Beleidsregel maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op21 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente IJsselstein

Beleidsregel maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026 Het college van IJsselstein gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026, besluit vast te stellen de volgende: Beleidsregel maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026. Juridisch en beleidsmatig kader •Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) •Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 •Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026 (Verordening) •Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026 (Besluit) Definities •Team Sociaal Domein: ambtelijke medewerkers die namens het college het hiervoor genoemd juridisch kader uitvoeren. •Regionale Backoffice Lekstroom (RBL): ambtelijke medewerkers van de gemeente Houten die zich, mede namens IJsselstein, bezighouden met de inkoop en administratie van Wmo. •Lekstroomgemeenten: Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden. •Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. •Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan de wet, waarop de cliënt aanspraak kan maken en waarmee de hulpvraag geheel of gedeeltelijk wordt weggenomen; het tot gelding brengen van deze aanspraak wordt aangemerkt als eigen kracht als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de wet Wmo. Hoofdstuk 1. Afwegingskader 1.1 Uitgangspunten Maatschappelijke ondersteuning kán in de vorm van een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Eerst wordt altijd beoordeeld in hoeverre er andere mogelijkheden zijn om de beperkingen te verminderen en/of weg te nemen. Dit afwegingskader is van toepassing op alle hulpvragen waarmee een beroep wordt gedaan op de wet en het Team Sociaal Domein. Het Team Sociaal Domein beoordeelt in iedere situatie in hoeverre de inwoner in staat is om zijn beperkingen/ hulpvraag op eigen kracht, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met algemeen gebruikelijke of algemene of andere voorliggende voorzieningen te verminderen of weg te nemen. Hierbij wordt toegewerkt naar een aanvaardbaar niveau. Aanvaardbaar wil zeggen dat de inwoner zich er soms bij neer moet leggen/ (leert) accepteren dat er belemmeringen blijven. De afhandeling van de vraag beperkt zich in die zin tot welke compensatie noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname. Indien er geen voorliggende oplossingen gevonden worden, kan het Team Sociaal Domein een maatwerkvoorziening verstrekken. De maatwerkvoorzieningen die het Team Sociaal Domein kan verstrekken op grond van de wet zijn uitgewerkt in de Verordening en in deze beleidsregels. 1.2 Eigen kracht In de kern gaat eigen kracht over de mogelijkheden van de inwoner en zijn omgeving om zelf in een oplossing voor zijn ondersteuningsvraag te voorzien; wat kan een inwoner zelf nog doen en/of organiseren om in de gegeven situatie de zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname op peil te houden of te bevorderen. Het gaat hierbij om fysieke, verstandelijke maar ook financiële mogelijkheden. De financiële mogelijkheden kunnen worden betrokken in het gesprek met de inwoner, zonder dat dit op zichzelf doorslaggevend is. De wet staat het niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt verleend of geweigerd. Wel is er een eigen bijdrage vanuit het CAK. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid in eigen oplossingen te voorzien. De eigen kracht is geen statische situatie, maar afhankelijk van de leerbaarheid en veerkracht van de inwoner. Versterking/inzet van eigen kracht kan ook door nadruk te leggen op het aanpassen van de omstandigheden, of door dingen anders te doen dan men altijd gewend is geweest als dat leidt tot vermindering van de ondervonden belemmering. Hierbij hoort ook dat inwoners anticiperen op nieuwe levensfases. Een inwoner moet hierop anticiperen door tijdig maatregelen te nemen om voorbereid te zijn. Het betekent bijvoorbeeld ook dat de inwoner ervoor zorgt dat hij voldoende is verzekerd. Indien dit echt niet mogelijk blijkt, is de inzet van ondersteuning mogelijk op het ondersteunen van eigen regie, het versterken van het vermogen om de regie te voeren en het versterken van de eigen kracht. Het Team Sociaal Domein stimuleert wat inwoners wel kunnen. Het gaat er dus om aansluiting te vinden bij eigen mogelijkheden in plaats van onmogelijkheden. 1.2.1 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten (bijvoorbeeld partners, ouders, inwonende kinderen) naar elkaar onderling horen te bieden. Dit omdat ze samen als leefeenheid in een woning wonen en daarom een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor elkaar en het voeren van het huishouden. Voor welk deel van de ondersteuningsvraag gebruikelijke hulp als (deel)oplossing kan worden aangemerkt, wordt bepaald door: •Wat naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een huisgenoot. •De intensiteit van de ondersteuningsbehoefte. •De verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. •De veerkracht, de draagkracht en draaglast, deskundigheid en de leeftijd van de huisgenoot en het netwerk in relatie tot de aard, de intensiteit en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Het principe van gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit wil zeggen dat dit niet vrijblijvend is en van huisgenoten verwacht mag worden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, studie of werk. Zo zijn de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het bieden van de benodigde ondersteuning (zoals het niet gewend zijn of geen ondersteuning willen verrichten) geen redenen dat een huisgenoot geen gebruikelijke hulp kan verlenen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten voor elkaar zorgen en een rol vervullen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een ziekte, beperking of aandoening. Als de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee in het onderzoek rekening gehouden. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Hulp die in omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp substantieel overstijgt, wordt aangemerkt als bovengebruikelijke hulp. Als de huisgenoten in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te bieden, spreken we van eigen kracht of mantelzorg. Ook als degene die de hulp verleent, hiervoor minder is gaan werken en daardoor minder inkomen heeft dan voorheen. Zolang deze afname van inkomen aanvaardbaar is spreken we van eigen kracht. Een maatwerkvoorziening is niet bedoeld als compensatie van het inkomen. Alleen wanneer er sprake is van bovengebruikelijke hulp en/of de gebruikelijke hulp niet geboden kan worden in verband met beperkte veerkracht/overbelasting of onvoldoende deskundigheid van de huisgenoot, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Mits hiervoor geen beroep kan worden gedaan op hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen. Hieruit volgt dus ook dat het bieden van bovengebruikelijke hulp aan een kind, partner, huisgenoot of andere persoon uit het sociaal netwerk, niet per definitie de basis vormt voor het toekennen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor het sociaal netwerk. 1.3 Sociaal Netwerk Tot het sociaal netwerk van de inwoner worden personen uit de huiselijke kring gerekend, maar ook andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Het kan gaan om huisgenoten, familieleden, vrienden, buren, collega’s of bijvoorbeeld de trainer van de sportclub. Ook mantelzorgers vallen onder het sociaal netwerk van een inwoner. Indien nodig wordt tijdens het onderzoek door het Team Sociaal Domein de mogelijkheid verkend tot het activeren van het eigen sociaal netwerk. Hierbij wordt rekening gehouden met eventueel (dreigende) overbelasting van het netwerk. Er dient bij de afweging altijd gekeken te worden naar eventuele hulp die ingezet wordt zoals onder meer door vrijwilligers, maatjes, een telefooncirkel en het aanbod van de actuele welzijnsorganisaties. 1.4 Mantelzorg Er is sprake van mantelzorg als deze intensief en langdurig wordt verleend door personen uit de directe omgeving van de inwoner, het verlenen van mantelzorg rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overstijgt. Onder het intensief en langdurig verlenen van mantelzorg wordt verstaan dat in principe gemiddeld acht uur per week en minimaal drie maanden aaneengesloten binnen één kalenderjaar mantelzorg wordt verleend. De ondersteuning door de mantelzorger heeft geen verplichtend karakter. De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de benodigde ondersteuning te bieden, bepaalt mede of een maatwerkvoorziening nodig is en de omvang daarvan. Ook de mate van belastbaarheid van de mantelzorger maakt onderdeel uit van het onderzoek. De draagkracht en draaglast van mantelzorgers worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger (leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid). Bij (dreigende) overbelasting van een mantelzorger of het wegvallen van de mantelzorg kan een algemene voorziening of maatwerkvoorziening worden geboden. Hierin gaat het aanvragen van aanvullende zorg, ondersteuning via de Zorgverzekeringswet (Zvw) of elke andere wet, voor op een maatwerkvoorziening. Respijtzorg Respijtzorg is een tijdelijke en/of volledige overname van zorg met als doel de mantelzorger een adempauze te geven. Respijtzorg is een vorm van mantelzorgondersteuning. Door af en toe vrij te zijn van mantelzorgtaken, kunnen mantelzorgers hun eigen leven beter in balans houden en de zorg voor hun naaste langer volhouden. Er zijn hiervoor diverse voorzieningen ingekocht door de gemeente. Jonge mantelzorgers Kinderen onder de 18 jaar hoeven geen mantelzorgtaken uit te voeren. Dit betekent dat kinderen niet actief gevraagd worden om mantelzorgtaken te verrichten. De problemen van jonge mantelzorgers zijn vaak niet zichtbaar. Omdat de jongere vaak niet de primaire verzorger is, zal de jongere niet snel een beroep doen op formele of informele zorg. Daarbij ziet deze groep zichzelf ook niet als mantelzorger. Het herkennen en ondersteunen van jonge mantelzorgers kan overbelasting, voortijdig schoolverlaten en (psychische) problemen op latere leeftijd voorkomen. Er is een divers ondersteuningsaanbod beschikbaar voor jonge mantelzorgers, veelal in de vorm van fysieke of digitale coaching/cursussen. 