Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân d.d. 20-10-2026 houdende regels omtrent de openstelling van de GLB-NSP maatregel Kennis en informatie 2026 (Openstellingsbesluit GLB-NSP Kennisverspreiding en informatie 2026 Fryslân)

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op27 oktober 2026
Gepubliceerd doorProvincie Fryslân

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân d.d. 20-10-2026 houdende regels omtrent de openstelling van de GLB-NSP maatregel Kennis en informatie 2026 (Openstellingsbesluit GLB-NSP Kennisverspreiding en informatie 2026 Fryslân) Het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, Gelet op artikel 1.3, derde lid, van de Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2022; Gelet op artikel 1.2 en paragraaf 2.10 van de Regeling Europese landbouwsubsidies provincie Fryslân 2023 – 2027. BESLUITEN Het volgende openstellingsbesluit vast te stellen: Artikel 1 Begripsbepalingen In aanvulling op de definities als bepaald in artikel 1.1 van de regeling, wordt in dit openstellingsbesluit verstaan onder: a.kennisaanbieder: degene die de kennisoverdracht verstrekt en faciliteert aan landbouwers b.duurzame toegevoegde waardeketen: duurzame keten van activiteiten waarbij waarde aan de producten wordt toegevoegd op het moment dat deze een volgende activiteit in een keten passeren en waarbij de keten als geheel het product toegevoegde waarde geeft; c.landbouwproduct: alle producten die zijn genoemd in bijlage 1 van het Verdrag betreffende de werking van de EU van 25 maart 1957; d.regeling: Regeling Europese landbouwsubsidies provincie Fryslân 2023 – 2027; e.verdienmodel: manier waarop geld verdiend kan worden met een bepaalde activiteit; f.AgroParel-aanpak: de regionale aanpak gericht op versterking van de kennis- en innovatie-infrastructuur in Noord-Nederland, met bijzondere focus op de Noordelijke kleischil; g.AgroAgenda Noord-Nederland: strategisch kader voor innovatie en kennisontwikkeling in de landbouwsector in Noord-Nederland; h. Kwaliteitsbeeld AgroAgenda Noord-Nederland 2035: Het kwaliteitsbeeld van de AgroAgenda Noord-Nederland beschrijft hoe de landbouw in Groningen, Fryslân en Drenthe richting 2035 duurzaam, toekomstbestendig en economisch sterk kan blijven, met aandacht voor water, natuur, biodiversiteit en gezonde voedselproductie. De agenda brengt overheden, boeren, kennisinstellingen en bedrijven samen om te werken aan “topvoedsel uit een rijk landschap” via innovatie, samenwerking en nieuwe verdienmodellen voor boeren. Artikel 2 Subsidiabele activiteiten 1.Het project wordt geheel of grotendeels uitgevoerd in de provincie Fryslân.2.In afwijking van artikel 2.10.1 lid 1 van de regeling kan alleen subsidie worden verstrekt voor trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en/of demonstratieactiviteiten aan groepen van landbouwers.3.Het kennisproject dient betrekking te hebben op de voortbrenging van landbouwproducten of handel in landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).4.In afwijking van artikel 2.10.1 lid 2 van de regeling moet de kennis en informatie activiteit betrekking hebben op één of meerdere van de volgende thema’s: a.ontwikkelen van duurzame verdienmodellen binnen de landbouw, met als resultaat een rendabel inkomen voor landbouwers; b.vergroten van de marktgerichtheid en het concurrentievermogen van landbouwbedrijven door meer aandacht voor onderzoek, nieuwe technologieën of digitalisering; c.ontwikkelen van een marktrijp concept van een duurzame toegevoegde waardeketen gericht op landbouwproducten, waardoor de positie van de landbouwer in de waardeketen verbetert; d.bijdragen aan de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de koolstofvastlegging te verbeteren of duurzame energie te bevorderen; e.bevorderen van de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, door de afhankelijkheid van chemische middelen te verkleinen; f.bijdragen aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten of de instandhouding van habitats of landschappen; 5.Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten uit lid 4 die bijdragen aan de ambities en routes zoals beschreven in het Kwaliteitsbeeld AgroAgenda Noord-Nederland 2035. Artikel 3 Doelgroep Conform artikel 2.10.2 lid 1 van de regeling kan subsidie als bedoeld in artikel 2 lid 1 van dit openstellingsbesluit worden verstrekt aan een kennisaanbieder of een samenwerkingsverband van kennisaanbieders. Artikel 4 Openstellingsperiode 1.Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend van 2 november 2026 9:00 uur tot en met 7 januari 2027 17:00 uur. 2.Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde periode door SNN is ontvangen via het daarvoor ontwikkelde webportaal (http://www.snn.nl/programmas/glb-23-27). Artikel 5 Subsidieplafond Het subsidieplafond dat beschikbaar is in de periode zoals bepaald in artikel 4, is vastgesteld op € 1.000.000,-- (samengesteld uit €430.000,-- Europese middelen (ELFPO) en €570.000,-- nationale cofinanciering). Artikel 6 Hoogte subsidie 1.De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 125.000,-- en maximaal € 500.000,--. 2.Conform artikel 2.10.5 lid 1 bedraagt de hoogte van de subsidie 80% van de subsidiabele kosten. 3.Subsidie wordt verstrekt op basis van arrangement 3 zoals bedoeld in artikel 1.7, eerste lid onder c, in artikel 1.18, derde lid en in artikel 1.21 van de regeling. Artikel 7 Subsidiabele kosten 1.In afwijking op artikel 1.8 van de regeling komen alleen kosten als bedoeld in artikel 1.8 onder a, b en e voor subsidie in aanmerking. 2.De subsidiabele kosten worden berekend volgens de in artikel 1.9a, eerste lid onder a, tweede lid en derde lid of artikel 1.9d. Artikel 8 Niet subsidiabele kosten Conform artikel 2.10.4 van de regeling en onverminderd het bepaalde in artikel 1.10 van de regeling wordt geen subsidie verstrekt voor: a.de ontwikkeling van nieuwe kennis; b.kennisaanbod dat deel uitmaakt van reguliere programma's of leergangen in het middelbaar- of hoger beroepsonderwijs of het wetenschappelijk onderwijs; c.eigen uren door landbouwers om als deelnemer aan de kennisoverdrachtsactiviteit deel te nemen. Artikel 9 Aanvraagvereisten Onverminderd artikel 1.6 van de regeling en in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3 van de regeling: 1.Dient een subsidieaanvraag te worden ingediend bij Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân via het SNN door middel van een daarvoor ontwikkelde webportal dat bereikbaar is via de website van http://www.snn.nl/programmas/glb-23-27. 2.Wordt de aanvraag voor subsidie ingediend met gebruikmaking van een volledig, door SNN verstrekt, ingevuld projectplan format, vergezeld van de van toepassing zijnde bijlagen. In aanvulling op artikel 1.6 van de regeling bevat de aanvraag in elk geval: a.een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en een toelichting op de relatie met Kwaliteitsbeeld AgroAgenda Noord-Nederland 2035; b.een begroting voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; c.een toelichting of onderbouwing op de begroting, eventueel door middel van één of meerdere offertes; d.een aantoonbare oriëntatie op reeds bestaande initiatieven omtrent het betreffende thema waarover kennis zal worden gedeeld; e.een omschrijving waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over voldoende gekwalificeerde en regelmatig getrainde projectuitvoerders en over middelen om de activiteit succesvol uit te kunnen voeren; f.het verwachte aantal personen en landbouwbedrijven dat profiteert van ontvangen steun voor advies, opleiding, kennisuitwisseling ter verbetering van de prestaties op het gebied van duurzame economische, sociale, milieu-, klimaat- en hulpbronnenefficiëntie; g.het verwachte aantal in AKIS geregistreerde adviseurs die betrokken worden. Artikel 10 Selectiecriteria, weging en selectie 1.Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden door een adviescommissie, als bedoeld in artikel 1.13 van de regeling geselecteerd en gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria en wegingsfactoren: a.de mate van effectiviteit van de activiteit; b.de haalbaarheid van de activiteit; c.de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit. Selectiecriterium Weging Te behalen punten Maximum per criterium a. Effectiviteit 4 0-5 15 b. Haalbaarheid/ kans op succes 2 0-5 10 c. Efficiëntie 3 0-5 15 Maximum aantal te behalen punten 45 2.Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: 1) Effectiviteit, 2) Efficiëntie en 3) Haalbaarheid. Indien de aanvragen een gelijk aantal punten hebben behaald, wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting. Artikel 11 Deelbetaling Het aanvragen van een deelbetaling is mogelijk. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.18 van de regeling kan één keer per kalenderjaar een aanvraag om een deelbetaling worden ingediend. Artikel 12 Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 van de regeling wordt subsidie geweigerd indien: a.de aanvrager niet voldoet aan de omschrijving onder artikel 3 van dit openstellingsbesluit; b.de aanvraag wordt ontvangen buiten de openstellingsperiode als aangegeven in artikel 4 van dit openstellingsbesluit; c.niet wordt voldaan aan de subsidievereisten als bepaald in artikel 9 van dit openstellingsbesluit en artikel 1.6 van de regeling; d.na beoordeling van de aanvraag blijkt dat de totale subsidie minder bedraagt dan € 125.000,--; e.overeenkomstig artikel 1.12, vierde lid van de regeling wordt een aanvraag met minder dan 24 punten niet gehonoreerd. Artikel 13 Verplichtingen 1.In aanvulling op artikel 1.15 van de regeling is de subsidieontvanger verplicht de subsidiabele activiteit(en) uiterlijk op 31 december 2028 uit te voeren.2.Conform artikel 2.10, eerste lid, van de regeling bevat een voortgangsverslag en deelbetalingsverzoek het totaal aantal deelnemers tot dan toe. 3.Conform artikel 2.10.8, derde lid van de regeling is de subsidieontvanger verplicht om na afloop van de activiteiten te rapporteren over het totaal aantal deelnemers. Artikel 14 Slotbepalingen Dit openstellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 15 Citeertitel Dit openstellingsbesluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit GLB-NSP Kennisverspreiding en informatie Fryslân 2026. Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 20 oktober 2026 Voorzitter drs. A.A.M. Brok, Secretaris drs. ing. J.J. Algra Toelichting Openstellingsbesluit GLB-NSP Kennisverspreiding en informatie 2026 Fryslân Algemeen De provincie Fryslân heeft de ambitie om de kennisinfrastructuur in Noord-Nederland structureel te versterken op een manier die de boer centraal stelt, zorgt voor vraaggestuurde innovatie en de doorwerking van kennis naar de praktijk versterkt. Met deze openstelling in de provincie Fryslân worden kennisaanbieders en landbouwers gestimuleerd om via kennisverspreiding, bewustwording en informatie ondernemers te ondersteunen op hun ontwikkelpad om te voldoen aan de eisen van de toekomst. De ambities en de routes uit het kwaliteitsbeeld van de AgroAgenda Noord-Nederland vormen hiervoor het inhoudelijke kader. Voor een goede aansluiting op de praktijk dient de kennis toegespitst te worden op de specifieke omstandigheden van het landbouwbedrijf. Agrarische ondernemers leren op verschillende manieren. Met dit openstellingsbesluit wordt maatwerk per doelgroep nagestreefd om zo de effectiviteit van kennisverspreiding zo groot mogelijk te maken. Het openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Regeling Europese landbouwsubsidies provincie Fryslân 2023 – 2027. Met dit openstellingsbesluit wordt hoofdstuk 1 en paragraaf 10 uit hoofdstuk 2 van de Regeling – de maatregel Kennis en informatie – opengesteld. De artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.8 van paragraaf 10 uit hoofdstuk 2 van de regeling moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in dit openstellingsbesluit. Daarnaast zijn de algemene en slotbepalingen uit de regeling ook van toepassing op een aanvraag. Artikel 2 Subsidiabele activiteiten Algemeen Subsidie kan worden verstrekt