Subsidieregeling peuterspeelgroepen en voorschoolse educatie Ooststellingwerf 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op26 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Ooststellingwerf

Subsidieregeling peuterspeelgroepen en voorschoolse educatie Ooststellingwerf 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf, gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Ooststellingwerf 2026 besluit: Vast te stellen de Subsidieregeling peuterspeelgroepen en voorschoolse educatie Ooststellingwerf 2026 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze subsidieregeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet kinderopvang. 2.In deze regeling wordt verstaan onder: a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf; b. houder: de in het LRK geregistreerde houder van gesubsidieerde peuterspeelgroepen in de gemeente Ooststellingwerf. c. doelgroeppeuter: een peuter van tweeëneenhalf tot vier jaar die voldoet aan de wegingscriteria. d. LRK: Landelijk Register Kinderopvang waarin houders kinderopvang en peuterspeelzalen zijn opgenomen die voldoen aan de Wet kinderopvang. e. ouderbijdrage: de inkomensafhankelijke bijdrage die een ouder betaalt aan de houder. f. peuter: in de gemeente Ooststellingwerf ingeschreven kind van twee tot vier jaar. g. peuterspeelgroep: het aanbod voor peuters door de houder van peuterspeelgroepen. Het aanbod omvat maximaal twee dagdelen met een minimale dagdeellengte van drie uur, gedurende maximaal 40 weken per kalenderjaar. h. inkomensverklaring: een officiële verklaring van de Belastingdienst met inkomensgegevens over een bepaald belastingjaar. i. HBO-coach/pedagogische beleidsmedewerker: hbo-opgeleide professional die pedagogisch beleid ontwikkelt, medewerkers coacht en de kwaliteit van aanbod voorschoolse educatie op peuteropvanglocaties verbetert. Artikel 2. Doel Doel van deze subsidieregeling is het voor ouders of verzorgers in de gemeente Ooststellingwerf financieel toegankelijk maken van peuterspeelgroepen en voorschoolse educatie voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar en daarmee het voorkomen en verminderen van taal- en ontwikkelachterstanden. Artikel 3. Subsidiabele activiteiten Het college kan aan een houder subsidie verstrekken voor: a.deelname van peuters aan peuterspeelgroepen; b.deelname van peuters aan voorschoolse educatie en inzet van een HBO-coach of pedagogisch beleidsmedewerker op de voorschoolse educatie-groep. Artikel 4. Kwaliteitseisen houder 1.De houder is geregistreerd in het LRK.2.De houder werkt met een kind-volg-systeem.3.De houder draagt zorg voor een overdracht van de peuter naar de basisschool met het voorgeschreven overdrachtsformulier. Hiervoor vraagt de houder schriftelijk toestemming aan de ouder. 4.De houder houdt per peuter een dossier bij met ten minste: a.de aanvraag subsidie peuterspeelgroepen of bewijs van aanvraag kinderopvangtoeslag; b.de overeenkomst met de ouder; c.de inkomensverklaring of andere documenten waarop de toets ‘niet-recht op kinderopvangtoeslag’ is gebaseerd; d.documenten betreffende jaarlijkse toetsing en eventuele herzieningen; e.indien van toepassing de indicatiestelling van de doelgroeppeuter f.de datum van opzegging. Hoofdstuk 2. Subsidie peuterspeelgroepen Artikel 5. Subsidievoorwaarden peuterspeelgroepen Een houder komt in aanmerking voor subsidie peuterspeelgroepen voor een peuter als: a.de ouder niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag, en b.de peuter minimaal twee dagdelen en minimaal zesenhalf uur per week de peuterspeelgroep bezoekt. Het college kan van dit vereiste afwijken als er sprake is van een gewenningsperiode of als de peuter ook andere kinderopvang bezoekt. Artikel 6. Subsidieaanvraag 1.De aanvraag voor subsidie peuterspeelgroepen bevat tenminste: a.de kopie van de schriftelijke overeenkomst met de ouder waarin tenminste staat: 1.de startdatum van peuter in de peuterspeelgroep; 2.het aantal dagdelen waarop de peuter gebruik maakt van de peuterspeelgroep; 3.het LRK-nummer van de houder; 4.het Burgerservicenummer van de peuter; 5.het Burgerservicenummer van de ouder(s); b.de laatst beschikbare inkomensverklaring van de ouder, of als de ouder zelfstandig ondernemer is een kopie van de meest recente definitieve aanslag inkomstenbelasting van het betreffende belastingjaar of een uittreksel van de Kamer van Koophandel; of als de ouder een uitkering ontvangt een recent afschrift van de uitkeringsinstantie. 2.De houder moet de subsidieaanvraag indienen uiterlijk 1 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. Artikel 7. Bepaling hoogte subsidie peuterspeelgroepen 1.De subsidie peuterspeelgroepen bedraagt het verschil tussen de inkomensafhankelijke ouderbijdrage en het maximum uurtarief op basis van de VNG Adviestabel ouderbijdrage peuterwerk. 