1.4.1 Mantelzorgwaardering Mantelzorgers komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering. Het betreft hier zowel mantelzorgers die wonen in de gemeente of mantelzorg verlenen in de gemeente. Om voor de mantelzorgwaardering in aanmerking te komen moet de mantelzorger zich hebben aangemeld bij het Steunpunt Mantelzorg in IJsselstein. Aanvraag en inhoud mantelzorgwaardering De mantelzorgwaardering bestaat uit het verstrekken van een lokale waardebon en kan daarnaast bestaan uit een feestelijke bijeenkomst. De waarde van de lokale waardebon staat genoemd in het Besluit. Een aanvraag voor een mantelzorgwaardering kan door een mantelzorger jaarlijks bij het college worden ingediend in de periode tussen 1 juli tot en met 30 september. Buiten deze periode ontvangen aanvragen worden afgewezen. Daarnaast moet de aanvraag betrekking hebben op één of meer zorgvragers uit de gemeente. Er kan per mantelzorger jaarlijks één aanvraag worden ingediend. Hoofdstuk 2. Voorliggende voorzieningen Een voorliggende voorziening is een voorziening waar een inwoner een beroep op kan doen, waardoor geen of in mindere mate ondersteuning vanuit de wet nodig is. Bij voorliggende voorzieningen valt te denken aan algemene voorzieningen, (algemeen) gebruikelijke voorzieningen en voorzieningen uit o.a. de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zvw. Onderstaand is toegelicht wanneer welke voorziening van toepassing is. 2.1 Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen in de vorm van diensten of activiteiten die vrij toegankelijk zijn, en die gericht zijn op het versterken van de zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname van de inwoner. Te denken valt aan sportaccommodaties en activiteiten in de wijk. Iedere inwoner kan van een algemene voorziening gebruikmaken. Er hoeft geen onderzoek aan vooraf te gaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner. Wel kunnen er globale restricties en toegangscriteria worden gesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de frequentie waarmee de voorziening wordt bezocht of dat men behoort tot de doelgroep. Algemene voorzieningen kunnen zowel collectief als individueel van aard zijn en het kunnen zowel commerciële diensten zijn als diensten zonder winstoogmerk. Vrijwillige inzet wordt ook als algemene voorziening beschouwd. Voorbeelden van algemene voorzieningen •Welzijnswerk, bijvoorbeeld door De welzijnsorganisatie of Handje Helpen. •Gemaksvoorzieningen door de zorgverzekeraar. •Boodschappendiensten. 2.2 (Algemeen) Gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Met een algemeen gebruikelijke voorziening wordt verwezen naar een voorziening die: •niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking; •in de reguliere handel verkrijgbaar; •niet duurder is dan soortgelijke producten; •draagbaar is op een inkomen op minimumniveau; •een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is. Wat als algemeen gebruikelijke voorziening gezien wordt, verandert in de loop der jaren en is onderhevig aan maatschappelijke ontwikkelingen. Een fiets met lage instap is een goed voorbeeld van een voorziening die als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen) en is gewoon bij de fietsenwinkel te koop. Andere voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen worden aangemerkt, zijn een rollator, een verhoogde toiletpot, een buggy, één-hendel mengkraan, een elektrische of inductiekookplaat, wasbaar dekbed, verrijdbare douchestoel (dit betreft niet de kantelbare), drempelhulpen, spoelföhn installatie en een elektrische fiets (afhankelijk van de situatie). In relatie tot de specifieke persoonlijke situatie van de inwoner wordt bekeken of de voorziening algemeen gebruikelijk is. Het is in principe de inwoner die moet aantonen dat een algemeen gebruikelijke voorziening voor hem niet tot de (financiële) mogelijkheden behoort. Ook als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak, kunnen voorzieningen of kosten die als algemeen gebruikelijk aangemerkt hadden kunnen worden, dat toch niet zijn. 2.3 Andere voorzieningen/afbakening andere wetten Een andere voorziening is ondersteuning waar op grond van een andere (wettelijke) regeling dan bedoeld in de wet aanspraak op kan worden gemaakt/bestaat. Het Team Sociaal Domein mag een maatwerkvoorziening weigeren als aanspraak bestaat op een andere voorziening. De onafhankelijk cliëntondersteuner kan een inwoner helpen bij de aanvraag van een andere voorziening. Voorbeelden van andere voorzieningen zijn: ondersteuning vanuit de Wlz, de Zvw, de Jeugdwet, de Participatiewet, het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), onderwijswetgeving of een lokale regeling, zoals Regionale huisvestingsverordening. Omdat de afbakening tussen de wet met de Wlz en de Zvw veelvuldig voorkomt, worden deze hieronder uitgebreider toegelicht. 2.3.1 Afbakening met Wet langdurige zorg De afbakening tussen de Wlz en de wet is wettelijk geregeld (artikel 2.3.5 lid 6 van de wet). Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als: 1.de inwoner op grond van de Wlz aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling, of 2.er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarop aanspraak kan maken en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hiervoor. Indien een inwoner met een Wlz- indicatie een melding doet, neemt het Team Sociaal Domein de melding op gebruikelijke wijze in behandeling en start een onderzoek, ook als zij weet dat de inwoner ondersteuning vanuit de Wlz ontvangt of denkt dat de inwoner daarop aanspraak kan maken. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat de ondersteuningsvraag voldoende is/kan worden opgelost met zorg vanuit de Wlz als andere voorziening. Er is dan geen reden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Wanneer een inwoner met een Wlz-indicatie thuis blijft wonen, kan de inwoner vanuit de wet een hulpmiddel, vervoersvoorziening en/of woningaanpassing toegekend krijgen. Dit is niet mogelijk als de inwoner in een instelling verblijft. Wanneer een inwoner verhuist naar een Wlz-instelling en er zijn eerder hulpmiddelen vanuit de wet verstrekt, dan kan het Zorgkantoor contact opnemen met de leverancier van de hulpmiddelen om na te gaan of zij deze hulpmiddelen kan overnemen. Het doel hiervan is de inwoner (administratief) minder te belasten. Hieronder wordt schematisch weergegeven welke voorzieningen vanuit de Wlz en wet vergoed kunnen worden bij een Wlz indicatie. Schema samenloop Wlz en Wmo: Woonsituatie Wlz Wmo Thuiswonend ▪︎Hulp bij het huishouden ▪︎Begeleiding ▪︎Logeeropvang ▪︎Sociaal vervoer (regiotaxi) ▪︎Rolstoel ▪︎Vervoermiddelen ▪︎Woningaanpassingen ▪︎Woonvoorzieningen/ hulpmiddelen Deeltijdsverblijf ▪︎Hulp bij het huishouden ▪︎Begeleiding ▪︎Woonvoorzieningen/hulpmiddelen ▪︎Rolstoel ▪︎Vervoermiddelen (mobiliteitsmiddelen) ▪︎Zo nodig: 2e woonvoorziening/hulpmiddel voor thuis ▪︎Sociaal vervoer (regiotaxi) ▪︎Woningaanpassingen Verblijf (wonen in een Wlz-zorginstelling) ▪︎Hulp bij het huishouden ▪︎begeleiding ▪︎rolstoel ▪︎vervoermiddelen (mobiliteitshulpmiddelen) ▪︎Woning bezoekbaar maken ▪︎Regelmatig bij familie logeren Zie de volgende site van de Rijksoverheid voor meer informatie over dit schema: Externe link: regelhulp.nl. 2.3.2 Afbakening Zorgverzekeringswet Wanneer een inwoner aanspraak kan maken op zorg vanuit de Zvw hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Verzekerden kunnen via het basispakket aanspraak maken op een (gedeeltelijke) vergoeding van: •hulpmiddelen, waarbij het gaat om zorg voor een beperkte of onzekere duur (maximaal 26 weken) waaronder: oloophulpmiddelen, zoals rolstoelen, loopwagens of trippelstoelen; otransferhulpmiddelen, zoals transferplanken, patiëntenliften en draaischijven; ohulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang, zoals losse toiletverhogers, douchestoelen en toiletstoelen; oomgevingsbediening, zoals omgevingsbediening; robotmanipulator; armondersteuningen of eetapparaten; ohulpmiddelen bij communicatie, zoals opname- en voorleesapparatuur en een alarmeringssysteem; •omgevingsbediening: apparatuur die o.a. gebruikt kan worden voor het op afstand openen van ramen en deuren en uitzetten van allerlei apparaten; •verzorging en verpleging op bed; •verpleging en verzorging (wijkverpleging); •diensten, zoals IQ testen en het verzorgen van de maaltijd; •ziekenvervoer. Sommige hulpmiddelen kunnen zowel vanuit de Zvw worden verstrekt als vanuit de wet. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is de Zvw aan zet, bij een langdurige ondersteuningsbehoefte de wet. Wanneer er een combinatie van voorzieningen nodig is, is afstemming van de maatwerkvoorziening op de andere voorziening noodzakelijk. Hoofdstuk 3. Toelichting maatwerkvoorzieningen Wanneer een ondersteuningsvraag van een inwoner niet of onvoldoende op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk (inclusief eventuele mantelzorg) of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen kan worden opgelost, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. Er zijn drie verschillende vormen waarin een maatwerkvoorziening kan worden toegekend, namelijk: •Zorg in natura, •Persoonsgebonden budget (pgb), of •Financiële tegemoetkoming. Van veel voorzieningen is in de (landelijke) regelgeving of richtlijnen duidelijk welke criteria gelden. Een aantal voorzieningen vraagt om een nadere toelichting als het gaat om het afwegingskader. In dit hoofdstuk zijn deze afwegingskaders beschreven. 3.1 Wonen in een geschikt huis Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in dezelfde omgeving) zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken. Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorgdraagt voor een geschikte woning. Van een woningaanpassing of woonvoorziening is in het kader van de wet daarom in principe alleen sprake als de belemmeringen het gevolg zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen. Soort woning Een eigen woning kan zowel een gekochte woning als een huurwoning zijn. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van een woning. Hierbij geldt dat een woonboot of woonwagen dan tenminste nog een technische levensduur van 5 jaar moet hebben en zijn stand- of ligplaats op het moment van aanvraag zich in IJsselstein bevindt en nog minimaal voor 5 jaar beschikbaar is. 3.1.1 Normaal gebruik van de woning Doel van de woonvoorzieningen en woningaanpassingen is het ondersteunen van iemand die beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woning. Bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening ‘Wonen’ aan de orde is, verstaat het Team Sociaal Domein onder het normale gebruik van de woning, dat: •de woning voor de inwoner toegankelijk is •een deel van de buitenruimte (tuin of balkon) door de inwoner te bereiken is •de inwoner het toilet, de badkamer, keuken, woonkamer, slaapkamer en eventueel slaapkamer(s) van jonge kinderen kan bereiken en gebruiken Bij de toegankelijkheid tot de woning en de buitenruimte(n) geldt dat één toegang in principe voldoende is. Meerdere toegangen hebben meestal geen meerwaarde voor de participatie en/of zelfredzaamheid van de inwoner. Van de inwoner mag worden verwacht dat het gebruik van deze ene toegang volstaat. Afwegingskader Vanuit de gedachte van eigen kracht mag worden verwacht dat mensen tijdig maatregelen treffen om de woning te kunnen blijven gebruiken, de zogenaamde voorzienbaarheid. Tegenwoordig zijn er veel voorzieningen die het mogelijk maken om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen woning. Als algemeen gebruikelijk gelden in ieder geval woonvoorzieningen die in een normale winkel, bouwmarkt of thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn. Als inwoners niet zelfstandig of met hun netwerk een voorziening kunnen plaatsen kan hiervoor contact worden gezocht met de klussendienst van de welzijnsorganisatie. De voorziening moet dan wel zelf worden bekostigd. Het herstructureren of -inrichten van de woning mag van een inwoner verwacht worden omdat hiermee op eigen kracht voor een oplossing wordt gezorgd. Denk bijvoorbeeld aan het verplaatsen van de wasmachine van de zolder naar de benedenverdieping, of indien de inwoner niet meer bij de hoge keukenkastjes kan, het zelf plaatsen van een kast in de keuken die wel te bereiken is. Hiervoor zijn geen aanpassingen vanuit de wet nodig. Voor een kortdurende ondersteuningsbehoefte (maximaal zes maanden) zijn losse woonvoorzieningen (zoals een douchestoel) te leen via de uitleendepots van thuiszorgaanbieders, de thuiszorgwinkel of hulpmiddelenleveranciers, dit valt als andere voorziening onder de Zvw. Iedere inwoner is zelf verantwoordelijk voor de keuze die hij/zij maakt omtrent de woning. Wanneer iemand in de wetenschap van de eigen aandoening en beperkingen verhuist naar een ongeschikte woning (inadequate verhuizing), is het oplossen van eventueel daaruit voortvloeiende belemmeringen iemands eigen verantwoordelijkheid. Het onderzoek door het Team Sociaal Domein zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk sprake is van een inadequate verhuizing. 