Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2026-2029
Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2026-2029 Het college van burgemeester en wethouders besluit: De Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2026-2029 (voorheen VTH-beleid) en het Uitvoeringsprogramma 2026 vast te stellen; Aldus besloten in de vergadering van het college van Burgemeester en Wethouders van 17 maart 2026 Voorwoord Voor u ligt de “Uitvoerings- en Handhavingsstrategie” (verder: U&H-strategie) voor de gemeente Zwijndrecht. Deze U&H-strategie maakt, in combinatie met een uitvoeringsprogramma, duidelijk hoe de gemeente haar uitvoerings- (Vergunningen) en handhavingstaken (Toezicht en Handhaving) uitvoert. Voorheen werd dit het VTH-beleid genoemd. Ons vorige VTH-beleid beschreef de periode 2018-2021 en is verlengd tot eind 2025. Begin 2024 zijn de Omgevingswet (Omgevingswet) en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking getreden. Dit heeft gevolgen voor de vergunningverlening, toezicht- en handhavingstaken van onze gemeente. Verantwoordelijkheden en taken veranderen en vragen om een nieuwe aanpak. Met deze geactualiseerde strategie sluiten we aan op de vigerende wet- en regelgeving. Aan de strategie wordt een uitvoeringsprogramma gekoppeld. De strategie en het uitvoeringsprogramma zijn, evenals voorheen het VTH beleid, gebaseerd op een omgevings- en risicoanalyse. Deze strategie beschrijft op basis van die analyses welke prioriteiten de gemeente Zwijndrecht stelt en hoe zij daar aan werkt. In het uitvoeringsprogramma worden de opgaven vertaald in een aanpak om de doelen mee te realiseren. In dit document vindt u ook een bredere toelichting op de gemeentelijke taken met betrekking tot het Omgevingsrecht. Het bevat onderdelen als: wat is de visie van de gemeente op de leefomgeving, hoe wordt er getoetst bij vergunningaanvragen, hoe vindt het toezicht plaats en hoe wordt er gehandhaafd? Ook dit zijn onderdelen die de gemeente voorheen in het VTH beleid verwerkte en in dit document zijn geactualiseerd. Al met al vertrouwen wij erop dat de voorliggende strategie een solide en toekomstbestendige basis vormt voor het uitvoeren van gemeentelijke taken (de wettelijke en bovenwettelijke) op het gebied van het Omgevingsrecht. Om daarmee zorg te dragen voor een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving in de gemeente. Het college van Burgemeester en Wethouders Inleiding en afbakening Deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (hierna: U&H strategie) gaat over alle gemeentelijke uitvoerings- en handhavingstaken die vallen onder de Omgevingswet, de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb) en de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV). Deze strategie beschrijft op basis van een omgevings- en risicoanalyse welke prioriteiten de gemeente Zwijndrecht stelt bij het zorgdragen voor een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving en hoe zij zich daarvoor inzet. Aan de strategie wordt een concreet uitvoeringsprogramma gekoppeld. De strategie is vastgesteld door het college en ter kennisname aan de gemeenteraad aangeboden. Daarmee is de strategie een richtinggevend document voor de gemeente bij de uitvoering van deze taken. Voorliggend document vervangt, dan wel is de opvolger van het volgende document: VTH-beleid 2018-2021 en de beleidsregel handhavingsstrategie (vaststelling van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht). 1.1 Reikwijdte Deze strategie is geschreven om doelen te formuleren voor de gemeentelijke taken vergunningverlening, toezicht en handhaving, die voortvloeien uit de Omgevingswet, Wkb en de APV en bijzondere wetten. Het geeft richting aan de ambtelijke organisatie waar op in te zetten de komende periode en hoe de taken uit te voeren. Er wordt aandacht besteed aan preventie, vergunningverlening, toezicht en handhaving met betrekking tot: het omgevingsplan (ruimtelijke ordening), bouw-, sloop- en brandveiligheidsregels, regels ten aanzien van monumenten, reclame, rooien van bomen, uitritten, evenementen, alcohol, standplaatsen en andere bijzondere wetten. Een strategie voor milieutaken is door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (hierna: OZHZ) voor onze gemeente opgesteld. Daarnaast is in 2025 door de gemeenteraad een Integraal Veiligheidsprogramma voor de periode 2025-2030 vastgesteld, waarin de speerpunten op het gebied van openbare orde en veiligheid zijn opgenomen. Dit vormt een aanpalend beleid, van waaruit invloed op de toe te kennen urgentie voor toezicht- en handhavingstaken kan voortkomen. 1.2 Relevante wettelijke en beleidsmatige kaders Bij de uitvoering van gemeentelijke VTH taken vormen landelijke wetten en provinciale, regionale en lokale (beleids)documenten belangrijke kaders. In bijlage 1 is hiervan een overzicht opgenomen. 1.3 Samenwerking in de regio Bij de realisatie van doelstellingen en de uitvoering van de taken in de fysieke leefomgeving werkt de gemeente samen met een groot aantal interne en externe partners, die taken hebben in de zorg voor de kwaliteit en de veiligheid van de leefomgeving. De belangrijkste ketenpartners zijn: Smartdelta Drechtsteden Binnen dit verband werken de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht samen op het gebied van woningbouw, energiebehoefte, bereikbaarheid. Met de regiodeal (samen met de gemeente Gorinchem en het Rijk als partners) is in 2025 een rijksbijdrage ontvangen van 25 miljoen euro dat wordt geïnvesteerd in onder meer klimaatadaptatie en de transitie naar een schone, duurzame en circulaire economie. Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) Een deel van de gemeentelijke vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken, namelijk die op het gebied van milieu, is belegd bij de OZHZ in de vorm van een opdrachtgever-opdrachtnemer relatie. De OZHZ voert een uitgebreid pakket aan milieu uitvoerings- en handhavingstaken (U&H) uit. Ook de milieuplustaken zijn aan de OZHZ overgedragen. Voor een toelichting op de toetsing van meldingen en aanvragen voor milieuactiviteiten die de OZHZ uitvoert, verwijzen we naar de Nota VTH 2025-2028 van de OZHZ. De omgevingsdienst adviseert gemeenten daarnaast op verzoek bij lokale vergunningverlening en vragen over beleidsonderwerpen. Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) adviseert de gemeente over fysieke veiligheidsvraagstukken die betrekking hebben op de U&H-taken. Bij de VRZHZ zijn de zogenoemde risicobeheersingstaken ondergebracht: advisering bij ruimtelijke ontwikkelingen, evenementenvergunningen en omgevingsvergunningen voor het onderdeel brandveiligheid. De VRZHZ beoordeelt en adviseert met betrekking tot risico’s op branden, rampen en crises. De adviezen gaan in op de mogelijkheden om incidenten te voorkomen, te beperken, zelfredzaamheid te versterken en maatregelen om een eventueel optreden van hulpdiensten zo goed en veilig mogelijk te kunnen laten plaatsvinden. Voor deze taken wordt jaarlijks een planning gemaakt door de VRZHZ. Deze planning wordt een aantal keer paar jaar besproken met de gemeente, waarbij het mogelijk is binnen de vastgelegde kaders de prioriteiten bij te stellen. De werkzaamheden worden aan de gemeente gerapporteerd via een lijst waarop de geplande en uitgevoerde taken terug te vinden zijn. Provincie Zuid-Holland De provincie zorgt samen met andere overheden voor een goede inrichting van de leefomgeving. De provincie is het bevoegde gezag voor de uitvoering van U&H-taken bij een groot aantal bedrijven en activiteiten in Zuid-Holland en past vanuit haar rol ook de instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving toe. Het gaat hierbij vooral om zwaardere industrie, complexe milieuactiviteiten en natuurbescherming (onder andere natuur en stikstof). De provincie heeft haar lange termijn ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving vastgelegd in haar omgevingsbeleid, dat op 18 februari 2025 in werking is getreden. Dit bestaat uit een Omgevingsvisie, Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. Daarnaast is de provincie belast met het interbestuurlijk toezicht (IBT) op het Omgevingsrecht. De provincie beoordeelt jaarlijks of gemeenten aan hun verplichtingen voldoen en of zij hun U&H-organisatie zo hebben ingericht dat de taken in voldoende mate kunnen worden uitgevoerd. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van het beleid, het uitvoeringsprogramma en de mate van monitoring en evaluatie van deze documenten. Waterschap Hollandse Delta (WSHD) Het waterschap is verantwoordelijk voor de bescherming van het land tegen het water (wateroverlast en watertekort), de zorg voor schoon en gezond oppervlaktewater en voor veilige (vaar)wegen in Zuid-Holland. Werkzaamheden en activiteiten in de buurt van een dijk, kering en water zijn toegestaan onder voorwaarden waar het waterschap op toeziet. Voor veel werkzaamheden geldt alleen een informatieplicht aan het waterschap. Voor specifieke werkzaamheden en activiteiten is een vergunning nodig van het waterschap. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een waterbelang heeft het waterschap een adviesrol. Als tegelijkertijd een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning wateractiviteit wordt aangevraagd, dan is de coördinatieregeling Omgevingswet van toepassing. Dat betekent dat de gemeente de regie heeft, waarbij gemeente en waterschap een eigen besluit nemen. Voor de omgevingsvergunning wateractiviteit houdt het waterschap toezicht op de voorschriften. Het waterschap kan ook handhavend optreden en hierbij samenwerken met de gemeente, omgevingsdienst en/of andere samenwerkingspartners. Politie Zuid-Holland en het Openbaar Ministerie (OM) In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, bijvoorbeeld bij de vervolging van milieuovertredingen en/of situaties waarbij sprake is van economische delicten, vindt afstemming plaats met de politie en het OM. Ook vindt er structureel overleg plaats in de driehoek (politie, OM en gemeente). De vervolging van overtredingen openbare ruimte wordt afgehandeld door het OM. De politie vervult voor de gemeente een adviserende rol. Onder andere bij evenementenvergunningen (denk aan openbare orde, begeleiden van hulpdiensten en afzetten/afschermen van wegen). Daarnaast vindt er op dossierniveau afstemming plaats, bijvoorbeeld bij de aanpak van ondermijning, een constatering van een hennepkwekerij in een woning of het sluiten van een horeca-inrichting. De eerste schakel is altijd de politie, die contact legt met het OM. Met de politie zijn werkafspraken gemaakt over de inzet van de toezichthouders openbare ruimte (de boa’s). Deze afspraken vallen buiten de reikwijdte van deze strategie. GGD Zuid-Holland Zuid Toezicht op kinderopvang (kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en gastouderbureaus) wordt door de GGD uitgevoerd in opdracht van de gemeente. De GGD voert inspecties uit en rapporteert hierover aan de gemeente. Als uit het toezicht blijkt dat er sprake is van één of meer tekortkomingen, wordt door de gemeente handhavend opgetreden. 1.4 Leeswijzer Deze strategie bestaat uit een aantal hoofdstukken. In het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) besteden we aandacht aan de visie van de gemeente op uitvoering en handhaving en kijken we naar relevante ontwikkelingen die daar op van invloed zijn. Risico’s en prioriteiten zijn uitgewerkt in hoofdstuk 3. Gebaseerd op risico’s en ontwikkelingen die zijn geïnventariseerd in een actuele omgevingsanalyse (bijlage 1). In hoofdstuk 4 beschrijven we de strategieën die de gemeente inzet op het gebied van vergunningen verlenen en toezicht en handhaven: preventie, toezicht, sancties en gedogen. In het afsluitende hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de kwaliteit en capaciteit die binnen de organisatie nodig is voor het uitvoeren van taken. 2 Visie en ontwikkelingen Hoewel gemeenten een verplichting hebben in de uitvoering van wet- en regelgeving, is de visie die een gemeente heeft op uitvoering en handhaving bepalend voor de wijze waarop het werk wordt gedaan. Hoe profileert de gemeente zich binnen haar taakveld? Hoe wordt omgegaan met risicovolle situaties? Hoe worden werkprocessen ingericht? De gemeente kan zich bijvoorbeeld primair richten op het aangaan van een gesprek en dienstverlening om te komen tot een situatie die aan wet- en regelgeving voldoet of zich meer beperken tot juridisch optreden en de eigen verantwoordelijkheid van inwoners, bedrijven en instellingen benadrukken. In de praktijk bevindt de visie van veel gemeenten zich ergens daartussenin. In dit hoofdstuk staat de visie van de gemeente Zwijndrecht beschreven in vier speerpunten. Evenals uitgangspunten die voor de gemeente leidend zijn in de uitvoeringspraktijk. In de praktijk van uitvoerings- en handhavingstaken hebben gemeenten naast wetten en regels, ook rekening te houden met tal van relevante ontwikkelingen. Dit kunnen zowel landelijke als regionale of lokale ontwikkelingen en opgaven zijn. We beschrijven deze ook in dit hoofdstuk. 2.1 Visie De gemeente Zwijndrecht hanteert een visie op haar uitvoerings- en handhavingstaken die uit vier aandachtspunten bestaat: • Focus op de grootste risico’s • Eigen verantwoordelijkheid en ruimte voor eigen initiatief • Professionalisering • Borging van kwaliteit De eerste twee punten zijn gericht op de leefomgeving en de gebruikers daarvan. Het derde en vierde punt gaan over de taakuitvoering door de gemeente. Focus op de grootste risico’s De gemeente moet keuzes maken hoe zij haar capaciteit inzet. Dat betekent dat het nodig is om prioriteiten te stellen. De gemeente zal zich voornamelijk richten op de meest risicovolle situaties. Uiteraard worden alle vergunningaanvragen en meldingen getoetst aan de gestelde kaders. De capaciteit voor toezicht en handhaving zal zich concentreren op de meest risicovolle situaties. Hierbij staan de bescherming van de (volks)gezondheid en (fysieke) veiligheid voorop. Bij overtredingen op locaties die vallen onder deze categorie zal de sanctiestrategie worden gevolgd. Daarnaast ligt de komende jaren het accent op het (preventief) voorkomen van nieuwe omgevingsrisico’s. In de prioritering en toets- en toezichtsmatrix in bijlagen 2, 3, 4 en 5 zijn de analyses te vinden die hiervoor de basis vormen. Eigen verantwoordelijkheid en ruimte voor eigen initiatief Inwoners en bedrijven willen graag vrijheid om initiatieven te realiseren en een overheid op afstand. Die ruimte betekent ook dat inwoners en bedrijven zelf verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van naleving van de voor hen geldende regels. Uiteraard moet de gemeente daar nog steeds op toezien, vanuit het algemeen belang en kaders als veiligheid en duurzaamheid. Maar onze gemeentelijke taken worden meer en meer vanuit de invalshoek van inwoners, ondernemers en bezoekers ingevuld. De Omgevingswet ondersteunt ons hierin, doordat de wet gemeenten meer mogelijkheden biedt om mee te denken en afwijkingen te faciliteren. Het uitgangspunt van de Omgevingswet is ‘van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja, mits’’. De gemeente organiseert haar processen zo dat inwoners en ondernemers informatie kunnen vinden, de ruimte hebben om met eigen oplossingen te komen en deze gemakkelijk bij de gemeente kunnen indienen, waarbij de gemeente meedenkt hoe dit mogelijk te maken is. Professionalisering De gemeente investeert continu in een professionele uitvoering van de vergunningverlening, toezicht- en handhavingstaken. Dat betekent bijblijven met training en opleiding, ontwikkelen in integraal en programmatisch werken, duidelijke (werk)afspraken maken intern en met samenwerkingspartners en zorgen dat systemen en processen op orde zijn om het werk te faciliteren. Complexe taken zijn belegd bij gespecialiseerde regionale diensten: OZHZ en de veiligheidsregio). Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt is het voorzien in voldoende medewerkers een blijvende uitdaging. Borging van kwaliteit Door te monitoren en evalueren krijgen we inzicht wat al goed gaat en wat beter kan. Maar ook wat daarvoor nodig is in termen van capaciteit en middelen. In hoofdstuk 5 van deze U&H strategie wordt beschreven welke acties de komende tijd, op basis van huidige inzichten, worden ondernomen om kwaliteit te verbeteren en borgen. En op welke wijze wordt gemonitord of die werkzaamheden tot het gewenste resultaat leiden. Waarna de gemeente kan bepalen of en welke volgende kwaliteitsverbeteringen er nodig zijn. 2.2 Uitgangspunten voor de uitvoering Naast de vier aandachtspunten van de visie, legt de gemeente de volgende uitgangspunten aan de uitvoering van haar U&H taken ten grondslag. Deze zijn grotendeels gebaseerd op wettelijke uitgangspunten (zoals gelijkheid en proportionaliteit), maar goed om te benoemen, en aangevuld met accenten die de gemeente legt. •Eigen verantwoordelijkheid van inwoners, bedrijven en instellingen staat voorop. •Er wordt duidelijk en eenduidig naar inwoners gecommuniceerd. •Gelijke gevallen worden gelijk behandeld. •We zetten ons in voor goede informatie-uitwisseling en samenwerking met in- en externe partners. •Toezicht en handhaving vinden in redelijkheid, dat wil zeggen proportioneel, plaats. •Niet gedogen, tenzij voldaan wordt aan de Nota 'Grenzen aan gedogen’. Dus nooit passief gedogen, maar actief gedogen. •Als een bestuursrechtelijke procedure wordt ingezet, maken we deze ook af; dit draagt bij aan de bestuurlijke geloofwaardigheid. •Bij de inzet van capaciteit en middelen wordt rekening gehouden met wettelijke taken en met de grootste risico’s. Hierbij staan de bescherming van de (volks)gezondheid en (fysieke) veiligheid voorop. •De gemeente geeft zelf het goede voorbeeld. 2.3 Relevante trends en ontwikkelingen Nieuwe wet- en regelgeving of nieuwe ontwikkelingen kunnen van invloed zijn op de uitvoerings- en handhavingstaken. Bij de jaarlijkse evaluatie en op basis daarvan vaststellen van een opvolgend uitvoeringsprogramma zal worden gekeken of ontwikkelingen aanleiding geven om meer aandacht te besteden aan het betreffende onderwerp. In combinatie met de dan beschikbare capaciteit kan een afweging worden gemaakt op welke manier en met welke intensiteit nieuwe ontwikkelingen een plek krijgen in de uitvoering, danwel of hier (tijdelijk) extra in wordt geïnvesteerd. In deze paragraaf geven we weer wel trends en ontwikkelingen van invloed zijn op de nu voorliggende U&H strategie en het eerste bijbehorende uitvoeringsprogramma. Woningbouwopgave Het tekort aan woningen staat in Nederland al jaren hoog op de politieke agenda. Voor de komende jaren heeft de gemeente een strategie vastgesteld (Woningbouwstrategie Zwijndrecht 2019-2031) en wordt jaarlijks het meerjarenprogramma gebiedsontwikkeling geüpdatet. Uitvoering van de woningbouwprogrammering en (ook landelijk gewenste) versnelling van de woningbouwopgave vraagt inzet binnen onze uitvoering. Klimaat De afgelopen jaren hebben gemeenten, waterschap en provincie samen gewerkt aan de Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie Drechtsteden. De omgevingsdienst coördineerde dit proces. In samenwerking met de GGD, veiligheidsregio en andere partijen zijn concrete resultaten opgeleverd, zoals een communicatiekalender en kaarten met kwetsbare funderingen en vergroeningslocaties. Voor 2025-2027 wordt de Uitvoeringsagenda bijgewerkt met nieuwe thema’s, zoals bodemdaling in de openbare ruimte. Ook wordt een stresstest uitgevoerd om risico’s van hitte, droogte en wateroverlast in kaart te brengen. De uitkomsten worden besproken met betrokken partijen om samen actie te ondernemen. In de gemeente wordt vanuit het Programma Duurzaamheid 2024-2027. Doelstelling zijn om bij te dragen aan de CO2-reductiedoelstellingen uit het Klimaatakkoord (49% reductie in 2030 ten opzichte van 1990), de leefomgeving klimaatbestendig inrichten (zoals omschreven in het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie) en toewerken naar een circulaire economie in 2050. De volgende ontwikkelingen hebben gevolgen voor de uitvoerings- en handhavingstaken: Klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen Dit thema heeft betrekking op zowel gebiedsontwikkeling als locatieontwikkeling. Bij gebiedsontwikkeling zijn in principe alle klimaatbestendige uitgangspunten van kracht, op vijf thema’s: wateroverlast, droogte, hitte, overstroming en natuurinclusief met biodiversiteit. Die worden meegenomen bij wijziging van omgevingsplannen of bij vergunningen voor grote buitenplanse afwijkingen. Bij een locatieontwikkeling wordt in de definitiefase bepaald aan welke uitgangspunten voldaan kan worden. Voor het toetsen op de klimaatbestendige uitgangspunten is een klimaatadaptatietoets ontwikkeld een puntensysteem voor natuurinclusief bouwen. Energietransitie - kantoorpanden en de label C-verplichting Sinds 1 januari 2023 moet een pand van meer dan 100m² minimaal energielabel C hebben om als kantoor te mogen worden gebruikt. Dit heeft het Rijk bepaald vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De gemeente is hiervoor bevoegd gezag. Controles worden al dan niet samen met de OZHZ uitgevoerd. Circulaire economie - registratieplicht kringloopwinkels Per 1 april 2023 is een registratieplicht ingegaan voor winkels die handelen in tweedehands goederen, zoals kringloopwinkels, om heling en witwassen tegen te gaan. Handelaren moeten in een Digitaal Opkopers Register (DOR) onder andere merk, type en serienummer registreren van goederen zoals foto-, en videoapparatuur, sieraden, kunstvoorwerpen en antiek, mobiele devices, laptops, en fietsen. Ook houdt de handelaar in het register bij welke producten hij aan wie heeft verkocht. De politie krijgt automatisch een seintje als er gestolen goederen tussen zitten. Gemeenten dienen toezicht te houden op de registratie. Zij kunnen opkopers van tweedehands goederen verplichten om die goederen te registreren in het DOR. Omgevingsplan Conform de Omgevingswet (Omgevingswet) werkt de gemeente per 1 januari 2024 met een tijdelijk omgevingsplan. Regels uit bestaande instrumenten zijn daarin samengevoegd. Het gaat om: •ruimtelijke regels uit bestaande instrumenten van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); •regels uit gemeentelijke verordeningen over erfgoed, geur en afvoer van regen- en grondwater; •rijksregels die werden gedecentraliseerd naar gemeenten (de zogenoemde ‘bruidsschat’). Voor 1 januari 2032 moet iedere gemeente een gemeentedekkend omgevingsplan vaststellen. Het tijdelijke omgevingsplan komt dan te vervallen. Tijdens de overgangstermijn kan het tijdelijk deel stapsgewijs omgevormd worden naar een volwaardig omgevingsplan. In het nieuwe omgevingsplan kan de gemeente voor ieder gebied aangeven welke activiteiten wel of niet zijn toegestaan, bijvoorbeeld wonen, recreatie of bedrijvigheid. Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in het omgevingsplan minder vergunningplichten te hebben en meer zorgplichten of algemene regels. Dit kan ertoe leiden dat waar voorheen vooraf getoetst werd, toetsingen in het nieuwe stelsel meer achteraf kunnen plaatsvinden. De mate waarin gemeenten in het omgevingsplan met gesloten of open normen werken wordt de komende jaren verder vormgegeven. Het opstellen van een omgevingsplan is veel werk voor gemeenten. Dit zal dan ook een fors beroep doen op de tijd van planmakers, verschillende beleidsvelden, vergunningverleners, juristen en toezichthouders. Een brede en integrale aanpak, zoals de Omgevingswet bedoelt, zal terug te zien zijn in de uitwerking van het omgevingsplan. Omgevingsprogramma’s Onder de Omgevingswet is het omgevingsprogramma een nieuw en veelzijdig instrument. In een programma worden doelstellingen opgenomen en maatregelen waarmee de gemeente de doelstellingen van het programma wil behalen. Die kunnen bestaan uit (een combinatie van): •beleid dat aangeeft welke thema’s prioriteit krijgen en waarom om de doelstellingen te bereiken; •feitelijke maatregelen, zoals de uitvoering van projecten door de overheid, al dan niet met partners; •inzet van financiële (stimulerings)instrumenten, zoals overheidsinvesteringen, leningen of subsidies; •beleidsregels waarin de gemeente aangeeft hoe zij belangen tegen elkaar afweegt, feiten vaststelt of wettelijke voorschriften uitlegt bij de uitoefening van een bevoegdheid; •het stellen van regels in een algemene maatregel van bestuur, de omgevingsverordening, het omgevingsplan of een verordening; •inzet van communicatie- en informatie-instrumenten; Uiteraard is bij het vaststellen van een programma ook een besluit over inzet en budget nodig. Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) Het werken onder de Omgevingswet en Wkb brengt veranderingen mee voor het werk. De Omgevingswet betekent een snellere afhandeling, ook bij meer complexe aanvragen. Het accent verschuift hiervoor naar de voorkant van het proces met het vooroverleg, de omgevingstafel en participatie. De Wkb betekent een verschuiving van inhoudelijke taken naar meer administratieve werkzaamheden. Gefaseerd wordt minder inhoudelijk getoetst op bouwkwaliteit, daar komen nieuwe meldingen en informatieplichten voor in de plaats. Dat betekent ook dat steeds meer taken naar VTH komen, die niet (kunnen) worden gedekt door leges. Intake- en Omgevingstafel De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt ‘hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’. Dit betekent een proces dat (ruim) start voordat een aanvraag om omgevingsvergunning formeel ingediend wordt bij de gemeente. Overleg over het initiatief met de initiatiefnemer, bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden wordt zoveel mogelijk naar voren gebracht. In het voortraject zijn de intake- en omgevingstafel geïntroduceerd, waar ruimtelijk of maatschappelijk complexe initiatieven integraal worden besproken en op wenselijkheid en haalbaarheid worden beoordeeld. De organisatie werkt inmiddels met de intake- en omgevingstafel en ontwikkelt deze verder door. Participatie Onder de Omgevingswet moet een initiatiefnemer bij zijn aanvraag kenbaar maken of en in welke mate er participatie heeft plaatsgevonden. Deze nieuwe indieningsvereiste stimuleert initiatiefnemers om belanghebbenden te betrekken en het resultaat van hun inbreng te verwerken in het plan. Een initiatiefnemer is echter niet (altijd) verplicht om aan participatie te doen. Het is wel een verplichting bij de aanvraag van een zogeheten ‘buitenplanse omgevingsactiviteit’. Als dit niet is gebeurd, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. In de Omgevingswet is bepaald dat de gemeenteraad bevoegd is om gevallen van buitenplanse activiteiten aan te wijzen. In Zwijndrecht is dit geregeld met de vaststelling van het ‘Bindend adviesrecht en verplichte participatie’. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) Met de inwerkingtreding van de Wkb gaat de toets op bouwkwaliteit gefaseerd over van de gemeente naar een private kwaliteitsborger. Onder de Wkb zijn er twee meldingen waarbij informatie door de kwaliteitsborger wordt aangeleverd; de bouwmelding en de gereedmelding. Daarnaast zijn er drie informatieplichten: start bouwwerkzaamheden, einde bouwwerkzaamheden en een informatieplicht voor de kwaliteitsborger om een strijdigheid met het Bbl aan te geven bij het bevoegd gezag. Bouw- en sloopveiligheid informatieplicht Per 1 mei 2024 geldt onder de Omgevingswet voor bouw- en sloopveiligheid een aparte activiteit als informatieplicht. Deze houdt in dat gelijktijdig met een bouw- of sloopmelding of een vergunningaanvraag voor een bouwactiviteit, ook de bouw- en sloopveiligheid moet worden ingediend. De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht (BWT) Nederland heeft een landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheidsplan opgesteld. Om het veiligheidsbewustzijn te versterken en uniforme beoordeling van deze veiligheidsaspecten rondom de bouwplaats te bevorderen. De gemeente onderzoekt of de landelijke richtlijn toepasbaar is in haar werkprocessen. Stikstofemissie informatieplicht Per 1 mei 2024 geldt onder de Omgevingswet voor stikstofemissie een aparte activiteit als informatieplicht. Dit is van toepassing wanneer een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit of een bouwmelding vereist is. Deze verplichting geldt alleen voor de bouwfase op de bouwplaats, niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor het gebruik van het gerealiseerde bouwwerk (gebruiksfase). De organisatie past op korte termijn haar werkprocessen hierop aan. Financiering VTH en legesinkomsten Met de komst van de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen, vallen gefaseerd legesplichtige taken weg. De keuze om straks meer activiteiten omgevingsplanactiviteitvrij te maken kan nog een grotere impact op legesinkomsten hebben. Daarnaast zien we steeds meer taken naar VTH komen, die niet (kunnen) worden gedekt door leges. Het is belangrijk dat gemeenten zich voorbereid op de financiële risico’s en uitdagingen en bij het invoeren van die wijzingen inzichtelijk maken welke financiële effecten men kan verwachten. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Vereniging BWT Nederland maken voor gemeenten in adviezen de financieringsmogelijkheden van bouw- en omgevingsplan- activiteiten inzichtelijk. Wet goed verhuurderschap Op 1 juli 2023 is de Wet goed verhuurderschap in werking getreden. Met de invoering van deze wet krijgen gemeenten een belangrijke rol bij het bevorderen van goed verhuurderschap. De Wet goed verhuurderschap is een reactie op problemen die zich voordoen op de huurmarkt zoals discriminatie, intimidatie en bedreiging, excessief hoge huren, hoge servicekosten en onrechtmatige huurcontracten. Het rijk komt met deze wet bovendien tegemoet aan de wens van veel gemeenten om op te kunnen treden bij misstanden op de lokale huurmarkt. Het doel van het wetsvoorstel is het voorkomen en tegengaan van ongewenste verhuurpraktijken bij alle groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten. Daarbij stelt de wet het gedrag van de verhuurder centraal. Hieronder vallen verhuurders van reguliere woonruimte (inclusief woningcorporaties), verhuurders van verblijfsruimte aan arbeidsmigranten en verhuurbemiddelaars. Deze normering van verhuurgedrag is nieuw. Gemeenten krijgen een rol bij het handhaven van deze normen. Er is een meldpunt opgesteld (meldpunt ongewenst verhuurgedrag) op de gemeentelijke website. Wet Bibob Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het toepassingsbereik van de Wet Bibob verruimd. De beleidsneutrale voortzetting uit de Wabo betekent dat ook onder de Omgevingswet een bouwactiviteit en een milieubelastende activiteit onder de reikwijdte van de Wet Bibob zijn gebracht. Nieuw is dat een omgevingsplanactiviteit daar ook onder valt. Dit voorziet de wetgever in de mogelijkheid om de vergunning aan de hand van de Wet Bibob te toetsen en te weigeren als daar aanleiding voor is. In een gezamenlijk proces met gemeenten in de regio wordt een actualisatie van het Bibob beleid voorbereid, waarin de nieuwe mogelijkheden worden meegenomen. Gasketelwet Op 1 oktober 2020 is het wettelijk stelsel ‘certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties’ (CO-stelsel) in werking getreden. Deze wet wordt in de volksmond de 'Gasketelwet' genoemd. Deze volgt op aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) en is uitgewerkt in de bouwregelgeving. Op grond van de Gasketelwet mogen vanaf 1 april 2023 alleen nog daartoe gecertificeerde bedrijven werkzaamheden uitvoeren aan gasverbrandingsinstallaties, zoals cv-ketels, geisers, gashaarden, gaskachels en rookgasafvoeren. De handreiking ‘meldingen koolmonoxide door installateurs aan gemeenten’ van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland biedt een handelingsperspectief voor de gemeente bij meldingen van bijna-ongevallen door installateurs. In de komende periode wordt deze handreiking gebruikt bij de handhaving op het naleven van de vereisten in de bouwregelgeving. 3 Omgevingsanalyse en doelen In dit hoofdstuk wordt toegelicht waar de omgevingsanalyse uit bestaat en welke doelen er worden gesteld. In bijlage 1 is de volledige omgevingsanalyse te vinden. 3.1 Omgevingsanalyse De omgevingsanalyse bestaat uit drie onderdelen: een analyse van inzichten, een risicoanalyse en een analyse van problemen, waaruit vervolgens doelstellingen worden gedestilleerd voor de komende beleidsperiode. Analyse van inzichten Deze analyse geeft op basis van beschikbare gegevens van de afgelopen jaren (voor zover bekend) inzicht in het aantal te verwachten informatieverzoeken, informatieplichten, vooroverleggen, meldingen, vergunningaanvragen en bezwaar-, beroep- en hoger beroep zaken. Ook geeft het zo mogelijk inzicht in de aard en complexiteit van de aanvragen en de adviesrol bij omgevingsplannen en beleid. Voor de analyse is gebruik gemaakt van gegevens over de jaren 2023-2025. Waar gegevens (nog) ontbreken geeft de analyse daarmee tevens aan op welke punten de registratie door de gemeente aangepast kan worden om die informatie in de toekomst te kunnen volgen. Risicoanalyse De gemeentelijke U&H-taken zijn divers en omvangrijk. Daarom moeten we keuzes maken in de wijze waarop en met welke intensiteit taken worden uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in risico’s die ontstaan als bepaalde activiteiten binnen de U&H-taken niet worden uitgevoerd, is er aan de hand van zes landelijke criteria gekeken naar mogelijke negatieve effecten en de impact daarvan. Met de inwerkingtreding van de Wkb is in de prioriteiten en de activiteitenlijst de gevolgklasse 1, 2 en 3 terug te vinden. In bijlage 2 is een toelichting op het verschil tussen de gevolgklassen weergegeven. Probleemanalyse Deze analyse geeft inzicht in de problemen die in de uitvoeringspraktijk van het werkveld van U&H worden ervaren. In een brede verkenning zijn de problemen verzameld en vervolgens geclusterd. Daarvan zijn met deelnemers, management en wethouders vijf clusters geprioriteerd. Dit zijn: - Borgen van actueel beleid; - Duidelijke afspraken met externe (keten)partners; - Helderheid over de inzet van RO bij ondermijning/integrale controles; - Heldere taakverdeling bij Bibob-toetsing; - Omgaan met illegaal innemen van gemeentegrond. In een nadere uitwerking is beschreven wat de aard van het probleem is, de gevolgen hiervan en de (mogelijke) effecten. 3.2 Doelen Bij bovengenoemde vijf prioriteiten zijn vervolgens doelen geformuleerd om aan te werken. Vervolgens is per doel aangegeven welke acties daarvoor nodig zijn en is daar een planning aan gekoppeld hoe dit in deze beleidsperiode weggezet kan worden in de tijd. 4 Strategieën In dit hoofdstuk zijn de kaders opgenomen waarbinnen de uitvoering van vergunning-, toezicht- en handhavingstaken op het gebied van Omgevingsrecht en APV plaatsvindt. Deze worden ‘strategieën’ genoemd. Gemeenten werken met vijf strategieën. In dit hoofdstuk licht de gemeente toe hoe zij daar specifiek voor Zwijndrecht invulling aan geeft. Het betreft: •Vergunningenstrategie: deze beschrijft hoe vergunningverlening wordt aangepakt, voor zowel de Omgevingswet (4.1) als APV (4.2); •Preventiestrategie: deze beschrijft de inzet van de gemeente om onwenselijke situaties te voorkomen; •Toezichtstrategie: de werkwijze voor toezichtstaken wordt hier uiteengezet; •Sanctiestrategie: dit deel behandelt welke maatregelen en sancties de gemeente toepast bij overtredingen; •Gedoogstrategie: hierin is beschreven wanneer een illegale situatie (tijdelijk) wordt toegestaan en hoe dit in zijn werk gaat. 4.1 Vergunningenstrategie omgevingsvergunningen Dit onderdeel beschrijft het proces en de toetsingsniveaus voor de meest voorkomende aanvragen/meldingen. De vergunningenstrategie sluit aan bij de prioriteiten en doelen die in hoofdstuk 3 zijn benoemd. Algemene vergunningenstrategie Omgevingswet Basiswerkwijze vergunningverlening Het proces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt op hoofdlijnen onderstaande stappen. Voor vergunningaanvragen wordt de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure, zoals vastgelegd in de Awb en de Omgevingswet, gevolgd. 1.Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag; 2.Sturen ontvangstbevestiging; 3.Zaakbehandelaar omgevingsvergunning beoordeelt:a. Bevoegd gezag; b. Reguliere of uitgebreide procedure; c. Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen; d. Overzicht bewaken over lopende procedures en de voortgang. 4.De zaakbehandelaar is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:a. Toetsen van volledigheid en ontvankelijkheid op basis van indieningsvereisten en samenloop met meldingen/informatieplichten; b. (Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders; c. Uitzetten bij interne- en externe adviseurs; d. Bewaken van de termijn; e. Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager; f. Opstellen (concept)beschikking; g. Leges opvoeren indien van toepassing; h. Registratie (behandelstappen en documenten). 5.Archiveren beschikkingen (digitaal). 6.Mogelijk zienswijze, bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening behandelen. Informatieverzoeken vlot afhandelen Voorafgaand aan de vergunningverleningsfase, probeert de gemeente het naleefgedrag te stimuleren door een passende dienstverlening te bieden. Over de gemeentelijke vergunningverlening wordt algemene informatie verstrekt op de website van de gemeente. Naar behoefte wordt aanvullende informatie verstrekt over de geldende regels, het bestaande beleid en inzage aanvragen. De initiatiefnemer kan hiervoor een digitaal informatieverzoek indienen via e-mail (vergunningen@zwijndrecht.nl) of telefonisch. Een korte vraag, bijvoorbeeld over het omgevingsplan, is te beantwoorden via een digitaal informatieverzoek. Mocht een initiatiefnemer er met de beschikbare informatie niet uitkomen dan kan in een telefoongesprek vaak meer duidelijkheid worden verschaft. Soms heeft een korte afspraak de voorkeur boven geschreven correspondentie als dit misverstanden in het vervolgtraject kan voorkomen. De gemeente streeft er naar om de potentiële vergunning aanvrager een zo goed mogelijke inschatting te geven van de haalbaarheid van het initiatief binnen het bestaande beleid. Wanneer het niet passend is binnen het bestaande beleid kan de initiatiefnemer het idee laten verkennen via de intake- en omgevingstafel of een conceptaanvraag via het omgevingsloket indienen. In dat geval is meer informatie en tijd nodig om duidelijkheid te krijgen. Conceptaanvraag/vooroverleg De gemeente biedt de mogelijkheid om via het omgevingsloket een conceptaanvraag in te dienen. Er wordt geadviseerd om een vooroverleg aan te vragen als duidelijk is dat het initiatief niet past in het beleid óf de kansen niet binnen circa 20 minuten in een telefonisch gesprek goed zijn in te schatten. Voor een vooroverleg hoeven nog niet alle tekeningen en rapporten uitgewerkt te zijn. Mochten er aanpassingen nodig zijn dan is dat niet gebonden aan een beslistermijn. Potentiële aanvragers van vergunningen voor nieuwe gebouwen of van initiatieven die plaatsvinden in beschermde monumenten krijgen altijd het advies om eerst een vooroverleg aan te vragen. De gemeente stimuleert aanvragers om het vooroverleg en de formele aanvraag voor een omgevingsvergunning digitaal via het landelijke omgevingsloket in te dienen. Hierop zijn namelijk de digitale werkprocessen afgestemd wat ook tijd bespaart voor de initiatiefnemer. Van ruimtelijk idee naar aanvraag: intaketafel en omgevingstafel Nieuwe initiatieven die ruimtelijk danwel maatschappelijk complex zijn, worden op wenselijkheid beoordeeld aan de intaketafel en op haalbaarheid aan de omgevingstafel. Nadat de wenselijkheid is bepaald, wordt het plan in breed disciplinair verband besproken aan de omgevingstafel. Hierbij schuiven de initiatiefnemer aan, de interne en externe adviseurs en wordt het plan samen met een gespreksleider/ voorzitter besproken en verder gebracht. Het doel is om onduidelijkheden zo vroeg mogelijk in het proces weg te nemen, zodat het vergunningenproces sneller kan worden doorlopen. Complete meldingen bevestigen Bij ontvangst van meldingen, zoals voor brandveilig gebruik en sloop, bouwmelding en gereedmelding (ingebruikname bouwwerk), vindt een beoordeling plaats of de melding compleet is en ontvangt de indiener een bevestiging. Op een melding volgt geen besluit van de gemeente. Als op de algemeen geldende voorschriften (uit landelijke wetten of besluiten) aanvullende uitwerking van voorschriften nodig is voor het voorkomen van risico’s en/of voor een betere handhaafbaarheid, worden maatwerkvoorschriften opgelegd of een gelijkwaardigheidsbesluit genomen. Er is pas sprake van een melding als deze volledig is. De indiener krijgt bericht of zijn melding compleet is. Zonder tijdige melding kan het werk door de gemeente worden stilgelegd. Nieuwe informatieplichten inrichten De informatieplicht is er zodat de overheid toezicht kan houden op nieuwe activiteiten of veranderingen. Een informatieplicht is minder streng dan een meldingsplicht. Onder de Omgevingswet zijn er bij bouwen en slopen informatieplichten met betrekking tot het veiligheidsplan, stikstofemissie, start werkzaamheden en einde werkzaamheden. De informatie van het veiligheidsplan en de stikstofemissie moet gelijktijdig met de aanvraag/melding bouwen en/of slopen worden verstrekt. Dit is recent met een wetswijziging ingevoerd en de processen worden hierop aangepast. Verplichte samenloop vergunningen Afdeling 3.5 van de Awb regelt de procedure van gecoördineerde besluitvorming. Met gecoördineerde besluitvorming bedoelen we dat besluiten zoveel mogelijk dezelfde voorbereiding, totstandkoming en rechtsbescherming (bezwaar en beroep) hebben. De coördinatieregeling is van toepassing als de Omgevingswet dat regelt. Of als de bevoegde bestuursorganen dat beslissen in een zogenoemd coördinatiebesluit. Dit komt binnen onze gemeente zelden voor. Ook kan de wet de toepassing van de coördinatieregeling uitsluiten. Onder de Omgevingswet is het uitgangspunt dat activiteiten apart van elkaar kunnen worden aangevraagd. De Omgevingswet verplicht toepassing van de coördinatieregeling bij: wateractiviteiten in samenloop met milieubelastende activiteiten en overige activiteiten die gelijktijdig worden ingediend en projectbesluiten voor hoofdinfrastructuur of primaire waterkeringen (artikel 16.7 lid 1 Omgevingswet). Digitale behandeling optimaal ingericht Vergunningaanvragen worden digitaal behandeld in een nieuw zaaksysteem. Afhankelijk van het zwaartepunt van de aanvraag wordt bepaald welke medewerker de aanvraag behandelt. De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd in het registratiesysteem, waarbij de processtappen worden doorlopen, adviezen worden ingewonnen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. De meest voorkomende correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn/worden gestandaardiseerd voor de toestemmingen die onder de Omgevingswet vallen. Aanvragen consequent toetsen op volledigheid Inwoners en bedrijven zijn verantwoordelijk voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor het te nemen besluit. Gemeenten houden zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Vaak wordt een initiatiefnemer geadviseerd om eerst een vooroverleg in te dienen (zie ‘Conceptaanvraag/vooroverleg’). Mochten er aanpassingen nodig zijn, dan is dat niet gebonden aan een beslistermijn en niet alle tekeningen en rapporten hoeven al uitgewerkt te zijn. De afhandelingstermijn voor de aanvragen maakt het noodzakelijk om de aandacht te geven aan de toets op ontvankelijkheid. Een goede en inhoudelijk juiste beoordeling van aanvragen is alleen mogelijk wanneer de vereiste stukken aanwezig zijn. Het consequent toetsen van een aanvraag op ontvankelijkheid op basis van de Omgevingsregeling (Or) voorkomt dat in het vervolg van het proces de toetsing niet (geheel) kan worden uitgevoerd. Als een aanvraag onvolledig is, wordt om aanvullende gegevens verzocht en schort de behandel- en beslistermijn op. Leges toets bouwkosten De gemeente heft leges voor de behandeling van aanvragen om omgevingsvergunningen waarin sprake is van activiteiten zoals bouwen, kappen, afwijken van regels in het omgevingsplan en meer. De gemeente neemt bij de activiteit bouwen (technisch en ruimtelijk deel) in principe de door de aanvrager opgegeven bouwkosten als basis voor de legesberekening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de het instrument Bouwkostenkompas en de ROEB-lijst. In de legesverordening worden jaarlijks de tarieven en berekeningswijze voor leges vastgesteld. Intrekken aanvraag mogelijk voor besluit Initiatiefnemers kunnen hun aanvraag intrekken als op de aangevraagde activiteiten nog niet is besloten. Een intrekking wordt ingediend op dezelfde wijze als de aanvraag. Als dit binnen vijf dagen gebeurt, is gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges mogelijk, volgens de legestarieventabel. Intrekken vergunning Initiatiefnemers kunnen hun vergunning laten intrekken als de vergunde werken nog niet zijn gestart. Als dit binnen twaalf maanden gebeurt, is gedeeltelijke teruggaaf van leges mogelijk, als dit is opgenomen in de legestarieventabel van de gemeente. Ook kan de gemeente ambtshalve de vergunning intrekken (zie Sanctiestrategie). Bouwen (ruimtelijk) beleidsneutraal Door de wijziging Omgevingswet is bij bouwen een ‘knip’ gekomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen: tussen de ruimtelijke regels (omgevingsplanactiviteit) en de technische regels (bouwactiviteit, zie 4.1.3). De toetsing aan ruimtelijke regels blijft bij de gemeente. