinderopvang in aanvulling op de kinderopvangtoeslag van de belastingdienst aan de persoon uit de doelgroep wie gebruik maakt van een voorziening die de noodzaak tot kinderopvang met zich meebrengt.2.De tegemoetkoming is zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid van de Wet Kinderopvang. HOOFDSTUK 6 PERSOONLIJKE ONDERSTEUNING Artikel 28. Persoonlijke ondersteuning bij werk en leer-werktraject 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning aanbieden bij werk en een leer-werktraject.2.Persoonlijke ondersteuning kent twee vormen: a. interne werkbegeleiding: hiervan is sprake als een collega dagelijks begeleiding biedt op de werkvloer. Dit omdat de werknemer anders zijn werkzaamheden niet kan uitvoeren. In dit geval is sprake van meer dan de normale begeleiding van een werknemer op een werkplek. b. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning gericht op het vinden en behouden van werk (ook praktijkleren als bedoeld in artikel 11, de proefplaats in artikel 13 en de praktijkroute in artikel 17 van deze verordening) of het volgen van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 7a van de Pw en artikel 10 van deze verordening. 3.Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en leer-werktraject gelden de volgende voorwaarden: a.de persoon behoort tot de doelgroep; en b.er is sprake van een (arbeids)beperking; en c.de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces of leer-werktraject meedoen; en d.de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; of e.de persoon volgt een leer-werktraject van minimaal 6 maanden gedurende minimaal 8 uur per week; en f.de kosten van de voorziening(en) zijn volgens het college proportioneel, dat betekent dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 29. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk 1.De persoon of de werkgever/het leerbedrijf namens de persoon kan bij het college een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk doen. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier gebruiken.2.Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag.3.De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de startdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. Dit geldt niet als voor of op het moment van de start van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning nog niet bekend kon zijn.3.Het college bepaalt na overleg met de persoon en werkgever/leerbedrijf welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling.4.Het college onderzoekt, als dat nodig is, de mogelijkheid om samen te werken met andere partijen. Bijvoorbeeld op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening en welzijn en wonen. Doel van de samenwerking is te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Artikel 30. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk. 1.Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning in ieder geval aan: a.welke persoonlijke ondersteuning wordt verstrekt; b.als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c.de duur en zwaarte van de ondersteuning; d.de startdatum van de ondersteuning; e.als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f.als dat aan de orde is, welke andere ondersteuning of voorziening geschikt is, of kan zijn. Dit kan ook betekenen hoe de persoon integraal kan worden ondersteund. Artikel 31. Jobcoaching 1.Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk of het leer-werktraject verzorgt, moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals omschreven in de nadere regels over jobcoaching.2.De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de persoonlijke omstandigheden. In de nadere regels die bij deze voorziening horen, staan maximale percentages en uren. Artikel 32. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1.Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching geven aan de werkgever.2.Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan worden gegeven als: a.de jobcoaching, die bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon die behoort tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; en b.de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; en c.de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d.de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3.Het college sluit voor het organiseren van jobcoaching aan bij de tarieven die het UWV gebruikt. Deze bedragen worden elk jaar geïndexeerd.4.Het college stelt nadere regels over de inzet van de voorziening ‘jobcoaching’. Artikel 33. Interne werkbegeleiding 1.Als een persoon voor het kunnen uitvoeren van werk is aangewezen op begeleiding en die begeleiding de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers duidelijk te boven gaat, dan kan het college een subsidie geven aan de werkgever/leerbedrijf. Deze subsidie is bedoeld voor de aangetoonde extra kosten die horen bij het organiseren van de interne werkbegeleiding.2.Het college kan aan de werkgever/leerbedrijf op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers zodat zij interne werkbegeleiding kunnen bieden aan personen die behoren tot de doelgroep.3.Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK 7 OVERIGE VOORZIENINGEN Artikel 34. Overige voorzieningen bij werk en leer-werktraject 1.Het college kan overige voorzieningen aanbieden bij werk en een leer-werktraject2.Bij de toekenning van overige voorziengen bij werk en leer-werktraject gelden de volgende voorwaarden: a.de persoon behoort tot de doelgroep; en b.de persoon heeft een loonwaarde van minimaal 30% van het wettelijk minimumloon; en c.er is sprake van een (arbeids)beperking; en d.de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces, leer-werktraject of proefplaatsing meedoen; en e.de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; of f.de persoon volgt een leer-werktraject van minimaal 6 maanden gedurende minimaal 8 uur per week; g.het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever of het leerbedrijf verantwoordelijk is; en h.het gaat niet om een meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever of het leerbedrijf behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; en i.er is volgens het college geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever of het leerbedrijf kan worden verlangd; en j.de kosten van de voorziening(en) zijn volgens het college proportioneel, dat betekent dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 35. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1.Het college kan een vervoersvoorziening aanbieden.2.Voor toekenning van een vervoersvoorzieningen gelden de volgende voorwaarden: a.de persoon behoort tot de doelgroep; en b.er is sprake van een (arbeids)beperking; en c.door de (arbeids)beperking kan de persoon niet zelfstandig of door gebruik te maken van het openbaar vervoer naar de werkplek (ook praktijkleren als bedoeld in artikel 11, de proefplaats in artikel 13 en de praktijkroute in artikel 17 van deze verordening) of het volgen van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 7a van de Pw en artikel 10 van deze verordening) of opleidingslocatie reizen; en d.het vervoer is beperkt tot woon-werk of opleiding- verkeer. 3.De vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden gegeven.4.De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal vaste dagen dat moet worden gewerkt. De hoogte bedraagt het in de markt gebruikelijke tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.5.Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 36. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische handicap 1.Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of handicap geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.2.Het college kan in nadere regels uitwerken hoe het de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt. Artikel 37. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1.Het college kan een meeneembare voorziening toekennen aan een persoon uit de doelgroep, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken of het leer-werktraject te volgen.2.Er is geen complete lijst van voorzieningen. In de regel kan elk product als een meeneembare voorziening worden gezien als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.3.De meeneembare voorziening wordt in de regel in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te geven.4.Het college kan in nadere regels uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt. Artikel 38. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen 1.Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon uit de doelgroep, als dit noodzakelijk is om het werk uit te voeren of het leer-werktraject te volgen. In de regel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden gezien als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.2.Het college kan in nadere regels uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt. Artikel 39. Aanvraagprocedure en beschikking overige voorzieningen De artikelen 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 40. Loonkostensubsidie 1.Op grond van artikel 10d van de Pw verleent het college op aanvraag van de werkgever of werknemer, gedaan binnen 6 maanden na het begin van de dienstbetrekking, in aanvulling op de artikelen 7 en 7a van de Pw, loonkostensubsidie als na vaststelling door het college blijkt dat de persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon en die persoon in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de dienstbetrekking a.deelnam aan - pro; of - vso; of -entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; b.een persoon was als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a; dan wel c.uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgde zonder een startkwalificatie te hebben behaald, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een persoon als bedoeld in artikel 7a, derde lid, die een leer-werk-traject volgt. 2.Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever. Als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, dan wordt het ontvangst aan de werkgever en de persoon bevestigd.3.Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het om een persoon gaat die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook gezien als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Pw. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de Pw, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de praktijkroute.4.Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, behalve als in overleg met de werkgever gebruikt wordt gemaakt van artikel 10d, vijfde lid, van de Pw.5.Het college volgt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. HOOFSTUK 8 VOORKOMEN VAN MISBRUIK Artikel 41. Controleren en voorkomen van misbruik 1.Het college controleert regelmatig of het recht op de toegekende voorziening nog bestaat of wordt gebruikt zoals bedoeld en om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen. Dat gebeurt onder andere door: a.gesprekken met de persoon voor wie de voorziening is toegekend; b.gegevens te vergelijken met andere organisaties; c.signalen en tips van organisaties; d.andere passende onderzoeksmethoden. 2.Het college wil misbruik voorkomen. Daarom moet de persoon die de voorziening aanvraagt of ten behoeve van wie de voorziening wordt verstrekt aan het college op verzoek of onverwijld (binnen 5 werkdagen) mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het de aanvrager/ontvanger redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening of arbeidsinschakeling. 