3.1.2 Verhuizen Kosten van een verhuizing zijn in principe algemeen gebruikelijk. Bijna iedereen verhuist wel één of meerdere keren in zijn leven. Voor de kosten van een verhuizing is dan ook in principe geen maatwerkvoorziening mogelijk. Dit is anders als de verhuizing plotseling noodzakelijk is, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeluk. In specifieke situaties kan de inwoner in aanmerking komen voor een ‘financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten’. De inwoner krijgt deze tegemoetkoming met een programma van eisen waar de nieuwe woning aan moet voldoen. Het maximale tarief hiervoor staat in het Besluit. De vergoeding wordt alleen geboden voor kosten die ook daadwerkelijk gemaakt worden/zijn. De medewerker van het Team Sociaal Domein kan bonnetjes of facturen opvragen van de kosten. Ook hierbij wordt gekeken naar de goedkoopst adequate oplossing en in hoeverre een inwoner (niet) in staat is zelf een bijdrage te leveren. Wat er vergoed wordt, staat vastgelegd in het programma van eisen dat de inwoner ontvangt. Voorbeelden zijn: kosten voor de huur van een bus voor de verhuizing, eenmalige kosten van materiaal voor het witten, schilderen en behangen van de nieuwe woning. Als een inwoner voor het eerst op zichzelf gaat wonen, komt de inwoner niet in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding. Dit valt onder algemene gebruikelijk kosten zoals bij ieder ander. En als er sprake is van een verhuizing naar een Wlz-instelling, wordt er geen verhuiskostenvergoeding verstrekt. 3.1.3 Woning/afschrijvingstermijn Als er sprake is van beperkingen bij het gebruik van de woning en de inwoner is zelf woningeigenaar, dan zal in het gesprek aan de orde komen of de inwoner nagedacht heeft over het (deels) zelf financieren van de aanpassingen. Het Team Sociaal Domein onderzoekt wat er minimaal aangepast moet worden om de belemmering van de inwoner weg te nemen. In het kader van het inzetten van eigen kracht komen hierbij ook de financiële mogelijkheden van de inwoner aan bod. Zo ontstaat er een complete indruk van wat in de individuele situatie van de inwoner mogelijk en gebruikelijk is en kan het Team Sociaal Domein maatwerk toepassen. Afschrijvingsduur Wanneer een ruimte of voorwerpen hun afschrijvingsduur voorbij zijn, mag worden verwacht dat de inwoner (of woningeigenaar) de kosten (deels) voor zijn rekening neemt die horen bij de vervanging. Zo is het gangbaar dat bijvoorbeeld een badkamer na verloop van tijd wordt gerenoveerd. Wanneer een inwoner huurt zal de verhuurder worden verzocht om de technisch afgeschreven badkamer of keuken te vervangen of renoveren. Zo nodig kan het Team Sociaal Domein ook dit verzoek doen en hierin bemiddelen. Dit blijft echter een verzoek, als de verhuurder dit niet doet zal er toch een noodzakelijke maatwerkvoorziening worden ingezet zodat de inwoner zelfredzaam kan zijn in zijn huurwoning. In de praktijk betekent dit dat er vanuit de Wmo geen technisch afgeschreven badkamers of keukens volledig worden gerenoveerd. Dit is woningverbetering en is voor rekening van de woningeigenaar. Afschrijvingstermijn De gemeente sluit voor de technische afschrijvingstermijnen aan op de termijnen uit de meest recente versie van het ”Beleidsboek huurverhoging na woningverbetering” van de Huurcommissie. Te vinden op de website van de Huurcommissie. Hierin worden termijnen benoemd wanneer aanpassingen aan delen van een woning als algemeen gebruikelijk worden gezien. Alleen mogelijke kosten die specifiek betrekking hebben op de beperking én bijdragen aan de ondersteuningsvraag kunnen in aanmerking komen voor ondersteuning. 3.1.4 Woonvoorzieningen Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten woonvoorzieningen, namelijk; 1.Losse woonvoorzieningen: Voorzieningen die niet nagelvast en dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een toiletstoel of een verrijdbare tillift). Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. 2.Bouwkundige- en technische woningaanpassingen: nagelvaste voorzieningen die verwijderd kunnen worden (bijvoorbeeld een traplift of een plafondtillift) en nagelvaste voorzieningen die niet omkeerbaar zijn (bijvoorbeeld een aangepaste keuken of badkamer, of het verwijderen van drempels). Losse woonvoorzieningen Losse woonvoorzieningen gaan voor op bouwkundige woonvoorzieningen. Een verrijdbare tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift en een losse douchestoel boven een douchezitje aan de muur. Losse voorzieningen hebben als voordeel dat ze veelal snel kunnen worden ingezet, herbruikbaar zijn en voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet. Zo kan een douchestoel bijvoorbeeld ook gebruikt worden om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden. Losse woonvoorzieningen worden overwegend in bruikleen verstrekt en geleverd door de leverancier. Bij de verstrekking dient de inwoner een bruikleenovereenkomst te tekenen. De toekenning is eventueel inclusief keuring, onderhoud en reparatie. Bouwkundige- en (woon)technische woonvoorzieningen Indien het woonprobleem niet op een andere manier kan worden opgelost en ook verhuizing met behulp van de afweging primaat van verhuizen geen optie is, kan aan de inwoner een woningaanpassing als maatwerkvoorziening worden toegekend. Te denken valt aan: •Het aanpassen van de toegang tot de woning en/of het opheffen of minimaliseren van niveauverschillen zodat een inwoner in een elektrische rolstoel er kan rijden •Het verhogen/verlagen van het keukenblad zodat deze gebruikt kan worden door iemand in een rolstoel. Bij de afweging neemt het Team Sociaal Domein de proportionaliteit altijd mee in de overweging; staan de kosten van de te realiseren woningaanpassing in verhouding tot het te behalen resultaat. En uiteraard wordt indien er meerdere opties zijn om de belemmeringen weg te nemen de goedkoopst passende oplossing gekozen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten niet alle ondervonden belemmeringen hoeven te verminderen/ weg te nemen. Het is voldoende als de inwoner in staat is om in aanvaardbare mate zelfredzaam te zijn en/of maatschappelijk te participeren. Er wordt geen voorziening betaald die al aangeschaft is, tenzij het een acute noodsituatie betreft waarbij er niet gewacht kon worden op een besluit. Voor het aanbrengen van bouwkundige of (woon)technische voorzieningen aan de eigen woning stelt het Team Sociaal Domein een programma van eisen op. Als het gaat om een uitbreiding van ruimten onderzoekt zij welke benodigde ruimteoppervlakte aangehouden moeten worden, rekening houdend met de hulpmiddelen die de inwoner nodig heeft. Bij aanpassingen vanaf een bedrag van € 2.000,- wordt aan de hand van het programma van eisen twee of meer offertes opgevraagd en beoordeeld. De goedkoopst passende oplossing zal worden gerealiseerd. Indien een bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura in eigendom aan de woningeigenaar wordt verstrekt is de woningeigenaar verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorziening. Een uitzondering op deze regel is dat trapliften en plafondliften wel eigendom blijven van de gemeente en de gemeente ook verantwoordelijk is voor keuring, onderhoud en reparatie van deze voorzieningen. Aanbouw Als het plaatsen van een aanbouw een ondersteuning kan zijn bij het zelfstandig wonen, besluit het Team Sociaal Domein vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vaststaat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het Team Sociaal Domein bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de Omgevingsvergunning indien deze nodig is. Bij het vergroten van de woning, waaronder ook begrepen het plaatsen van een losse woonunit, wordt ervan uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. 3.1.5 Mantelzorgwoning Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning (woonunit in de tuin op of het erf waar de degene woont die zorg verleent) gaat de gemeente ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor de bekostiging van zijn of haar woonruimte. De uitgaven die de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, kan aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Daarnaast is het met de landelijke wetgeving ook mogelijk om een urgentie te krijgen voor een woning als iemand mantelzorger is. 3.2 Verplaatsen in en om de woning (verplaatsen) Als een inwoner zich niet meer dagelijks in en om de woning kan verplaatsen, kan als maatwerkvoorziening een rolstoel worden verstrekt. Afwegingskader Wanneer een inwoner een probleem ervaart bij het verplaatsen in en om de woning, bekijkt het Team Sociaal Domein tijdens het onderzoek eerst welke eigen mogelijkheden de inwoner zelf heeft om het ondervonden probleem op te lossen. Zo zijn er diverse hulpmiddelen die als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan te merken zijn. Te denken valt aan een wandelstok, een looprek of een rollator. Ook het gebruik van een reguliere buggy bij kinderen tot 4 jaar is algemeen gebruikelijk. Rolstoel Daarnaast is het denkbaar dat een inwoner besluit zelf een (tweedehands) rolstoel aan te schaffen. Wanneer de rolstoel slechts kortdurend nodig is (maximaal zes maanden, met medische indicatie van behandelaar), kan afhankelijk van de zorgverzekeraar en het pakket gebruik worden gemaakt van de tijdelijke uitleen bij een thuiszorgwinkel vanuit de Zvw. Deze kunnen inwoners zelf aanvragen. Hulpmiddelen bij revalidatie vallen ook onder de Zvw. Woont de inwoner in een instelling op grond van de Wlz, dan is de instelling verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de rolstoel. Een individuele rolstoel wordt alleen verstrekt indien ‘dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning’ noodzakelijk is. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om bij het winkelen of bij uitstapjes te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken doel. De inwoner kan in dergelijke situaties gebruik maken van de uitleen op grond van de Zvw of van rolstoelen die tijdelijk te leen zijn op verschillende bestemmingen, zoals bij het ziekenhuis of in een dierentuin. De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. 