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de ruimtelijke regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en uit rijksregels (de bruidsschat). In de bruidsschat staan regels die voorheen landelijk werden bepaald, bijvoorbeeld welstand of regels voor een rioolaansluiting. Deze kunnen in het nieuwe omgevingsplan lokaal worden aangepast. Ook maken drie verordeningen van rechtswege deel uit van het omgevingsplan: de verordeningen voor erfgoed, geur en hemelwater. Voor de overgang van het tijdelijke naar het nieuwe omgevingsplan hebben gemeenten tot 1 januari 2032 de tijd. Het is vrijblijvend om in aanloop naar het nieuwe omgevingsplan alvast verordeningen met fysieke regels te bundelen in een verordening fysieke leefomgeving (Vfl). Aanvragen voor vergunningplichtige bouwwerken toetsen we, na uitvoering van de ontvankelijkheidstoets (zie ‘Basiswerkwijze’) achtereenvolgens aan de volgende onderdelen: a.nieuw deel Omgevingsplan • tracébesluit; • voorbereidingsbesluit. b.Omgevingsplan van rechtswege • bestemmingsplannen; • redelijke eisen van welstand (nota omgevingskwaliteit); • Verordening fysieke leefomgeving (Vfl) of ruimtelijke regels uit verordeningen als APV, erfgoed e.d. Omgevingsplan Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen, wordt getoetst aan het vigerende ruimtelijke plan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of op grond van bestaande beleidslijnen een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is; de ‘ja, mits’-gedachte is leidend. Welstandsnota (Nota Omgevingskwaliteit) Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan het omgevingsplan voldoet, of duidelijk is dat de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik kan worden verleend, wordt het plan getoetst aan redelijke eisen van welstand. Welstand is ook een belang dat al wordt meegenomen in de ruimtelijke afweging. De toetsing vindt plaats door een gemeentelijke Adviescommissies Omgevingskwaliteit. Op het moment dat er nog geen omgevingsplan ligt, is de welstandsnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Het afwijken van een welstandsadvies is een bevoegdheid van het college. In het jaarverslag van de welstand wordt verslag gedaan over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het welstandstoezicht. Op dit moment werkt de gemeente aan de Nota Omgevingskwaliteit en deze zal binnen de beleidsperiode worden vastgesteld. Verordening fysieke leefomgeving (Vfl) Bij de gemeente Zwijndrecht is de Verordening Fysieke Leefomgeving straks één van de toetsingskaders bij de beoordeling van bouwplannen. Hierin staan lokale regels over de fysieke leefomgeving gebundeld. Op dit moment werkt de gemeente aan de Vfl en deze zal binnen de beleidsperiode worden vastgesteld. Bouwen (technisch) volgens prioriteitmatrix Wkb en toetsmatrix bouwen Binnen het technische deel zijn twee wijzigingen aangebracht. Kleine bouwwerken aan de voorzijde zijn bouwvergunningsvrij geworden (Bbl) en de bouwmelding is geïntroduceerd (Wkb). Een bouwmelding is per 1 januari 2024 van toepassing voor bouwwerken uit gevolgklasse 1, die nieuw worden gebouwd. De Wkb is gelijktijdig met de Omgevingswet inwerking getreden, waarbij de gevolgklassen gefaseerd in werking treden. Voor overige bouwwerken is een omgevingsvergunning vereist als de werkzaamheden niet zonder vergunning zijn toegestaan. Vergunningsvrij is niet regelvrij. Er wordt alleen niet preventief getoetst en toezicht gehouden. Bij een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit vindt preventief toetsing en toezicht plaats door de gemeente. Bij een bouwmelding is er een private kwaliteitsborger voor toezicht op de bouwkwaliteit. Vergunningvrij bouwen Aanvragen worden allereerst getoetst aan de regels voor vergunningvrij bouwen. Een bouwactiviteit is pas vergunningplichtig als deze specifiek is genoemd in het Bbl. Een vergunningvrije activiteit, die toch is aangevraagd, wordt vermeld in het besluit op de aanvraag. Bouw- en gereedmelding Wkb Een bouwmelding ontvangt de gemeente minimaal vier weken voor start van de bouw. Een gereedmelding ontvangt de gemeente twee weken voordat het bouwwerk in gebruik wordt genomen. Beide meldingen worden door de gemeente beoordeeld op volledigheid volgens de prioriteitenmatrix Wkb (zie bijlage 2). Bouwactiviteit omgevingsvergunning De gemeente voert voor bouwwerken waarvan de gevolgklasse nog niet in werking is getreden, nog wel een bouwtechnische toets uit. Dit betreft gevolgklasse 1 verbouw, 2 en 3. Voor de activiteit bouw geldt dat de gemeentelijke toets (de zogenaamde preventieve toets) gekarakteriseerd wordt als een ‘aannemelijkheidstoets’: een vergunning voor de activiteit bouwen wordt alleen verleend als voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften. Hiermee stelt de wetgever duidelijk dat gemeenten bij het toetsen van de bouwaanvraag niet de verantwoordelijkheid overnemen van de vergunninghouder of de bouwpartij. De uitvoeringsstrategie voor de bouwactiviteit heeft tot doel te komen tot een kwalitatief gelijkwaardige manier van toetsen. Ongeacht de behandelend medewerker vindt een eenduidige toetsing plaats. Tevens wordt aan de hand van deze strategie gekomen tot een zo efficiënt en effectief mogelijke inzet van de beschikbare middelen. Het Bbl geeft landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen. Voor de technische toetsing van aanvragen voor de omgevingsvergunning bouwen is het noodzakelijk een lokaal beleidskader te hebben waarin de gemeente aannemelijk maakt of aan de regelgeving wordt voldaan. Het is praktisch onmogelijk om alle geldende voorschriften even uitputtend te toetsen. Hiervoor ontbreken de (financiële) middelen en capaciteit. Bovendien vraagt niet elk bouwwerk om deze controle, waardoor we selectief toetsen bij de toetsing aan de bouwtechnische voorschriften voor bouwwerken die vallen onder de vergunningplicht en (nog) geen bouwmelding betreffen. De landelijke toetsmatrix bouwen (LTB) van de Vereniging BWT Nederland heeft als basis gediend voor het gemeentelijk protocol. Volgens de methodiek van de LTB zijn keuzes gemaakt, die zijn gebaseerd op de omgevingsanalyse en zijn vastgelegd in de toetsmatrix bouwen (zie bijlage 3). Deze matrix dient als leidraad bij het toetsen van vergunningaanvragen aan de technische bouwvoorschriften. Hierbij worden veiligheidsaspecten bij bouwwerken met gevoelige gebruiksfuncties getoetst op landelijk niveau. Handelen in strijd met ruimtelijke regels Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt integraal getoetst aan het omgevingsplan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is. De Omgevingswet voorziet op twee manieren in het kunnen afwijken van regels in het omgevingsplan. De zogenoemde buitenplanse activiteit, met een wijziging van het omgevingsplan, of met een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Beoordeling van de aanvraag voor een BOPA vindt plaats aan de hand van de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De kern is dat er sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL). Het merendeel van de afwijkingen van de regels van het omgevingsplan valt onder de reguliere procedure van de Omgevingswet. Eerst wordt bepaald of de reguliere of uitgebreide procedure noodzakelijk is. Als de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, wordt het besluit eerst als ontwerp ter inzage gelegd alvorens er een definitief besluit genomen wordt. De uitgebreide procedure kan op drie manieren van toepassing zijn: 1.Bij wet bepaalde activiteiten (art. 10.24 Omgevingsbesluit); 2.Het college van B&W kan de uitgebreide procedure van toepassing verklaren als er sprake is van een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving én waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben; 3.Op verzoek of met instemming van de aanvrager. Het ontwerp besluit op de aanvraag omgevingsvergunning wordt gepubliceerd. Tijdens de inzageperiode van het ontwerp is voor een ieder de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Zijn er zienswijzen ingediend, dan worden deze eerst beoordeeld en van een antwoord voorzien in een nota van beantwoording. Deze nota vormt een integraal onderdeel van het besluit. Hierna wordt definitief besloten op de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en de activiteit handelen in strijd met ruimtelijke regels. Het definitieve besluit wordt gepubliceerd. Voor de uitgebreide buitenplanse afwijking wordt beoordeeld of het wenselijk is om aan het initiatief mee te werken door het volgen van een ruimtelijke procedure op basis van een ruimtelijke onderbouwing. Hierin dient te worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL). Alle betrokken belangen worden hierbij in beeld gebracht en afgewogen. Sloop Sloopactiviteiten vinden plaats bij verbouwing, uitbreiding of volledige sloop van objecten. Voor slopen geldt vanwege de ruimtelijke impact een vergunningplicht bij monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en als een sloopregeling is opgenomen in het omgevingsplan. Deze activiteit komt incidenteel voor. Om te beoordelen of er veilig wordt gesloopt, de bodem niet vervuild is en sloopafval (waaronder asbest) goed wordt afgevoerd, geldt er een meldingsplicht. Deze meldingen komen vaak voor. De bedrijfsmatige asbestmeldingen zijn sinds 1 januari 2024 een basistaak voor de omgevingsdiensten. Voor de gemeente Zwijndrecht voert de OZHZ deze taak uit. Kap De activiteit kappen vindt zijn wettelijke basis in de Verordening Fysieke Leefomgeving (Vfl) of APV. In de Vfl/APV is bepaald dat voor het kappen van een boom, of anders gezegd: ‘het vellen van een houtopstand’, een omgevingsvergunning nodig is. Dit betekent dat voor de procedure de Omgevingswet van toepassing is. Het betreft het kappen van bomen binnen en buiten de bebouwde kom. Van kappen kan sprake zijn als een boom of houtopstand geveld wordt of als er zeer drastisch wordt gesnoeid, bijvoorbeeld het verwijderen van de kroon uit een boom. Indien nodig vindt een bezoek aan de locatie plaatst. In de Vfl/APV is opgenomen in welke gevallen voor het kappen/vellen van bomen een vergunning nodig is. In aanvulling hierop is voor de gemeente de Bomenverordening (1 mei 2023) vastgesteld. Uitweg De activiteit uitweg vindt zijn wettelijke basis in de APV (en straks de Vfl). Hierin is de uitwegvergunning aangewezen als omgevingsvergunning. Dit betekent dat voor de procedure de Omgevingswet van toepassing is. De administratie wordt uitgevoerd door het team Vergunningen. De inhoudelijke toetsing vindt plaats door de specialisten van team Beheer openbare ruimte (BOR) op basis van de bepalingen in de Vfl/APV. Het betreft het maken van uitwegen over publieke gronden. Ook kan het voorkomen dat er op grond van andere regelgeving nog een vergunning nodig is. Bijvoorbeeld voor de activiteit “het uitvoeren van werken of werkzaamheden”, als dat in het omgevingsplan is voorgeschreven. Monumenten De omgevingsvergunning voor het wijzigen of verduurzamen van monumenten vergt bijzondere aandacht, om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk-, provinciaal- en rijks-cultuurhistorisch erfgoed. Daarom zijn activiteiten aan een monument altijd maatwerk en streeft de gemeente ernaar om in overleg met de initiatiefnemers eerst middels een vooroverleg zorgvuldig de situatie te beoordelen en de meest adequate oplossing te zoeken. Bij de toetsing van aanvragen voor een vergunning voor monumenten, wordt deze uitgevoerd door een casemanager met taakaccent erfgoed. De energietransitie vraagt ook extra maatregelen om monumentale waarden te beschermen bij verduurzaming. In deze beleidsperiode gaat aandacht uit naar informatievoorziening en het verduurzamen van monumenten. Binnen de gemeente zijn momenteel 13 rijksmonumenten, 60 gemeentelijke monumenten, 46 beeldbepalende panden en 2 beeldbepalende gebieden. Brandveilig gebruik De activiteit brandveilig gebruik is om het brandveilig gebruik van een bouwwerk te waarborgen. Onder de Omgevingswet is de omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik komen te vervallen, maar geldt er voor (bijvoorbeeld) een hotel nog wel een meldingsplicht. Vanaf welk aantal mogelijk aanwezige personen sprake is van een meldingsplicht, staat in artikel 6.6 Bbl. De veiligheidsregio is als externe ketenpartner adviespartij in deze. Bij de toetsing krijgt hulp bij ontruimen bij brand (artikel 4.83 Bbl) extra aandacht. Dit voorschrift verplicht gebruikers van een bouwwerk te zorgen voor voldoende ontruimers in geval van brand, bijvoorbeeld voor patiënten in een ziekenhuis, gedetineerden en bezoekers van een discotheek. Verder is er binnen de risicobeheersing een ontwikkeling gaande van regelgericht naar risicogericht werken. Dit gaat meer uit van verantwoordelijkheid van inwoners en instellingen en zorgt straks voor andere manier van werken. Overige activiteiten Voor de activiteiten die binnen de gemeente nauwelijks voorkomen wordt de algemene vergunningenstrategie gevolgd zoals omschreven in paragraaf 4.1.1. Samenwerking bij vergunningverlening Omgevingswet/Wkb De meeste vergunningtaken Bouwen en RO voor de gemeente zijn belegd bij de gemeente zelf. Een deel van de taken wordt door de omgevingsdienst uitgevoerd. Dat betreft met name alle milieutaken, zoals bedrijfsmatige asbestmeldingen. Bij de uitvoering van de vergunningtaken worden adviezen ingewonnen bij interne collega’s, de omgevingsdienst, andere partners en externe adviseurs. Denk hierbij aan de gemeentelijke Adviescommissies Omgevingskwaliteit, landschappelijk en agrarisch advies of de politie en veiligheidsregio. Welke adviezen worden gevraagd is afhankelijk van de aangevraagde activiteit. De omgevingsdienst adviseert op verzoek bij meerdere beleidsvelden, zoals bijvoorbeeld bodem en natuur. 4.2 Vergunningenstrategie APV en bijzondere wetten Het proces en de toetsingsniveaus met betrekking tot de APV wordt beschreven voor evenementen en de meest voorkomende aanvragen binnen de Alcoholwet. De vergunningenstrategie sluit aan bij de gestelde prioriteiten en doelen. Algemene vergunningenstrategie APV Het hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag volgt op hoofdlijnen onderstaande stappen. Daarbij geldt voor vergunningaanvragen de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure zoals vastgelegd in de Awb en de APV/Vfl. 1.Eventueel digitaliseren van de aanvraag. 2.Inboeken en registeren aanvraag (behandelstappen en documenten). 3.Sturen ontvangstbevestiging. 4.De zaakbehandelaar is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:a. Toets volledigheid en ontvankelijkheid;b. (Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders (voor de Alcoholwet en de Wet op de kansspelen geldt een Bibob-toets);c. Uitzetten bij interne en externe adviseurs via de APV-agenda;d. Bewaken van de termijn;e. Aanspreekpunt voor de aanvrager en ketenpartners en informeren aanvrager;f. Opstellen (concept)beschikking;g. Leges opvoeren indien van toepassing;h. Registratie (behandelstappen en documenten). 5.Archiveren beschikkingen. 6.Mogelijk zienswijze, bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening behandelen. 7.Evaluatie evenement. Aandachtevenementen worden standaard geëvalueerd, het evalueren van reguliere evenementen is maatwerk. Evenementen Aanvragen voor evenementen worden getoetst aan het evenementenbeleid. Ook kunnen extra vergunningen noodzakelijk zijn, zoals de BGBOP (Besluit brandveilig Gebruik en Basishulpverlening Overige Plaatsen), ontheffing/vergunning natuur of een vergunning om af te wijken van de ruimtelijke regels. De meldingsplichtige evenementen worden door de gemeente getoetst op eventuele vergunningsplichtige elementen. De melder ontvangt altijd bericht van de acceptatie van zijn melding met daarbij eventuele aanvullende voorschriften/aandachtspunten bij het organiseren van het evenement. De vergunningsplichtige evenementen zonder vooroverleg worden standaard getoetst op compleetheid, overlast beperkende maatregelen en veiligheid. Als er constructies bij het evenement worden gebruikt, zoals tribunes of tenten, wordt standaard een advies gevraagd over de constructieve veiligheid en de aanvraag indien nodig afgestemd met de veiligheidsregio en de politie. De vergunningsplichtige evenementen met vooroverleg zijn evenementen van grote omvang, nieuwe evenementen of met een evenementen-organisator die nog niet bekend is bij de gemeente. Bij het vooroverleg worden alle aspecten van het evenement doorgenomen. Deze categorie aanvragen wordt standaard besproken in een overleg met de politie, brandweer en gemeente. Alcoholwet De Alcoholwet vereist dat ieder bedrijf of organisatie die alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt, daarvoor een geldige vergunning heeft. De aanvragers van een drank- en horecavergunning kunnen hun aanvraag mondeling op afspraak toelichten. Als de aanvraag niet compleet is of er zijn andere belemmeringen, dan wordt er altijd contact opgenomen met de aanvrager om deze te horen en voldoende uitleg te geven. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een drank- en horecavergunning wordt ook gekeken of de aanvrager nog verwante vergunningen of ontheffingen nodig heeft, zoals bijvoorbeeld een vergunning op basis van de Wet op de kansspelen. Bij een wijziging van de bestaande vergunning, bijvoorbeeld als de bedrijfsvoerder wijzigt of er sprake is van capaciteitsuitbreiding, wordt de aanvraag alleen getoetst aan het te wijzigen onderdeel. Wet Bibob De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) geeft gemeenten de mogelijkheid om de achtergrond van een bedrijf of persoon te laten onderzoeken. Als uit de toetsing ernstige risico’s blijken dat de vergunning of de subsidie kan worden misbruikt, kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Overige Alle overige vergunningen die op basis van de APV/Vfl, bijzondere wetten en/of andere gemeentelijke verordeningen worden aangevraagd, worden geheel getoetst aan de vigerende (gemeentelijke) regels. Samenwerking bij vergunningverlening APV en bijzondere wetten Voor de toetsing wordt, indien relevant, samengewerkt met politie, LEC-SVH, Justis, OZHZ, kansspelautoriteit, FIOD, OM en Landelijk Bureau BIBOB. 4.3 Preventiestrategie Beter voorkomen dan genezen. Bij preventie gaat het om het vanuit jezelf nakomen van regels voor leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. De gemeente wil het naleefgedrag bevorderen door toezicht uit te voeren, maar ook door in te zetten op voorlichting en het uitleggen van het doel van regels. De meeste inwoners en bedrijven zijn dan bereid om de voor hen geldende regels na te leven. Vooral overtredingen die door goedwillende en onbewuste overtreders worden gemaakt kunnen daarmee worden voorkomen. Uitgangspunt van de preventiestrategie is een klantgerichte en klantvriendelijke benadering, waarbij binnen de vigerende kaders steeds gezocht wordt naar een passende oplossing. Als een initiatiefnemer/aanvrager er met de geboden informatie niet uitkomt, is er een gesprek met een betrokken medewerker mogelijk. Hiermee wordt voorzien in een professionele en klantvriendelijke dienstverlening. Inwoners en bedrijven die bewust regels overtreden willen we zo snel mogelijk in beeld krijgen. Het herkennen hiervan vormt, via het volgen van opleiding en training, een belangrijk deel van de basiskennis van vergunningverleners, toezichthouders en handhavers. Voorlichting en informatievoorziening Met voorlichting en informatievoorziening wil de gemeente voorkomen dat overtredingen ontstaan uit een gebrek aan informatie en kennis. Inwoners en bedrijven worden geïnformeerd over actuele wet- en regelgeving, indieningsvereisten en mogelijkheden voor aanvragen. Informatie delen vindt plaats door: -informatieverstrekking via social media en/of de website van de gemeente, met verwijzing naar websites van (landelijke) overheden met actuele informatie over beleid, wetgeving en indieningsmogelijkheden (omgevingsloket); -informatieverstrekking tijdens controles; -beantwoorden van vragen via telefoon, email of fysiek contact (aan de balie); -aanbieden van vooroverleg en bespreken van de (toetsings)resultaten na aanvraag van een vooroverleg; -ontwikkelen van duidelijke vraagbomen (toepasbare regels) voor het beoordelen van vergunning- of meldingsplicht én het indienen van meldingen en aanvragen; -bij weigering of het buiten behandeling stellen van een aanvraag wordt de aanvrager vóór bekendmaking geïnformeerd over de overwegingen om tot dit besluit te komen. Samenwerking bij preventie Bij het voorkomen van overtredingen werkt de gemeente samen met meerdere partijen, zoals de veiligheidsregio, GGD, OZHZ, regiogemeenten en de provincie. Voorlichting vindt structureel plaats samen met onder andere de OZHZ, bij bijvoorbeeld drugsdumpingen en illegaal gebruik van leegstaande panden. 4.4 Toezichtstrategie Het Omgevingsbesluit (Ob) geeft slechts in algemene bewoordingen aan hoe het toezicht georganiseerd dient te zijn. Op grond van het Ob moet het bestuursorgaan inzicht geven in de wijze waarop toezicht op de naleving van wet- en regelgeving wordt uitgeoefend. Het uitoefenen van toezicht moet leiden tot een adequate naleving van wet- en regelgeving. Op welke wijze en met welke frequentie uiteindelijk toezicht wordt gehouden, is het resultaat van de uitkomsten van de omgevingsanalyse. Hierbij spelen ook ervaringen die met inwoners, bedrijven en instellingen zijn opgedaan een rol. De toezicht- en sanctiestrategie geven invulling aan de beginselplicht tot handhaving. De gemeente is wettelijk belast met het toezicht op de naleving van de onder haar gezag vallende wet- en regelgeving. Wanneer een overtreding is geconstateerd zal in beginsel handhavend worden opgetreden, omdat het algemeen belang gediend is met naleving van de regels. Per geval wordt een onderbouwde afweging gemaakt welke vorm van interventie wordt ingezet. Deze afweging wordt schriftelijk vastgelegd, bijvoorbeeld in het controlerapport en eventuele correspondentie. Daarnaast wordt bij klachten of handhavingsverzoeken gemotiveerd aangegeven waarom wel of niet tot handhaving wordt overgegaan en beschreven hoe met signalen van melders wordt omgegaan. De toezicht- en sanctiestrategie ondersteunt bij het maken van tactische en operationele afwegingen en keuzes. Dit document is geen blauwdruk die precies vertelt wat er moet gebeuren in een gegeven situatie. De diversiteit van situaties en toezichtvraagstukken maakt dit onmogelijk. Goed toezicht is contextueel en vraagt om discussie, interpretatie en oordeelsvorming. Aanleidingen voor toezicht Toezicht in de gemeente Zwijndrecht vindt plaats op basis van: • het (twee)jaarlijkse programma uitvoering en handhaving (PUH); • aangevraagde vergunningen en ontvangen meldingen; • specifieke thema’s of projecten; • ontvangen meldingen, klachten, handhavingsverzoeken en calamiteiten; • waarnemingen in het veld: oog en oor. Vormen van toezicht Bij het houden van toezicht kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Het onderscheid is van belang, omdat per branche en per beleidsterrein de aspecten waar de controle zich op richt verschillen. Het is effectief om verschillende vormen van controle te hanteren, welke zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden.Vormen van toezicht die de gemeente inzet zijn: •Administratief toezicht; •Structurele (routinematige) controles: toezicht op vergunningen en meldingen. In de regel worden alle aspecten, de gehele vergunning, het Bouwbesluit/Bbl en het bestemmingsplan/omgevingsplan, voor zover de vergunning daar geen informatie over bevat, maar die tijdens de bouw wel van toepassing zijn, getoetst; •Ad hoc toezicht vanwege bijzondere omstandigheden: onder andere door verzoeken om handhaving en klachten; •Thematische controles: deze worden geformuleerd in het uitvoeringsprogramma; •Gebiedsgerichte controles: bijvoorbeeld op bedrijfsterreinen; •Hercontroles: de hercontrole bevat toezicht op één of enkele aspecten en vindt plaats naar aanleiding van een vorige controle of op basis van een controlerapport of de brief die daarover verzonden is. Voor elk van deze vormen is in het registratiesysteem een proces ingericht waarin de stappen worden doorlopen. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk integraal uitvoeren van het toezicht. De Omgevingswet schrijft voor dat het bestuursorgaan zijn controles moet afstemmen en coördineren om te voorkomen dat gemeentelijke toezichthouders en andere toezichthouders (bijvoorbeeld de provincie of het waterschap) onwetend van elkaar bedrijven bezoeken. Een integrale aanpak wordt gezien als een betere dienstverlening naar bedrijven en inwoners toe. Er zijn vier vormen van integraal toezicht denkbaar: • Na elkaar controleren: hierin zijn inspectiemomenten leidend. Dat wil zeggen dat, in eerste aanleg, verschillende toezichthouders, afhankelijk van de fase van handhaving, een inspectie uitvoeren. Deze inspecties worden programmatisch opgepakt. Omdat de inspecties over een relatief groter tijdsbestek worden uitgevoerd, heeft deze aanpak een sterkere preventieve uitwerking. Deze vorm van controleren is de klassieke vorm van toezicht. • Voor elkaar signaleren: facetcontroles/inspecties door één handhaver/toezichthouder. De handhaver/toezichthouder neemt tijdens de inspectie (binnen het model ‘na elkaar controleren’) punten van andere aandachtsvelden mee. Het voordeel van deze aanpak is dat overtredingen in een eerder stadium worden gesignaleerd. Deze aanpak vergt wel de nodige afstemming en uitleg tussen de toezichthouders. • Voor elkaar controleren: hierin wordt de integrale controle van de aandachtsvelden, door één handhaver/toezichthouder uitgevoerd. Dit heeft voornamelijk betrekking op situaties die worden gekenmerkt door een zeer geringe complexiteit. In de praktijk betekent dit dat dergelijke controles alleen mogelijk zijn bij locaties waarin voor beide aandachtsvelden het risico klein is. • Controleren met elkaar: vanuit bouwen/RO, milieu, veilig gebruik bouwwerken en de APV gezamenlijk een integrale controle uitvoeren. Met name van toepassing in situaties die door een groter dan gemiddelde complexiteit of bestuurlijke prioriteit worden gekenmerkt. Dit kunnen specifieke projecten zijn, zoals: opslag gevaarlijke stoffen of grote en complexe bouwprojecten. Welke vorm van integraal toezicht gehanteerd wordt, hangt af van de situatie. Hierbij wordt aangesloten bij de nieuwe omgevingsvergunning. Bij een enkelvoudige omgevingsvergunning (bijvoorbeeld voor de bouw van een dakkapel) zal de toezichthouder of handhaver vanuit zijn vakgebied een controle uitvoeren waarbij hij een oog- en oorfunctie voor andere beleidsvelden heeft. Bij een meervoudige omgevingsvergunning (bijvoorbeeld voor de activiteiten milieu en brandveilig gebruik) zullen de toezichtmomenten waar mogelijk gecoördineerd worden in één bezoek, waardoor de belasting voor het bedrijf tot een minimum beperkt wordt. Basiswerkwijze toezicht Een onderdeel van de toezichtstrategie is de beschrijving van de basiswerkwijze voor toezichtbezoeken of toezichtacties. Hieronder wordt deze basiswerkwijze voor de voorbereiding van toezichtbezoek, de feitelijke uitvoering en de rapportage van het bezoek beschreven. Voorbereiding Uitvoering Rapportage Toezicht bouwen Net als bij het toetsen van bouwplannen in de vergunningfase, geldt dat tijdens de bouw- of realisatiefase keuzes moeten worden gemaakt wat er wordt gecontroleerd. Voor deze fase is het toezichtprotocol uitgewerkt. Het landelijke toezichtprotocol van de Vereniging BWT Nederland heeft als basis gediend voor het gemeentelijk protocol (zie bijlage 4) waarbij er een uitsplitsing is gemaakt tussen verbouw en nieuwbouw Bbl en voor aanvragen die onder het oude regime (Bouwbesluit 2012) zijn vergund. Er kan ook zonder omgevingsvergunning worden gebouwd, zowel particulier als zakelijk. Echter, bij vergunningsvrij bouwen is men wel aan regels gebonden. Deze regels omvatten in de basis dezelfde regels als bouwen met een vergunning maar uiten zich vooral in maximale oppervlakten en maximale afmetingen. In ieder geval gelden altijd de regels uit de Woningwet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met regels voor onder meer constructie, (brand)veiligheid, bruikbaarheid, gezondheid en ventilatie. In specifieke gevallen kunnen de bouwregels van het omgevingsplan van toepassing zijn. De ruimtelijke impact van vergunningsvrije bouwwerken is echter als laag ingeschat door de landelijke wetgever. Vandaar dat er ook geen (vergunning)toets nodig is. Concreet kan dat inhouden dat bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid bij verbouwingen, ten aanzien van de Rc-waarde[1] van een (vergunningsvrije) dakkapel geen controle plaatsvindt op de naleving van de vereiste Rc-waarde, omdat dit geen derdenwerking heeft. [1] Het isolerend vermogen van een constructie wordt uitgedrukt via de Rc-waarde (R= 'resistance', c = 'construction'). Toezicht sloopwerkzaamheden Bij de sloop van alle bouwwerken van vóór 1994 wordt een asbestinventarisatierapport verlangd. Als het bedrijfsmatig wordt verwijderd of meer dan 35m2 asbest is aangetroffen, wordt het toezicht uitgevoerd door de omgevingsdienst. De voorschriften die tijdens sloopwerkzaamheden moeten worden nageleefd en waar toezicht op moet worden gehouden, zijn: •de wijze van slopen; •de veiligheid van het sloopterrein en de directe omgeving; •het omgaan, verwerken en afvoeren van diverse soorten vrijkomend sloopmateriaal per soort afvalstroom, waaronder asbest, kunststoffen, metalen en glas. Toezicht brandveiligheid Bouwwerken De omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruiken van een bouwwerk is met de komst van de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een aantal specifieke gevallen blijft alleen nog de meldplicht bestaan. Daar waar het nodig is neemt de bouwcontroleur de opleveringscontrole van de melding brandveilig gebruik voor zijn rekening. Indien nodig kan de veiligheidsregio integraal met het gemeentelijke bouwtoezicht gaan controleren. Afstemming met de veiligheidsregio vindt plaats over bijvoorbeeld de aan te leveren certificaten en de toezichtmomenten. Een groot deel van het toezicht betreft het structurele toezicht op de brandveiligheid in gebouwen met een publieks- of een verblijfsfunctie. In het kader van het Bbl geldt voor het merendeel van deze gebouwen de meldingsplicht. Bij milieu inrichtingen worden de controles op meldingen zoveel mogelijk integraal meegenomen bij de reguliere milieucontroles van de omgevingsdiensten. Bouwwerken die niet meldingsplichtig zijn voor brandveiligheidsaspecten, worden, in geval er sprake is van een milieu-inrichting, in de periodieke milieucontroles ook gecontroleerd op brandveiligheid. Tijdens het toezicht wordt er in dit kader vooral gecontroleerd op: •de aanwezigheid van de melding brandveilig gebruik Bbl; •de aanwezigheid van vereiste documenten, logboeken en certificaten; •transparant- en noodverlichting, vluchtrouteaanduiding; •het blokkeren, afsluiten en niet functioneren van vluchtroutes, nooduitgangen, blusmiddelen, rookbrandscheidingen en ontruimings-, brandmeld-, rookafvoer- en warmteafvoerinstallaties. Model risicogericht werken In het kader van risicogericht werken is een model beschreven dat onder de dienstverleningsovereenkomsten van VRZHZ met onze gemeente valt. Het model risicogericht werken is landelijk ontwikkeld om veiligheidsvraagstukken vanuit meerdere invalshoeken te bekijken. Belangrijk in dit proces is de dialoog rondom de risico’s van een activiteit. Door het gesprek aan te gaan met betrokken partijen kan degene die hiertoe bevoegd is een bewuste afweging maken van de risico’s. Daarbij is ook oog voor de gevolgen van deze keuze en mogelijke maatregelen om de risico’s te verkleinen. Het model risicogericht werken is opgebouwd uit 6 stappen: Stap 1: Context & invalshoek doelstellingen Stap 2: Informatie verzamelen Stap 3: Risico’s analyseren Stap 4: Omgaan met risico’s Stap 5: Communicatie intern en extern Stap 6: Risico’s evalueren en vastleggen De toepassing van het model vindt plaats in het periodiek overleg tussen de veiligheidsregio en de gemeente Zwijndrecht. Hulp bij ontruiming bij brand In relatie tot het thematisch toezicht vanuit de provincie wordt er in het bijzonder aandacht gegeven aan het toezicht op zorginstellingen. Artikel 6.20 van het Bbl over hulp bij ontruiming bij brand (lid 1) geeft aan dat in een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7 is gedaan voldoende personen aangewezen moeten zijn om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen. De hulpverlening bij brand voor werknemers is geregeld op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. De Arbeidsomstandighedenwet bevat regelgeving inzake de arbeidsomstandigheden in een bedrijf of inrichting en ziet op de hulpverlening aan werknemers en andere personen die in verband met de arbeid aanwezig zijn. Hiertoe is de gemeente geen bevoegd gezag. De bepaling in het Bbl ziet toe op hulpverlening bij brand, aan iedereen die zich in een bouwwerk of een gebruiksfunctie bevindt. Het gaat hierbij om het evacueren van bijvoorbeeld patiënten in een ziekenhuis, gedetineerden en bezoekers van een discotheek, in het geval van brand. Op welke wijze deze functionele eis wordt ingevuld, wordt overgelaten aan de eigenaar of gebruiker van een bouwwerk. Artikel 6.20 van het Bbl bepaalt dat er voldoende personen moeten zijn aangewezen om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen. Dit voorschrift verplicht gebruikers van een bouwwerk dus om te zorgen voor voldoende ontruimers in geval van brand. Niet-bouwwerken Afhankelijk van de omvang en risico’s van de activiteiten worden tijdelijke inrichtingen met een gebruiksvergunning in het kader van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen vooraf en tijdens het gebruik bezocht, om te beoordelen of aan de gestelde brandpreventieve-eisen is voldaan. Toezicht monumenten Er is aandacht voor de cultuurhistorische waarden van monumentale panden. Nadat een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw en monumenten is afgegeven, zullen de monument-specifieke aspecten worden meegenomen in de reguliere bouwinspecties, tenzij in een specifieke zaak extra toezicht nodig is. Dit kan bij rijksmonumenten en ook bij gemeentelijke en provinciale monumenten, indien opgenomen in de erfgoedverordening. Ook in de gebruiksfase wordt in de gemeente door de bouwcontroleurs toezicht gehouden op behoud van cultuurhistorische waarden van monumenten. Door het specifieke karakter van de monumenten is de uitvoering van het toezicht maatwerk. Toezicht aanleg weg, kap, reclame en uitweg Voor de activiteiten die in de Verordening fysieke leefomgeving (Vfl)/APV zijn benoemd, vindt over het algemeen enkel toezicht plaats op basis van klachten en meldingen (zie paragraaf 4.4.10). In dit kader wordt uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerder van de werkzaamheden. De uitwegvergunningen worden gecontroleerd door een daartoe aangewezen functie binnen de afdeling Realisatie. Toezicht evenementen De aard, omvang en de geschiedenis van het evenement bepaalt welke vorm en intensiteit van toezicht wordt ingezet. Afhankelijk van de risico’s en duur van het evenement kunnen één of meerdere fysieke controles plaats vinden, bijvoorbeeld ten aanzien van geluid. De intensiteit en diepgang van de controles wordt voorafgaand aan het evenement bepaald, evenals de interne en externe taakverdeling. Veiligheid in al zijn aspecten (materiaalgebruik, opbouw, blusvoorzieningen, vluchtwegen, routes hulpdiensten, enzovoorts) heeft prioriteit. Naast de eerder genoemde aspecten wordt bij geselecteerde evenementen ook aandacht besteed aan de openbare orde, geluidsoverlast, uitstallingen en illegale verkoop/ venten. De controleurs nemen in de voorbereiding van de vergunning altijd contact op met de initiatiefnemers en eventuele handhavingspartners (politie, veiligheidsregio en de omgevingsdienst) om goede werkafspraken te maken. Toezicht Alcoholwet Op een aantal specifieke momenten is toezicht van de Alcoholwet van belang: 1.tijdens uitgaansavonden in de primaire uitgaansgebieden; 2.tijdens grootschalige evenementen; 3.reguliere controle van de vergunning; 4.controle paracommerciële instellingen. Tijdens deze toezichtmomenten wordt een integrale controle gedaan waarbij alle aspecten van de Alcoholwet worden meegenomen. Speerpunten tijdens deze controles zijn: Ad 1: Toezicht op de uitvoering van de APV(-vergunning), Alcoholvergunning en leeftijdscontrole tijdens uitgaansavonden in de gebieden Veerplein en Walburg Ad 2: Toezicht tijdens grootschalige evenementen Ad 3: Reguliere controle van de vergunning Ad 4: Controle paracommerciële instellingen Toezicht ruimtelijke ordening Het toezicht op de ruimtelijke ordening vindt vooral gebiedsgericht plaats (zie 4.4.11) en op basis van klachten en meldingen (zie 4.4.10). Daarnaast wordt tijdens het bouwtoezicht bekeken of activiteiten plaatsvinden volgens het geldende omgevingsplan. In geval van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wordt volstaan met maximaal één toezichtmoment tijdens een gebiedscontrole (zie paragraaf 4.4.11). Ruimtelijke kwaliteit is vooral een kwestie van beleven. Het is een ‘zachte’, kwetsbare en niet meetbare kwaliteit. De overheid heeft de taak om hierin het algemeen belang te beschermen. Daarom is dit een actief onderdeel van het gebiedstoezicht. Wachten met handhaven tot er een klacht is, leidt ertoe dat de regie op de kwaliteit van de openbare ruimte wordt opgegeven. Er staan dan bijvoorbeeld zo veel illegale hoge schuttingen aan de straatkanten dat men eigenlijk niet meer kan handhaven. Hoewel de Omgevingswet erop inzet dat inwoners meer regie krijgen over hun leefomgeving, blijft de kwaliteit van de openbare ruimte en de aanliggende bebouwing door het omgevingsplan en de welstandsnota beschermd. De openbare ruimte is immers van iedereen en een rommelige omgeving heeft een spin-off ten aanzien van gezondheid en veiligheid. Het vergroot de anonimiteit van de omgeving, wat ten koste kan gaan van welbevinden, ontmoeting, sociale controle en uiteindelijk dus ook van (het gevoel van) veiligheid. Toezicht op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken Klachtentoezicht vindt plaats naar aanleiding van een klacht of melding van inwoners/ bedrijven (extern) of van andere afdelingen/ collega’s/ bestuur (intern). Klachten en meldingen kunnen per telefoon, schriftelijk, per e-mail of via de website van de gemeente binnenkomen. Bij een verzoek van een inwoner wordt contact opgenomen. Vervolgens wordt besproken wat het belang en doel van het verzoek is en wat verwacht mag worden van de gemeente. In goed onderling overleg wordt gezocht naar een snelle en informele oplossing van het probleem. Als dit niet mogelijk blijkt, wordt bij een herhaalde constatering een definitieve afweging gemaakt. Bij horecagerelateerde overtredingen wordt veelal direct gereageerd. Door in een vroeg stadium in overleg te gaan met een ondernemer worden ieders verwachtingen duidelijk en mogelijke toekomstige problemen voorkomen. Bij anonieme verzoeken wordt de impact van het verzoek ingeschat. Afhankelijk van deze inschatting wordt eventueel verdere actie ondernomen. Het streven is om de klager binnen twee werkdagen op de hoogte te stellen dat de klacht is ontvangen en te informeren over het vervolg. Het protocol voor klachten en handhavingsverzoeken is opgenomen in het eigen registratiesysteem (meldingen rechtstreeks in Fixi en telefonische meldingen/klachten in het zaaksysteem). Voor milieucalamiteiten (bijvoorbeeld een brand waarbij asbest vrijkomt) is de omgevingsdienst voor alle milieuactiviteiten oproepbaar. De ondersteuning vindt plaats door middel van het verlenen van kennis, toezicht (monsteropnames, meedenken bij oplossingen) en materiaal (zoals meetapparatuur). Hiervoor is een overeenkomst gesloten. Er geldt een 24-uurs bereik- en beschikbaarheid met een (maximale) opkomsttijd van één uur. Voor overige rampen/grote incidenten maken de gemeenten in de regio gebruik van een regionaal crisisbeheersingsplan. Bij een calamiteit of incident kan door bemiddeling van de toezichthouders milieu geprobeerd worden de veroorzaker/eigenaar zelf de noodzakelijke actie te laten ondernemen, zodat er geen kostenverhaal (bestuursdwang) hoeft plaats te vinden. Als dit niet lukt, kunnen bestuursrechtelijke middelen worden ingezet. Gebiedscontroles Zolang er geen (nieuwe) activiteiten plaatsvinden, vindt slechts beheer van het grondgebied plaats. Steekproefsgewijs wordt bekeken of het gebruik volgens de regels plaatsvindt. Gebiedsgericht toezicht wordt toegepast met aandacht voor diverse, vastgelegde controlepunten ten aanzien van ruimtelijke ordening, bouwen, (brand)veiligheid, milieu en Vfl. Afhankelijk van het type gebied en/of bestuurlijke prioriteit kan de nadruk meer of juist minder op enig rechtsgebied liggen. In het algemeen vindt het toezicht plaats vanaf de openbare weg en is het gericht op het voorkomen en tegengaan van excessen. Voor deze wijze van controle worden zowel bouw- als milieutechnische toezichthouders ingezet. Hoewel iedere toezichthouder een bepaalde specialiteit (bouw, milieu, brandveiligheid, etc.) heeft, worden zijn of haar vaardigheden tevens benut voor het toepassen van de ‘oog- en oor functie’ voor zaken die buiten zijn of haar specialisme liggen. Bij nader te bepalen feiten wordt een collega toezichthouder geïnformeerd, die op dat specifieke terrein vakbekwaam is. Het gaat vooral om zaken die geen vakinhoudelijke kennis verlangen. Op deze manier wordt de integrale handhaving verder geoptimaliseerd. Toezicht en het Integraal Veiligheidsbeleidsplan Op 4 maart 2025 is door de gemeenteraad het Integraal Veiligheidsprogramma 2025-2030 voor de gemeente vastgesteld. Het doel van het IVP is om de veiligheid in de gemeente te verbeteren en criminaliteit en overlast te verminderen. Het plan richt zich niet alleen op strafrechtelijke handhaving, maar juist ook op preventie, zorg en sociale interventie. We zien handhaving als een laatste stap en proberen te voorkomen dat het zover komt. Door zowel te kijken naar de inzet van preventie als naar de inzet van handhaving wordt een integrale en samenhangende aanpak van veiligheidsvraagstukken nagestreefd. De volgende vier prioriteiten zijn in het IVP opgesteld en verder uitgewerkt: 1) ondermijning, 2) jeugd en veiligheid, 3) zorg en veiligheid en 4) fysieke veiligheid. Van belang is te concretiseren welke VTH-capaciteitsvraag er bij de vier prioriteiten hoort. Toezicht en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Omdat de kwaliteitsborger de toezichtstaak uitvoert voor gevolgklasse 1, is er een aanvulling op het toezichtprotocol gemaakt (zie bijlage 4). In de aanvulling is weergegeven welke functies onder gevolgklasse 1 behoren, en dus niet langer een toezichtstaak zijn van de gemeente. Met betrekking tot de Wkb doet de vergunningverlener de volledigheidstoets van de bouwmelding aan de hand van de indieningsvereisten en de eerder gegeven prioriteitenmatrix. Daarnaast gaat het bevoegd gezag na of de risico’s voldoende zijn geborgd. De gemeentelijke toezichthouder kan altijd overwegen om zelf te waar te nemen, te beoordelen en te interveniëren, of om informatie- en controlemomenten op te leggen. Volgens de informatieplicht van de kwaliteitsborger moet strijdigheid met Bbl kenbaar gemaakt worden bij het bevoegd gezag. Het gaat hier om onomkeerbare gevallen of gevallen die de kwaliteitsborger niet in het werk opgelost krijgt met de bouwaannemer. Daarbij kan het ook in de fase van gereedmelding voorkomen dat er een strijdigheid is met het Bbl. In beide gevallen wordt er iets gevraagd van handhaving, zodat de strijdigheid hersteld kan worden. Hierop is de sanctiestrategie van toepassing. Samenwerking bij het toezicht Interne afstemming van activiteiten vindt maandelijks plaats. Extern is er, op ad hoc basis, overleg met instanties als de politie, de veiligheidsregio, de omgevingsdienst, het OM, de belastingdienst, douane, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de AID (Algemene Inspectiedienst) en het waterschap. Structureel overleg vindt plaats met de omgevingsdienst (voor de milieu- en bodemtaken) en de veiligheidsregio (voor de brandveiligheidstaken). Toezichtprogramma’s worden zoveel mogelijk afgestemd om te voorkomen dat bedrijven in een beperkte periode voor zowel milieu als brandveiligheid bezocht worden. Op basis van het integrale handhavingsbeleid worden de periodieke (milieu)controles tijdens de gebruiksfase zo veel mogelijk integraal uitgevoerd. Voorbeeld hiervan is de controle van gebouwen in het kader van het Bbl en het toepassen van de ‘oog- en oor functie’ voor andere handhavingsthema’s als illegale (ver)bouw, sloop, gebruik en asbest. De bevindingen worden intern afgestemd en extern met de omgevingsdienst, politie, veiligheidsregio, waterschap of AID. 4.5 Sanctiestrategie Als een overtreding geconstateerd wordt, volgt de gemeente onderstaande sanctiestrategie. Deze is nader uitgewerkt in het eigen registratiesysteem, waarin de processen zijn ingericht. Daarbij onderschrijven we de landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)[2]. De essentiële onderdelen van de landelijke handhavingsstrategie zijn hieronder uitgewerkt en aangevuld met overwegingen en accenten vanuit de gemeente. Naast bestaande en bekende risico’s, spelen er ook veranderende omstandigheden en nieuwe risico’s. Elk van deze situaties vraagt om een passende aanpak. Er zijn daarbij verschillende keuzemogelijkheden, zoals de aanpassing van beleid en/ of regelgeving, vergunningverlening, publieksvoorlichting en toezicht en interventie. [2] Ten tijde van het vaststellen van voorliggend document de ‘Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht van 12 oktober 2022; Formele overtreding, gelijkwaardige oplossingen Er kan sprake zijn van een formele afwijking van de voorschriften, waarbij tegelijkertijd sprake is van maatregelen die het door de rechtsregel beschermde belang in dezelfde mate of beter waarborgen. Als