3.De verplichting van het tweede lid geldt niet als de feiten en omstandigheden door gegevenskoppeling al bij het college bekend zijn. 4.Het college trekt de toegekende voorziening in of wijzigt de voorziening en vordert gemaakte kosten terug als en voorzover niet is voldaan aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17 van de Pw. 5.Het college kan het recht op bijstand verlagen als niet is voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Pw en deze Re-integratie- en Participatieverordening. HOOFDSTUK 9 IOAW, IOAZ en Bbz Artikel 42. Artikelen Re-integratie en Participatieverordening (niet) van toepassing 1.Deze verordening is ook van toepassing op de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, IOAZ of Bbz.2.De artikelen 14, vijfde lid, laatste volzin, 15, 18 onder b en c, 25, 40 en hoofstuk 6 zijn niet van toepassing op de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de Bbz. HOOFSTUK 10 AFSLUITING Artikel 43. Hardheidsclausule 1.In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.2.Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de persoon afwijken van het bepaalde bij of krachtens deze verordening als toepassing van de verordening onrechtvaardige gevolgen heeft Artikel 44. Inwerkingtreding en naam van de regeling Deze verordening wordt aangehaald als “Re-integratie- en Participatieverordening gemeente Coevorden 2026” en treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking. Artikel 45. Intrekking regelgeving 1.De Re-integratieverordening gemeente Coevorden 2023 wordt ingetrokken vanaf het moment dat is genoemd in het voorgaande artikel.2.Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening 2023 behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening 2023 voor een door het college vast te stellen duur. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering op 22 september 2026. De voorzitter,R. Bergsma de griffier,M. Lucassen Toelichting “Re-integratie- en Participatieverordening gemeente Coevorden 2026” Aanleiding van deze verordening 1.Het wetsvoorstel “ Participatiewet in Balans” is op 30 september 2025 door de Eerste Kamer aangenomen. De nieuwe Pw bevat meer dan 20 maatregelen. De maatregelen worden in stappen ingevoerd per 1 januari 2026. De maatregelen gaan over: -een eenvoudiger aanvraagprocedure, minder administratieve drempels, vooral bij een hernieuwde aanvraag na einde van de uitkering binnen 12 maanden; -eenvoudiger verrekenen van inkomsten, geen maandelijkse loonstroken meer nodig; -bijverdienen, zodat werk en uitkering beter gecombineerd kunnen worden; -werken, maatschappelijk participeren, ondersteuning en begeleiding daarbij. 2.Per 1 januari 2026 is de Wet van School naar duurzaam Werk in werking getreden.Niet voor iedere jongere is het halen van een diploma of het vinden van werk vanzelfsprekend. Doel van de nieuwe wet is dat meer jongeren een diploma halen en de weg vinden naar duurzaam werk. De overstap van onderwijs naar werk wordt verbeterd. Jongeren die dat nodig hebben, krijgen ondersteuning van scholen, doorstroompunten en gemeenten en moeten samenwerken. Deze ondersteuning is er voor jongeren tot 27 jaar van het Mbo, vso, pro en vroegtijdig schoolverlaters. 3.Ontwikkelingen in het programma Simpel Switchen in de Participatieketen.Het programma is een meerjarenprogramma. Het programma maakt het voor mensen makkelijker om te wisselen tussen uitkering en werk en tussen dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk. Hierdoor kunnen meer mensen meedoen op de voor hen op dat moment best passende plek en als mogelijk zich ontwikkelen voor een volgende stap. Wat vinden we in Coevorden belangrijk? We vinden het belangrijk dat inwoners van de gemeente Coevorden -actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven; -de vaardigheden, capaciteiten en mogelijkheden benutten om te werken; -de Nederlandse taal voldoende kunnen lezen, schrijven, spreken en begrijpen; -genoeg en voorspelbaar inkomen hebben; -wie inburgeringsplichtig zijn, kunnen voldoen aan de inburgeringsplicht; -kinderen naar school en gezond en veilig kunnen opgroeien; -jongeren een opleiding kunnen volgen en een diploma halen, waardoor zij meer kansen -hebben op werk; -er ondersteuning is als dat nodig is. Wat is ondersteuning? Ondersteuning is een breed begrip. Het hoeft niet alleen te gaan om activiteiten die de gemeente organiseert of aanbiedt. Een klantmanager kan ook wijzen op activiteiten waar een inwoner aan kan deelnemen, een verwijzende of doorgeleidende rol hebben, een accountmanager kan een werkgever informeren over mogelijkheden tot het aanvragen van subsidie, bijvoorbeeld voor het bieden van stage-of leer-werkplekken. Ondersteuning kan in de vorm van een dienst (bijvoorbeeld jobcoaching) of product (bijvoorbeeld werkplekaanpassing) of in geld. De verordening volgens de nieuwe Participatiewet Volgens de nieuwe Participatiewet stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot: a.het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsparticipatie en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, artikel 7a en artikel 10, eerste lid; b.de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid; c.de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid; d.het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b Ondersteuning van wie? Het gaat om: -de inwoner die algemene bijstand of een IOAW, IOAZ-uitkering ontvangt; -de inwoner met een nabestaanden- of wezenuitkering; -de inwoner die nugger is; dat is de inwoner die geen