3.2.1 De rolstoel Er zijn diverse typen rolstoelen denkbaar, het Team Sociaal Domein stelt bij de indicatie een type rolstoel vast. Bij de selectie van het type rolstoel wordt onder andere gekeken: •hoe vaak en voor welk doel de rolstoel wordt gebruikt (wat is de verplaatsingsbehoefte) •wat de fysieke mogelijkheden van de inwoner zijn om een rolstoel zelf voort te bewegen •of de inwoner de rolstoel zelf moet kunnen voortbewegen of dat het volstaat als een ander de rolstoel voortbeweegt •of de inwoner in staat is om de rolstoel (veilig) zelf te besturen ingeval het een elektrische rolstoel betreft De wens is dat de inwoner, binnen zijn fysieke mogelijkheden en indien dit past binnen de medische behandeling, zijn fysieke spierkracht kan gebruiken (zodat het gebruik van een rolstoel geen anti-revaliderend effect heeft). In het geval van een minderjarige kan soms een aangepaste buggy of kinderduwwandelwagen als maatwerkvoorziening worden toegekend. Dit is alleen mogelijk wanneer uit het onderzoek blijkt dat een reguliere buggy of kinderduwwandelwagen niet voldoet, bijvoorbeeld vanwege de leeftijd of beperkingen van de minderjarige. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het Team Sociaal Domein rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een elektrische- of motorische duwondersteuning verstrekt kan worden. Individuele aanpassingen Als het nodig is worden in opdracht van het Team Sociaal Domein door de leverancier individuele aanpassingen aangebracht aan de rolstoel. Het Team Sociaal Domein onderzoekt de situatie en stelt, eventueel samen met een ergo- of fysiotherapeut, een functioneel programma van eisen op waarin de noodzakelijke functionaliteiten van de rolstoel/buggy worden vastgelegd. Aanvullende wenselijke aanpassingen en/of accessoires zoals bagagetassen, been- en voetenzakken en afdekhoezen worden niet vergoed, maar kunnen eventueel op eigen kosten worden aangeschaft/toegevoegd. 3.3 Lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoer) De wet heeft onder andere tot doel om het mogelijk te maken dat inwoners deelnemen in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Als een inwoner zich niet zelfstandig kan verplaatsen buiten zijn woning, vanwege een beperking of chronische ziekte, kan hiervoor een maatwerkvoorziening ‘vervoer’ worden toegekend om zich sociaal en regionaal te verplaatsen. We hanteren hiervoor een reikwijdte van maximaal 25 kilometers vanaf het woonadres. 3.3.1 Lokaal De vanuit de Wmo geboden ondersteuning bij het lokaal/regionaal verplaatsen, beperkt zich tot het vervoer met een sociaal-recreatief doel. Denk aan het doen van boodschappen, winkelen, het bezoeken van familie/vrienden, van bijeenkomsten en (sport)activiteiten, van sociaal-culturele instellingen (theater/bioscoop) en plekken om te recreëren of een hobby uit te oefenen. Dit betekent dat de maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ niet bedoeld is voor het verplaatsen van en naar betaald werk, school, naar de dagbesteding of een ziekenhuisbezoek om zelf opgenomen of behandeld te worden. Wanneer een inwoner bij deze verplaatsingen belemmeringen ondervindt, kan een beroep worden gedaan op andere voorzieningen. Denk bijvoorbeeld aan ziekenvervoer vanuit de Zvw en het woon-werkverkeer waarvoor werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk zijn (aanvraag via UWV). Een bezoek brengen aan iemand die in het ziekenhuis ligt, kan wel met een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ vanuit de wet. Het vervoer naar het ziekenhuis heeft dan een sociaal doel. Oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorziening kan tot gevolg hebben dat de maatwerkvoorziening wordt ingetrokken. 3.3.2 Regionaal Voor verplaatsingen buiten de regio (als er verder gereisd moet worden dan 25 km vanaf het woonadres) kan men reizen met Valys. Dit, door de Rijksoverheid georganiseerde, bovenregionale vervoer maakt geen deel uit van het vervoer in het kader van de wet, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Valys is een aanvullende vervoersvoorziening voor het vervoer voor mensen met een beperking buiten de eigen regio. Voor meer informatie over de richtlijnen en kosten: https://valys.nl/. 3.3.3 De vervoersbehoefte Het Team Sociaal Domein onderzoekt wat de vervoersbehoefte van een inwoner is. Welke bestemmingen/locaties wil iemand bereiken? Wat is de vervoersfrequentie en welke belemmeringen ervaart iemand bij zichzelf verplaatsen buiten de woning? Afwegingskader Het Team Sociaal Domein onderzoekt altijd eerst of de belemmeringen op eigen kracht, met gebruikelijk hulp/informele zorg, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen, kunnen worden verminderd of weggenomen. Enkel wanneer het vervoersprobleem volgens het Team Sociaal Domein niet middels inzet van dergelijke voorzieningen kan worden verminderd of weggenomen, kan vanuit de wet één of meerdere maatwerkvoorzieningen ‘Vervoer’ worden toegekend. Verder geldt dat er sprake moet zijn van een structurele, frequente vervoersbehoefte. Onder een structurele vervoersbehoefte wordt verstaan dat de inwoner meerdere malen per maand (in ieder geval meer dan 12 keer per jaar) een vervoersprobleem ervaart. Openbaar vervoer Wanneer een inwoner gezien zijn beperking in staat is met trein/bus/tram te reizen, is het openbaar vervoer voor de inwoner fysiek toegankelijk. Daarnaast gelden de volgende criteria: •Is in staat om 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen, af te leggen om de dichtstbijzijnde bushalte te bereiken? •Is in staat de wachttijd voor het instappen te overbruggen (is er mogelijkheid om te zitten bij de bushalte?) •Is in staat om zelf in en uit te stappen uit de bus, tram of trein? •Is zelf in staat om regie te voeren tijdens en na de reis? 3.3.4 Vervoersvoorzieningen Een aangepaste fiets Hiermee worden fietsen bedoeld die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en die alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht, denk aan de driewielfiets en een tandem waarbij de begeleider achterop zit in plaats van voorop. Om in aanmerking te komen voor een aangepaste fiets of fietsvoorziening op grond van de wet, moet: -uit het onderzoek blijken dat er een medische grondslag is die maakt dat een algemeen gebruikelijk alternatief in de situatie van de inwoner niet volstaat; -de inwoner in staat is om de beoogde aangepaste fiets of fietsvoorziening veilig te gebruiken; -moet de inwoner in principe zelf zorgen voor een adequate stallingsmogelijkheid (een afgesloten ruimte zoals een schuur, garage of hal van de woning waarmee de fiets/ -voorziening beschermd wordt tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal). Het (nog) niet beschikken over een fiets of nog niet kunnen fietsen zijn geen redenen om een aangepaste fiets of fietsvoorziening als maatwerkvoorziening Vervoer te verstrekken. Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld om te voorzien in de dagelijkse vervoersbehoefte op de (zeer) korte en middellange afstanden. Voorwaarden voor een scootmobiel zijn: -ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie; -dat er ten gevolge van de ernstige belemmeringen problemen bij het verplaatsen buitenshuis zijn op de zeer korte afstand (tot 100 meter) of de iets langere afstanden (tot 500 meter); -dat de inwoner in staat is om zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen en om de scootmobiel op een adequate wijze (technisch) te bedienen en zelfstandig deel te nemen aan het verkeer op de openbare weg. Stallingsmogelijkheid De inwoner zal moeten beschikken over een adequate stallingsruimte om de scootmobiel op te laden en te beschermen tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal. Met een adequate stallingsruimte wordt een afgesloten ruimte (schuur, garage of hal van een wooncomplex, mits de scootmobiel de veiligheid in het complex niet in gevaar brengt) bedoeld of een (af)dak waar het voertuig onder gestald kan worden. Daarnaast is stroomvoorziening vereist. Indien erg geen adequate stallingsmogelijkheid aanwezig is, kan dit reden zijn het betreffende vervoersmiddel (nog) niet toe te kennen. Stalling is ook ongeschikt als deze in strijd is met andere wetgeving. Uitvoeringen scootmobiel Er zijn verschillende uitvoeringen met onder andere verschil in actieradius en snelheid. Het Team Sociaal Domein betrekt bij de afweging het doel waarvoor de scootmobiel wordt toegekend. Uiteindelijk verstrekt het Team Sociaal Domein de goedkoopst passende scootmobiel. Scootmobielen met extra grote actieradius en afwijkende hoge snelheid (meer dan 15 kilometer per uur) worden niet verstrekt. Aan personen voor wie een zwaardere, bredere of beter geveerde uitvoering medisch noodzakelijk is, kan wel een andere dan de gebruikelijke uitvoering worden toegekend. Accessoires bij de scootmobiel (denk aan een windscherm bij bijvoorbeeld longproblematiek wat het rijden beïnvloed etc.) worden enkel verstrekt als dit naar het oordeel van het Team Sociaal Domein noodzakelijk is gezien de beperkingen van de inwoner en/of het doel waarvoor de scootmobiel als maatwerkvoorziening wordt toegekend. Wenselijke accessoires vanuit de inwoner kunnen bij de leverancier op eigen kosten aangeschaft worden. Ditzelfde geldt voor andere accu’s die een grotere actieradius bewerkstelligen. 3.3.5 Wmo vervoerspas – Regiotaxi De Regiotaxi is een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) dat met (rolstoel)busjes en taxi’s vervoer van deur tot deur/halte (en visa versa) biedt voor iedere inwoner. Een inwoner die een Wmo-vervoerspas als maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ toegekend krijgt, kan tegen gereduceerd tarief een aan hem toegekend aantal kilometers per jaar (kilometerbudget) met de regiotaxi reizen in de regio (binnen een straal van 25 kilometer hemelsbreed gemeten vanaf zijn woning). Er geldt buiten het instap- en reizigerstarief, geen eigen bijdrage op grond van de wet. De hoogte van het tarief van Wmo-vervoerspas wordt jaarlijks bij collegebesluit vastgesteld en gecommuniceerd. Het tarief is terug te vinden in het Besluit. De Regiotaxi kan ook zonder Wmo-vervoerspas gebruikt worden. De gebruiker betaalt dan een commercieel tarief. Het commerciële tarief ligt boven dat van het openbaar vervoer maar onder dat van een reguliere taxi. Een Wmo-vervoerspas wordt alleen toegekend als andere opties (uit het afwegingskader) onvoldoende opties bieden en als sprake is van sociaal recreatieve doeleinden. Voor andere doeleinden dan sociaal recreatief vervoer gelden andere regels: •Wmo: Als vervoer van en naar een dagbesteding noodzakelijk is, kan hiervoor bij een maatwerkvoorziening voor dagbesteding een extra indicatie vervoer worden afgegeven. •Wlz: Als een cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt op een locatie die niet dezelfde is als de verblijfslocatie, kan het verzekerd pakket tevens het vervoer van en naar die locatie omvatten. •Zwv: bijvoorbeeld vervoer in verband met een medische behandeling •UWV: vervoer in het kader van arbeid •Onderwijs: leerlingenvervoer Het vervoer van de Regiotaxi is van deur tot deur/halte. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen en begeleidt, indien nodig en mogelijk, tot aan de deur. Een inwoner mag één medereiziger mee laten reizen tegen hetzelfde tarief. Ook kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel mee in de Regiotaxi, de inwoner krijgt hier dan een speciale aantekening van in het reizigersbestand. Als de regiotaxipas één jaar aansluitend niet wordt gebruikt, kan deze worden beëindigd. De inwoner wordt hiervan middels een beschikking op de hoogte gesteld. 