voor kennis- en informatieactiviteiten die aantoonbaar bijdragen aan tenminste één van de drie centrale ambities van het Kwaliteitsbeeld AgroAgenda Noord-Nederland 2035, namelijk: 1.Gewaardeerd en toekomstbestendig ondernemerschap; 2.Water en bodem als sturend principe (“water is de basis”); 3.Een robuust landbouwsysteem in balans met natuur en landschap. Daarbij dienen activiteiten tevens bij te dragen aan één of meerdere van de transitieroutes uit het Kwaliteitsbeeld, gericht op een integrale en toekomstbestendige landbouwontwikkeling in NoordNederland. Thematische invulling De subsidiabele activiteiten richten zich in elk geval op kennisdeling en toepassing binnen de volgende samenhangende themalijnen met onder elk thema een aantal voorbeelden: a. Duurzame verdienmodellen en ondernemerschap Kennisactiviteiten gericht op, hieronder een aantal voorbeelden: •Ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen, met name voor publieke waarden (biodiversiteit, waterbeheer, klimaat, landschap); •Versterken van korte ketens, regionale afzet en boer-burgerrelaties; •Verdienmodellen gekoppeld aan gezonde voeding en maatschappelijke meerwaarde; •Toepassing van KPI-sturing, datagedreven beloningssystemen en contractvormen; •Vergroten van bestaanszekerheid en toekomstperspectief voor boeren. b. Marktgerichtheid, innovatie en digitalisering Kennisactiviteiten gericht op: •Toepassing van precisielandbouw, digitalisering, data en AI; •Ontwikkeling en gebruik van decision support systems en sensoren; •Opschaling en implementatie van bestaande innovaties op het boerenerf; •Versterking van kennisinfrastructuur, scholing en boerencoaching (LLO); •Verbeteren van concurrentievermogen via innovatiekracht en samenwerking. c. Duurzame waardeketens en positie van de landbouwer Kennisactiviteiten gericht op: •Ontwikkeling van duurzame en transparante ketens; •Versterken van de positie van de landbouwer via certificering, labels en ketenafspraken; •Datagedreven beloning en ketentransparantie; •Integratie van landbouw met sectoren zoals zorg, onderwijs en retail; •Versterken van regionale en grensoverschrijdende ketens. d. Klimaatmitigatie en -adaptatie Kennisactiviteiten gericht op: •Verminderen van broeikasgasemissies en vergroten van koolstofvastlegging; •Klimaatadaptieve landbouw (water vasthouden, droogte- en overstromingsbestendigheid); •Versterken van bodemkwaliteit en organische stof; •Ontwikkeling van energie- en grondstofefficiënte productiesystemen; •Integrale benadering van water, bodem en klimaat. e. Duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen (water, bodem, lucht) Kennisactiviteiten gericht op: •Verbeteren van waterkwaliteit en -beschikbaarheid, inclusief buffering en hergebruik; •Verminderen van emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen; •Stimuleren van gesloten kringlopen en efficiënt gebruik van grondstoffen; •Ontwikkelen van gebiedsgerichte aanpakken (water-bodem-klimaat); •Verminderen van afhankelijkheid van externe inputs. f. Biodiversiteit, ecosysteemdiensten en landschapskwaliteit Kennisactiviteiten gericht op: •Herstel en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten; •Ontwikkeling van natuurinclusieve, regeneratieve en kringlooplandbouw; •Integratie van landbouw met natuur- en landschapsbeheer; •Versterking van landschappelijke kwaliteit en gebiedsgerichte samenwerking; •Ontwikkeling en beloning van ecosysteemdiensten. Vorm van de activiteiten De subsidiabele activiteiten hebben een collectief karakter en zijn gericht op groepen van landbouwers. Het betreft uitsluitend activiteiten zoals trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en demonstratieactiviteiten. Binnen projecten kunnen individuele elementen (zoals ondernemerscoaching) worden opgenomen, mits deze onderdeel zijn van een bredere collectieve aanpak en gericht zijn op meerdere landbouwers tegelijkertijd. De activiteiten zijn gericht op kennisoverdracht en kennisuitwisseling rond een concreet en afgebakend onderwerp en hebben tot doel