2.De berekening van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage vindt plaats op basis van de Adviestabel ouderbijdrage peuterwerk van de VNG.3.Het college verleent de subsidie peuterspeelgroepen voor de twee reguliere dagdelen met een maximum van 7 uren per week en met een maximum van 40 weken per kalenderjaar. Artikel 8. Inschaling eigen bijdrage ouder 1.Het college toetst jaarlijks in september het niet-recht op kinderopvangtoeslag en stelt de inschaling vast op basis van de gegevens bedoeld in artikel 6 lid 1 onder b. van deze subsidieregeling, waarbij: a.een ouder die startend ondernemer is wordt ingeschaald in de laagste categorie van het VNG Adviestabel; b.een ouder die ondernemer is wordt ingeschaald in de middelste inkomenscategorie. 2.Als het inkomen van een ouder in het lopende jaar verandert, kan de houder een herinschaling aanvragen bij het college, onder overlegging van kopieën van de meest recente loonstroken of, indien er sprake is van uitkering, de meest recente uitkeringsbeschikking. Artikel 9. Bevoorschotting Het college verstrekt in de eerste maand van elk kwartaal aan de houder een voorschot subsidie peuterspeelgroepen op basis van: a.het aantal gerealiseerde plaatsen peuterspeelgroepen in het voorafgaande jaar, en b.de inkomensafhankelijke ouderbijdrage en het maximum uurtarief op basis van de VNG Adviestabel ouderbijdrage peuterwerk. Artikel 10. Meldingsplicht, herziening, beëindiging en terugvordering 1.Als de inkomenssituatie van de ouder zodanig wijzigt dat de ouder in aanmerking komt voor de kinderopvangtoeslag, dan vervalt het recht op de subsidie peuterspeelgroepen na drie maanden nadat het recht op kinderopvangtoeslag is ingegaan. De houder moet de aanvang van een recht op kinderopvangtoeslag onverwijld melden bij het college. 2.Als bij de jaarlijkse inkomenstoets blijkt dat een ouder recht op kinderopvangtoeslag heeft en de houder heeft deze wijziging niet doorgegeven, dan kan het college de subsidie peuterspeelgroepen terugvorderen vanaf de vierde maand nadat het recht op kinderopvangtoeslag is ingegaan.3.Wanneer de ouder door verlaging van het inkomen in een lagere inkomenscategorie van de adviestabel ouderbijdrage komt te vallen, kan de houder een aanvraag tot herziening van de ouderbijdrage doen op basis van de meest recente loongegevens, loonstrook, uitkeringsbeschikking of op basis van de meest recente inkomensverklaring.4.De houder behoeft wijzigingen in het inkomen van de ouder die geen gevolgen hebben voor de hoogte van de ouderbijdrage niet door te geven.5.Het recht op subsidie peuterspeelgroepen eindigt op de dag dat de peuter vier jaar wordt of als een tussentijdse wijziging als bedoeld in dit artikel daartoe aanleiding geeft. Artikel 11. Subsidievaststelling De houder vraagt jaarlijks vóór 1 november subsidievaststelling aan. De aanvraag tot subsidievaststelling bevat tenminste: a.een opgave van het aantal ingeschreven peuters per maand, uitgesplitst naar peuters met subsidie peuterspeelgroepen en peuters met kinderopvangtoeslag; b.een opgave van de samenhangende uren, gehanteerde uurprijs en ontvangen ouderbijdragen gebaseerd op het aantal ingeschreven peuters; c.een opgave van de daadwerkelijke door de houder geïnde ouderbijdragen; d.een evaluatieformulier waaruit blijkt dat de plaatsing en inzet daadwerkelijk is gerealiseerd; e.een beschrijving van de gerealiseerde activiteiten en behaalde resultaten, inclusief aantallen kinderen en gewerkte uren; f.een financiële verantwoording van de besteding van de subsidie, inclusief specificatie van kosten en eventuele andere inkomsten. Hoofdstuk 3. Subsidie voorschoolse educatie en HBO-coach Artikel 12. Aanvullende kwaliteitseisen houders voorschoolse educatie De houder moet voldoen aan de volgende aanvullende eisen: a.De houder werkt met een gecertificeerd voorschoolse educatie programma dat als theoretisch goed onderbouwd programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. b.De Inspectie voor het Onderwijs beoordeelt de kwaliteit van de voorschoolse educatie op de locatie in overwegende mate positief. Door de Inspectie aangegeven verbeterpunten pakt de houder aantoonbaar op. Artikel 13. Subsidievoorwaarden voorschoolse educatie en inzet HBO-coach 1.Een houder komt in aanmerking voor subsidie voorschoolse educatie voor een doelgroeppeuter indien: a.de doelgroeppeuter minimaal drie dagdelen per week deelneemt, gedurende ten minste 40 en maximaal 46 weken per jaar; en b.de totale minimale deelname binnen een periode van 1,5 jaar (van 2,5 tot 4 jaar) 960 uur bedraagt; en c.het aanbod zodanig is dat de ouder van de doelgroeppeuter kan voldoen aan de minimum uren-eis; en d.de subsidie voor voorschoolse educatie betrekking heeft op één extra dagdeel per week boven op het reguliere aanbod van twee dagdelen peuterspeelgroep. 