recht heeft op een uitkering, werkeloos is en werkzoekend; -de inwoner die valt onder de Regeling procesgang vangnetters gemeentelijke doelgroep; dat is de inwoner voor wie de gemeente loonkostensubsidie heeft betaald aan een werkgever, de werknemer na het einde van de loonkostensubsidie nog niet aaneengesloten het minimumloon heeft verdiend, ziek uit dienst gaat bij de werkgever en van het UWV een uitkering ontvangt; -de inwoner met een WW-uitkering. Dit is omdat in de WW staat dat een werknemer moet meewerken aan noodzakelijke scholing of opleiding, beschikbaar moet zijn voor de voorzieningen volgens de Participatiewet en mee moet werken aan het verkrijgen van die voorzieningen. De gemeente wil ook graag meedenken om te voorkomen dat een inwoner bijstand nodig heeft; -de inwoner die een voorziening heeft, bijvoorbeeld werkt op een beschutte werkplek; -de inwoner met een Wajong-uitkering die wacht op een beschutte werkplek. Maar niet om: -de inwoner die jonger is dan 27 jaar, tenzij de jongere geen onderwijs met studiefinanciering kan volgen of dit niet passend is en ondersteuning noodzakelijk is; of -als het UWV een uitkering betaalt aan de inwoner, tenzij de Pw iets anders zegt of daarover andere afspraken zijn gemaakt. Ondersteuning inwoners jonger dan 27 jaar De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen over de voorzieningen bedoeld in artikel 7a van de Pw. Artikel 7a van de Pw gaat over de ondersteuning van personen jonger dan 27 jaar. Dit artikel is nieuw in de Pw per 1 januari 2026 en hangt samen met de Wet van School naar duurzaam werk. De taak van de gemeente is uitgebreid met het ondersteunen van jongeren. Maatschappelijke participatie Voor inwoners met een bijstandsuitkerin geldt een generieke (algemene) participatieplicht. Hoe de gemeente deze participatieplicht vormgeeft, is afhankelijk van de mogelijkheden en omstandigheden van de inwoner. De generieke participatieplicht kent 3 soorten: -het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen, accepteren en behouden; -gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden (re-integratie-)voorziening; -als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, naar vermogen maatschappelijk participeren. Maatschappelijk participeren is een nieuw begrip in de Participatiewet. Het is: “ het verrichten van onbeloonde activiteiten, gericht op deelname aan het maatschappelijke leven”. Maatschappelijke participatie kan als eerste stap in de richting van arbeidsinschakeling worden toegepast, maar ook zelfstandig worden ingezet voor de doelgroep waarbij dit het maximaal haalbare blijkt te zijn. Inwoners met een bijstandsuitkering krijgen meer ruimte om hun maatschappelijke participatie zelf in te vullen. Zij kunnen daarbij ook ondersteuning krijgen van de gemeente. De taak van de gemeente is uitgebreid met het ondersteunen bij maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsparticipatie. De Re-integratie- en Participatieverordening gemeente Coevorden 2026 De regels in deze Re-integratie- en Participatieverordening gaan over wie, wanneer, onder welke voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor welke voorzieningen, wat aan scholing of opleiding wordt aangeboden, persoonlijke ondersteuning, participatiepremie en de wijze waarop het administratieve proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubisidie wordt vormgegeven. De verordening vult de wettelijke regels, andere regelgeving van het Rijk, de Verordeningen en beleidsregels Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning, Participatiewet, IOAW,IOAZ, Wet Inburgering en Schuldhulpverlening van de gemeente Coevorden aan. Cliëntenparticipatie Artikel 47 van de Pw gaat over cliëntenparticipatie. Personen als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, of 7a, eerste lid van de Pw, of hun vertegenwoordigers moeten worden betrokken bij de uitvoering van deze Pw en de daarop berustende bepalingen, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop deze personen of hun vertegenwoordigers: a.vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; b.worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; c.deel kunnen nemen aan periodiek overleg; d.onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; e.worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. De Adviesraad Sociaal Domein is een onafhankelijke groep inwoners die niet voor de gemeente werkt. Zij adviseren het college van burgemeester en wethouders over onderwerpen zoals zorg, jeugd, werk en inkomen. De leden denken mee over alles wat te maken heeft met Jeugd, Werk & Inkomen en Zorg en Maatschappelijke Ondersteuning. Het gaat om de hulp die mensen nodig hebben om zo zelfstandig mogelijk te blijven leven. Ze geven advies wanneer de gemeente hier om vraagt, maar komen ook zelf met signalen en voorstellen. Zo hoort de gemeente beter wat er speelt in de samenleving en kan beleid beter aansluiten bij de behoeften van inwoners. Met de adviezen wil de Adviesraad bijdragen aan: -meer zelfredzaamheid en eigen kracht bij inwoners, zodat mensen zoveel mogelijk zelf dingen kunnen regelen en problemen kunnen oplossen met hun eigen mogelijkheden; -een inclusieve samenleving. Dat is een samenleving waarin iedereen mee kan doen en gelijk wordt behandeld, ongeacht leeftijd, achtergrond, talent of beperking; -het verbeteren van de kwaliteit van het gemeentelijk beleid en de manier waarop de gemeente dit uitvoert binnen het sociaal domein. Daarnaast zorgt de Adviesraad ervoor dat inwoners kunnen meedenken en meepraten over zorg, jeugd, werk en inkomen. Dit heet burger- en cliëntenparticipatie: inwoners praten mee over plannen die hen raken.
Meer informatie