Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Nijmegen 2026
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Nijmegen 2026 De raad van de gemeente Nijmegen, bijeen in zijn openbare vergadering van 14 oktober 2026; Gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; Gezien het voorstel van het seniorenoverleg van 23 september 2026; Besluit vast te stellen de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Nijmegen 2026; HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 – Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.commissielid: lid van een commissie als bedoeld in artikel 82, 83 of 84 van de Gemeentewet, ingesteld door de raad, dat niet ook raadslid is of ambtenaar. Fractievolgers gelden als commissieleden. b.raadslid: lid van de gemeenteraad van Nijmegen. c.griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet of een door hem aangewezen medewerker van de griffie. d.presidium: presidium zoals bedoeld in de artikelen 8c en 8d van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad. e.Seniorenoverleg: het overleg van fractievoorzitters zoals bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad. Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie 155a Gemeentewet De hoogte van de toelage wordt geregeld in de verordening met nadere regels zoals bedoeld in artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet. Artikel 3. Vergoeding commissieleden voor het bijwonen van commissievergaderingen in verband met bijzondere deskundigheid of zwaarte taak Aan een commissielid kan een vergoeding voor het bijwonen van een vergadering worden toegekend van 100% extra van het bedrag per vergadering dat hiervoor jaarlijks wordt vastgesteld, als: -het commissielid deelneemt op basis van zijn bijzondere deskundigheid en -de zwaarte zodanig is dat zijn reguliere vergoeding niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de taak en/of de omvang van de door hem te verrichten arbeid. Het presidium beslist of dit artikel van toepassing is. Artikel 4. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden 1.Een raads- of commissielid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daarvoor vooraf een gemotiveerd verzoek in bij het seniorenoverleg via de griffier. 2.Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald. 3.Het seniorenoverleg stelt jaarlijks het maximaal beschikbare bedrag (plafond) voor de individuele scholingsaanvragen vast. 4.Bij meerdere vergelijkbare opleidingsvragen kunnen opleidingen ‘in company’ worden georganiseerd. De griffie doet daartoe jaarlijks een uitvraag bij de fracties. Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden 1.Een raads- of commissielid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld zoals bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2.Een raads- of commissielid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen binnen zes weken in bij de griffie. 3.De gemeente kan informatie- en communicatievoorzieningen ter overname aan het raads- en commissielid aanbieden. Dit is mogelijk na schoning door de gemeente conform de Baseline Informatievoorziening Overheid (BIO) en tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer. Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1.Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2.Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964. Artikel 7. Vergoeding reis- en verblijfskosten raads- en commissieleden 1.Voor reizen gemaakt voor de uitoefening van de functie kan een raads- of commissielid gebruik maken van een gemeentelijke mobiliteitspas (trein tweede klasse, tram, bus, metro, OV fiets, NS stalling), een poolauto of van een gemeentelijke dienstfiets, al dan niet elektrisch. 2.Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed. 3.Als een raadslid of commissielid een (tijdelijke) functionele beperking heeft, kan voor reizen als bedoeld in het eerste en tweede lid, een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden vergoed of ter beschikking gesteld. 4.De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke verblijfkosten die een raadslid of commissielid maakt in verband met reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden ten laste van de gemeente vergoed. Artikel 8. Parkeren Raadsleden hebben recht op een parkeerfaciliteit in de garage onder het stadhuis met oog op hun werkzaamheden. Artikel 9. Betaling vaste vergoedingen De betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, vindt in beginsel twee keer per jaar plaats. Dit gebeurt op basis van een vergoeding per bijgewoonde vergadering, tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen. Artikel 10. Betaling en declaratie van onkosten 1.Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a.betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur; b.betaling vooruit uit eigen middelen. 2.Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. 3.Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen zes weken na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier. 4.Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen zes weken na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt. Artikel 11. Intrekking oude verordening 1.De Verordening onkostenvergoedingen en voorzieningen voor raads- en commissieleden 2019 wordt ingetrokken. Artikel 12. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2026. Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2026 Nijmegen. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Nijmegen van 14 oktober 2026 De voorzitter, De griffier, Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Nijmegen 2026 Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening staan alleen regels over de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies in het geval zij niet al hiertoe worden verplicht door hogere wet- en regelgeving. Dit volgt uit de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018) over de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er opnieuw een aantal bepalingen dwingend in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De reden hiervan is het voorkomen van politieke discussies over voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om door middel van een verordening af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening. Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen. De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raads- en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij, voor zover het raadslidmaatschap betreft, niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking, vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964, maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst. Als de raads- en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden persoonlijk worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Daarom hoeft er geen VAR-verklaring of/Modelovereenkomst ZZP overlegd te worden aan de gemeente. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) geldt niet voor raads- en commissieleden. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie Dit artikel gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt voor de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet zijn genoemd. Voor de toelage van een lid van de vertrouwenscommissie geldt een vast bedrag per maand. Dit bedrag is belast en staat in artikel 3.1.2. van het Rechtspositiebesluit. Artikel 3. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, is verplicht vastgesteld op een vast bedrag per inwonersklasse. Dit bedrag geldt voor elke vergadering van de commissie die het lid bijwoont. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als er bijzondere deskundigheid nodig is of als het werk in de commissie zwaarder is, kan een hoger bedrag per vergadering worden toegekend dan is bepaald in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht, waardoor het werk voor één of meerdere commissieleden meer tijd of inzet kost. Artikel 4. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden Voor raads- en commissieleden is bepaald dat de kosten voor scholing die niet-partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald. Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing (wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij, betreft dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing). Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die je voor je functie nodig hebt. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel het doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij. In Nijmegen worden veel opleidingen ‘in natura’ aangeboden. Dit gebeurt soms samen met andere gemeenteraden en met ondersteuning van de Gelderland Academie. Het aanbod van opleidingen is vraaggericht. Deze aanpak werkt goed voor trainingen die groepsgericht zijn, bijvoorbeeld een voorzitterstraining, debattraining en training effectief gebruik van sociale media, snellezen. De griffie doet jaarlijks hiervoor een uitvraag bij de fracties en raadsleden kunnen tussentijds altijd hun behoefte bij de griffie aangeven. De aanvraagprocedure is met name bedoeld voor individuele trainingsvragen. Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid of fractievolger voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik door een ander raadslid of fractievolger. Als hergebruik niet aan de orde is, kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager, maar het gevolg van een keuze van de gemeente. Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen. Artikel 7. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden Wanneer raads- en commissieleden in verband met hun functie reizen, hebben zij recht op een reiskostenvergoeding. In Nijmegen is dat een vergoeding in natura. Zij kunnen gebruik maken van de gemeentelijke mobiliteitspassen, poolauto’s, een dienstfiets of een elektrische dienstfiets. Ook verblijfkosten buiten de gemeente kunnen, mits gemotiveerd, onderbouwd en sober en doelmatig, worden vergoed. Artikel 10. Betaling vaste vergoedingen & artikel 11 Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, bieden deze artikelen duidelijkheid. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreekse facturering bij de gemeente. Er is een formulier beschikbaar waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren, na akkoord van de fractievoorzitter, hun onkosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
Meer informatie