Participatieverordening gemeente Cranendonck 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op23 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Cranendonck

Participatieverordening gemeente Cranendonck 2026 Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck d.d. 14 juli 2026; Zaaknummer: 0000499700; Gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit; BESLUIT vast te stellen Participatieverordening gemeente Cranendonck 2026. Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities Deze verordening verstaat onder: - Beleid: gedragslijn, programma, project of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren. - Bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is. Afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester; - College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck. - Inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners of belanghebbenden biedt om hun mening te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet. - Inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet. - Inwonersparticipatie: het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, inwonersgroepen en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, met als doel het collectieve, algemene belang en maatschappelijk welzijn van de Cranendonckse gemeenschap. - Maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, ondernemingen zonder winstoogmerk en andere organisaties, die een collectief vormen en die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente Cranendonck. - Overheidsparticipatie: het op initiatief van inwoners, inwonersgroepen of maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, met als doel het collectieve, algemene belang en maatschappelijk welzijn van de Cranendonckse gemeenschap. - Uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, lid 3 van de Gemeentewet. Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten Artikel 2. Doelstellingen en werkprincipes 1.Het doel van deze verordening is kaders te geven over het proces van inwoners- en overheidsparticipatie, en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is.2.Bij de start van de participatie overleggen het bestuursorgaan, inwoners(groepen) en relevante maatschappelijke partijen tijdig, met als doel om overeenstemming te bereiken op de procesaanpak (‘hoe’), de procesinhoud (‘wat’) en de onderlinge rolverdeling (‘wie’). Daarbij wordt onder andere inzichtelijk gemaakt: a.welke vorm(en) van participatie tijdens het proces mogelijk is of zijn; b.hoe tijdens het proces voor eenieder inzichtelijk wordt gemaakt wat de stand van zaken is; c.waar betrokken partijen tijdens het proces terecht kunnen met vragen of klachten hierover; d.wat de uitkomst van het proces moet zijn en welke plaats dit krijgt in de te maken keuzes. 3.De gemeente streeft naar betekenisvolle en duurzame verbindingen binnen en met de lokale gemeenschap. Inwoners kunnen regie nemen op de planvorming en uitvoering van onderwerpen die uitsluitend de eigen gemeenschap betreffen, en waarbij de gemeente geen wettelijke verplichting heeft om deze, geheel of gedeeltelijk, te sturen en/of uit te voeren. Als hiervoor betrokkenheid (kennis, mensen, middelen) van de gemeente nodig blijkt, is er sprake van overheidsparticipatie. Indien de overheid op voornoemde onderwerpen een regisserende rol heeft en de verplichting neemt of heeft om uit hoofde daarvan tot planvorming en uitvoering te komen, maar inwoners daar rechtstreeks bij betrekt in de vorm van inspraak of mede-uitvoering, dan is er sprake van inwonersparticipatie.4.Alle partijen gaan fatsoenlijk en respectvol met elkaar om, en handelen vanuit een constructieve bereidwilligheid om te komen tot een eindresultaat dat voor eenieder voldoende recht doet aan diens belangen. Artikel 3. Reikwijdte van deze verordening 1.Participatie, inspraak of uitdaagrecht geldt niet a.voor trajecten en beleid, noch voor ondergeschikte herzieningen hiervan, die onder eerder overeengekomen en hierop betrekking hebbende afspraken tot stand zijn gekomen; b.als het bij wet is uitgesloten; c.als het bestuursorgaan in het onderwerp door hogere regelgeving geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d.als het om zaken gaat binnen de interne organisatie van de gemeente; e.bij het vaststellen van tarieven en belastingen; f.bij spoedeisende beleidsvoornemens; g.als de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder weegt dan het belang van participatie, omdat deelname aan het participatieproces niet op een passende wijze kan worden vormgegeven zonder onevenredige benadeling voor deze groepen. 