landbouwers te ondersteunen bij het toepassen van innovaties en verduurzamingsmaatregelen in de praktijk. Activiteiten zijn nadrukkelijk niet gericht op het ontwikkelen van nieuwe kennis. Daarnaast geldt dat: •de activiteiten gericht zijn op landbouwers als eindgebruikers van de kennis; •projecten geen onderdeel mogen vormen van reguliere onderwijsprogramma’s of leergangen binnen het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), hoger beroepsonderwijs (hbo) of wetenschappelijk onderwijs (wo). Artikel 3 Doelgroep De aanvrager is een kennisaanbieder of samenwerkingsverband van kennisaanbieders die de kennisoverdracht levert en faciliteert aan landbouwers. Artikel 6 Hoogte subsidie Er geldt een subsidiepercentage van 80%. Het minimale subsidiebedrag betreft € 125.000,-- en maximaal € 500.000,--. Artikel 7 Subsidiabele kosten Subsidiabele kosten kunnen bestaan uit loonkosten, kosten van eigen arbeid en overige kosten derden. Voor de werkelijke kosten (zie artikel 1.9a van de regeling) dienen alle kosten te worden begroot en verantwoord. Kennisinstellingen kunnen kiezen om gebruik te maken van IKS (integrale kostensystematiek). De IKS is een manier om directe en indirecte kosten toe te rekenen aan kostendragers, zoals arbeidsuren of machine-uren. De kennisinstelling kan de IKS tarieven gebruiken voor het opstellen van de begroting, in plaats van de tarieven zoals benoemd in artikel 1.9a van de regeling. De uitvoering van IKS is belegd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Kennisinstellingen van wie de IKS reeds is goedgekeurd kunnen deze inzetten voor voorliggende subsidieopenstelling. Kennisinstellingen die gebruik willen maken van IKS maar waarvan deze nog niet is goedgekeurd, moeten zich eerst tot RVO wenden. Artikel 8 Niet subsidiabele kosten Kennisaanbod dat deel uitmaakt van reguliere programma’s of leergangen in het mbo, hbo of wo komt niet voor subsidie in aanmerking. Ook eigen uren die landbouwers besteden aan deelname aan kennisoverdrachtactiviteiten zijn niet subsidiabel. De aanvrager kan één kennisaanbieder zijn of een samenwerkingsverband van kennisaanbieders. Ingezette arbeidsuren van de kennisaanbieder die de aanvraag indient of van de aan het samenwerkingsverband deelnemende kennisaanbieders worden wel vergoed. Ook de kosten voor het inhuren van landbouwbedrijven die geen onderdeel zijn van het samenwerkingsverband, bijvoorbeeld om demonstratieactiviteiten op hun bedrijf te laten plaatsvinden, zijn subsidiabel, mits deze kosten worden gefactureerd aan de kennisaanbieder of het samenwerkingsverband dat het project uitvoert. Artikel 10 Selectiecriteria, weging en selectie Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn drie selectiecriteria benoemd in artikel 2.10.6 van de regeling. Het bepalen van de scores van de selectiecriteria vindt als volgt plaats. Per selectiecriterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld. I. Effectiviteit (maximaal 5 punten, de weging is 3, totaal te behalen punten is 15)De effectiviteit is gerelateerd aan de doelstelling van de openstelling. Bij de bepaling wat de bijdrage is die het ingediende project aan de doelstelling van de openstelling levert, wordt gelet op de volgende aspecten: a.de bijdrage die het project levert aan het bereiken van de beleidsdoelstelling/mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen van de openstelling zoals beschreven in artikel 2, lid 4 en lid 5 van dit openstellingsbesluit. Indien het project niet bijdraagt aan de ambities en routes zoals beschreven in het Kwaliteitsbeeld AgroAgenda Noord-Nederland 2035, bedraagt de score voor die aspect 0 punten. b.de integraliteit van de te verspreiden kennis. Kennisverspreiding op meerdere onderdelen (bijv. mogelijke maatregelen voor verhogen weidevogels en klimaatadaptatie) geniet de voorkeur boven één specifiek onderdeel (bijv. peilverhoging op aantal percelen in weidevogelgebied). c.bereik van de activiteit. Hierbij wordt gekeken naar: •aantal bijeenkomsten, •aantal verwachte vervolgbijeenkomsten per