op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kan deze oplossing voldoen en is geen vervolgactie noodzakelijk. Hierbij valt te denken aan het beslechten van een ‘burenruzie’ door het inzetten van ‘buurtbemiddeling’ en finale geschilbeslechting. Formele, legaliseerbare overtreding Is wel sprake van een formele overtreding, dan is de eerste vraag of het in principe een vergunbare situatie is. Als dit het geval is, wordt een vergunningprocedure gestart. Hiervoor is nodig dat de overtreder een ontvankelijke aanvraag indient. Afhankelijk van de ernst van de overtreding (Is er een verhoogd risico? Is er al schade opgetreden?) en het profiel van de overtreder zijn er de volgende aanvullende opties: -Vergunnen met bestraffende sanctie Als de illegale situatie is ontstaan uit calculerend/malafide gedrag en/of sprake is van recidive, wordt de politie ingeschakeld voor het opmaken van een proces-verbaal. -Vergunnen Als bij een vergunbare situatie geen sprake is van calculerend/malafide gedrag en geen sprake van recidive, wordt afgezien van een bestraffende sanctie. In sommige situaties is het denkbaar dat ondersteuning wordt geboden om de situatie te verbeteren. Bijvoorbeeld door het geven van voorlichting of verstrekken van informatie (website, nieuwsbrief, plaatselijke krant) als wordt vastgesteld dat een bepaalde (onnodige) overtreding systematisch voorkomt. -Vergunnen met bestuursrechtelijke handhaving Als een illegale situatie te legaliseren is, kan men bestuursrechtelijk toch handhavend optreden, zolang de illegale situatie voortduurt en/of de vergunningaanvraag nog niet is ingediend. Sanctie instrumenten De intentie van het toepassen van de sanctiestrategie is het herstel naar een legale situatie. Daarom zullen de toe te passen handhavingsmaatregelen in de eerste plaats bestuursrechtelijk van aard zijn. Uitzondering op dit algemene uitgangspunt is de handhaving van bepaalde overlast gevende feiten uit de APV. Bij deze feiten is herstel van de legale situatie niet mogelijk en ligt een punitief handhavingsinstrument – het opleggen van een bestuurlijke strafbeschikking of een naheffingsaanslag – meer voor de hand. In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop wordt opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hiervoor zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten in te zetten. Bestuursrechtelijk zijn dat: -Een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking: ○last onder dwangsom (LOD); ○last onder bestuursdwang (LOB); -Schorsen of intrekken van de vergunning, certificaat of erkenning; -Een bouwstop (tijdelijk stilleggen activiteiten met gebruik van artikel 5.2 van de Awb); -Verscherpt toezicht. Bij een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) krijgt de overtreder een hersteltermijn aangeboden waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Daarbij volgt de gemeente de landelijke leidraad, waarbij beargumenteerd afgeweken kan worden. Als de overtreding na deze termijn niet is beëindigd dan wordt de sanctie geëffectueerd. In samenhang met de sanctiebeschikking, of los daarvan, kan de strafrechtelijke sanctie worden toegepast. Strafrechtelijke instrumenten zijn: -Een proces-verbaal (PV); -De bestuurlijke boete; -De bestuurlijke strafbeschikking (BSB). Binnen de gemeente zijn geen toezichthouders aangewezen om strafrechtelijk op te treden binnen het domein II (Omgevingswet). Dit wordt onder andere door de omgevingsdienst uitgevoerd. Die treedt zo nodig strafrechtelijk op. Bij strafrechtelijke handhaving is naast het bereiken van de gewenste situatie tevens het bestraffende element van belang. Passende reactie Voordat bovenstaande sanctie instrumenten worden ingezet wordt eerst geanalyseerd waarom iemand zich niet aan de regels houdt en wordt bekeken of een andere interventie meer op zijn plaats is. Deze interventie is dan vooral gericht op preventie in plaats van repressie. Daarbij valt te denken aan voorlichting en bemiddeling. De stappen zijn de volgende: 1.Beschrijving van het probleem of de ongewenste situatie en de regel die ervoor moet zorgen dat dit probleem wordt opgelost. 2.Analyse wat men beweegt om zich niet aan de regel te houden. Kent men de regel wel? Overtreedt men de regel uit gewoonte? Of is het erg moeilijk om de regel na te leven? En wat zijn eigenlijk de risico’s als de regels overtreden worden? Ook kijken om wat voor overtreder het gaat. Gaat het om een bewuste overtreder? Zal handhaving afschrikken? Of gaat het om een principiële overtreder? 3.Aan de hand van de antwoorden op deze vragen, bepalen wat de meeste kans geeft op een positief effect. Bij overtredingen met een laag (veiligheids)risico, maar met een hoge sociale impact, zoals bij een burenruzie, wordt eerst gekozen voor het inzetten van maatregelen die niet direct voortvloeien uit de Awb. Zoals op behoud van de onderlinge verhouding door het inzetten van voorlichting of buurtbemiddeling. De gemeente kan altijd overgaan tot het inzetten van de handhavingsmiddelen, maar gaat in eerste instantie de dialoog aan. Uiteraard kan dit minnelijke traject niet al te lang duren. Dwangmaatregelen Als een minnelijk traject geen soelaas biedt, kan besloten worden om alsnog over te gaan tot dwangmaatregelen. Er zijn een aantal handelingsmogelijkheden als een overtreding wordt geconstateerd: a)Versturen van een waarschuwingsbriefEerst ontvangt de overtreder een waarschuwingsbrief met de mogelijkheid om de illegale situatie op te lossen. b)Voornemen last onder dwangsomAls de overtreder geen gehoor heeft gegeven aan de waarschuwingsbrief, waarin een termijn is gegeven, wordt overgegaan tot een voornemen last onder dwangsom. Hierin krijgt de burger de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen waarin aangegeven wordt waarom er niet voldaan is aan voorgaande termijn. Tevens wordt een termijn aangeboden om hier alsnog aan te voldoen. c)Bestuursrechtelijk optredenDit kan op drie manieren: door toepassing van een last onder bestuursdwang, door het opleggen van een last onder dwangsom en het opleggen van een bestuurlijke boete. d)Strafrechtelijk optredenAls sprake is van een strafbaar feit, kan proces-verbaal worden opgemaakt van de overtreding door een boa (buitengewoon opsporingsambtenaar) of door de politie. Het OM kan strafvervolging instellen. Daarnaast zijn er bestuurlijke strafsancties, te weten de bestuurlijke boete en de bestuurlijke strafbeschikking. e)Niet optreden, gedogen of legaliserenHoewel dit niet altijd wordt onderkend, kan ook niet optreden tegen een overtreding in een aantal gevallen verregaande rechtsgevolgen hebben, doordat derden hiertegen bezwaar of beroep aantekenen. Bestuursrechtelijk optreden De bestuursrechtelijke handhaving is gebaseerd op de zogenaamde tweestappenstrategie: 1.Na constatering van een overtreding wordt onderzocht of de overtreding gelegaliseerd kan worden. Als dit niet mogelijk is, ontvangt de overtreder een voornemen tot bestuursrechtelijk optreden. In dit voornemen wordt de overtreder een termijn gesteld om een zienswijze op het voornemen in te dienen en een termijn om de overtreding ongedaan te maken. 2.Duurt de overtreding na hercontrole nog steeds voort, dan volgt een formele aanschrijving met dwangmiddelen. Wordt niet binnen de begunstigingstermijn aan de last voldaan, dan wordt het besluit geëffectueerd. In een aantal situaties kan van deze strategie worden afgeweken: -Indien de bouwtoezichthouder tijdens de realisatiefase een overtreding constateert, wordt eerst getracht de overtreding in overleg op te lossen. Leidt dit niet tot het gewenste resultaat, dan wordt afgezien van het versturen van een constateringbrief en direct een voornemen tot bestuursrechtelijk optreden verzonden (tweestappenmodel); -In spoedeisende situaties, waarbij direct optreden gewenst is, worden direct bestuursrechtelijke maatregelen genomen. Toepassing van bestuursdwang leidt veelal tot hogere bestuurslasten dan het opleggen van een last onder dwangsom. Het ongedaan maken van een overtreding door de gemeente vraagt een gedegen voorbereiding en uitvoering van taken die flink wat organisatie vragen. Ook het kostenverhaal vraagt de nodige aandacht. Het opleggen van een last onder dwangsom legt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering bij de overtreder zelf. Dit geeft de gemeente slechts de plicht om te toetsen of na het verstrijken van de gestelde termijn de overtreding ongedaan is gemaakt. Daarom ligt de voorkeur bij de last onder dwangsom. Bij spoedeisende zaken wordt echter altijd bestuursdwang toegepast. Daarbij moet wel worden bedacht dat een dwangsom natuurlijk niet direct de overtreding ongedaan maakt. Dat moet de overtreder zelf doen binnen de begunstigingstermijn. Gebeurt dit niet, dan kan het college opnieuw een sanctie opleggen. Omdat de dwangsom niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, zal dan bestuursdwang worden overwogen. De dossieropbouw begint met het constateren van een overtreding of het ontvangen van een verzoek om handhaving. De geconstateerde overtreding kan gebaseerd zijn op een eigen waarneming van een toezichthouder (bij een direct onveilige situatie), een melding of een verzoek om handhaving. Die overtreding wordt vastgelegd met een rapport en foto’s. Elke overtreder wordt met de schriftelijke vooraanschrijving de mogelijkheid geboden om te worden gehoord en om de overtreding zelf ongedaan te maken. Tenzij er spoedeisende redenen zijn om hiervan af te zien. Dat laatste wordt altijd gemotiveerd en zo mogelijk wordt telefonisch of mondeling geprobeerd om alsnog aan de hoorverplichting te voldoen. Hiervan wordt een verslag gemaakt, dat aan het dossier wordt toegevoegd. Daarna vindt een tweede inspectie plaats en wordt vastgelegd of de overtreding nog steeds bestaat. Vervolgens wordt een handhavingsbesluit genomen met een begunstigingstermijn. Als gemeentelijk eigendom in het geding is, wordt de nakoming van de overeenkomst privaatrechtelijk afgedwongen. Het overgaan tot dwangmaatregelen is geen lichte beslissing. De toe te passen sanctie moet proportioneel zijn en dient zoveel mogelijk transparantie te bieden over de lengte van begunstigingstermijnen en de hoogte van dwangsommen. Primair last onder dwangsom De gemeente heeft dus een bepaalde beleidsvrijheid in de keuze of zij een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom oplegt. Behoudens bijzondere omstandigheden kiest de gemeente om de hiernavolgende redenen voor het opleggen van een last onder dwangsom boven het toepassen van bestuursdwang: -het opleggen van een last onder dwangsom legt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van die taken bij de overtreder en geeft de gemeente slechts de plicht te toetsen of na het verstrijken van de termijn de overtreding ongedaan is gemaakt; -toepassen van bestuursdwang leidt vaker tot hogere bestuurslasten (voorbereidingen uitvoering) dan het opleggen van een last onder dwangsom. Ook is het nog maar de vraag of de kosten op de overtreder verhaald kunnen worden; -bij herhalende overtredingen is een dwangsom effectiever, omdat de last na de verwijdering of het ongedaan maken van de overtredingen blijft bestaan. Als de overtreding opnieuw plaatsvindt, wordt de dwangsom alsnog of opnieuw verbeurd; -bij vernietiging in een gerechtelijke procedure kunnen de gevolgen van het besluit tot het opleggen van een dwangsom eenvoudiger worden teruggedraaid dan reeds toegepaste bestuursdwang. In een aantal bijzondere situaties zal – in afwijking van de hoofdregel – geen dwangsom worden opgelegd, maar worden gekozen voor bestuursdwang, bijvoorbeeld: -tegen de overtreding is eerder een last onder dwangsom opgelegd en dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid; -de overtreder is niet te achterhalen; -de overtreding is dusdanig ernstig of brengt zodanige risico’s met zich mee dat deze onmiddellijk moet worden beëindigd. In dit laatste geval wordt spoed bestuursdwang toegepast. Hieronder staan enkele situaties genoemd waarbij toepassing van spoed bestuursdwang voor de hand ligt: ○het stilleggen van de bouw in geval van illegale bouw of onvoorziene veiligheid of gezondheidssituaties tijdens vergunde bouwwerkzaamheden; ○illegale sloop (bijvoorbeeld met asbest) of onvoorziene veiligheid- of gezondheidssituaties tijdens vergunde sloopwerkzaamheden; ○brandgevaarlijke situaties die acuut levensbedreigend kunnen zijn; of bedreiging van de openbare orde. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Een aangetroffen situatie dient van geval tot geval te worden beoordeeld, waarbij rekening gehouden wordt met jurisprudentie. Bij het opleggen van spoed bestuursdwang wordt zoveel mogelijk de normale bestuursdwangprocedure gevolgd met een aangepaste (zeer) korte begunstigingstermijn. In acute gevallen kan de bestuursdwang mondeling worden aangezegd en meteen worden geëffectueerd zonder begunstigingstermijn). Naderhand dient de bestuursdwang alsnog op schrift te worden gesteld en bekend te worden gemaakt. Dwangsom De hoogte van een dwangsom moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom. De hoogte van de dwangsom wordt o.a. gerelateerd aan de aard en ernst van de overtreding, de potentiële schade en de kosten die moeten worden gemaakt om de overtreding ongedaan te maken. In ieder geval moet het bedrag belangrijk hoger zijn, dan het economisch voordeel dat met de overtreding wordt behaald. Het moet aantrekkelijker zijn de overtreding ongedaan te maken dan de dwangsom te betalen. Om voldoende stimulans te kunnen bieden de overtreding ongedaan te maken, worden de berekende bedragen met een factor twee vermenigvuldigd. In de regel wordt een dwangsom ineens opgelegd. Verbeuren van de dwangsom Het verbeuren van dwangsommen gebeurt van rechtswege. De gemeente hanteert de stelregel dat een dwangsom direct na het verbeuren wordt geïnd, tenzij er om juridische redenen (zoals een schorsingsverzoek) uitstel is overeengekomen. De regels van verjaring van verbeurde dwangsommen zijn inmiddels deels gewijzigd. De bevoegdheid tot invordering verjaart niet meer indien er nog beroep of hoger beroep aanhangig is of openstaat tegen de oplegging van de last onder dwangsom op de dag waarop de verjaringstermijn verstrijkt. Als er geen beroep of hoger beroep meer openstaat, dan dient de verjaring van de verbeurde dwangsom tijdig gestuit te worden. Invorderingsbeschikking Met het in werking treden van de vierde tranche van de Awb is de positie van derde-belanghebbenden bij de handhaving versterkt. Op grond van artikel 5:37 lid 2 Awb kan zowel degene die de gemeente heeft verzocht handhavend op te treden als ook een andere belanghebbende de gemeente verzoeken een beschikking omtrent invordering van de dwangsom op te leggen. Last onder bestuursdwang Als de dwangsom niet het gewenste resultaat zal opleveren of heeft opgeleverd, wordt bestuursdwang overwogen. Ook in specifieke andere situaties, zoals het sluiten van een woning op basis van artikel 13b van de Opiumwet geldt bestuursdwang. Per zaak wordt bekeken wat de beste strategie is. Voorbereiding In de voorbereiding op de bestuursdwangaanschrijving beantwoordt de gemeente in ieder geval de volgende vragen: 1.Welke feitelijke maatregelen moeten worden getroffen om de overtreding op de minst belastende wijze ongedaan te maken? De keuze kan worden overgelaten aan degene die de last opgelegd krijgt. Of de overtreder treft maatregelen, of laat het aan de gemeente over die altijd voor de minst belastende maatregelen voor de overtreder zal kiezen. 2.Is de gemeente ook in staat de vereiste maatregelen te treffen als geen gehoor wordt gegeven aan de last? 3.Is hiervoor de inzet van externe partijen noodzakelijk? Zo ja, dan wordt die inzet al voordat de aanschrijving uitgaat besproken. Bijvoorbeeld: a.Aannemers uitzoeken om de werkzaamheden uit te voeren. b.Eventueel overleg met de politie. c.Eventueel overleg met andere controleurs. 4.Is opslag van goederen noodzakelijk? Zo ja, dan wordt dat geregeld voordat de bestuursdwangaanschrijving wordt geëffectueerd. 5.Moeten de toezichthouders gebouwen binnentreden? Zo ja, is dat goed voorbereid? 6.Moet voor de uitvoering van de werkzaamheden gebruik gemaakt worden van het erf van derden? Zo ja, dan is artikel 5:27 Awb van toepassing. Behoudens spoedeisende gevallen is een aanzegging nodig. Bij het kostenverhaal wordt een dossier van de voorbereiding gebruikt. Uitgangspunt is dat de kosten altijd verhaald worden. Zo nodig worden er betalingsregelingen getroffen met de overtreder. Effectueren van bestuursdwang Bij het effectueren van de bestuursdwang zijn de uitgangspunten: 1.De bestuursdwang pas effectueren als de begunstigingstermijn is verstreken, de aanschrijving onherroepelijk is geworden, of als bij een verzoek om voorlopige voorziening de voorzieningenrechter de last schorst. 2.De bestuursdwang effectueren overeenkomstig de aanschrijving. Dat wil zeggen dat de gemeente de feitelijke handeling pleegt of laat plegen die aan de aangeschrevene was opgelegd. 3.Proces-verbaal opmaken van de effectuering. Zo mogelijk met een foto- of video-opname. Een inventarisatielijst met een foto- of videorapportage van meegenomen goederen, waaruit de staat en waarde van de goederen blijkt. Dit kan van belang zijn als de goederen worden verkocht, weggegeven of vernietigd en later geschillen ontstaan over de waarde. 4.De dossiers, inclusief rapportages, worden bewaard totdat alle juridische procedures zijn afgerond. 5.Alle kosten, inclusief de invorderingskosten, worden verhaald op de overtreder. Voor de invordering van de kosten van bestuursdwang en het invorderen van verbeurde dwangsommen geldt dat de gemeente de factuur en betalingsherinneringen stuurt. Toepassingsbeschikking Bij bestuursdwang geldt de toepassingsbeschikking. Uitgangspunt is dat de bestuursdwang binnen zes weken na afloop van de begunstigingstermijn wordt geëffectueerd. Spoedshalve bestuursdwang In zeer spoedeisende gevallen waarin zelfs de tijd ontbreekt om een aanschrijving op papier te zetten en op de voorgeschreven wijze bekend te maken, wordt de bestuursdwang mondeling aangezegd. De overtreder krijgt tijdens de mondelinge aanzegging nog de mogelijkheid om binnen zeer korte termijn (enkele uren) het probleem zelf nog op te lossen. Wanneer de overtreder hier geen gehoor aan kan geven, dan wordt geëffectueerd. De al uitgevoerde bestuursdwang wordt dan naderhand alsnog op schrift gesteld en het besluit bekend gemaakt. Tegen dit besluit staat dan alsnog bezwaar en beroep open. Spoedshalve bestuursdwang is niet in algemene regels vast te leggen, omdat het om risico’s gaat die meteen getackeld moeten worden. Het zal altijd gaan om acute situaties waarbij grote veiligheids- en/of gezondheidsrisico’s ontstaan of waarbij onomkeerbare schade kan optreden. Voorbeelden in het kader van deze nota zijn: 1.Het stilleggen van de bouw en het slopen. De stillegging van bouw en slopen is geregeld in artikel 5.2 van de Awb. Dit wordt bijvoorbeeld toegepast bij de aantasting van monumentale waarden of bij illegale of onveilige bouw- of sloopwerkzaamheden. 2.Het opheffen van brandgevaarlijke situaties die acuut levensbedreigend kunnen zijn. 3.Het voorkomen van de vernietiging van natuurwaarden. 4.Het stilleggen van werken zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde. Stilleggen van de bouw Bij het stilleggen van de bouw is de algemene regeling voor spoedshalve bestuursdwang van toepassing. Dit is de meest voorkomende vorm van spoedshalve bestuursdwang. 1. Vrijwillige stillegging Bij een vrijwillige stillegging worden ter plaatse afspraken gemaakt over dat vrijwillige stilleggen. Gaat het om kleine afwijkingen, dan wijst de gemeente de bouwer daar mondeling op en volgt een afspraak om deze afwijkingen op korte termijn aan te passen. Ook als niet per se maatregelen moeten worden getroffen, zijn een mondelinge aanwijzing en goede afspraken van belang. 2. Stilleggingsbesluit De volgende aanpak geldt: •De controleur zegt de stillegging mondeling aan; •Uiterlijk binnen twee werkdagen na de constatering verstuurt de gemeente een stilleggingsbesluit, inhoudende dat alle bouwactiviteiten moeten worden gestaakt en gestaakt blijven, met uitzondering van nauwkeurig in het stilleggingsbesluit omschreven noodmaatregelen. 3. Dwangsom en kans op herhaling Om de kans op herhaling te voorkomen wordt de stillegging gevolgd door een last onder dwangsom. 4. De afwijking kan worden gelegaliseerd Als de afwijking kan worden gelegaliseerd verzoekt de gemeente de overtreder een wijziging op zijn eerder verleende omgevingsvergunning bouw en/of sloop aan te vragen. Daarbij wordt aangegeven dat, als niet binnen vier weken na verzending een ontvankelijke aanvraag is ingediend, het uitgangspunt is dat de overtreder geen vergunning wenst aan te vragen. Als de aanvraag wordt ingediend, is er geen actie tot op de aanvraag is beslist. 5. De afwijking kan niet worden gelegaliseerd Als blijkt dat de overtreding niet gelegaliseerd kan worden, trekt de gemeente het stilleggingsbesluit in en legt een dwangsom op om de overtreding ongedaan te maken. Begunstigingstermijn De gemeente Zwijndrecht kiest qua begunstigingstermijn voor een termijn afhankelijk van de aard van de overtreding (er kan in principe met een korte termijn worden volstaan bij gedragsvoorschriften). Daarnaast mag de termijn niet zodanig lang zijn, dat sprake is van (impliciet) gedogen van de overtreding, maar moet het praktisch wel haalbaar zijn om aan de last te kunnen voldoen. In het bouwtoezicht komt het veelvuldig voor dat de geconstateerde afwijkingen direct of binnen een afzienbaar tijdsbestek kunnen worden hersteld. In deze gevallen wordt volstaan met een mededeling van de toezichthouder dat de geconstateerde afwijking bij de volgende controle hersteld moet zijn. Hiervan wordt melding gemaakt in het controlerapport. Wijze van bekendmaking Besluiten worden zowel aangetekend als via de gewone post verstuurd om misverstanden te voorkomen. Alle nieuwe besluiten worden daarnaast op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke verplichtingen (Wkpb) ingeschreven bij het gemeentelijke beperkingenregister (een openbaar register). Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet dient er expliciet te zijn beschreven in een besluit tot oplegging van een dwangsom/bestuursdwang dat, wanneer inschrijving in het Wkpb plaatsvindt, het besluit ook voor de rechtsopvolger kan gelden. Hiermee wordt de gemaakte overtreding kenbaar bij de eigendomsoverdracht. Vergunning intrekken In artikel 5.40, lid 2 onder b in combinatie met artikel 18.10 van de Omgevingswet zijn de mogelijkheden genoemd voor het bevoegd gezag om een omgevingsvergunning in te trekken. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in de Omgevingswet de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken. Er worden door de gemeente jaarlijks vele omgevingsvergunningen verleend. De meeste bouwwerken worden binnen korte tijd na afgifte van de vergunning gerealiseerd. Het komt echter ook voor dat er geen of pas na een aantal jaar gebruik van de omgevingsvergunning wordt gemaakt. Het ongebruikt laten voortbestaan van (oude) bouwrechten is om een aantal redenen onwenselijk: 1.Er moet worden voorkomen dat (nieuwe) planologische en stedenbouwkundige inzichten worden doorkruist door bouwwerken (en ontheffingen) die in het verleden zijn vergund maar nooit zijn gerealiseerd; 2.er moet worden voorkomen dat nieuwe bouwwerken worden gebouwd naar verouderde bouwtechnische inzichten; 3.uit administratief oogpunt is het gewenst dat de papieren situatie, het bouwarchief, overeenkomt met de feitelijke situatie; en 4.voor omwonende is het erg onplezierig als zij worden geconfronteerd met oude bouwrechten waar voor hen geen rechtsmiddelen meer tegen open staan. Met het oog op genoemde situaties is het wenselijk om na verloop van een bepaalde periode de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en eventueel het afwijken van regels in het omgevingsplan in te trekken. Hieronder zal ingegaan worden op de mogelijkheden om aan een omgevingsvergunning een geldigheidsduur te koppelen en de bevoegdheid om deze in te trekken. Procedure intrekken Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid om na een termijn van 26 weken de omgevingsvergunning in te trekken. Bij het intrekken van een vergunning zal altijd sprake zijn van een belangenafweging. Bij de vergunningverlening moet de vergunninghouder er reeds op worden gewezen, dat als een onherroepelijke omgevingsvergunning na 26 weken niet gebruikt is of de werkzaamheden langer dan 26 weken hebben stilgelegen, de gemeente op basis van de Omgevingswet bevoegd is om de omgevingsvergunning in te trekken. Er wordt in beginsel uitgegaan van een geldigheidsduur voor een omgevingsvergunning van 26 weken. Na 26 weken ontvangt de vergunninghouder een voornemen tot intrekken van de omgevingsvergunning. De vergunninghouder krijgt 2 weken de gelegenheid om op het voornemen tot intrekken te reageren. Als hij niet reageert wordt de vergunning ingetrokken. Als de vergunninghouder wel reageert, zal afhankelijk van de reactie worden bekeken of de vergunning al dan niet moet worden ingetrokken. De vergunninghouder zal in ieder geval aannemelijk moeten maken dat hij binnen afzienbare tijd c.q. op korte termijn zal starten met de bouwwerkzaamheden. In dat geval krijgt hij/zij 26 weken uitstel. Dit uitstel wordt maximaal 2 maal gegeven, daarna wordt de omgevingsvergunning zonder verdere vooraankondiging ingetrokken. Als de bouwwerkzaamheden 26 weken hebben stilgelegen, wordt de intrekkingsprocedure gestart. Wanneer de omgevingsvergunning uiteindelijk geheel is ingetrokken, dient de vergunninghouder het bouwwerk in originele staat terug te brengen. Indien stedenbouwkundige ontwikkelingen een bijzondere reden geven om een omgevingsvergunning in te trekken, zal bij gelegenheid van die ruimtelijke ontwikkeling op dit punt een besluit kunnen worden genomen en de intrekkingsprocedure op een eerder moment worden gestart dan hierboven is aangegeven. Het intrekken van de omgevingsvergunning is een voor bezwaar- en beroep vatbaar besluit. Er is sprake van discretionaire bevoegdheid, waarbij het besluit zorgvuldig en weloverwogen tot stand moet komen. Er zal in beginsel een belangenafweging moeten plaatsvinden tussen het belang bij intrekking en het belang bij het in stand houden door de vergunninghouder. In samenhang met wat is opgemerkt over de mogelijkheid om in het geval dat stedenbouwkundige ontwikkelingen een bijzondere reden vormen om een omgevingsvergunning eerder in te trekken, is het wenselijk dat bij gelegenheid van de actualisering van een omgevingsplan door de betrokken afdeling niet alleen de feitelijke situatie wordt onderzocht of geïnventariseerd, maar daarbij ook wordt geïnventariseerd (en beoordeeld) van welke omgevingsvergunningen nog geen gebruik is gemaakt. Financiële consequenties Bij een intrekking van een vergunning is er geen recht op schadevergoeding ex artikel 4.17 Invoeringswet Omgevingswet. Het gaat hier om het intrekken van een omgevingsvergunning op een grond die de vergunninghouder kan beïnvloeden. In de legesverordening van de gemeente is geregeld dat indien binnen zes maanden na verlening de vergunning wordt ingetrokken, en er geen gebruik van is gemaakt, een gedeelte wordt terugbetaald. Strafrechtelijk optreden De aanpak van strafrechtelijke handhaving is gebaseerd op landelijke uitgangspunten. In overleg met politie en OM wordt bezien hoe een en ander concreet invulling moet krijgen. Hieronder een aantal algemene uitgangspunten. 1.Bij een als zodanig gekwalificeerde overtreding wordt altijd proces-verbaal opgemaakt. Dit straftraject gaat lopen naast het bestuursrechtelijke traject, dat tot doel heeft de overtreding ongedaan te maken. 2.Bij een “gewone” overtreding vindt alleen bestuursrechtelijke handhaving plaats. 3.Ook voor de bouw- en ruimtelijke wet- en regelgeving kan aangegeven worden wanneer naar gemeentelijke opvatting sprake is van “gekwalificeerde” overtredingen. Er is sprake van een gekwalificeerde overtreding van de bouw- en ruimtelijke regelgeving wanneer wordt voldaan aan één of meer van de volgende criteria. Er is sprake van: •grote en/of onomkeerbare schade (bijvoorbeeld het slopen van monumenten zonder de vereiste vergunning of het vernietigen van waardevolle landschapselementen), en/of •grove nalatigheid (bijvoorbeeld het niet voldoen aan de gestelde eisen aan de constructie van een bouwwerk of het vroegtijdig in gebruik nemen van een gebouw, zonder dat de vereiste bouwtechnische of brandwerende voorzieningen zijn aangebracht), en/of •risico’s met betrekking tot de volksgezondheid (bijvoorbeeld het slopen van asbest zonder of in afwijking van een sloopvergunning), en/of •risico’s met betrekking tot de brandveiligheid, en/of •onmogelijkheid tot bestuursrechtelijk optreden, of dit is niet efficiënt (bijvoorbeeld wegens concreet zicht op legalisatie of de korte duur van de overtreding), en/of •herhaling (bestuursrechtelijke herhaling binnen 1 jaar en/of strafrechtelijke herhaling binnen 5 jaar). Bij bestuursrechtelijke recidive binnen een jaar, wordt direct de voorbereiding van een bestuursrechtelijke maatregel gestart. Aandachtspunt hierbij is dat een en ander wordt doorgesproken in overleg met de politie, bijvoorbeeld over het in beslag nemen van bouwmateriaal. Is sprake van zo’n overtreding, dan wordt gelijktijdig ook aangifte gedaan om ook een strafrechtelijke sanctionering mogelijk te maken. Strafrechtelijke handhaving is een bevoegdheid waarvoor de politie en het OM verantwoordelijk zijn. In tegenstelling tot bestuursrechtelijke handhaving is het doel hierbij niet om de overtreding ongedaan te maken, deze is louter punitief. Beide middelen kunnen tegelijkertijd worden ingezet. Bestuursrechtelijk handhaven wordt echter als leidend gezien, omdat daarmee de overtreding ongedaan gemaakt kan worden. Sinds 1 januari 2010 hebben gemeenten ook mogelijkheden om strafrechtelijke handhaving toe te passen. Hiervoor is de bestuurlijke strafbeschikking in het leven geroepen. Met de bestuurlijke strafbeschikking kan een Buitengewoon opsporingsambtenaar (Boa) een proces-verbaal opstellen. Deze bestuurlijke strafbeschikking kan ingezet worden tegen kleine overlastfeiten (mits opgenomen in een gemeentelijke verordening). De bestuurlijke strafbeschikking wordt op eenzelfde wijze afgehandeld als een proces-verbaal dat door de politie wordt opgesteld. Bestuurlijke strafsancties Sinds 1 juli 2009 is in de Algemene wet bestuursrecht een regeling opgenomen voor de bestuurlijke boete. Bij de Alcoholwet wordt eerst een waarschuwing gegeven en daarna een boete conform de bestuurlijke boete zoals opgenomen in de Alcoholwet als de overtreding niet wordt beëindigd of opnieuw begaan wordt. De enige uitzondering hierop is gelijk een voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt gestuurd en na de zienswijze termijn direct het besluit – de bestuurlijke boete – in het geval is geconstateerd door de politie of een bevoegde horecatoezichthouder dat in de inrichting aan minderjarigen alcohol wordt geschonken. In de uitvoeringsregels APV/ Alcoholwet is de sanctiestrategie opgenomen. Ook is er de mogelijkheid van de bestuurlijke strafbeschikking. De bestuurlijke strafbeschikking maakt deel uit van de Wet OM-afdoening en is dus, anders dan de bestuurlijke boete, onderdeel van het strafrecht. Het opleggen van een bestuurlijke strafbeschikking is veel minder arbeidsintensief dan de bestuurlijke boete. De boa die een bestuurlijke strafbeschikking uitvaardigt, gaat met zijn bon naar het gemeentehuis en voert daar zelf de gegevens en feitcode in het gemeentelijke systeem. Vervolgens stuurt hij dit door naar het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), dat voor de inning van de boete zorgt. Als de overtreder niet betaalt, geeft het CJIB (na aanmaning) de zaak in handen van de deurwaarder voor uitvoering van de strafbeschikking. Is de ‘bestrafte’ persoon het er niet mee eens, dan moet hij zelf in actie komen en verzet instellen bij het OM. Er is een lijst met feiten waarvoor boa’s van gemeenten, waterschappen en bestuursorganen uit het Transactiebesluit Milieudelicten (BTM) strafbeschikkingen kunnen uitvaardigen. Deze lijst is in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) [3] vastgelegd. Het CJIB effectueert de bestuurlijke strafbeschikking. De opbrengst gaat in zijn geheel naar de staatskas. [3] Bijlagen I en II van het Besluit OM-afdoening. Prioritering toepassen sanctiestrategie Er zijn grenzen aan het handhavend optreden van de gemeente. De juridische handhavingscapaciteit is namelijk beperkt. Bij het bepalen van de prioriteit waarmee de gemeente de juridische handhaving oppakt spelen de uitkomsten van de risicoanalyses een rol. Dit betekent dat de juridische handhavingscapaciteit in beginsel wordt ingezet op handhavingstaken die hoog in de risicoanalyse scoren en dat weinig tot geen capaciteit wordt ingezet op taken die lage prioriteit hebben. Desondanks kunnen zich ook bij de lage prioriteiten overtredingen voordoen waartegen direct sanctionerend dient te worden opgetreden. In aanvulling op de prioritering uit de risicoanalyse wordt de volgende prioriteitsstelling gehanteerd: 1.Spoedshalve bestuursdwang: direct optreden is vereist wegens acute veiligheids- of gezondheidsrisico’s, het gevaar van onomkeerbare schade aan belangrijke waarden of een combinatie van deze factoren; 2.Hoge prioriteit: snel optreden is noodzakelijk omdat de overtreding op kortere of langere termijn veiligheids- en gezondheidsrisico’s oplevert, de overtreding direct leidt tot ernstige aantasting van ruimtelijke kwaliteit, leefomgeving of milieuwaarden, of een combinatie van deze factoren; 3.Gemiddelde prioriteit: optreden is noodzakelijk omdat de overtreding direct of indirect leidt tot aantasting van ruimtelijke kwaliteit, leefomgeving of milieuwaarden; 4.Lage prioriteit: de overtreding leidt tot een geringe aantasting van ruimtelijke kwaliteit, leefomgeving of milieuwaarden, of een combinatie van deze factoren; 5.Geen prioriteit: de overtreding is in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar levert geen substantiële risico’s op, of slechts risico’s die de overtreder zelf kunnen treffen. In deze gevallen kan een kennisgeving volgen dat de overtreding is geconstateerd en zo nodig gewezen worden op de risico’s. De gemeente treedt in dit geval alleen op bij handhavingsverzoeken. Op basis van bovenstaande prioritering kan voor elke overtreding de prioriteit worden bepaald. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de inschatting van de risico’s in de concrete situatie altijd een subjectief element zal bevatten. Waar dat nodig is, wordt in het (voorgenomen) besluit de keuze verantwoord. Dit is vooral van belang bij relatief ondergeschikte overtredingen waarop een handhavingsverzoek is ingediend. Spoedshalve bestuursdwang heeft prioriteit ‘0’, omdat dit altijd voorrang heeft en boven de hoogste prioriteit uit komt. Handhavingsverzoeken Er geldt een beginselplicht tot handhaving. Toch moet ervoor worden gewaakt dat de gemeente al te zeer de handhaving laat beïnvloeden door klachten en handhavingsverzoeken. Uiteindelijk moet vooral de ernst van de overtreding de prioriteit bepalen. Elk schriftelijk[4] handhavingsverzoek wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb. Dat betekent dat zo’n verzoek alleen wordt gehonoreerd van een belanghebbende; iemand wiens belang rechtstreeks is betrokken bij de betreffende overtreding. Uitgangspunt is dat er altijd opvolging plaatsvindt bij een ontvankelijk handhavingsverzoek. De prioriteitstelling uit deze paragraaf is daarbij leidend. Een afwijzend besluit op een handhavingsverzoek, wordt extra goed gemotiveerd, en dan vooral de belangenafweging die daaraan ten grondslag ligt. De beginselplicht tot handhaving geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Het benoemen daarvan is wezenlijk. Het streven is om de aanvrager binnen acht weken nadat het verzoek is gedaan bericht te sturen of er daadwerkelijk sprake is van een overtreding. Te zijner tijd krijgt de aanvrager als derde-belanghebbende een (geanonimiseerde) kopie van het (ontwerp)besluit en/of het voornemen tot handhavend optreden toegestuurd. Als door de aard van de overtreding het onderzoek naar de legalisatie van de vermeende overtreding meer tijd in beslag neemt, wordt de beslistermijn opgeschort. Alle meldingen die niet als handhavingsverzoek zijn aangemerkt, krijgen dezelfde status als een signalering, zoals ook een controleur die kan doen. Zij worden afgehandeld in de volgorde die door de prioriteitenstelling wordt bepaald. Met het oog op de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer die op 1 januari 2025 in werking treedt, zal een proces ingericht moeten worden hoe en waarvoor we de elektronische weg vormgeven en openstellen. Prioriteitstelling De werklast op het gebied van handhaving is afhankelijk van de overtredingen in de gemeente. De capaciteit om overtredingen aan te pakken heeft echter grenzen. Daarom moet een afwegingskader voor prioriteitstelling worden gemaakt. De prioriteitstelling heeft tot doel om een rangorde aan te brengen in de werkvoorraad van controleurs en handhavingsjuristen. Hiervoor wordt gehanteerd de prioriteitenmatrix Handhaving Bouwen en APV (zie bijlage 5). [5] [5] De prioriteitstelling is vastgelegd in een checklist die in bijlage 5 is opgenomen.https://drop.overheid.nl/XmlEditor/Xopus?documentnummer=DROP-2026-504210&config=BEKENDMAKINGCOMPLEET&referer=HTTPS%3a%2f%2fDROP.OVERHEID.NL%2fDOSSIER%2fBEWERKEN%2fDOS-2026-529984%3fwasgoedgekeurd%3dFalse&loadInFrame=True#_ftnref3 Overtredingen door de eigen organisatie De handhaving van voor een andere overheid of een onderdeel van de eigen organisatie geldende voorschriften is voor de gemeente niet anders dan voor haar inwoners. Belangrijk hierbij is de democratische controle en transparantie, ook als er bestuurlijke en/of juridische complicaties ontstaan. Er wordt geen verschil gemaakt in prioriteitstelling en keuze in handhavingsinstrument. Wel brengt een dergelijke overtreding een tweetal extra procedurestappen met zich mee: •Wordt een overtreding door de gemeentelijke organisatie geconstateerd, dan wordt deze direct aan het management en/of het college van B&W voorgelegd. •Het management en/of het college van B&W zorgen ervoor, dat passende maatregelen worden genomen om de overtreding te beëindigen, deze in de toekomst te voorkomen en zo nodig de schade te herstellen. Afstemming tussen het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke spoor De keuze voor het instrumentarium bij constatering van een overtreding is gebaseerd op vijf uitgangspunten. 1. Onafhankelijkheid – sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhavingsinstanties. Handhaving vindt consequent en vasthoudend plaats op basis van de geldende wet- en regelgeving en voorliggende strategie. 2. Professionaliteit en vakmanschap – training, opleiding, kennis- en informatie uitwisseling. Toezichthouders wegen de ernst van de bevinding, het gedrag van de overtreders, de feiten en omstandigheden van de situatie. Zij bepalen vervolgens welke interventie in het specifieke geval passend is. Dit vereist professionaliteit, vakmanschap en uitwisseling van kennis en leerervaringen. 3. Betrouwbaarheid – beginselplicht tot handhaven en verantwoording afleggen. Handhavend optreden is zowel eerlijk tegenover overtreder uit het oogpunt van een ‘level playing field’, als tegenover de maatschappij die ervan uit mag gaan dat toezichthouders zodanig optreden dat haar rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft. 4. Eenvoud – een passende interventie bij iedere bevinding en hoe daartoe te komen. In vergelijkbare zaken worden vergelijkbare keuzes gemaakt. Een passende interventie leidt zo effectief en efficiënt mogelijk tot spoedig herstel van de situatie, waarborgt naleving, voorkomt herhaling en/of bestraft. 5. Gezamenlijkheid – overleg, afstemming, planmatig en informatie gestuurd gezamenlijk optreden. Informatie is voor goede risicoanalyses en het daarop gebaseerde uitvoeringsprogramma onontbeerlijk. Op basis van twee primaire variabelen bepaalt de toezichthouder met welk instrumentarium gehandhaafd wordt bij een geconstateerde overtreding: 1.de gevolgen van de bevinding voor het milieu, veiligheid, gezondheid en/of maatschappelijke relevantie:a. vrijwel nihil; ofb. beperkt; ofc. van belang - er is sprake van aanmerkelijk risico dat de bevinding maatschappelijke onrust geeft en/of doden of gewonden (mens en dier) tot gevolg heeft; ofd. aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar - onder andere het geval als de overtreding maatschappelijke onrust en/of doden of gewonden (mens en dier) tot gevolg heeft. 2.het gedrag van de overtreder (gedragsprofiel). Daarbij kijkt de toezichthouder verder dan de bevinding op zich en neemt hij diens gedrag en toezicht- en handhavingshistorie mee in beschouwing.a. goedwillend, doorgaans proactief en geneigd om de regels te volgen, de bevinding is het gevolg van onbedoeld handelen; ofb. neemt het niet zo nauw met het algemeen belang, heeft een onverschillige houding, de bevinding en de gevolgen van zijn handelen, laten hem koud; ofc. is opportunistisch en calculerend, er is sprake van het bewust belemmeren van controlerende instantie, er is sprake van mogelijkheid bewustzijn, maar de gevolgen van het handelen worden op de koop toe genomen, bewust risico nemend, recidive; ofd. is crimineel of maakt deel uit van een criminele organisatie, houdt zich bezig met fraude, oplichting of witwassen. Als de toezichthouder niet in staat is om het gedrag van de overtreder te typeren, bijvoorbeeld bij gebrek aan historische informatie, dan is typering a) (goedwillend) het uitgangspunt. Beide variabelen bepalen of alleen bestuursrechtelijk (lichte segmenten), alleen strafrechtelijk (donkere segmenten) of in een combinatie van beide (middensegmenten) wordt opgetreden. Onderstaande interventiematrix visualiseert dit. Door verzwarende of verzachtende argumenten kan een verschuiving van het instrumentarium plaatsvinden. Bij verzachtende argumenten wordt de in de interventiematrix gepositioneerde bevinding één segment naar links en vervolgens één segment naar onder verplaatst en andersom bij verzwarende argumenten. Stapeling van argumenten levert slechts één verschuiving horizontaal, verticaal of diagonaal op. In lijn met de landelijke handhavingsstrategie kunnen de volgende argumenten verzwarend werken: 1.De overtreder heeft door zijn handelen financieel voordeel behaald of het behalen van financieel voordeel was het doel. 2.De overtreder is een maatschappelijk aansprekende of bekende (rechts)persoon met een voorbeeldfunctie. 3.Een financiële sanctie heeft vermoedelijk geen effect. 4.De overtreder heeft ook andere relevante handelingen gepleegd ter verhulling van de feiten, zoals valsheid in geschrifte, corruptie of witwassen. 5.De overtreder werd ondersteund door een deskundige derde. 6.Het doel van de handhaving ligt bij het onder de aandacht brengen van het belang van een bepaalde norm bij de branche of een breder publiek (normbevestiging). 7.Strafrechtelijk optreden met toepassing van opsporingsbevoegdheden kan meer toereikend zijn om de waarheid boven tafel te brengen. In aanvulling op de landelijke handhavingsstrategie kunnen de volgende argumenten verzachtend zijn: 1.De overtreder heeft door zijn handelen al een ander (dan gesanctioneerd) financieel nadeel behaald. 2.De overtreder heeft al adequate maatregelen genomen om dergelijke voorvallen in de toekomst te voorkomen. 