2.Participatie, inspraak en uitdaagrecht geldt alleen voor inwoners van de gemeente en lokaal actieve of belanghebbende maatschappelijke organisaties, en voor bedrijven voor zover dit een collectief belang dient.3.Het bestuursorgaan informeert actief over gemeentelijke projecten, vooral in wijken en dorpen, zodat – indien van toepassing – belanghebbenden door middel van inwonersparticipatie tijdig invloed kunnen uitoefenen. 4.De gemeenteraad neemt elk jaar een paragraaf op in de begroting met speerpunten voor het komende jaar aangaande inwoners- en overheidsparticipatie. Hoofdstuk 3 – Inwonersparticipatie Artikel 4. Plan voor inwonersparticipatie 1.Als een bestuursorgaan besluit om voor inwonersparticipatie te kiezen of daartoe wettelijk verplicht is, stelt deze een plan op met het proces en de planning hiervan, voorafgaand aan de voorbereiding, de uitvoering of evaluatie van beleid of een specifiek project. Zij doet dit vanuit een regisserende rol, die voortvloeit uit de door de gemeenteraad in 2020 vastgestelde en door het college in 2024 hernieuwd geformuleerde sturingsfilosofie op rolneming en participatie (“Vitale gemeenschappen”).2.Bij projecten die over meer dan één raadsperiode worden uitgevoerd en/of politiek of maatschappelijk gevoelig liggen, informeert het college de raad over het te doorlopen participatietraject door middel van een startnotitie. 3.Het plan, al dan niet opgenomen in een startnotitie, bevat in elk geval: a.een omschrijving van het beleid of project (of de onderdelen daaruit) dat ermee voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt; b.de motivering voor deze keuze; c.de belangrijkste doelgroepen en stakeholders die betrokken zullen worden; d.de globale wijze waarop geparticipeerd gaat worden, inclusief een concept-tijdlijn; e.informatie over de ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming met betrekking tot het beleid en hoe het bestuursorgaan omgaat met de uitkomsten van het participatieproces daarbinnen. Artikel 5. Eindverslag inwonersparticipatie 1.Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag op van de inwonersparticipatie, en maakt dit binnen redelijke termijn openbaar.2.Het eindverslag bevat in elk geval: a.een beschrijving van het proces dat is gevolgd, inclusief een toelichting op de eventuele afwijkingen die zijn ontstaan tijdens het participatietraject; b.de uitkomsten van het proces; c.een reactie op die uitkomsten, waarbij beargumenteerd is aangegeven of en hoe (beleids)keuzes naar aanleiding daarvan zijn of worden uitgevoerd of aangepast; d.een evaluatie van het proces dat is gevolgd. 3.Als een participatietraject is gestart vanuit de in artikel 4 lid 2 beschreven situatie, stelt het college tijdig (een) tussentijds(e) verslag(en) op en stuurt deze naar de raad. Artikel 6. Aanvullende bepaling Als een bestuursorgaan in het kader van inwonersparticipatie voor inspraak kiest of daartoe wettelijk verplicht is, dan is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt. Hoofdstuk 4 – Overheidsparticipatie Artikel 7. Toepassen overheidsparticipatie 1.In de door de gemeenteraad in 2020 vastgestelde en door het college in 2024 hernieuwd geformuleerde sturingsfilosofie op rolneming en participatie (“Vitale gemeenschappen”) wordt benoemd, dat inwoners in een aantal gevallen regie en sturing kunnen hebben, en de gemeente daarin volgend moet zijn. Overheidsparticipatie kan toegepast worden als een inwonersinitiatief (of een voorstel daartoe) bijdraagt aan de doelen van het gemeentelijk beleid en/of een positieve bijdrage levert aan de lokale samenleving, en inwoners samen met maatschappelijke partijen de gemeente nodig hebben bij de realisatie ervan.2.Het doel van overheidsparticipatie is, om – op basis van regievoering door de initiatiefnemers en een vooraf overeengekomen rolverdeling tussen inwoners, maatschappelijke partijen en relevante bestuursorganen – initiatiefnemers vanuit een laagdrempelige, oplossingsgerichte en positieve benadering hulp te bieden en duidelijkheid te geven over de mogelijkheden en voorwaarden, als deze