2.Een houder komt in aanmerking voor subsidie voor de inzet van een HBO-geschoolde pedagogisch beleidsmedewerker indien: a.de inzet aantoonbaar gericht is op het verbeteren van de kwaliteit van voorschoolse educatie op de locatie(s) waar voorschoolse educatie wordt aangeboden; b.de inzet bestaat uit: 1.coaching van beroepskrachten voorschoolse educatie; en 2.ontwikkeling, implementatie en borging van pedagogisch en educatief beleid; c.de inzet van de HBO-coach plaatsvindt conform een door de houder opgesteld inzetplan. Artikel 14. Aanvraag subsidie voorschoolse educatie en inzet HBO-coach 1.De aanvraag voor subsidie voorschoolse educatie bevat tenminste de kopie van de schriftelijke overeenkomst met de ouder waarin tenminste staat: a.de startdatum van de peuterspeelgroep; b.het aantal dagdelen waarop gebruik wordt gemaakt van de peuterspeelgroep; c.het LRK-nummer van de houder; d.het Burgerservicenummer van de peuter; e.het Burgerservicenummer van de ouder(s). 2.De aanvraag voor subsidie inzet HBO-coach/pedagogisch beleidsmedewerker bevat ten minste a.een onderbouwing van de inzet van de HBO-geschoolde pedagogisch beleidsmedewerker, waaruit blijkt dat de inzet aantoonbaar gericht is op het verbeteren van de kwaliteit van de voorschoolse educatie op de locatie(s) waar voorschoolse educatie wordt aangeboden; b.een opgave van de formatie-inzet (uren per locatie en/of voorschoolse educatie-groep); c.een opgave van het aantal doelgroeppeuters waarop de inzet betrekking heeft; d.een verwijzing naar het inzetplan waarin de inzet van de HBO-coach is uitgewerkt. Artikel 15. Bepaling subsidie voorschoolse educatie en inzet HBO-coach 1.Voor elke geplaatste doelgroeppeuter vanaf tweeënhalf jaar komt de houder in aanmerking voor subsidie voorschoolse educatie voor één extra dagdeel per week als de houder met een overeenkomst als bedoeld in artikel 14 van deze subsidieregeling aantoont dat de doelgroeppeuter eveneens gebruik maakt van het basisaanbod van twee dagdelen.2.De subsidie voor het extra dagdeel per doelgroeppeuter per kalenderjaar wordt verrekend naar rato van het aantal maanden dat een doelgroeppeuter geplaatst is op de peuterspeelgroep.3.De subsidie voor de inzet van de HBO-coach/pedagogisch beleidsmedewerker wordt vastgesteld op basis van een normatieve inzet en wordt als volgt berekend: a.per doelgroeppeuter geldt een norm van 10 uur inzet per jaar per locatie; b.het aantal doelgroeppeuters op peildatum 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar vormt de grondslag; c.het aantal doelgroeppeuters wordt vermenigvuldigd met de normuren; d.het resultaat wordt vermenigvuldigd met het door het college vastgestelde uurtarief. 4.Indien een doelgroeppeuter in- of uitstroomt gedurende het jaar, wordt de subsidie naar rato van het aantal maanden deelname vastgesteld. Artikel 16. Subsidievaststelling 1.De houder vraagt jaarlijks vóór 1 november de subsidievaststelling voor de subsidie voorschoolse educatie aan. De aanvraag tot subsidievaststelling bevat ten minste: a.een opgave van het aantal ingeschreven doelgroeppeuters met extra voorschoolse educatie-dagdeel; b.een inhoudelijke verantwoording waarin wordt beschreven welke voorschoolse educatie activiteiten zijn uitgevoerd, inclusief aantallen kinderen die daadwerkelijk hebben deelgenomen; c.een overzicht van de ingezette uren en activiteiten conform het voorschoolse educatie programma; d.een toelichting op eventuele afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag of het goedgekeurde voorschoolse educatie-programma; e.het door het college vastgestelde formulier met de in het formulier gevraagde bewijsstukken. 2.De aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de inzet van de HBO-coach bevat ten minste: a.een overzicht van de daadwerkelijk ingezette uren per locatie; b.een verklaring dat de inzet conform het inzetplan heeft plaatsgevonden; c.een financieel overzicht op basis van normuren en uurtarief; d.een beknopte inhoudelijke verantwoording van de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Artikel 17. Citeertitel en Inwerkingtreding 1.Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Peuterspeelgroepen en Voorschoolse Educatie Ooststellingwerf 2026.2.Deze regeling treedt in werking op 1 september 2026.3.De Subsidieregeling peuterspeelgroepen schooljaar 2020 wordt ingetrokken. Besloten in de vergadering van 1 september 2026 het college van burgemeester en wethouders E.H.C. van der Laan secretaris J. Werkmanburgemeester

Meer informatie