3.Volledige legalisatie van de handeling is een redelijke mogelijkheid. Overleg met het OM vindt in ieder geval plaats als een overtreding wordt geconstateerd in de middensegmenten (A4, B3, B4, C2, D1, D2), donkere segmenten (C3, C4, D3, D4) en/of een van de verzwarende argumenten is van toepassing. Na positionering van de overtreding in de interventiematrix, kan de bijbehorende interventie worden bepaald. In onderstaande versie van de interventiematrix is per situatie de eerste insteek voor sanctioneren opgenomen. De toezichthouder kiest voor de minst zware van de (in het betreffende segment van de interventiematrix) opgenomen interventies, tenzij de toezichthouder motiveert dat een andere interventie binnen het segment in de betreffende situatie passender is. De toezichthouder zet de betreffende interventie in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de toezichthouder bepaalde termijn uitblijft, pakt de toezichthouder direct door. Dit doet hij door middel van het inzetten van een zwaardere interventie uit hetzelfde segment van de interventiematrix, tenzij de toezichthouder motiveert dat een zwaardere interventie uit een ander segment van de interventiematrix (c.q. een interventie van een bovenliggende sport van de interventieladder) in de betreffende situatie passender is. Samenwerking bij het sanctioneren In onderstaande interventiematrix is opgenomen bij welke typen overtredingen afstemming plaatsvindt met partners die strafrechtelijke sancties kunnen opleggen. In situaties waarbij een andere overheid ná of vóór het college handhavingsbevoegd is, vindt afstemming plaats met de betreffende overheidsorganisatie. Sanctioneren en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Zoals hierboven al aangegeven, wordt er in beginsel capaciteit ingezet op handhavingstaken die een hoog veiligheids- of gezondheidsrisico hebben. Er zijn twee momenten waarop het bevoegd gezag een beoordeling moet doen, namelijk bij de informatieplicht en/of de gereedmelding waaruit strijdigheid met het Bbl blijkt. Daarnaast zijn er controlemomenten mogelijk waar de gemeente in een ‘verzoek om aanvulling’ om informatie kan vragen bij een initiatiefnemer, bijvoorbeeld als er ergens gebouwd wordt terwijl er geen bouwmelding is ontvangen. In onderstaande prioriteitenmatrix worden de voorgestelde handhavingsinstrumenten weergegeven die gebruikt kunnen worden bij de gegeven overtredingen. Let hierbij op de kanttekening dat de voorgestelde handhavingsinstrumenten een richtlijn zijn en dat ook hier de beleidsvrijheid bestaat om per casus te beoordelen wat het beste instrument is. Prioriteitenmatrix handhavingsinstrumenten Ingebruikname besluit Momenteel wordt er gewerkt aan een aanpassing in het Bbl om: “te regelen dat het bevoegd gezag, in het geval dat herstel van gebreken van een gebouw niet proportioneel is in relatie tot de doelen van de regels waaraan niet wordt voldaan, een besluit tot ingebruikname kan nemen als de verklaring van de kwaliteitsborger ontbreekt. Is herstel van de strijdigheid naar de mening van de initiatiefnemer niet mogelijk of disproportioneel, dan kan hij (gemotiveerd) verzoeken om gebruik toch toe te staan via een ingebruiknamebesluit.” [6]. Zodra de aanpassing van het Bbl en gevolgen bekend zijn, wordt het beleid, indien nodig, daarop aangepast. Er zijn uitvoeringsdilemma’s beschreven in de VNG-handreiking ‘Toezicht en handhaving Wet kwaliteitsborging bouw’ met handelingsperspectieven voor gemeenten bij het ingebruiknamebesluit. Als wij een dossier bevoegd gezag met punten ontvangen waarop geen verklaring van de kwaliteitsborger is afgegeven, wordt de casus beoordeeld door een bouwtoezichthouder en een handhavingsjurist. Hierbij houden wij rekening met de meest recente en relevante jurisprudentie, waaronder de in de VNG-handreiking genoemde jurisprudentie voor zover daar in latere rechtspraak niet vanaf is geweken. [6] https://www.internetconsultatie.nl/ingebruiknamebesluit_bbl/b1 4.6 Gedoogstrategie Gedogen is het bewust afzien van sancties in geval van overtredingen. Het is alleen toegestaan als het actief gebeurt en er moet een besluit van het college (gedoogbeschikking) aan ten grondslag liggen. Ten aanzien van het gedogen onderschrijft de gemeente het landelijk beleidskader op het gebied van het gedogen. [7] De essentiële onderdelen van het landelijk beleidskader gedogen zijn in onderstaande alinea’s uitgewerkt en aangevuld met eigen overwegingen. In deze strategie geldt het uitgangspunt dat gedogen geen alternatief is voor een goed handhavingsbeleid, maar dat het soms onontkoombaar is. In beginsel worden illegale situaties via toezicht en handhaving aangepakt en als dat niet mogelijk is, wordt een gedoogbesluit genomen. In voorkomende gevallen wordt een schriftelijke gedoogbeschikking afgegeven waaraan nadere voorwaarden kunnen zijn verbonden. De gedoogbeschikking is aan een termijn gebonden die niet langer is dan strikt genomen noodzakelijk. [7] ‘Grenzen aan gedogen’, Kabinetsstandpunt 1996 (TK 1996-1997, 25085) Situaties die mogelijk voor gedogen in aanmerking komen Bij de opmaak van het gedoogbeleid is gebleken dat het niet mogelijk is om op een zinvolle manier allerlei specifieke en concrete (bedrijfs)situaties te gaan omschrijven waarop het gedoogbeleid van toepassing kan zijn. Het belang is om vast te leggen langs welke lijn, op een met rechtswaarborgen omklede wijze, gedogen kan plaatsvinden. Uitgangspunt bij het gedogen is het uitzonderlijke karakter. Slechts in bepaalde gevallen mag er worden overgegaan tot gedogen. Gedogen is alleen mogelijk als wordt voldaan aan één of (bij voorkeur) meerdere van de volgende voorwaarden: 1.De te gedogen activiteit is verantwoord uit het oogpunt van bescherming van de fysieke leefomgeving. 2.Er bestaat concreet uitzicht op legalisatie van de te gedogen activiteit. 3.Als vooruitlopend op besluitvorming omtrent vergunningverlening wordt gedoogd, is een ontvankelijke vergunningaanvraag ingediend. 4.Als vooruitlopend op besluitvorming betreffende vergunningverlening wordt gedoogd, is een voorlopige inschatting gemaakt waaruit blijkt dat de te gedogen activiteit vergunbaar is. 5.Er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die gedogen in het concrete geval rechtvaardigen. In geval van overmacht zijn punt 2, 3 en 4 niet van toepassing. Situaties die van gedogen worden uitgesloten Er wordt niet tot gedogen overgegaan: •Als aan de zijde van de overtreder sprake is van recidiverend dan wel calculerend gedrag. •Als blijkt dat de te gedogen activiteit strijdig is met enige andere bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en het voor de handhaving van die regel bevoegde gezag kenbaar heeft gemaakt dat het met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tegen deze overtreding optreedt dan wel zal optreden. •Bij bouwen zonder of in afwijking van een vergunning, tenzij er sprake kan zijn van een tijdelijk bouwwerk. Voorkomen van onnodige (passieve) gedoogsituaties Passief gedogen van niet vergunde situaties mag niet voorkomen. In gevallen waarin naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van een lichte overtreding (volgens de interventiematrix in hoofdstuk 4.5.9 een overtreding in segment A1, A2 of B1), zal de overtreding schriftelijk worden gerapporteerd in het controlerapport en wordt de overtreder correctief geïnformeerd. Om het actieve gedogen tot een minimum te beperken, wordt het volgende in acht genomen: •In potentie lange handhavingstrajecten worden alleen aangegaan wanneer de niet vergunde handelingen afdoende gehandhaafd kunnen worden met de bestaande voorschriften. Zo niet, dan dient in geval van concreet zicht op legalisatie gekozen te worden voor een gedoogbeschikking met goed handhaafbare gedoogvoorschriften. •In controlebrieven wordt de datum aangegeven waarop de gedoogbeschikking afloopt. Samenwerking bij het gedogen Gedogen komt sporadisch voor. Afhankelijk van de situatie wordt dan samengewerkt met overige bestuursrechtelijke en strafrechtelijke partners, zoals de provincie, het OM en buurgemeenten. 5 Kwaliteit en organisatie In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe we de kwaliteit borgen, meten en organiseren. Daarnaast is weergegeven welke capaciteit en middelen er beschikbaar zijn. 5.1 Borging van kwaliteit De provincie houdt met haar Interbestuurlijk Toezicht (IBT) zicht op gemeenten of deze aan hun verplichtingen voldoen en of zij hun U&H-organisatie zo hebben ingericht, dat de taken in voldoende mate kunnen worden uitgevoerd. Door de vaststelling van de ‘Verordening kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving omgevingsrecht’ heeft de gemeenteraad vastgelegd hoe de kwaliteit is geborgd en dat zal worden voldaan aan de kwaliteitscriteria. De Kwaliteitscriteria (inmiddels versie 3.0) zijn hierbij een richtsnoer. Integraal en cyclisch ontwikkelen Om inhoud te geven aan de maatschappelijke opgaven én om de bedrijfsvoering te verbeteren wordt gebruik gemaakt van de Organisatie en Ontwikkel-cyclus. Deze cyclus ondersteunt een planmatige, cyclische aanpak in alle stadia van overheidsontwikkeling. Het breed inzetbare model zet initiatieven in een samenhangend, integraal kader. Het inzicht dat zo ontstaat verklaart eventuele knelpunten en brengt het actuele ontwikkelperspectief nauwgezet in beeld. Uitgangspunten zijn resultaatsturing, continu leren en ontwikkelen en een integrale aanpak. Onderdelen waar de Organisatie- en Ontwikkelcyclus op kan worden toegepast zijn: beleid en strategie, management, medewerkers, financiën en middelen, informatie en processen. Hieronder enkele voorbeelden van waar de komende periode vanuit het verbeterplan aan wordt gewerkt op deze onderdelen. Beleid en strategie •Uitwerken van gemeentelijke ambities (visie) in concrete prioriteiten en doelstellingen voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving in één integrale U&H-strategie. Dit is het voorliggende document. Management •Vasthouden, communiceren en inbedden (richting bestuur en medewerkers) van doelstellingen uit beleid en strategie. •Afstemmen van prioriteiten en werkwijzen van vergunningverlening enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds, zodat aandacht bij dezelfde aspecten ligt. •Verantwoorden van realisatie doelstellingen uit beleid en strategie in een jaarverslag. Medewerkers •Functiescheiding conform Kwaliteitseisen op:○ persoonsniveau tussen vergunningverlener en toezichthouder.○ persoonsniveau tussen toezichthouder tijdens de bouwfase (met het accent op bouwen) en toezichthouder voor de bestaande bouw (met het accent op brandveiligheid en/of milieu).○ persoonsniveau tussen vergunningverlener, toezichthouder en handhaver enerzijds en de realisatie van (gemeentelijke) initiatieven anderzijds.○ objectniveau voor toetsing en toezicht door specialismen. •Uitwerken van een (per nieuwe medewerker of medewerker met nieuwe functie) op maat gemaakt inwerktraject. •Bespreken en kennisdeling van complexe situaties tussen medewerkers. •Zorgen voor permanente kennisontwikkeling en scholing. Financiën (middelen) •Vertalen van beleid en strategie in jaarlijks uitvoeringsprogramma met een concrete uitwerking van in te zetten instrumenten en de hiervoor benodigde intensiteit (uren/ euro’s). •Behouden en reserveren van voldoende (financiële en personele) ruimte voor uitvoering van ad hoc werkzaamheden, in casu 20%. •Borging benodigde middelen in de begroting voor de uitvoering van het uitvoeringsprogramma, inclusief bereikbaarheid en beschikbaarheid buiten kantoortijden, bijvoorbeeld middels regionale crisisorganisatie. •Verzorgen van de automatisering, materiaal en materieel om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Informatie •Registreren van zaak- en procesgegevens in één registratiesysteem, gebaseerd op de strategieën en werkprocessen. •Registreren en archiveren van documenten in één registratiesysteem. •Registreren van gegevens van objecten in één registratiesysteem met gebruik van authentieke gegevens uit basisregistraties. •Uitwisselen van relevante gegevens tussen zaak- en procesregistratie, documentregistratie en objectregistratie. Processen •Bijhouden van uitgewerkte procesbeschrijvingen, protocollen en werkinstructies. •Registreren per aanvraag welke medewerkers/afdelingen de aanvraag hebben gezien en beoordeeld. •Gebruiken van vastgestelde checklists bij uitvoering van toetsing (toetsingsprotocol) en toezicht (toezichtprotocol) met voor het initiatief risicovolle onderwerpen. •Gebruik van standaard briefsjablonen die juridisch en communicatief zijn getoetst. •Gebruik van projectdossiers die zijn opgebouwd volgens de eisen van het archief. •Vastleggen van bereikbaarheids- en beschikbaarheidsregeling buiten kantoortijden. •Inbedding in werkprocessen van vier ogen principe: toets door collega van alle besluiten en niet gestandaardiseerde brieven. 5.2 Kwaliteitsmeting Kwaliteitsmeting vindt periodiek plaats op de volgende wijzen, momenten en intensiteit: •Beleidsevaluatie en jaarlijkse verslaglegging over de kwaliteit van de uitvoerings- en handhavingstaken (realisatie van doelstellingen uit beleid) en de wijze waarop met verbeterpunten uit voorgaande verslagen is omgegaan. •Continu monitoren van de mate waarin termijnen worden overschreden. •Jaarlijkse steekproefsgewijze toets (audit) vanuit de praktijk van de resultaten van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving: de wijze waarop gegevens uit zaken/processen zijn geregistreerd, documenten zijn opgebouwd en gearchiveerd. •Bij bezwaar- en beroepsprocedures, waarbij vakinhoudelijke en procedureel / juridische aspecten getoetst worden en verbeterpunten kunnen worden benoemd. •Bij doorlopen klachtenprocedure, waarbij verbeterpunten voor de organisatie worden aangereikt. •Jaarlijkse controle op rechtmatigheid door de accountant. •Jaarlijkse controle van de interbestuurlijk toezichthouder (provincie). 5.3 Capaciteit en middelen Op dit moment bestaat de vakgroep Omgevingsvergunningen uit ca. 8 fte. Hiervan zijn 4 vaste medewerkers en 4 externe medewerkers (flexibele schil)[8]. Voor de activiteiten en het personeel voor de vakgroep Omgevingsvergunningen is een bedrag van € 670.000,- berekend. De gedachte achter het werken met een mix van vast en flexibel personeel is dat de capaciteit kan meebewegen met de caseload. De kosten worden gedekt door legesopbrengsten, die samenhangen met de caseload. In de praktijk is er al jaren een vrij stabiele inzet van in totaal 8 fte nodig. De vakgroep Vergunningen APV en BW bestaat uit ca. 4,75 fte, inclusief een jurist APV. Dit zijn 4 vaste medewerkers en 1 externe medewerker (vervanging ziekte)[9]. Voor de activiteiten en het personeel voor de vakgroep APV vergunningen is een bedrag van € 495.000,- berekend. Op dit moment bestaat de vakgroep toezicht en handhaving RO uit ca. 5 fte, inclusief een jurist Omgevingsrecht. Dit zijn 4 vaste medewerkers en 1 externe medewerker (vacatureruimte)[10]. Voor de activiteiten en het personeel voor de vakgroep toezicht en handhaving RO is een bedrag van € 470.000,- berekend. Daarnaast zijn de uitvoeringskosten voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid lumpsumcirca € 820.000,-. De gemeentelijke bijdrage voor de Veiligheidsregio ZHZ is € 4.873.506,-. Hierin is geen differentiëring van de kosten opgenomen. De genoemde uitvoeringskosten[11] van de omgevingsdienst en de veiligheidsregio kunnen aan verandering onderhevig zijn. De VTH-organisatie kent al jaren een hoge werkdruk. De in deze strategie beschreven ambities/doelen en prioriteiten worden in beginsel zo veel mogelijk uitgevoerd binnen het beschikbare budget. Indien blijkt dat meer middelen nodig zijn, dan wordt dit via de reguliere begrotingscyclus aangekaart. [8] Peildatum: januari 2026 [9] Peildatum: januari 2026 [10] Peildatum: januari 2026 [11] Peildatum: januari 2026 5.4 Organisatie Vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt uitgevoerd door de vakgroepen Omgevingsvergunningen, Vergunningen APV en BW, Toezicht en Handhaving RO van het team RO, APV en BW. En door de vakgroep Boa’s van het team Openbare orde en Veiligheid. Alle toezichthouders zijn door het college van burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen, waarbij ook hun taken en bevoegdheden zijn vastgelegd. Voor alle medewerkers is de toepasselijke functiebeschrijving opgenomen in het functieboek. In de mandaatregeling is verder geregeld welke zaken door het college aan de teams zijn gemandateerd. De teams worden ondersteund door administratief medewerkers en aangestuurd door een teammanager. Daarnaast is er nog de functie van beleidsadviseur RO, organisatorisch geplaatst bij de vakgroep planadviseurs. Vergunningverleners Omgevingswet De vergunningverlener Omgevingswet behandelt meldingen en aanvragen die worden ingediend voor het krijgen van een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning kan betrekking hebben op bouwen, gebruik, monumenten, aanleggen, slopen, kappen of een combinatie van activiteiten. Ook overleg met aanvragers over bouw- en gebruiksmogelijkheden en afstemming met adviseurs en commissies horen bij de werkzaamheden. Vergunningverleners APV en bijzondere wetten De vergunningverlener APV en bijzondere wetten behandelt meldingen en aanvragen die worden ingediend in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening, Alcoholwet, Wet op de kansspelen of andere bijzondere wetten. Dit kan betrekking hebben op een horecavergunning, een evenementenvergunning, aanwezigheidsvergunning en dergelijke. Ook het toepassen van de Wet Bibob hoort bij de werkzaamheden. Aanvragen worden voor advies voorgelegd aan adviseurs. Jurist Omgevingsrecht en Jurist APV De juristen zetten zich in op het voorkomen van lange juridische procedures. Veel aandacht gaat hierbij uit naar het adviseren en ondersteunen van de vergunningverleners. Zij behandelen formele bezwaren en/of doorlopen de (hoger) beroepsprocedure. Het gaat hierbij om het verdedigen van de gemeente in rechte bij vergunningen waartegen bezwaar/(hoger) beroep is ingesteld. Beleidsmedewerker RO De functie is vacant. Hier wordt nu op ingehuurd voor het opstellen van deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie met uitvoeringsprogramma. Toezichthouders bouw en brandveiligheid De toezichthouder bouw houdt toezicht op de naleving van regelgeving bij verleende omgevingsvergunningen en bij illegaal bouwen en gebruik. Dit doet hij door het uitvoeren van controles in het kader van bouw- en woningtoezicht. Waar nodig verstrekt hij (on)gevraagd advies aan burgers en bedrijven. Bij illegale bouw (in afwijking van of zonder vergunning) treedt hij handhavend op. Waar mogelijk en als de situatie dit toelaat, treedt hijzelf corrigerend op. In andere gevallen betrekt hij de juridische medewerker handhaving om een handhavingstraject te starten. Constructeur De constructeur is verantwoordelijk voor het maken of controleren van een ontwerp en de berekeningen voor bouwkundige constructies. Het is aan hem/haar de taak om te bepalen hoe de constructies moeten worden toegepast. Zodra er fouten worden gemaakt in de berekeningen kunnen de gevolgen desastreus zijn tijdens de uitvoeringsfase. Het maken van een constructieberekening is een verplicht onderdeel voor elke vergunningaanvraag. De gemeentelijke constructeur toetst de veiligheid en conformiteit van een object dat wordt (ver)gebouwd aan de hand van de constructieberekening. Juridisch adviseurs handhaving De eerste acties voor een juridisch adviseur is het voorkomen van lange juridische procedures. Veel aandacht gaat hierbij uit naar het beëindigen van de overtreding door overleg, het onderzoeken van legalisatiemogelijkheden en het samenbrengen van partijen door mediation. Als dat niet leidt tot beëindiging van de overtreding, wordt het formele traject ingezet. De medewerker zorgt voor een goed onderbouwd besluit om een bouwstop, last onder dwangsom of bestuursdwang op te leggen. Ook behandelen zij de formele bezwaren en/of doorlopen de (hoger) beroepsprocedure. Het gaat hierbij om het verdedigen van de gemeente in rechte bij handhavingsbesluiten of omgevingsvergunningen waartegen bezwaar/(hoger) beroep is ingesteld. Buitengewoon opsporingsambtenaren De handhaver (Boa) speelt een steeds grotere rol van betekenis in de aanpak van veelvoorkomende ergernissen en overlast. Enerzijds omdat de politie zich steeds meer tot haar kerntaken beperkt en anderzijds doordat het bestuur behoefte heeft om de leefbaarheid te bevorderen en zogenaamde kleine ergernissen aan te pakken. Zij hebben hiervoor bevoegdheden vanuit het straf- en bestuursrecht. Samen met de politie hebben Boa's de opdracht de veiligheid en leefbaarheid van wijken en buurten te bewaken. Binnen dit brede palet ligt een belangrijke focus op het contact met inwoners. Vanuit hun bevoegdheden treden ze op tegen: -parkeren (hinderlijk of fout parkeren, parkeergedrag rondom scholen, wrakken, caravans); -overlast van dieren (loslopende honden, hondenpoep); -belemmeringen van de weg (containers, uitstallingen, aanhangers, overhangend groen); -zwerfafval; -vuurwerk; -overlast van jeugd; -overlast gevende personen; -overtredingen rijdend klein verkeer; -illegale bomenkap. En vindt plaats: -handhaving openbare orde; -aanpak ondermijning. Bijlage 1: Wettelijke en beleidsmatige kaders Bij de uitvoering van gemeentelijke VTH taken vormen landelijke wetten en provinciale, regionale en lokale (beleids)documenten belangrijke kaders. In deze bijlage is hiervan een overzicht opgenomen (niet uitputtend). Bijlage 2: Omgevingsanalyse In deze bijlage komen vier onderwerpen aan bod, die nader staan omschreven in hoofdstuk 3. -analyse van inzichten; -risicoanalyse; -analyse van problemen; -doelen. 2.1 Analyse van inzichten Deze analyse van inzichten van vergunningen is onderdeel van de omgevingsanalyse. De analyse geeft inzicht in het aantal te verwachten vooroverleggen, meldingen, vergunningaanvragen, bezwaar/beroep en hoger beroep. De analyse van inzichten is gebaseerd op de beschikbare gegevens van de afgelopen jaren. Er wordt een verwacht aantal voor de komende beleidsperiode gegeven en, indien nodig, toegelicht wat dit voor de organisatie betekent. De verwachting is dat de aantallen van voorgaande jaren representatief zijn voor de komende beleidsperiode en min of meer stabiel zullen blijven. Er zijn een paar uitzonderingen die hieronder worden toegelicht. Intake- en omgevingstafel We zien een toename in het aantal behandelingen aan de intaketafel, wat logisch aangezien de intaketafel, samen met de omgevingstafel, onder de Omgevingswet een nieuw instrument is om complexe initiatieven breed integraal te bespreken. Het aantal voor de komende jaren zal naar verwachting ook rond de 30 liggen. Nu gaat niet ieder initiatief door naar de omgevingstafel, maar er is wel een te verwachten toename naar zo’n 7 of 8 zaken per jaar afgaande op de intaketafel-zaken die vanuit 2025 zullen doorschuiven naar de omgevingstafel in 2026. Geluidsontheffingen Dit betreft voornamelijk het werk aan het spoor in de nachturen. Omdat vanaf 2025 de ontheffingen per specifieke datum worden geregistreerd en niet meer per ontheffing over meerdere data, is het niet zozeer een toename in het aantal ontheffingen, maar eerder een registratieve. De analyse van inzichten geeft geen aanleiding om specifieke doelen op te stellen. Ontbrekende gegevens Van niet alle producten zijn de aantallen bekend. Dit komt doordat het zaaksysteem daar onvoldoende in ondersteunde, vertrokken medewerkers handmatig lijstjes bijhielden en sturing ontbrak op dit specifieke onderdeel. Vanaf begin 2026 wordt dit echter actief bijgehouden. 2.2 Risicoanalyse *) Gewogen effecten / Toelichting 1 = Veiligheid & Gezondheid 2 = Leefbaarheid 3 = Ruimtelijke kwaliteit & Cultuurhistorie 4 = Bestuurlijk imago 5 = Duurzaamheid Toelichting: Wij hebben hierbij de volgende negatieve effecten onderscheiden welke in willekeurige volgorde zijn benoemd: •Veiligheid & Gezondheid: Fysiek letsel (doden/gewonden) dat direct ontstaat & eventuele schade aan de gezondheid van de mens. •Leefbaarheid: De beleving van bewoners als het gaat om het gevoel van onveiligheid en eventuele verloedering. •Ruimtelijke Kwaliteit & Cultuurhistorie: De kwaliteit van de fysieke leefomgeving en (cultureel) erfgoed. •Bestuurlijk(imago): Imagoschade van een eventuele calamiteit of het in stand houden van een illegale situatie. Ontstaan van een afbreuk aan de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en de integriteit van het gemeentebestuur. •Financieel/economisch: Schade voor (door) de gemeente (te vergoeden) als gevolg van de calamiteit. •Duurzaamheid: Afbreuk en schade aan de kwaliteit van het leefmilieu (milieuvervuiling) als gevolg van een verstoring/calamiteit). Scorebepaling Aan de hand van de weging is per activiteit een ‘Risicoscore’ bepaald. Deze risicoscore geeft per activiteit aan of het negatieve effect ‘Groot’, ‘Gemiddeld’ of ‘Klein’ is. Vervolgens is afgewogen wat de kans is op een overtreding op het moment dat wij onze U&H-taken niet zouden uitvoeren. Ook hiervoor is per activiteit een afweging gemaakt of deze ‘Groot’, ‘Gemiddeld’ of ‘Klein’ is. De afweging van het negatieve effect maal de kans heeft uiteindelijk geleid tot een ‘prioriteit’ van ‘Zeer Hoog’, ‘Hoog’, ‘Gemiddeld’, ‘Laag’ of ‘Zeer Laag’ (zie onderstaande). Belangrijk om hierbij op te merken is dat gevolgklasse 1 alleen voor nieuwbouw geldt en nu nog niet bekend is wanneer dat ook voor verbouw zal gelden. Gevolgklassen 2 en 3 zullen pas ingevoerd worden na grondige evaluatie. •Gevolgklasse 1: de persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan zijn beperkt. In deze gevolgklasse vallen o.a. woningen, eenvoudige bedrijfsgebouwen, vakantiehuisjes. •Gevolgklasse 2: reële kans op persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Hierbij valt te denken aan bibliotheken, gemeentehuizen, onderwijsgebouwen en woongebouwen tot 70 meter hoogte. •Gevolgklasse 3: kans op aanzienlijke persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Hieronder kunnen vallen bouwwerken zoals metrostations, voetbalstadions, ziekenhuizen en gebouwen hoger dan 70 meter. 