Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 4 november 2025 houdende regels voor het verstrekken van subsidies voor de gebiedsgerichte beëindiging van veehouderijlocaties in Noord-Brabant (Subsidieregeling gebiedsgerichte...

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op21 oktober 2026
Gepubliceerd doorProvincie Noord-Brabant

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 13 oktober 2026 tot wijziging van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant in verband met de eerste openstelling en enkele technische wijzigingen van paragraaf 2 van die regeling (Eerste wijziging Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant) Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; Overwegende dat het wenselijk is de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant te wijzigen in verband met de eerste openstelling van paragraaf 2 van die regeling en het doorvoeren van enkele technische wijzigingen; Besluiten vast te stellen de volgende regeling: Artikel I Wijziging Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant De Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant wordt als volgt gewijzigd. A. Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd: 1.Het begrip “verordening 2022/2472” komt te vervallen. 2.Op alfabetische volgorde worden de volgende begrippen ingevoegd: gecertificeerd: BRL SVMS-007 gecertificeerd of gelijkwaardig; landbouwgroepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2472/2022 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327); B. Artikel 2.5, eerste lid, komt te luiden: 1.Subsidie wordt geweigerd indien: a.de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 125.000; b.de veehouder niet beschikt over de in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde taxatie, bedoeld in artikel 1.4; c.de veehouder reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie; d.voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie reeds op grond van deze of een andere regeling subsidie of een bijdrage is verstrekt; e.de veehouder een aanvraag heeft ingediend op grond van een regeling van het Rijk en die aanvraag in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, tenzij de veehouder de aanvraag heeft ingetrokken; f.de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming drijft; g.de te beëindigen productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; h.de veehouder zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; i.de veehouder de vrijkomende ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld, voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na 26 november 2024; j.de veehouder failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel er een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; k.de veehouderijonderneming een onderneming is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader; l.de veehouderijonderneming een onderneming in financiële moeilijkheden is als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader; m.de veehouder artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden; n.de veehouderijonderneming niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij de landbouwgroepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria. C. In artikel 2.6, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen c en d tot d en e, een onderdeel ingevoegd, luidende: c.het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit wordt uitgevoerd door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven sloopbedrijf dat daarvoor specifiek gecertificeerd is; D. Artikel 2.9 komt te luiden: Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag 1.Subsidieaanvragen worden ingediend van 21 oktober 2026 tot en met 21 januari 2027. 2.De subsidieaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens, voor zover niet al met gebruik van het aanmeldformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen, bedoeld in paragraaf 1, is verstrekt: a.gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder de veehouderijonderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel; b.de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft; c.het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar; d.indien sprake is van een veehouderijonderneming met productierecht, de omvang van het productierecht dat als gevolg van een onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie zal vervallen, uitgedrukt in: 1°.varkenseenheden; 2°.pluimvee-eenheden; of 3°.kilogrammen fosfaat, e.een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning of natuurtoestemming; f.een begroting van de verwachte kosten en opbrengsten in verband met de volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie; g.een realistische planning waarin de belangrijkste fasen en termijnen van de voorgenomen sluiting zijn opgenomen. 