3.3.6 Kilometerbudget Het kilometerbudget betreft het aantal kilometers dat een inwoner in één jaar maximaal tegen gereduceerd tarief op vertoon van de Wmo-vervoerspas met de Regiotaxi kan reizen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een klein midden en een groot kilometerbudget. Het oordeel van het Team Sociaal Domein om een klein, midden of een groot kilometerbudget toe te kennen, hangt af van: •De vervoersbehoefte in relatie tot het vervoersprobleem van de inwoner en het doel waarvoor de maatwerkvoorziening wordt toegekend •De mate waarin de ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere en/of algemene voorzieningen kan worden opgelost •Eventuele andere maatwerkvoorzieningen ‘Vervoer’ die zijn of worden toegekend Voor het vaststellen van de hoogte van het kilometerbudget, hanteert het Team Sociaal Domein onderstaande tabel als richtlijn. Kilometers die in een jaar niet worden benut, kunnen niet worden toegevoegd aan het budget van het jaar daarop. Soort kilometerbudget Omschrijving Klein (0-300 kilometer per jaar) •Inwoner is slechts sporadisch afhankelijk van de regiotaxi. •Inwoner is in staat middellange afstanden grotendeels op eigen kracht af te leggen en/of daarvoor gebruik te maken van voorzieningen. Midden (300- 750 kilometer per jaar) •Inwoner is deels afhankelijk van de regiotaxi. •Inwoner kan (delen van de) afstanden afleggen op eigen kracht en/of gebruik te maken van voorzieningen, maar is voor (delen van de) afstanden ook afhankelijk van de regiotaxi. •Inwoner beschikt over een maatwerkvoorziening Vervoer waarmee (delen van de) afstanden kunnen worden afgelegd. •Denk aan een aangepaste fiets/ scootmobiel. Groot (750-1.500 kilometer per jaar) •Inwoner is volledig afhankelijk van de regiotaxi. Bijvoorbeeld als gevolg van zijn beperkingen of omdat hij geen of slechts in beperkte mate gebruik kan maken van voorzieningen en reist regelmatig. Wanneer een inwoner gedurende de looptijd van beschikking van mening is dat het budget niet toereikend is, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij een groter kilometerbudget nodig heeft. Te denken valt aan extra reisbewegingen in verband met opname van een partner in een instelling of intensieve mantelzorg. Dan kan er een passend kilometerbudget worden toegekend in overleg met de kwaliteitsmedewerker. 3.3.7 Reizen met begeleider Indien er medische noodzaak is voor het meereizen van een begeleider, kan het Team Sociaal Domein hiervoor een indicatie afgegeven. Dit geldt alleen in situaties waarin medische handelingen nodig zijn tijdens de rit. De begeleider reist gratis mee. Als men een dergelijke indicatie heeft, mag de inwoner niet meer zonder begeleider reizen. 3.3.8 Afzeggen ritten Indien een inwoner herhaaldelijk zonder afzegging geen gebruik maakt van ritten die hij heeft aangevraagd (zogenoemde ‘loosmeldingen’) kan - al dan niet tijdelijk - zijn Wmo-vervoerspas geblokkeerd worden, waardoor gebruik van de Regiotaxi niet meer mogelijk is. Als dit speelt zal de Regiotaxi het Team Sociaal Domein hierover inlichten. 3.3.9 Individueel vervoer per regiotaxi De regiotaxi is collectief vervoer. Dit betekent dat er meerdere mensen tegelijk (collectief) met eenzelfde voertuig vervoerd worden naar hun bestemmingen. Het maximaal aantal personen dat in één voertuig tegelijk wordt vervoerd, bedraagt acht personen (taxibus). Naast dit vervoer per taxibus, kunnen mensen met de regiotaxi ook met een personenauto (taxi) of een rolstoeltaxibus worden vervoerd. In de zeer uitzonderlijke situatie dat iemand vanwege zijn beperking niet met anderen kan/mag reizen, kan het Team Sociaal Domein op de indicatie voor de Wmo –vervoerspas aangeven dat het middels individueel vervoer wordt ingezet. Tijdens de ritten vindt dan geen combinatie plaats met andere reizigers. 3.3.10 Financiële tegemoetkoming voor individueel vervoer Bij een vervoersprobleem is de Regiotaxi (het collectief vervoer) in veruit de meeste gevallen de goedkoopst passende maatwerkvoorziening ‘Vervoer’. Daarnaast wordt het primaat van het collectief vervoer gehanteerd, dat houdt in dat er alleen een individuele vervoersvoorziening wordt verstrekt als het collectief vervoer niet passend is. Uitzonderlijke situaties In uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat dit niet de best passende vorm van vervoer, of het goedkoopst is. Bijvoorbeeld in uitzonderlijke gevallen dat een inwoner met een vervoersprobleem op de korte afstanden een eigen auto voor de deur heeft staan en deze ook voor de korte afstanden kan/wil gebruiken. Het Team Sociaal Domein onderzoekt of de inwoner daadwerkelijk meerkosten heeft ten opzichte van personen zonder beperkingen omdat de inwoner ook voor korte afstanden aangewezen is op het gebruik van eigen auto en of dit kan worden aangemerkt als de goedkoopst passende oplossing. Zoals gezegd beperkt de tegemoetkoming zich tot de kosten van het bovengebruikelijke gebruik van de eigen auto voor de korte afstanden. In het Besluit staat beschreven hoe de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto voor korte afstanden als individueel vervoer, wordt bepaald. 3.3.11 Vervoersbehoefte kinderen Een jong kind met een beperking kan bij het sociaal/ regionaal verplaatsen vaak op dezelfde manier vervoerd worden als een leeftijdgenoot zonder beperking. Vaak met een voorziening die als algemeen gebruikelijk wordt gezien. Denk aan een buikdrager, Maxi-Cosi, kinderwagen, buggy of een fietszitje/autostoeltje. Bovendien zijn kinderen in hun verplaatsings- en vervoersbehoefte nog grotendeels afhankelijk van hun ouders. Toch kan ook een kind (onder de twaalf jaar) als gevolg van een beperking belemmeringen ondervinden in het meedoen (participeren) en dus een vervoersbehoefte hebben waarvoor een maatwerkvoorziening Vervoer kan worden toegekend. Denk aan het meedoen in het spel buiten met andere kinderen of het fietsen (al dan niet onder begeleiding van een volwassene) naar opa of oma in de wijk. Ook hier geldt dat een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ pas wordt toegekend, na het toepassen van het afwegingskader wanneer andere opties onvoldoende uitkomst bieden. Wanneer een vervoersvoorziening tot doel heeft de functie over te nemen (bijvoorbeeld het lopen) in plaats van maatschappelijk te kunnen participeren, kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning vanuit de Zvw in plaats van de wet. 3.4 Voeren van een huishouden Huishoudelijke ondersteuning (HO) kan als maatwerkvoorziening worden ingezet als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden of wanneer er sprake is van een (dreigend) disfunctioneren van het huishouden. De inzet van HO ondersteunt inwoners die problemen hebben bij het voeren van een huishouden. Deze ondersteuning kan bestaan uit: -het schoonmaken van het huis, -wassen van kleding, -doen van boodschappen of bereiden van een broodmaaltijd of warme maaltijd, -de dagelijkse organisatie van het huishouden -het aanleren van of activeren tot het uitvoeren van huishoudelijke taken of tijdelijke verzorging van inwonende (minderjarige) kinderen. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning noodzakelijk is, wordt vervolgens de omvang van de maatwerkvoorziening bepaald om te komen tot een schoon en leefbaar huis. Het Team Sociaal Domein maakt daarna wanneer nodig een afweging in prioritering. Een inwoner kan voorrang krijgen wanneer de inwoner niet meer thuis kan blijven wonen zonder huishoudelijke ondersteuning om bijvoorbeeld de volgende redenen: •Inwoner heeft een medische indicatie met ernstige longklachten en kan geen stof verdragen. •Inwoner heeft een ziektebeeld met groot risico op vervuiling. •Inwoner heeft een medische indicatie met een ziektebeeld dat verergert zonder huishoudelijke ondersteuning omdat hygiëne van levensbelang is. •Volledig ontbreken van een eigen netwerker, met groot risico op achteruitgang. 3.4.1 Huishoudelijke ondersteuning 1.Bij een melding van een ondersteuningsvraag op het gebied van het voeren van een huishouden oordeelt het Team Sociaal Domein in eerste instantie of de problemen eventueel op eigen kracht kunnen worden opgelost. Ook indien er al jaren een huishoudelijke hulp op eigen kosten wordt ingehuurd en hiermee de ondersteuningsvraag afdoende wordt opgelost, kan het Team Sociaal Domein oordelen dat er geen Wmo ondersteuning nodig is. Wel wordt onderzocht of de hulp daadwerkelijk aanwezig en toereikend is.2.Binnen het sociaal netwerk wordt nagegaan of bijvoorbeeld buren, kinderen of vrienden iets kunnen betekenen, zoals bij het doen van de boodschappen of de was-verzorging. Ook kan ondersteuning vanuit de Wlz aan de orde zijn, indien partner of kind hierover beschikt. Indien het vermoeden is dat een inwoner zelf in aanmerking komt voor een Wlz indicatie, dan kan als voorwaarde gesteld worden dat deze wordt aangevraagd. Er kan dan slechts ondersteuning vanuit de wet geboden worden voor de overbruggingsperiode. Dit is maximaal 6 weken, gelijk aan de aanvraagperiode van een Wlz-indicatie. Bij toekenning van een Wlz-indicatie wordt op basis hiervan de HO ondersteuning vanuit de wet geweigerd. Er is dan sprake van een andere voorziening waarop een beroep kan worden gedaan.3.In principe komt een inwoner alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening HO indien het een langdurige ondersteuningsbehoefte betreft. Bij bijvoorbeeld een herstelperiode na een (geplande) operatie van circa zes weken, wordt de inwoner geacht zelf, of met hulp van personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing te zoeken voor deze kortdurende ondersteuningsbehoefte (zie ook het afwegingskader). 3.4.2 Afwegingskader huishoudelijke ondersteuning Gemeentelijke ondersteuning bij het voeren van een huishouden, neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar het helpt de inwoner op weg om het resultaat te behalen. De leefeenheid van de inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor het huishouden. Als een inwoner problemen ervaart bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, dan wordt verwacht dat deze taken door anderen binnen de leefeenheid worden overgenomen volgens de richtlijnen in onderstaand kader. Het 'niet gewend zijn om' of 'geen ondersteuning willen en/of kunnen verrichten' zijn geen redenen om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Wanneer vaardigheden missen, kan een tijdelijke indicatie (maximaal zes weken) worden afgegeven voor het aanleren van bijvoorbeeld huishoudelijke taken. Ook studie, drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd vormen geen reden om geen gebruikelijke hulp te kunnen bieden. Immers, iedereen die werkt/studeert zal naast zijn werk/studie het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken. 3.4.2.1 Bijdrage van huisgenoten en inwonende kinderen aan het huishouden De hierna genoemde leeftijdscategorieën zijn uitgangspunten en geen vaststaand recht. Het college onderzoekt in ieder individueel geval, aan de hand van de afwegingsfactoren uit paragraaf 1.2.1, of de huisgenoot de betreffende taken feitelijk kan verrichten en ook daadwerkelijk en duurzaam verricht. Wordt van een uitgangspunt afgeweken, dan legt het college dat gemotiveerd vast in het onderzoeksverslag. In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan wordt ervan uitgegaan dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd/ontwikkelingsfase en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Hun inzet wordt in mindering gebracht op een eventueel af te geven indicatie. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: •Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. •Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand doen. •Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand doen, eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen. •Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar worden verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het gaat hierbij om de volgende taken: oschoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer; ode was doen; oboodschappen doen; omaaltijd verzorgen; oafwassen en opruimen; oindien nodig kan opvang van jongere gezinsleden tot hun taken horen. •Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen (meerpersoonshuishouden voeren) wanneer de inwoner uitvalt. De volgende taken mogen verwacht worden: ovolledig deelnemen aan het huishouden; oschoonmaakwerkzaamheden uitvoeren; owasverzorging; omaaltijden bereiden; oboodschappen doen; oalgemene huishoudelijke organisatie op zich nemen. Er zijn enkele uitzonderingssituaties waarbij gebruikelijke hulp niet geboden kan worden. Dit zijn -Beperkingen oAls uit een objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden. -Fysieke afwezigheid in verband met werk oIndien een huisgenoot vanwege werkzaamheden langdurig van huis is. Bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de offshore of mariniers. Vuistregels hierbij zijn dat het een aaneengesloten periode betreft van zeven etmalen, de afwezigheid inherent is aan het werk en een verplichtend karakter. -(Dreigende) overbelasting oIn het geval degene die gebruikelijke zorg dient te verlenen overbelast is of als overbelasting dreigt, kan afgeweken worden van de regels rond gebruikelijke hulp. Inzet van (tijdelijke) maatwerkvoorziening HO kan een oplossing bieden. Belangrijk hierbij is om daarnaast afspraken met de inwoner en zijn huisgenoten te maken over welke stappen er worden genomen om overbelasting te voorkomen. -Huisgenoot met een eigen ondersteuningsvraag oAls de huisgenoot zelf cliënt is of een eigen ondersteuningsvraag heeft, waardoor het overnemen van de huishoudelijke taken redelijkerwijs niet van hem of haar kan worden gevraagd. -Geen leefeenheid oAls geen sprake is van een leefeenheid, maar van een commerciële of zakelijke woonrelatie zoals kamerhuur, onderhuur of kostgangerschap. -Jonge mantelzorger of voltijdopleiding oAls een huisgenoot van 18 tot en met 22 jaar de huishoudelijke taken moet combineren met mantelzorgtaken en/of een voltijdopleiding en dit redelijkerwijs niet van hem of haar kan worden gevraagd. Bureau HHM wijst er uitdrukkelijk op dat bij deze leeftijdsgroep vrijwel geen ondersteuningstijd resteert wanneer de taken van een eenpersoonshuishouden volledig worden toegerekend. -Terminale of palliatieve situatie oIn een terminale of palliatieve situatie bepaalt het college in overleg met de inwoner en de huisgenoten wat draagbaar is. Werkwijze bij het in mindering brengen De bijdrage van huisgenoten wordt per resultaatgebied in mindering gebracht op de omvang die volgt uit paragraaf 3.4.3. Er wordt niet per afzonderlijke activiteit afgeboekt. Vermindering vindt uitsluitend plaats voor zover de betreffende activiteiten daadwerkelijk en duurzaam door de huisgenoot worden uitgevoerd. In het onderzoeksverslag legt het college per resultaatgebied vast wie de huisgenoot is, diens leeftijd en feitelijke aanwezigheid, welke taken hij of zij verricht, waarom hij of zij daartoe in staat is, en hoeveel minuten per week op grond daarvan in mindering worden gebracht. Indien toepassing van dit artikel ertoe leidt dat geen of nagenoeg geen ondersteuning resteert, beoordeelt het college uitdrukkelijk of die uitkomst recht doet aan de individuele situatie. Zo nodig wordt de hardheidsclausule toegepast. 3.4.2.2 Algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemene voorziening worden in ieder geval de volgende diensten of hulpmiddelen aangemerkt: Diensten: •Was- en strijkservice •Sociale alarmering •Boodschappenservice •Maaltijdvoorzieningen •Klussendienst of vrijwilligers •Ramenwasservice (buitenzijde) •Kinderopvang/peuterspeelzaal Hulpmiddelen: •Verhoging voor de wasmachine •Droger •Afwasmachine •Grijper (om spullen van de grond op te ruimen) Bij de beoordeling of de inzet van een dienst of een technisch hulpmiddel zoals hierboven beschreven het probleem kan oplossen wordt naar de aanwezigheid en beschikbaarheid van het hulpmiddel gekeken. Tevens wordt de afweging gemaakt of de inwoner de technische en financiële mogelijkheid heeft om hierin te voorzien. 3.4.3 Uitgangspunten - Definitie van het resultaat Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van inwoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. - De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft De inwoner moet gebruik kunnen maken van de elementaire leefruimten: een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De inrichting en bewerkelijkheid van de woning kan maken dat er meer inzet nodig is om de woning schoon te houden. Bijvoorbeeld door ouderdom van de woning, staat van onderhoud, hoogte van plafonds, tocht en stof. De omvang van de woning, de inrichting en de aanwezigheid van huisdieren leiden alleen in uitzonderlijke situaties tot extra inzet, overeenkomstig de stappen uit het normenkader. Van de inwoner wordt verwacht dat hij niet meer ondersteuning nodig maakt dan redelijkerwijs nodig is. In basis is dit een eigen keuze tenzij het persoonskenmerken betreft (bijvoorbeeld als het huisdier een functie heeft ten aanzien van participatie). Overleg voor maatwerk zal altijd plaatsvinden met de kwaliteitsmedewerker. - De afbakening van activiteiten die niet onder de voorziening vallen Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, het opruimen van schuur, wassen van de auto of schoonmaken van de stoep etc.) vallen buiten de gemeentelijke compensatieplicht op grond van voorliggende voorzieningen en maken dus geen onderdeel uit van Huishoudelijke Ondersteuning. - De normering van de voorziening Huishoudelijke Ondersteuning wordt geïndiceerd in minuten en uren. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het meest recent uitgebrachte HHM-Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning, overeenkomstig artikel 8, vijfde lid, van de verordening. Op dit moment is dat het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 van bureau HHM https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/MW250050-Normenkader-Huishoudelijke-Ondersteuning-2025-bureau-HHM.pdf daadwerkelijk aantal toe te kennen minuten/uren HO wordt afgestemd op de individuele situatie en is maatwerk. Het college stelt de omvang als volgt vast. Eerst wordt per resultaatgebied bepaald welke tijd nodig zou zijn bij volledige professionele overname, zoals opgenomen in het normenkader. Vervolgens wordt de situatie van de inwoner vergeleken met de gemiddelde cliëntsituatie uit het normenkader en wordt per resultaatgebied minder of meer tijd vastgesteld. Minder tijd wordt vastgesteld voor zover de inwoner zelf, het sociaal netwerk, een huisgenoot uit hoofde van gebruikelijke hulp of een voorliggende voorziening activiteiten uitvoert, volgens de stappen uit het normenkader: schoon en leefbaar huis een of meerdere keren 15 minuten per week, wasverzorging 20 minuten per week en boodschappen 10 minuten per week. Meer tijd wordt vastgesteld indien beperkingen of belemmeringen van de inwoner, de samenstelling van het huishouden, huisdieren of kenmerken van de woning dit noodzakelijk maken, eveneens volgens de stappen uit het normenkader. De vastgestelde tijd is de totale tijd die voor de hulp beschikbaar is en omvat zowel directe als indirecte tijd, waaronder aankomst en vertrek, afstemming met de inwoner en het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. In de tijd is tevens ruimte opgenomen voor niet-wekelijkse werkzaamheden. Er worden geen tijden per afzonderlijke activiteit vastgesteld. Uitgangspunt is wekelijkse ondersteuning. Indien de inwoner tussentijds zelf de basishygiëne en de vloeren kan bijhouden en er geen verzwarende factoren zijn, kan ondersteuning eens per twee weken passend zijn. De per resultaatgebied vastgestelde tijden worden opgeteld tot de totale omvang van de maatwerkvoorziening. De omvang wordt uitgedrukt in minuten per week en afgerond op vijf minuten. Omrekening naar uren per jaar geschiedt door vermenigvuldiging met 52 en deling door 60, waarbij naar boven wordt afgerond. De omvang wordt in tijd uitgedrukt in de beschikking. - De mogelijkheid om voor bijzondere situaties af te wijken van het normenkader Wanneer inwoners als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. 3.4.4 Resultaatsgebieden De inzet op deelresultaten kan van tijdelijke aard zijn. Bijvoorbeeld omdat er mogelijkheden zijn voor de inwoner om de ondersteuning op termijn anders te organiseren waardoor er geen inzet op dit resultaat meer nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval met kindzorg. 3.4.4.1 Resultaat Schoon en Leefbaar Huis Het resultaat van de ondersteuning is dat de bewoner beschikt over een schoon en leefbaar huis. Het omvat het lichte en zware schoonmaakwerk. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van inwoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Dit betekent dat inwoners gebruik moeten kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoongemaakt wordt om zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van schoon te realiseren, volgens de moderne normen van hygiëne. Indien bewoner eigen regie heeft, mag van hem/haar worden verwacht dat de werkzaamheden worden geprioriteerd en in afstemming met de aanbieder keuzes worden gemaakt. 3.4.4.2 Resultaat Wasverzorging Van de inwoner verwachten we dat hij voor het verzorgen van de was zoveel mogelijk gebruik maakt van voorliggende voorzieningen. Indien dit niet mogelijk is kan het resultaat wasverzorging worden ingezet. Het gaat hierbij om het wassen, drogen en in uitzonderlijke situaties strijken van bovenkleding. En/of indien noodzakelijk om het wassen en drogen voor bed- en linnengoed. Het doel van dit resultaat is dat de inwoner beschikt over schone kleding en schoon bedden en linnengoed. Het gaat hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. De verzorging van de was, zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied, omvat het behandelen van vlekken, het wassen, het drogen en vouwen van de was en het terugleggen van kleding en beddengoed in de kast. De uiteindelijke invulling hiervan is aan de klant in overleg met de aanbieder. Verwacht mag worden dat de bewoner beschikt over een wasmachine en zoveel mogelijk strijkvrije kleding. Het voorkomen van extra was kan bijvoorbeeld door incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken. Ook de aanschaf van een droger of het kopen van kleding die niet gestreken hoeft te worden kan bijdragen aan het voorkomen van extra waswerkzaamheden. Deze opsomming is niet limitatief. Dat betekent dat er ook andere dingen gevraagd kunnen worden, ter voorkoming van extra was. Bedden- en linnengoed wordt nooit gestreken. Tabel 4 van het normenkader bevat een overzicht van de activiteiten die uitgevoerd kunnen worden voor het bereiken van de resultaten ‘wasverzorging’. 