individuele deelnemer, •aantal verwachte deelnemers, •aantal verwachte deelnemende landbouwbedrijven, •breedte van de doelgroep van de specifieke actie of acties, •aantal contacturen per deelnemer d.wijze waarop en mate waarin (blijvende) toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd. e.de mate waarin de kennisbehoefte bekend is en hoe hierop wordt ingespeeld. II. Haalbaarheid (maximaal 5 punten, de weging is 2, totaal te behalen punten is 10)De haalbaarheid van een project wordt bij kennisoverdrachtsacties door verschillende aspecten beïnvloed. Deze aspecten zullen in samenhang worden bezien. Er zal in gelijke mate worden getoetst op: a.de kwaliteit van de aanbieder van de kennis. De volgende aspecten worden daarbij bezien: •de aanbieder moet aantoonbaar gekwalificeerd zijn voor het werk, •de mate waarin de aanbieder – gelet op kennis, ervaring en netwerk van de docenten – kennis en ervaring inbrengt om de specifieke kennisoverdrachtsactie bedoeld in de openstelling te kunnen verzorgen, b.de kwaliteit van het projectplan. Hierbij wordt gekeken naar: •hoe realistisch is het plan, •zijn relevante partijen bij de ontwikkeling van de kennisoverdrachtsactie betrokken, •kent het project een realistische planning, opzet en begroting, •zijn risico’s geïdentificeerd en gereduceerd. c.Mate waarin uit het projectplan blijkt dat deelnemers uitgedaagd worden om de geleerde kennis daadwerkelijk in de praktijk toe te gaan en blijven passen. III. De mate van efficiëntie (maximaal 5 punten, de weging is 3, totaal te behalen punten is 15)De efficiëntie van een project wordt bij kennisoverdrachtsacties door verschillende aspecten beïnvloed. Deze aspecten zullen in samenhang worden bezien. Er zal in gelijke mate worden getoetst op: a.gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen). b.zijn de gemaakte kosten relevant, ofwel worden ze aan de juiste zaken besteed? c.aandeel overhead in relatie tot de andere kosten/activiteiten? d.samenstelling van het samenwerkingsverband ten opzichte van in te huren externe expertise. Het maximumaantal punten dat behaald kan worden is 45. Het project met het meest aantal punten krijgt de hoogste ranking. Toetsing vindt plaats door een onafhankelijk adviescommissie die Gedeputeerde Staten adviseert. Er worden maximaal 5 punten toegekend per criterium. Aan elk selectiecriterium is een wegingsfactor toegekend. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat de adviescommissie aan het project toekent. Voor elk project geldt dat een minimumaantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen (60% van 45 punten = minimaal 27 punten). Indien een aanvraag minder dan 27 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te kunnen selecteren. Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: 1. effectiviteit, 2. efficiëntie en 3. haalbaarheid. Indien de aanvragen een gelijk aantal punten hebben behaald, wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek. Het toekennen van punten vindt per selectiecriterium als volgt plaats: -0 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer gering is; -1 punt wordt toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, gering is; -2 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, matig is; -3 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, voldoende is; -4 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, goed is; -5 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer goed is. Artikel 13 Verplichtingen Indien de periode van uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten meer dan twaalf maanden bedraagt dient een voortgangsverslag te worden overlegd. Dit verslag dient niet te worden aangeleverd indien in de afgelopen twaalf maanden een deelbetaling is aangevraagd waarbij ook een voortgangsverslag is aangeleverd. Bij elk voortgangsverslag en deelbetalingsverzoek dient het aantal deelnemers tot dan toe te worden vermeld. Na afloop van de activiteiten dient te worden gerapporteerd over het totaal aantal deelnemers.

Meer informatie