2.3 Analyse van problemen Verkenning We hebben breed disciplinair gekeken naar de problemen die in het werk worden ervaren. Na inventarisatie van de problemen is het management gevraagd hier een keuze in te maken en is deze keuze besproken met de betrokken portefeuillehouders. De vijf problemen die verder worden verkend zijn: 1.Borgen van actueel beleid; 2.Duidelijke afspraken met externe (keten)partners; 3.Helderheid over de inzet van RO bij ondermijning/integrale controles; 4.Heldere taakverdeling bij Bibob-toetsing; 5.Omgaan met illegaal innemen van gemeentegrond. Toelichting problemen Hieronder wordt per probleem een toelichting gegeven en worden de consequenties en risico’s in kaart gebracht. Probleem 1: borgen van actueel beleid Probleemduiding: Er wordt een duidelijk overzicht van het bestaande en in ontwikkeling zijnde beleid gemist. Er is geconstateerd dat niet alles dat op de gemeentelijke website en op overheid.nl staat actueel is. Gevolgen: Bij een incomplete beleidsbank kan het voor aanvragers, (keten)partners of medewerkers onduidelijk zijn wat het beleid is voor een specifiek vraagstuk, wanneer dat beleid niet vindbaar is. Procedures duren langer om dit toch bij afdelingen te achterhalen. Mogelijke gevolgen: -Kwaliteit van dienstverlening: informatie en doorlooptijd -Kwaliteit van besluiten: kans op missen van informatie Probleem 2: duidelijke afspraken met externe (keten)partners Probleemduiding: Medewerkers weten niet altijd welke externe (keten)partners zij kunnen inzetten bij de uitvoering van taken of kunnen raadplegen voor advisering. Dit geldt voornamelijk bij afwijkende situaties of niet-alledaagse vraagstukken. Voor de reguliere processen zijn de routes over het algemeen bekend. Bij specifieke vakkennis is niet altijd bekend of daar afspraken over zijn vastgelegd en tot wie zij zich kunnen richten met vragen aan de (keten)partner. Gevolgen: Bij niet-alledaagse vraagstukken kan een gevolg zijn dat de aanvrager te maken krijgt met een langere doorlooptijd, omdat gezocht wordt naar het juiste advies. Voor medewerkers kan het kan leiden tot een hogere werkdruk als zaken meer tijd vragen om compleet te krijgen. Mogelijke gevolgen: -Kwaliteit van dienstverlening: doorlooptijd -Werkdruk voor de organisatie Probleem 3: helderheid over de inzet van RO bij ondermijning/ integrale controles Probleemduiding: Toezicht en handhavingstaken vanuit de gemeente kunnen zowel door RO, OOV en Realisatie worden verricht. In sommige gevallen trekken de disciplines samen op (zie ook paragraaf 4.4 over toezichtstrategieën). Een voorbeeld is gezamenlijke inzet bij integrale controles op ondermijning. De medewerkers missen duidelijke afspraken over de inzet: wie heeft welke rol voor, tijdens en na de controles, hoeveel capaciteit is daarvoor nodig en hoe verwerken we dit in onze planning. Gevolgen: De planning van het eigen uitvoeringsprogramma komt onder druk te staan. Dit geldt uiteraard over een weer bij hulpverzoeken aan elkaar. Waardoor andere afspraken in de programma’s onder druk komen te staan. Mogelijke gevolgen: -Werkdruk voor de organisatie -Afspraken over de eigen uitvoeringsprogramma’s worden niet volledig gerealiseerd Probleem 4: heldere taakverdeling bij Bibob-toetsing Probleemduiding: De rol van Bibob coördinator is belegd. Bij vergunningverlening RO is soms nog onduidelijk wie wat doet in de taakverdeling tussen vergunningverleners en de coördinator en/ of jurist bij de toetsing. Bij twijfel over de uitkomsten van de toets wordt wel altijd met de coördinator geschakeld. Nog niet alle vergunningverleners zijn bekend met de richtlijnen en procesbeschrijving of hebben een cursus gevolgd. Bij vergunningverlening APV is dit proces al wel doorlopen. Wat betreft de wens van de gemeente om het Bibob beleid te actualiseren, is een knelpunt dat de gemeente in afwachting is van de regionaal belegde voorbereiding. Gevolgen: Door onduidelijkheid kan het proces vertraging oplopen. Voor een Bibob onderzoek gelden ook vastgestelde termijnen voor doorlooptijden die gehaald moeten worden.Mogelijke gevolgen: -Kwaliteit van dienstverlening: doorlooptijd Probleem 5: omgaan met het illegaal innemen van gemeentegrond Probleemduiding: Zowel inwoners als bedrijven betrekken gemeentegrond bij hun perceel of benutten dit voor hun activiteiten. Dit gebeurt zowel in woonwijken als op bedrijventerreinen. Er is momenteel geen duidelijk handelingskader voor de gemeente hoe hier mee om te gaan: wanneer optreden en met welke inzet van maatregelen (en capaciteit)? Gevolgen: Gronden worden anders gebruikt dan het omgevingsplan voorschrijft of worden bebouwd terwijl dat niet is toegestaan. Soms liggen nutsvoorzieningen (kabels en leidingen) op de toegeëigende gronden. Beheer komt daardoor in de knel en er kunnen risico’s ontstaan door gebrek aan onderhoud. Er ontstaan ongelijke situaties tussen inwoners/ ondernemers ten faveure van de bewoners/ondernemers die grond hebben ingenomen. Ook bij de toetsing voor vergunningverlening ontstaat een onduidelijke en mogelijk illegale/onwenselijke situatie als wordt gekeken naar de perceelsgrootte (ook voor het vergunningsvrije bouwen). Mogelijke gevolgen: -Fysieke veiligheid -Financiële schade -Juridische ongelijkheid 2.4 Doelen Voor het aanpakken van de vijf beschreven problemen zijn de volgende doelstellingen benoemd: Probleem 1: borgen van actueel beleid Doelstelling 1.a: We stellen een actueel beleidsregister op voor beleid dat deuitvoering en handhaving raakt en dat actief wordt bijgehouden. Doelstelling 1.b: Op de eigen en landelijke website staat actueel beleid. Doelstelling 1.c: Na bestuurlijke prioritering wordt een top 3 van verouderd beleidgeactualiseerd. Probleem 2: duidelijke afspraken met externe (keten)partners Doelstelling 2: Alle afspraken die er zijn met externe (keten)partners maken we inzichtelijk en zijn voor iedereen helder. Probleem 3: helderheid over de inzet van RO bij ondermijning/ integrale controles Doelstelling 3: De inzet vanuit RO bij integrale controles (ondermijning) is helder,concreet en geborgd in ons uitvoeringsprogramma. Probleem 4: heldere taakverdeling bij Bibob-toetsing Doelstelling 4: We zorgen voor duidelijke afspraken over Bibob-toetsing, beleggen detaken bij de juiste personen en borgen de kwaliteit hiervan. Probleem 5: omgaan met illegaal innemen van gemeentegrond Doelstelling 5.a: In kaart brengen van alle illegale inname van gemeentegrond. Doelstelling 5.b: Aanpak opstellen waarmee aan de hand van criteria kan worden beoordeeld welke ingenomen grond zou moeten worden teruggevorderd/ teruggebracht in de oude staat en welke aanpak daarvoor passend is. Hieronder is een gedetailleerdere omschrijving van de doelstellingen weergegeven. Hier staan de stappen om te komen tot realisatie met daarbij de benodigde functionarissen en capaciteit in uren. Doelstelling 1.a: We stellen een actueel beleidsregister op voor beleid dat de uitvoering en handhaving raakt en dat actief wordt bijgehouden Q2 2026 MTRO legt de verantwoordelijkheid bij een functie neer -Memo met plan van aanpak schrijven (beleidsmedewerker 8 uur) -MTRO stelt vast (1 uur maal 4 managers) en wijst een functie aan Q3 2026-Q4 2026 Opzetten van een actueel register -Inventariseren welk beleid, wanneer vastgesteld, nog relevant? Wat oud is vervalt, wat mist wordt toegevoegd (aangewezen functie 60 uur) -Vorm van het register bepalen en inrichten (aangewezen functie 20 uur) Q1 2027 Optimaliseren (in afstemming met gebruikers) en aanpassen van register -Optimaliseren van register (toevoeging beleid andere teams?) en agenda voor beleidsontwikkeling en vaststelling toevoegen (aangewezen functie 40 uur) -Wanneer voltooid kenbaar maken binnen de teams (tijdens reguliere overleggen) -Kenbaar maken op intranet (aangewezen functie en communicatie, 2 uur) Q1 2027-Q4 2029 Bijhouden van het register -Nieuwe ontwikkelingen worden verwerkt en waar nodig gecommuniceerd aan de teams (aangewezen functie 6 uur p/m) Doelstelling 1.b: Op de eigen en landelijke website staat actueel beleid Q1 2027 MT RO legt de verantwoordelijkheid bij een functie neer -Memo schrijven (beleidsmedewerker 8 uur) -MTRO stelt vast (1 uur maal 4 managers) en wijst een functie aan Actuele beleidsregister vergelijken met de info op de websites -In kaart brengen en registreren wat afwijkt/ mist/ niet meer relevant is (aangewezen functie 36 uur) Q2 2027 Aanpassing eigen website -Nieuw beleid op de gemeentelijke websites plaatsen (aangewezen functie en medewerker communicatie 20 uur) -Verouderd beleid verwijderen (aangewezen functie en medewerker communicatie 12 uur) Aanpassing overheid.nl -Nieuw beleid op overheid.nl plaatsen (aangewezen functie en een jurist (JZ) 20 uur) -Verouderde beleid verwijderen (aangewezen functie en jurist (JZ) 12 uur) Doelstelling 1.c: Na bestuurlijke prioritering wordt een top 3 van verouderd beleid geactualiseerd Q1 2027 Na actualisatie beleidsregister wordt een inventarisatie gemaakt van verouderd dan wel ontbrekend beleid dat U en H raakt -Beleidsmedewerkers Uitvoering en Handhaving (16 uur) Ambtelijke weging (top 10 selecteren) -Organiseren sessie (2 beleidsmedewerkers, 12 personen (juristen, vergunningverleners, toezichthouders) – 4 uur) -Opstellen impactanalyse (12 uur 2 beleidsmedewerkers) Q2 2027 MTRO weging (top 3 advies opstellen) -Memo schrijven (beleidsmedewerker 8 uur) -MTRO stelt advies voor een top 3 samen (1 uur maal 4 managers) -Uitwerking door betreffende beleidsmedewerkers (2 uur) Bestuurlijke prioritering (top 3 vaststellen) -Voorbereiden sessie en informeren portefeuillehouders middels impactanalyse (2 uur 2 beleidsmedewerkers) -Sessie met de portefeuillehouders (2 beleidsmedewerkers, managers, portefeuillehouders: sessie zelf 1,5 uur) Q3 2027-Q2 2029 Actualiseren van het geprioriteerde beleid -Pm (Omdat nu nog niet te voorzien is om welk beleid het gaat, hoe omvangrijk het is en bij welk team dit hoort, kan dit nog niet worden uitgewerkt. Na de bestuurlijke prioritering wordt dit nader uitgewerkt). Doelstelling 2: Alle afspraken die er zijn met externe (keten)partners maken we inzichtelijk en zijn voor iedereen helder Q2 2026 MTRO legt de verantwoordelijkheid bij een functie neer (1 uur) Q2 2026 Inventariseren en categoriseren van gemaakte afspraken (aangewezen functie 40 uur, inkoop 2 uur, controller 2 uur) Q3 2026 Er wordt een afsprakenregister opgesteld waarin het volgende is opgenomen: -Met welke partij hebben we een afspraak? -Wat behelst die afspraak? -Wat betekent dat inhoudelijk? -Welke contactpersonen zijn hierbij aangehaakt? -Hoe zijn de afspraken geregeld (contract, overeenkomst, anderszins)? -Wie is verantwoordelijk en aanspreekpunt voor de afspraak? -Tot wanneer loopt de gemaakte afspraak? (Aangewezen functie 28 uur, manager RO 2 uur, inkoop 4 uur, controller 2 uur) Q3 2026 Communiceren/delen van gemaakte afspraken in teamoverleg en wijzen op afsprakenregister (aangewezen functie en manager 1 uur) Q4 2026 Gemaakte afspraken worden bijgehouden. Wijzigingen worden gecommuniceerd binnen de teams. Aflopende contracten, overeenkomsten, nieuwe afspraken worden tijdig opgepakt en afgehandeld (aangewezen functie 1 uur p/w) Doelstelling 3: De inzet vanuit RO bij integrale controles (ondermijning) is helder, concreet en geborgd in ons uitvoeringsprogramma Q2 2026 MTRO legt de verantwoordelijkheid bij een functie neer (1 uur) Q2 2026 Inzichtelijk maken welke afspraken er nu liggen, waar knelpunten/onduidelijkheden zitten en deze voorleggen aan het management (aangewezen functie 6 uur, medewerker OOV 2 uur, managers RO en APV 4 uur, MT 1 uur) Afspraken worden aangescherpt en helder gecommuniceerd binnen de teams (Aangewezen functie 6 uur, medewerker OOV 2 uur, managers RO en APV 3 uur) Q3/Q4 2026 en Q1/Q2 2027 Inzet wordt gemonitord. Er wordt actief bijgehouden hoeveel tijd we kwijt zijn aan: -Voorbereiding op integrale controle (bureauonderzoek) -De daadwerkelijke controle op locatie -De afhandeling na controle (aangewezen functie 2 uur p/w) -Input ophalen voor jaarverslag (beleidsmedewerker 8 uur) -Inzet in relatie tot werkelijke capaciteit wordt besproken met MTRO (aangewezen functie en MTRO 2 uur) Q3 2027 Afstemming RO en OOV voor de uitvoeringsprogramma’s. Evaluatie van de inzet. (aangewezen functie 8 uur, medewerker OOV 8 uur, beleidsmedewerker 8 uur, managers RO en APV 4 uur) Doelstelling 4: We zorgen voor duidelijke afspraken bij Bibob-toetsing, beleggen de taken bij de juiste personen en borgen de kwaliteit hiervan Q2 2026 -De functiewaarderingscommissie stelt de functieprofielen vast waarin de taken inzake Bibob-toetsing duidelijk wordt gemaakt. MTRO bespreekt deze met betrokken medewerkers (P&O 16 uur, manager RO 20 uur, medewerkers vergunningen 4 uur, juristen en juridisch adviseurs 4 uur) -Waar nodig actualiseren van beschrijving werkproces Bibob (Bibob coördinator, manager RO 3 uur) -Beschrijving werkproces en richtlijnen delen met betrokken collega’s (in reguliere overleggen) Q3 2026 -Update stand van zaken regionaal belegd proces voor actualisatie van het Bibob beleid aan MTRO. Inclusief voorleggen consequenties in inhoud en proces. (aangewezen functie 12 uur) Indien ontwikkelingen in het proces dit mogelijk maken, kan dit punt ook eerder plaatsvinden. Dit is nu niet bekend. -Indien mogelijk (zie voorbehoud bij vorige punt): lokale aandachtspunten ophalen en verwerken voor de actualisatie van het Bibob beleid (Bibob coördinator 12 uur) -Onderzoek scholing en kosten incompany training Bibob in beeld brengen (aangewezen functie 4 uur) -Voorleggen aan MTRO en keuze of voldoet/ voldoet met aanpassing (MTRO 1 uur) -Training plannen (2 uur) Q4 2026 -Scholing voor betrokken medewerkers (pm) Q1/ Q2 2027 Delen van de aangepaste beleidslijn binnen de teams (aangewezen medewerker 1 uur, manager RO 1 uur) Indien de regionale voorbereiding en lokale besluitvorming al plaats heeft kunnen vinden. Q2 2027-Q4 2029 Management ziet op naleving van gemaakte afspraken (manager RO en medewerkers, 20 uur/jaar) Doelstelling 5.a: In kaart brengen van alle illegale inname van gemeentegrond Q1-Q2 2027 Het opstellen van een overzicht beleggen bij externe partij -Budget komt of uit eigen middelen of zal via begrotingscyclus worden aangevraagd -Schrijven memo met scope offerte-uitvraag (handhavingsjurist 2 uur) -MTRO legt taak vinden geschikte externe partij neer bij aangewezen functie (1 uur) -Onderzoek en opvragen van offertes (aangewezen functie 12 uur) -Bespreken met management (aangewezen functie en MTRO 2 uur) -Keuze voor 1 partij (advies inkoop 16 uur) Q3 2027-Q1 2028 Aan de hand van luchtfoto’s en beschikbare geo-informatie onderzoek doen naar alle gronden binnen de gemeente bij zowel bedrijven als particulieren om te zien wat de actuele status is in vergelijking met 10 jaar geleden (innemen grond te goeder trouw) en 20 jaar geleden (innemen grond te kwader trouw). Indien nodig situatie ter plaatse opnemen/veldwerk verrichten (externe partij, pm) Q2 2028 Opstellen overzicht locaties en geconstateerde knelpunten (wijk, gebied, locatiespecifiek) -Overzicht delen met management (handhavingsjurist 8 uur) -Overzicht delen met portefeuillehouders (management en handhavingsjurist 2 uur) Doelstelling 5.b: Aanpak opstellen waarmee aan de hand van criteria kan worden beoordeeld welke ingenomen grond zou moeten worden teruggevorderd/ teruggebracht in de oude staat en welke aanpak daarvoor passend is Q1-Q2 2027 Vormgeven handhavingsaanpak -Er vindt bureau-onderzoek plaats waarbij gekeken wordt naar de Awb, beleid en verjaring. De vraag: ‘in welke mate is de inname van gronden schadelijk, hinderlijk of onwenselijk?’ moet worden beantwoord. Hier wordt een indeling van locaties in categorieën bij gemaakt (handhavingsjurist 80 uur) -Per categorie wordt beoordeeld welke handhavingsstrategie passend is. Hier wordt een plan van aanpak bij voorgesteld en voorzien van de benodigde inzet (uren) en planning. (handhavingsjurist 40 uur) -Overzicht delen met management (handhavingsjurist 8 uur) -Overzicht delen met portefeuillehouders (management en handhavingsjurist 2 uur) Q3 2027 Advies passende aanpak opstellen -Bevindingen uitwerken en voorstel schrijven voor bestuur (handhavingsjurist en manager 2 uur) -Bestuur keuze laten maken (handhavingsjurist, manager, college 4 uur) Q4 2027 Start uitvoering -Pm (Omdat nu nog niet te voorzien welke prioriteiten (categorieën) worden gesteld, kan de benodigde inzet daarvoor nog niet worden uitgewerkt. Het voorstel bevat per categorie een inschatting van de benodigde inzet (zie de stap ‘Vormgeven handhavingsaanpak’). Na de bestuurlijke prioritering wordt dit nader uitgewerkt). Bijlage 3: Prioriteitenmatrix Handhaving voor Bouwen en APV Toelichting: 1. Wat is de aard van de overtreding? De eerste ordening, is de aard van de overtreding. De basis is het type overtreding.Deze basispunten worden met 2 punten verlaagd als de activiteit kan worden gelegaliseerd. 2. Waar vindt de overtreding plaats? Vervolgens worden punten toegekend aan een aantal omgevingsfactoren. De waarden in de gebieden en de kwetsbaarheid daarvan zijn daarbij het uitgangspunt. Deze punten worden met 3 verhoogd als de overtreding zichtbaar is vanaf de openbare weg. 3. Overige factoren Tenslotte worden nog punten toegekend aan een aantal specifieke factoren. Levensbedreigende situatie (bijvoorbeeld instortings-/brandgevaar) Het zal duidelijk zijn dat wanneer een levensbedreigende situatie is ontstaan, direct optreden is geboden. Door aan deze gevallen een hoge score toe te kennen (20), zullen zij altijd met de hoogste prioriteit eindigen. Hierbij geldt dat het advies van de deskundige discipline, bijvoorbeeld de bouwinspecteur of de brandweer, bepalend is. De levensbedreigende situatie moet door de deskundige op schrift worden gesteld (situatie met foto’s verduidelijkt). Deze rapportage dient mede als basis voor de handhavingsactie. Er wordt direct een aanschrijving gestuurd. Termijnen worden zeer kort gehouden. Concrete overlast voor derden Als door de illegale (ver)bouw overlast voor derden ontstaat dan worden extra punten toegekend. Voorbeelden zijn overlast door opslag van materialen en overlast als gevolg van illegaal gebruik. Verzoek om handhaving Op een verzoek om handhaving moet uiteraard snel worden gereageerd. De hoge score zorgt hiervoor. Bij een lage totaalscore kan worden besloten dat nog niet wordt opgetreden, maar dat op een later tijdstip de zaak aangepakt zal worden. Waar het gezamenlijke actie met andere disciplines betreft, gebeurt dit in overleg. Gevaar (niet levensbedreigend) Weliswaar geen vastomlijnd begrip, maar door deze factor op te nemen kan per geval worden beoordeeld of er een extra score moet worden toegekend. Zaken als huisvervuiling kunnen hieronder vallen. Gezamenlijke actie Wanneer een andere discipline (groen, wegen, milieu, brandweer) verzoekt om gezamenlijk een bepaalde overtreding aan te pakken, dan levert dat een extra score op (5). Als het een kleine overtreding betreft, die ondanks deze extra punten nog een lage eindscore behaalt, dan wordt aan de verzoekende discipline meegedeeld dat nog niet wordt opgetreden. Status omgevingsplan Door punten toe te kennen afhankelijk van de actualiteit van het omgevingsplan wordt bereikt dat illegale situaties in het nieuwe omgevingsplan eerder voor handhaving in aanmerking komen. Precedentwerking Als sprake is van gevaar voor precedentwerking wordt de score met 6 verhoogd. Zo wordt deze overtreding niet de bron voor grotere aantallen overtredingen. Welstand negatief Als op grond van de Nota omgevingskwaliteit te verwachten is dat het welstandsadvies over een illegaal bouwwerk negatief zal zijn, verhoogt dat de score. Monument / beeldbepalend pand Indien de illegale activiteit plaatsvindt aan, in of bij een monument of beeldbepalend pand dan zijn er meer belangen in het geding en verhoogt dat de score. Illegale situatie bestaat langer dan 5 jaar Als de illegale situatie langer dan 5 jaar bestaat en er is in die tijd niet tegen opgetreden dan is er sprake van een lage prioriteit en wordt de score met 3 punten verlaagd. Als de overtreding al vijf jaar heeft kunnen bestaan zonder optreden van de gemeente, dan heeft dat geen hoge prioriteit. Bestuurlijke opdracht Wanneer het gemeentebestuur opdracht geeft om handhavend op te treden dan worden daar extra punten voor toegekend. Door dit aspect als factor mee te nemen, krijgen deze zaken een hogere prioriteit. Strijd met vastgesteld beleid Wanneer over bepaalde items beleidsnota’s zijn vastgesteld dan levert een illegale situatie daaromtrent extra punten op. Herhaalde overtreding Notoire overtreders stijgen in prioriteit door deze extra punten toe te kennen. Meerdere overtredingen Meerdere overtredingen op het betreffende perceel of percelen van dezelfde overtreder plaats vinden, kennen extra punten toe. Ons uitgangspunt is dat de rangorde, zoals bepaald met deze prioriteitstelling, de volgorde bepaalt waarin de handhavingszaken worden afgedaan. Bijlage 4: Toezichtmatrixen Bouw Bijlage 5: Toetsmatrix Bouw Hoofdstuk 3 bestaande bouw Hoofdstuk 4 nieuwbouw Hoofdstuk 5 verbouw en gebruikswijziging Hoofdstuk 6 brandveiligheid Hoofdstuk 7 bouw- en sloopveiligheid Toelichting: Het LTB is speciaal ontwikkeld om te kunnen differentiëren in toets intensiteit op de verschillende onderdelen van de wettelijke technische bouwvoorschriften en de risico’s die daarbij zijn voorzien. De LTB-methodiek biedt de ruimte om als gemeente een toets niveau op de verschillende onderdelen vast te stellen, op basis van de eigen risico-inschattingen, naleefgedrag en beschikbare capaciteit. Het LTB werkt met vier niveaus van toetsing: 1 uitgangspunten, 2 globaal, 3 gemiddeld en 4 grondig. Naast de vaste prioritering en de daarbij horende toetsniveaus is er te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag omgevingsvergunning een inschatting te maken of de vaste prioritering in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van de vastgelegde prioritering.
Meer informatie