participatievorm noodzakelijk is om het inwonersinitiatief te kunnen laten slagen3.De gemeenteraad stelt jaarlijks een budget beschikbaar voor planvorming en uitvoering van inwonersinitiatieven.4.Het bestuursorgaan kan overheidsparticipatie weigeren als: a.er onvoldoende steun voor het inwonersinitiatief is of blijkt bij omwonenden, belanghebbenden of betrokken inwoners; b.het belang van andere inwoners in de gemeente Cranendonck erdoor geschaad wordt; c.het inwonersinitiatief contraproductief is voor eerder overeengekomen gemeentelijk beleid; d.het inwonersinitiatief op voorhand financieel, juridisch of praktisch niet haalbaar is, of als aan de gemeente financiële ondersteuning wordt gevraagd die uitkomt boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet; e.er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure is, of een rechterlijke uitspraak wordt verwacht tegen het inwonersinitiatief; f.als het betrekking heeft op: i.de gemeentelijke organisatie en gemeentelijke procedures, ii.belastingen en tarieven. iii. geldelijke voorzieningen van ambtsdragers. iv.benoemingen en functioneren van personen. 2.Het bestuursorgaan kan bij overheidsparticipatie ondersteuning bieden door: a.ruimtes of huisvesting beschikbaar te stellen; b.ambtelijke expertise en netwerken in te zetten; c.een krediet, budget of subsidie beschikbaar te stellen; d.andere vormen van ondersteuning. 3.Het bestuursorgaan informeert indieners over het besluit om overheidsparticipatie wel of niet toe te passen en motiveert diens keuze. Artikel 8. Indienen van een verzoek om overheidsparticipatie 1.Als inwoners of maatschappelijke partijen die gevestigd zijn in en/of actief zijn voor (inwoners van) de gemeente Cranendonck overheidsparticipatie voor de realisatie van een inwonersinitiatief noodzakelijk achten, dan kan een verzoek daartoe bij het college worden ingediend.2.Het verzoek wordt schriftelijk ingediend, en bevat: a.gegevens van de indiener(s) en of/hoe deze formeel als rechtspersoon zijn georganiseerd; b.een omschrijving van het inwonersinitiatief, voor wie het is bedoeld, waarom het is ontstaan en wat de indiener(s) ermee willen bereiken; c.specificering van het draagvlak dat de indiener(s) heeft/hebben binnen de gemeenschap waarvoor het initiatief is bedoeld, en hoe dit is vastgesteld; d.een indicatie of – en zo ja, hoe – er sprake is van afgeleide, secundaire doelstellingen; e.een beschrijving over borging van de toekomstbestendigheid van het initiatief; f.een overzicht van andere bij het initiatief betrokken partijen en welke rol zij hierin (gaan) vervullen; g.een specificatie van de ondersteuning die de indiener(s) vraagt van het bestuursorgaan, zoals bedoeld in artikel 7 lid 5 van deze verordening; h.een al dan niet conceptuele begroting, als er sprake is van een verzoek om financiële ondersteuning in de vorm van een krediet, budget of subsidie; i.een indicatie of – en zo ja hoeveel – financiële ondersteuning nodig blijft in de jaren na realisatie van het inwonersinitiatief. 3.Om het verzoek in te kunnen dienen in overeenstemming met de in artikel 8 lid 2 genoemde voorwaarden verleent de ambtelijke organisatie aan de indiener(s) advies en ondersteuning, zonder de procesregie hierin over te nemen en met inachtneming van de onderlinge rolverdeling, inclusief wat hierin redelijkerwijs van de indiener(s) mag worden verwacht. Artikel 9. Beoordeling en uitvoering overheidsparticipatie 1.Het college zendt een ingediend en in behandeling genomen verzoek om overheidsparticipatie door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener(s) hierover.2.Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college een advies voor.3.Het bestuursorgaan reageert uiterlijk binnen zes weken op het verzoek, en kan deze termijn daarna met nog eens zes weken verdagen.4.Het bestuur onderbouwt de reactie op het verzoek en stelt de indieners hiervan op de hoogte.5.Als het bestuursorgaan het verzoek om overheidsparticipatie toewijst, wordt met de indiener(s) overeengekomen hoe deze praktisch vorm gaat krijgen. Hierbij worden afspraken gemaakt over: a.proces, beoogd tijdspad en eindresultaat; b.budget en financieringswijze, mits relevant voor het inwonersinitiatief; c.werkafspraken gedurende het proces, onder andere met betrekking tot contactgegevens en -frequentie; d.te ondernemen stappen bij het