Beleidsregel van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug houdende regels omtrent de Bijzondere Bijstand (Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI 2021)
Besluit tot wijziging van de Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI 2021 Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI), gelet op ▪Het MT voorstel van 25 augustus 2026; ▪artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ▪het advies van de Regionale Cliëntenraad Kromme Rijn Heuvelrug van 8 september. overwegende dat: het mede gelet op de wetswijzigingen vanwege de Participatiewet in Balans en uitvoeringssignalen noodzakelijk is deze beleidsregel te wijzigen, besluit: in zijn vergadering van 22 september 2026 de Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI 2021 als volgt te wijzigen: ARTIKEL I De Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI 2021 wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: 1.In het tweede lid wordt na «voordat de kosten gemaakt zijn» ingevoegd «, tenzij het derde lid of artikel 44, vijfde lid, van de wet van toepassing is». 2.In het derde lid, eerste onderdeel, wordt «twee maanden» vervangen door «drie maanden». 3.In het derde lid wordt na het eerste onderdeel een onderdeel ingevoegd, luidende: ○Kosten van griffierechtBijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht moet worden aangevraagd binnen drie maanden na het opkomen van de kosten. 4.In het derde lid, derde onderdeel, (nieuw) wordt «twee maanden» vervangen door «drie maanden». 5.Het derde lid, vierde onderdeel, (nieuw) vervalt. B Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: 1.Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende:Bij belanghebbenden die algemene bijstand op grond van de wet ontvangen, wordt aangenomen dat zij niet over draagkracht beschikken en wordt geen draagkrachtberekening gemaakt. 2.Het tweede lid komt te luiden:Bij de vaststelling van de draagkracht zijn de artikelen 31 tot en met 34 van de wet van overeenkomstige toepassing. 3.Het tiende lid komt te luiden:In afwijking op het achtste en negende lid geldt er géén vermogensvrijlating voor de verlening van bijzondere bijstand voor verhuiskosten, woonkostentoeslag en doorbetaling huur bij verblijf in detentie of in een inrichting. Bij deze kostensoorten wordt het volledige beschikbare vermogen als draagkracht in aanmerking genomen. C Artikel 8, vijfde lid, komt te vervallen onder vernummering van het zesde lid tot het vijfde lid. D Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: 1.Aan het opschrift wordt toegevoegd «en griffierecht». 2.Het vierde en zesde lid komen komt te vervallen onder vernummering van het vijfde tot het vierde lid. E Artikel 10, derde lid, vierde onderdeel, vervalt. F Artikel 14, vierde lid, derde onderdeel, vervalt. G Artikel 17, derde lid, derde onderdeel, vervalt. H De toelichting op de beleidsregel onder artikel 3 komt te luiden: Artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt als hoofdregel dat bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Voor bijzondere bijstand geldt daarnaast als uitgangspunt dat een aanvraag wordt ingediend voordat de kosten zijn gemaakt. Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet biedt de mogelijkheid om van deze hoofdregel af te wijken. Indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven, kan bijzondere bijstand worden toegekend met terugwerkende kracht tot maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld dan wel de aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Of van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval. Het enkele feit dat kosten zijn gemaakt binnen drie maanden voorafgaand aan de melding is op zichzelf onvoldoende om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Indien met toepassing van artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, komen uitsluitend de kosten die zijn gemaakt binnen de periode waarover de terugwerkende kracht wordt toegepast voor vergoeding in aanmerking. Daarbij moet tevens zijn voldaan aan de overige voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand. Voor de in het derde lid genoemde kostensoorten gelden daarnaast specifieke aanvraagtermijnen. In dat lid is per kostensoort bepaald binnen welke termijn een aanvraag kan worden ingediend nadat de kosten zijn gemaakt of nadat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Hieronder een nadere toelichting: -De kosten voor de eigen bijdrage rechtsbijstand komen op, op de datum dat de toevoeging door de Raad voor de Rechtsbijstand is afgegeven (zie ook artikel 9). -De kosten van griffierecht als eiser worden gemaakt op het moment van indienen van een beroep- of verzoekschrift bij de bestuursrechter of in een civiele/burgerlijke procedure de datum waarop het verzoekschrift of de vordering wordt ingediend bij de rechter. De kosten van griffierecht als gedaagde/verweerder worden gemaakt op het moment van verschijning in het geding dan wel de indiening van het verweerschrift. (Zie ook artikel 9). -De kosten voor bewindvoering, mentorschap en onder curatele stelling worden gemaakt op het moment dat de Rechtbank een beschikking hiervoor heeft afgegeven (zie ook artikel 8). ARTIKEL II Deze regels treden in werking per 1 oktober 2026. Aldus vastgesteld door het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug in de vergadering van 22 september 2026, W. van Dijk Voorzitter B. RuiterDirecteur
Meer informatie