3.Bij de subsidieaanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd, voor zover niet al met gebruik van het aanmeldformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen, bedoeld in paragraaf 1, is verstrekt: a.een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning milieu of de natuurvergunning of natuurtoestemming betreffende de veehouderijlocatie waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, inclusief milieutekening; b.stukken waaruit blijkt dat: 1°.de aanvrager op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij drijft; en 2°.de te beëindigen productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; c.een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofemissie met gebruikmaking van de meest actuele AERIUS Calculator; d.een kopie van de administratie waaruit het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar blijkt; e.een kaart waarop de ligging van de veehouderijlocatie is weergegeven, met een duidelijke aanduiding van: 1°. de voor de veehouderij gebruikte productiecapaciteit; en 2°. de productiecapaciteit die geheel of gedeeltelijk zal worden afgebroken en verwijderd; f.een kopie van het taxatierapport van de in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde taxatie, bedoeld in artikel 1.4; g.een kopie van twee offertes van sloopbedrijven, waaruit blijkt: 1°. het KvK-nummer; 2°. of het bedrijf specifiek gecertificeerd is voor sloop; en 3°. de kosten die moeten worden gemaakt voor het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit; E. Artikel 2.10 komt te luiden: Artikel 2.10 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 2.9, eerste lid, vast op € 6.500.000. F. In artikel 2.14, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel j een onderdeel toegevoegd, luidende: k.houdt ingevolge de randnummers 114 en 653 van het landbouwsteunkader een administratie bij van de gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken gedurende 10 jaar na vaststelling van de subsidie ingevolge artikel 13 van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening. G. In artikel 2.15, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel g een onderdeel toegevoegd, luidende: h.houdt ingevolge de randnummers 114 en 653 van het landbouwsteunkader een administratie bij van de gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken gedurende 10 jaar na vaststelling van de subsidie ingevolge artikel 13 van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening. H. In artikel 2.16, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel g een onderdeel toegevoegd, luidende: h.houdt ingevolge de randnummers 114 en 653 van het landbouwsteunkader een administratie bij van de gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken gedurende 10 jaar na vaststelling van de subsidie ingevolge artikel 13 van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening. I. Artikel 2.17 komt te luiden: Artikel 2.17 Verantwoording De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken, voor zover deze niet reeds bij een voortgangsverslag zijn overgelegd: a.een bewijs van vestiging van de kwalitatieve verplichting als bedoeld in bijlage 2, bijlage 3 of bijlage 3a; b.een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder d, artikel 2.15, eerste lid, onder c, of artikel 2.16, eerste lid, onder c; c.een kopie van de omgevingsrechtelijke melding of van het besluit tot intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder e, artikel 2.15, eerste lid, onder d, of artikel 2.16, eerste lid, onder d; d.indien van toepassing een kopie van het besluit tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder f of het besluit als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder h, artikel 2.15, eerste lid, onder e, of artikel 2.16, eerste lid, onderdeel e; e.een financieel projectverslag als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 1°, van de Asv; en f.een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 2°, van de Asv. J. Artikel 2.19 komt te luiden: Artikel 2.19 Subsidievaststelling Gedeputeerde Staten stellen ingevolge randnummer 87 van het landbouwsteunkader, de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 22, twaalfde lid, van de Asv, op basis van prestaties en de gerealiseerde kosten. K. In artikel 2.20, eerste lid, onder d, wordt “verordening 2022/2472” vervangen door “landbouwgroepsvrijstellingsverordening”. Artikel II Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. ’s-Hertogenbosch, 13 oktober 2026 Gedeputeerde Staten voornoemd, de voorzitter, mr. I.R. Adema de secretaris,drs. G.H.E. Derks MPA Toelichting behorende bij de Eerste wijziging Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant I. Algemeen In deze wijzigingsregeling wordt de eerste openstelling geregeld van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant. Voor deze eerste openstelling stellen Gedeputeerde Staten een subsidieplafond van 6,5 miljoen euro beschikbaar. Tevens hebben Gedeputeerde Staten enkele kleine subsidie technische of juridisch noodzakelijke wijzigingen doorgevoerd. Aan de inhoudelijke doelstelling van de regeling is niets gewijzigd. II. Artikelsgewijs Onderdelen A en C (Artikel 2.1 Begripsbepalingen en artikel 2.6 Subsidievereisten) Gedeputeerde Staten vinden het belangrijk dat de veiligheid op de bouwplaats, de juiste afvoer van afval en de bescherming van het milieu is gewaarborgd bij het slopen. Daarom is het officieel ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel en het hebben van een keurmerk voor slopen toegevoegd als vereiste. Het keurmerk BRL SVMS-007 inzake veilig en milieukundig slopen is het belangrijkste keurmerk voor sloopaannemers. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de voorzitter, mr. I.R. Adema de secretaris, drs. G.H.E. Derks MPA

Meer informatie