3.4.4.3 Resultaat Boodschappen Iedereen moet beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Grotere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen hier niet onder. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als boodschappen- en/of maaltijdenservices ontoereikend zijn. 3.4.4.4 Resultaat Regie en organisatie De bewoner moet zelf regie over het huishouden kunnen hebben om zelfstandig te kunnen blijven wonen. Hiervoor heeft hij regelvermogen nodig, moet hij besluitvaardig kunnen zijn en initiatief kunnen nemen. Indien de inwoner moeite heeft met regie houden en planning van de werkzaamheden, zelfstandig, of met behulp van het netwerk, kan er ondersteuning worden geboden. Er dient per individu een inschatting gemaakt te worden of er in alle redelijkheid kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het doen van het huishouden nog is te trainen. Er zijn geen weegfactoren voor het resultaatgebied ‘regie en organisatie’ geformuleerd. Wel zijn er beïnvloedende factoren, zoals de leerbaarheid van een inwoner. Hoe sneller de activiteiten zijn aangeleerd, hoe sneller de ondersteuning eindigt. Het gaat bij het resultaatgebied ‘regie en organisatie’ om twee categorieën: Categorie 1 Het aanleren (en samen uitvoeren) van activiteiten gericht op de resultaten: •‘schoon en leefbaar huis’ •‘schone was’ •‘maaltijden’ Deze categorie ondersteuning wordt ingezet bij inwoners die leerbaar zijn, zoals mensen met een (recente) lichamelijke beperking of mensen die de activiteiten nooit hebben aangeleerd maar deze moeten gaan uitvoeren door het wegvallen van een partner of gezinslid. Het gaat om tijdelijke ondersteuning (maximaal 6 weken), waarbij aansluiting wordt gezocht bij het onderzoek van Bureau HHM. Categorie 2 Structureel adviseren, organiseren (en samen uitvoeren) van activiteiten gericht op de resultaten: •‘schoon en leefbaar huis’ •‘schone was’ •‘maaltijden’ Dit betreft inwoners die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrische of cognitieve problemen als dementie, niet aangeboren hersenletsel (NAH), of een licht verstandelijke beperking (LVB). De ondersteuning is structureel noodzakelijk. 3.4.4.5 Resultaat Maaltijdverzorging Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten, warme maaltijd opwarmen. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig één keer per dag de broodmaaltijd(en) wordt bereid en klaargezet en één keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. De maaltijdverzorging is inclusief tafeldekken, eten en drinken klaarzetten, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. In het onderzoek wordt gekeken of voorliggende voorzieningen, zoals kant en klaar maaltijden van de supermarkt, mee-eten bij een verzorgingshuis, maaltijdbezorging aan huis etc. oplossingen bieden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Indien een inwoner niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leiden, kan ondersteuning door de gemeente worden bezien. Voor het bereiden van maaltijden (koken) wordt geen voorziening op basis van de wet verstrekt. De reden hiervoor is dat er voldoende algemeen toegankelijke voorzieningen beschikbaar zijn. Voor het resultaat ‘maaltijden’ is alleen de weegfactor ‘de aanwezigheid van een vaatwasser’ van toepassing. Dit bepaalt of in het huishouden de vaatwasser moet worden in- en uitgeruimd, of dat er moet worden af gewassen. Als inwoner ondersteund moet worden bij het feitelijke eten en/of drinken valt deze hulp onder de Zvw. 3.4.4.6 Resultaat Kindzorg Het zorgen voor kinderen is een taak van ouder en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen en/of ziekte (tijdelijk) niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke zorg hoeft het college niet te compenseren. We ondersteunen alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met de leeftijd van vijf jaar. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouder(s) of verzorger(s) de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de wet. Zorg voor de kinderen omvat het: •Wassen •Douchen •Aankleden •verschonen van luiers •het voeden van baby's. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. De hierna genoemde normtijden zijn ontleend aan de CIZ-indicatierichtlijn, omdat het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 voor het resultaat kindzorg geen normtijden bevat. Zij worden gehanteerd als richtsnoer; de daadwerkelijk toe te kennen tijd is maatwerk. Normtijden Kindzorg: Voor kinderen tot 5 jaar geldt: -Naar bed brengen: 10 minuten per keer per kind -Uit bed halen: 10 minuten per keer per kind -Wassen en kleden: 30 minuten per kind -Eten/en of drinken geven: 20 minuten per broodmaaltijd/25 minuten per warme maaltijd -Babyvoeding (fles geven): 20 minuten per keer per kind -Luier verschonen: 10 minuten per keer per kind -Naar school/kinderdagverblijf/ peuterspeelzaal brengen: 15 minuten per keer per gezin Bovenstaande tijden gelden tot een maximum van 40 uur per week voor een maximum van 3 maanden en zoveel korter indien mogelijk. Bron: CIZ normtijden 2006 Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene of voorliggende voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de inwoner op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen? 3.5 Regie en structuur in het dagelijks leven (Dagelijkse regie) en zingeving, sport en activeren (Activeren) Een inwoner kan op één of meerdere leefgebieden problemen ervaren door het ontbreken van regie en structuur in het dagelijks leven. Dit kan hem belemmeren in zijn zelfredzaamheid, het kunnen participeren in de maatschappij en het zelfstandig kunnen (blijven) wonen. Om de inwoner hierbij te kunnen ondersteunen kan er een vorm begeleiding worden ingezet. Begeleiding via een maatwerkvoorziening gericht op het bevorderen en/of behouden van de zelfredzaamheid en participatie wordt in IJsselstein individueel en in groepsverband aangeboden. Niet de diagnose is leidend (van welke ziektebeeld/ welke grondslag sprake is) maar de mogelijkheden en de beperkingen van de inwoner. Het Team Sociaal Domein brengt in kaart wat het effect is van de aandoening of beperking op de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner en wat vervolgens de doelen van de in te zetten ondersteuning zijn. De doelen en de in te zetten maatwerkvoorziening worden altijd afgestemd en ingezet met de goedkeuring van de inwoner en/of de mantelzorger/familie. De aanbieder werkt met een hulpverleningsplan waarin de doelen en methodische aanpak worden gedefinieerd in lijn met het ondersteuningsplan dat vanuit het Team Sociaal Domein samen met de inwoner is opgesteld. De aanbieder en het Team Sociaal Domein evalueren indien nodig periodiek de verdere voortgang van de begeleiding. Als blijkt dat de inwoner structureel onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van dit hulpverleningsplan, dan kan dat reden zijn om de begeleiding te beëindigen. Verder is de ondersteuning vanuit de wet vrijwillig, een inwoner kan niet gedwongen worden tot begeleiding. 3.5.1 Afwegingskader Eigen kracht Het Team Sociaal Domein onderzoekt in eerste instantie in hoeverre de inwoner op eigen kracht een oplossing kan vinden voor de problemen die hij ervaart op het gebied van regie en structuur in zijn dag/week. Kunnen bepaalde zaken anders worden georganiseerd of ingericht? Of kunnen bepaalde vaardigheden worden aangeleerd? Bijvoorbeeld het hanteren van een duidelijke vaste structuur in dagelijks terugkomende taken of het gebruik maken van een kalender voor de dag/weekplanning. Of gebruik maken van handige digitale hulpmiddelen waardoor de inwoner (een deel van de) activiteiten weer zelf kan doen, bijvoorbeeld de kook-app die ondersteunt bij het doen van de boodschappen en koken voor mensen met een verstandelijke beperking of de GoOV-app die ondersteunt bij het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. Om deze zaken uit te gaan voeren of aan te leren kan (tijdelijk) ondersteuning van buitenaf nodig zijn. Ook kan er mogelijk een beroep worden gedaan op gebruikelijke hulp, bijvoorbeeld ouders die hun 20-jarige zoon ondersteunen bij het maken van een weekplanning om hem zo de structuur aan te leren of kinderen die helpen bij de administratie van hun ouder wordende ouders. Sociaal netwerk en algemene voorzieningen Binnen het bredere sociaal netwerk is het denkbaar dat er bijvoorbeeld buren of familieleden zijn die kunnen helpen bij het (samen) doen van de administratie of boodschappen, regelmatig een oogje in het zeil houden, structuur in de week aanbrengen, samen activiteiten ondernemen en zorgen voor een zinvolle invulling van (een deel van) de dag. Het Team Sociaal Domein beoordeelt verder in gesprek met de inwoner of er gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen in de vorm van welzijnsactiviteiten. Bijvoorbeeld een koffie-inloop bij van De welzijnsorganisatie (waar ontmoeting en activiteiten plaatsvinden), een cursus waardoor de inwoner zijn sociaal netwerk uitbreidt, een administratie op orde, ondersteuning bij financiën of bureaucratische vragen bij het informatiepunt digitale overheid (IDO), gezelschap of ondersteuning van vrijwilligers, deelname aan sportactiviteiten, etc. Ook lichte en kortdurende begeleiding door het Team Sociaal Domein valt hieronder. Ondersteuning op grond van andere voorzieningen Bij de afweging komt tevens aan bod of voor de ondersteuningsvraag aanspraak bestaat op ondersteuning op grond van andere wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld behandeling vanuit de Zvw. De stelregel hierbij is dat dan eerst behandeling wordt ingezet. In dat geval mag van de inwoner worden verwacht dat hij/zij een beroep doet op de behandelmogelijkheden vanuit de Zvw en dat de inwoner zich inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. Het kan voorkomen dat in bepaalde situaties behandeling en begeleiding naast elkaar worden ingezet (dan neemt bijvoorbeeld de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd), of dat tijdelijk begeleiding wordt ingezet om de inwoner toe te leiden naar behandeling. Ook kan begeleiding worden ingezet om tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Beide vormen van ondersteuning dienen op elkaar te worden afgestemd. Verder kan bij andere voorzieningen gedacht worden aan een voorliggende Wlz-indicatie, of bijvoorbeeld arbeidsvoorzieningen op grond van de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong of Participatiewet (PW), of opvoedondersteuning voor ouders vanuit de Jeugdwet. Voorliggend veld Het is van belang dat het voorliggend veld en het eigen netwerk zoveel mogelijk onderdeel uitmaken van de aanpak en in het behalen van doelen en resultaten. Wanneer er individuele begeleiding noodzakelijk is dan is het van belang dat de zorgaanbieder bij de totstandkoming van het begeleidingsplan het voorliggend veld zoveel mogelijk integreert in de begeleiding. 