niet nakomen van gemaakte afspraken en/of tussentijdse beëindiging van de overheidsparticipatie; e.evaluatie van het overheidsparticpatieproces. Hoofdstuk 5 – Uitdaagrecht Artikel 10. Uitdaagrecht 1.Elk bestuursorgaan biedt de mogelijkheid aan inwoners en maatschappelijke partijen om een voorstel in te dienen voor het overnemen van al bestaande gemeentelijke taken, indien deze van mening zijn dat zij deze taak beter en/of goedkoper kunnen uitvoeren.2.Naast de in artikel 3, lid 1 benoemde omstandigheden waarbij uitdaagrecht niet van toepassing is, kan dit eveneens niet ter zake zijn als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet uitkomt.3.Een voorstel omvat: a.een omschrijving van de taak die de indiener(s) wil(len) overnemen; b.de onderliggende motivatie, inclusief een beschrijving vanwaar de indiener(s) de door hun voorgestelde taakuitvoering als beter en/of goedkoper beoordelen; c.duidelijkheid over de voor de taak relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener(s); d.een onderbouwing van het draagvlak onder belanghebbende inwoners; e.een indicatie van de kosten en/of middelen die volgens de indiener(s) aan de uitvoering verbonden zijn; f.welke behoefte aan samenwerking met en/of ondersteuning van de gemeente wordt verwacht; g.welke garanties voor de kwaliteit en uitvoering op lange termijn de indiener(s) bieden. 4.Bij het samenstellen van het voorstel krijgt/krijgen de indiener(s) van de gemeente desgewenst en voor zover aanwezig, alle voor het voorstel relevante informatie die nodig is om de in artikel 10 lid 3 genoemde onderdelen beschrijven.5.Binnen redelijke termijn, maar uiterlijk acht weken na indiening van het voorstel wordt een eerste reactie gegeven aan de indiener(s).6.Het bestuursorgaan kan naar aanleiding van het verzoek bij de indiener(s) aanvullende en voor de over te nemen taak relevante informatie opvragen.7.Het bestuursorgaan maakt uiterlijk vier weken na de eerste reactie een definitieve en onderbouwde reactie bij de indiener(s) bekend en openbaar.8.Als het voorstel wordt aangenomen, worden in een overeenkomst afspraken vastgelegd met betrekking tot: a.de uit te voeren taak, inclusief de looptijd en het beoogde resultaat; b.de wijze waarop, wanneer en met wie tussentijds getoetst wordt op het behalen van het beoogde resultaat; c.het beschikbaar te stellen budget en de wijze van financiering van de uit te voeren taak; d.indien van toepassing, de andere ondersteuning die van de gemeente vereist is; e.de verdeling van de wettelijke aansprakelijkheden tussen de hierbij betrokken partijen; f.de stappen die ondernomen worden bij het niet nakomen van de afspraken of bij het voortijdig beëindigen van de uitvoering van de taak. 9.Een voorstel wordt afgewezen als het hiervoor relevante bestuursorgaan van mening is: a.dat het uitdaagrecht niet van toepassing is op basis van hetgeen is beschreven in artikel 10, lid 2; b.dat het voorstel in strijd is met eerder door de gemeente vastgesteld beleid; c.dat niet wordt voldaan aan de in artikel 10, lid 3 gestelde eisen; d.dat de over te nemen taak door het voorstel niet beter wordt uitgevoerd en/of de kosten van uitvoering hoger zijn. Hoofdstuk 6 – Omgevingswet Artikel 11. Participatie en de Omgevingswet 1.Bij het opstellen van het “Participatiebeleid Omgevingswet, gemeente Cranendonck 2023” zijn participatieregels per omgevingsinstrument (i.c. omgevingsvisie, omgevingsprogramma, omgevingsplan en omgevingsvergunning) vastgesteld. Dit participatiebeleid blijft ook na inwerkingtreding van deze participatieverordening onverkort van toepassing.2.In het geval dat onderdelen van deze participatieverordening strijdig zijn met het “Participatiebeleid Omgevingswet, gemeente Cranendonck 2023” prevaleert het laatste. Hoofdstuk 7 – Slotbepalingen Artikel 12. Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening; het bestuursorgaan onderbouwt dan waarom het afwijkt. Artikel 13. Intrekking oude verordening De Inspraakverordening 2006 van de gemeente Cranendonck, geldend vanaf 6-7-2006, wordt hierbij ingetrokken. Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Cranendonck 2026. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Cranendonck in de openbare vergadering d.d. 13 oktober 2026. NAMENS DE RAAD VOORNOEMD De griffier, P. Staiarska De voorzitter, F.A.P. van Kessel

Meer informatie