3.5.2 Individuele begeleiding (IB) Ondersteuning in de vorm van begeleiding is gericht op het versterken van de lichamelijke, cognitieve, sociale en psychische mogelijkheden die de inwoner in staat stelt om zich staande te houden in de samenleving en te functioneren binnen de persoonlijke levenssfeer. Het functioneren en de behoefte aan ondersteuning is afhankelijk van veel factoren (persoonskenmerken, sociaal netwerk, leerbaarheid, motivatie, gedrag etc.) en kan voor iedere inwoner anders zijn en dus in tijd fluctueren. Ontwikkelen en behouden De maatwerkvoorziening IB richt zich op het actief herstellen (ontwikkelen) of gedeeltelijk behouden van het beperkte of afwezige vaardigheden van de inwoner, zodat de inwoner wordt begeleid naar een zo passend en aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid. Na ‘ontwikkelen’ kan in de meeste situaties overgestapt worden naar ‘behouden’, tenzij onderbouwd aangegeven kan worden dat de inwoner de komende periode nog grote stappen kan maken. Om die reden is het uitgangspunt ‘behouden’ en wordt een indicatie voor ‘ontwikkelen’ altijd kortdurend afgegeven met een maximum van twee jaar. Het kan dan gaan om zaken als het helpen (leren) plannen van activiteiten, (leren) regelen van dagelijkse zaken, het (leren) nemen van besluiten en het (leren)structureren van de dag. Maar ook om het bieden van praktische hulp en ondersteuning bij het (leren) uitvoeren van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. Er wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk voeren van regie over het eigen leven, met een minimale inzet van professionals. Indien mogelijk wordt ook het sociaal netwerk of voorliggend veld betrokken. Ook dient de begeleiding goed aan te sluiten bij de leefwereld van de inwoner. Het Team Sociaal Domein voert casusregie over de gemaakte afspraken in het ondersteuningsplan. Casusregie is het coördineren, afstemmen en monitoren van de ingezette ondersteuning aan de inwoner waarbij het eigen netwerk, informele partijen en hulpverleners betrokken kunnen zijn. 3.5.2.1 Productenmodel De resultaatgebieden van de maatwerkvoorziening IB liggen op verschillende leefgebieden zoals: 1.Zelfzorg en (geestelijke en lichamelijke) gezondheid 2.Regelvermogen en dagstructuur 3.Administratie en financiën (alleen i.c.m. andere doelen, anders voorliggend of informeel 4.Sociaal en persoonlijk functioneren 5.Zingeving en meedoen 6.Woonvaardigheden/zelfstandig voeren van huishouden. Afwegingskader productenmodel Op basis van het onderzoek dat het Team Sociaal Domein heeft met de inwoner moet duidelijk worden hoe de ondersteuning van de inwoner eruit moet komen te zien. Aan de hand van vier aspecten wordt bepaald welke vorm van ondersteuning het beste aansluit bij de ondersteuningsvraag. De vier aspecten die onderscheiden worden zijn: 1.Type ondersteuning: behouden of ontwikkelen? 2.Omvang van de ondersteuningsvraag: het aantal resultaatgebieden. 3.Benodigde intensiteit van de ondersteuning: zijn er verzwarende omstandigheden? 4.Duur van de ondersteuning. Deze vier aspecten helpen om op een logische wijze de ondersteuningsvraag van de inwoner af te pellen en tot een passend ondersteuningsaanbod te komen die het beste aansluit bij de vraag. Productmodel De indicatie leidt tot de toekenning van 1 van de in totaal 18 producten binnen het model. Aan dit product is een maandtarief gekoppeld dat door de aanbieder bij de gemeente kan worden gedeclareerd. 1 tot 2 resultaatgebieden 3 tot 4 resultaatgebieden 5 resultaatgebieden Behouden Ontwikkelen Behouden Ontwikkelen Behouden Ontwikkelen Gemiddelde intensiteit Intensiteit + Intensiteit ++ Wanneer sprake is van een indicatie “lichter dan het lichtste product met het laagste tarief” of “zwaarder dan het zwaarste product met het hoogste tarief” dan gelden hiervoor de vastgestelde maatwerk-uurtarieven. Deze zijn opgenomen in het Besluit. 3.5.2.2 Bepaling inzet De behoefte aan ondersteuning is afhankelijk van veel factoren en dus voor iedere inwoner maatwerk. Voor het bepalen van het niveau en de tijdsinzet maakt het Team Sociaal Domein een afweging tussen de benodigde intensiteiten de zwaarte van de problematiek van de inwoner. Sommige inwoners kunnen veel begeleiding per week aan in een korte periode en andere zijn meer gebaat bij minder begeleiding per week maar over een langere periode. Er wordt gekeken naar het gemiddelde; de intensiteit van de begeleiding kan binnen een niveau per week fluctueren. Daarnaast speelt mee of er een noodzaak is om alle ondersteuningsvragen (bijna) tegelijk aan te pakken of de mogelijkheid om een prioritering aan te brengen, waardoor ze achter elkaar aan de orde kunnen komen. Het Team Sociaal Domein legt de indicatie vast in een ondersteuningsplan. Op basis van de indicatie stelt de zorgaanbieder in samenspraak met de inwoner een begeleidingsplan op (inclusief doelen, activiteiten, frequentie, etc.). Bij een eventuele aanvraag voor een verlenging van een indicatie wordt het begeleidingsplan geëvalueerd en beoordeeld in hoeverre de doelen behaald zijn (waarom wel/niet) en of deze aanpassing behoeven. Indien bij de evaluatie blijkt dat de inwoner en zorgaanbieder, verwijtbaar, niet werken aan de gestelde doelen, dan heeft het college de mogelijkheid om de inwoner te verwijzen naar een andere zorgaanbieder, dan wel de begeleiding stop te zetten. Waakvlam Het is van belang dat er al tijdens het ondersteuningstraject wordt nagedacht over eventuele nazorg en waakvlamfunctie bij het afsluiten van de individuele begeleiding: is er iemand die vinger aan de pols kan houden en kan opschalen indien nodig? Deze waakvlamfunctie wordt eerst gezocht in eigen kracht, eigen netwerk of voorliggend veld. 3.5.3 Ondersteuning maatschappelijke deelname (OMD) De maatwerkvoorziening Ondersteuning maatschappelijke deelname (OMD) richt zich op het realiseren van een zinvolle (halve) daginvulling. De dagactiviteiten zijn gericht op het bevorderen en behouden van de zelfredzaamheid of vertragen van de achteruitgang van de zelfredzaamheid. Maar ook het voorkomen van een sociaal isolement en het bevorderen van een gevoel van eigenwaarde, gezondheid, welbevinden en kwaliteit van leven. Er is een verschil met welzijnsactiviteiten als algemene voorziening. Voor een grote groep inwoners kan deelname aan welzijnsactiviteiten voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Inwoners die in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening ‘OMD’ hebben behoefte aan een meer structurele, programmatische en/of methodische vorm van dagactiviteiten met meer professionele begeleiding. Het gaat bijvoorbeeld om ouderen met een vorm van dementie en personen met niet aangeboren hersenletsel die ernstig beperkt zijn in hun zelfredzaamheid en (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dagstructuur vorm te geven. De maatwerkvoorziening OMD kan ook worden ingezet om de mantelzorger te ontlasten in de thuissituatie zodat hij niet overbelast raakt. 3.5.3.1 Drie niveaus OMD De maatwerkvoorziening ‘OMD’ kan ook op verschillende niveaus worden ingezet. Ondersteuning maatschappelijke deelname 1 Kernbegrip: stimuleren en toezicht •Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken. Bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. De inwoner kan zelf om hulp vragen. •De ondersteuning is er op gericht door stimulans en/of toezicht ervoor te zorgen dat de inwoner in staat is om zijn/haar sociale leven zelfstandig vorm te geven. Ondersteuning maatschappelijke deelname 2 Kernbegrip: helpen bij •De ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van de dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme), die voor de inwoner niet vanzelfsprekend zijn. Dit kan zodanige problemen opleveren dat de cliënt afhankelijk is van ondersteuning. •De communicatie gaat niet altijd vanzelf door de inwoner soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. •Het niet inzetten van ondersteuning kan leiden tot verwaarlozing/opname. Ondersteuning maatschappelijke deelname 3 Kernbegrip: overnemen en regie •De ondersteuning richt zich op het overnemen van taken door een professional, omdat de inwoner ernstige problemen heeft. Het gaat dan bijvoorbeeld om ondersteuning bij complexe taken die voor de inwoner moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De inwoner kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen. •Voor de dag-structuur en het voeren van regie is de inwoner afhankelijk van de hulp van anderen. 3.5.3.2 Bepaling inzet OMD wordt vastgesteld in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan maximaal vier aaneengesloten uren. Het maximum is in principe 6 dagdelen tenzij situatie dermate schrijnend is én er een negatief besluit vanuit de Wlz kan worden overlegd. Dit vanuit de gedachte dat als er meer ondersteuning nodig is dan 6 dagdelen, de inwoner dermate zware zorg nodig heeft dat Wlz aan de orde is. Het aantal dagdelen dat wordt ingezet is afhankelijk van: •Het doel dat deze maatwerkvoorziening heeft voor deze specifieke inwoner •De noodzaak Hoeveel structuur, activering, toezicht is nodig? Wat biedt het eigen sociaal netwerk, hoe staat het met de belastbaarheid van de mantelzorg? Welke algemene of andere voorzieningen kunnen worden ingezet? •Mogelijkheden van inwoner en netwerk: Hoeveel kan de inwoner fysiek en mentaal aan? •Hoeveel is nodig om de mantelzorger te ontlasten. 3.5.3.3 Vervoer Ten aanzien van vervoer van en naar de dagbesteding is het uitgangspunt dat de inwoner of zijn netwerk het zelf regelt. Indien dit niet mogelijk is wordt een vervoerscomponent naar de locatie toe mee geïndiceerd. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor het (organiseren van het) vervoer en ontvangen hier een vervoersprijs voor. Het is niet de bedoeling dat inwoners voor deze vorm van vervoer gebruiken maken van de Regiotaxi met hun Wmo vervoerspas. 3.5.4 Arbeidsmatige Activering (AA) Arbeidsmatige Activering (AA) is het centraal stellen van de arbeidsmatige ontwikkeling van de inwoner, wat moet leiden tot doorstroom naar betaalde of onbetaalde participatie. Bij AA werken inwoners onder begeleiding in een werksetting die is afgestemd op hun mogelijkheden en interesses. AA is bedoeld voor inwoners waarvoor regulier werk of andere vormen van participatie nu nog niet haalbaar zijn, maar er wel mogelijkheden en talenten zijn om een maatschappelijke of economische bijdrage te kunnen leveren. AA stimuleert het ervaren van de positieve effecten van werk, zoals: het opdoen van sociale contacten, het verkrijgen van werknemersvaardigheden, een dagritme hebben en een gevoel van (eigen)waarde hebben. 3.5.4.1 Twee vormen van AA Er zijn twee vormen van AA: Ontwikkelingsgericht en Stabiliteit. Bij beide vormen kan een reguliere of een meer intensieve mate van begeleiding worden ingezet. 1.AA Ontwikkelingsgericht AA Ontwikkelingsgericht gaat uit van een ontwikkelpotentieel naar werk of andere vormen van participatie, buiten de beschermde omgeving van een zorgaanbieder. De verwachting hierbij is dat inwoners binnen een periode van maximaal 3 jaar stappen zullen zetten richting participatie of (on)betaald werk. 2.AA Stabiliteit AA Stabiliteit is voor inwoners waarvoor vormen van participatie naar buiten toe gericht (nog) niet haalbaar zijn, maar wel goed functioneren binnen de ‘beschermde’ werkomgeving van een zorgaanbieder. AA Stabiliteit duurt maximaal 3 jaar, waarin wordt toegewerkt naar voorzieningen binnen een beschermde omgeving. De ontwikkeling is niet gericht op arbeid, maar op het kunnen deelnemen aan activiteiten binnen de maatschappij. De arbeidsmatige omgeving, het bieden van structuur en de mate van begeleiding bieden de inwoner stabiliteit en een passende en zinvolle dagbesteding. 3.5.4.2 Verschil tussen Arbeidsmatige Activering (AA) en Ondersteuning maatschappelijke deelname (OMD) Het verschil tussen AA en OMD is dat bij AA de focus ligt op arbeidsmatige ontwikkeling. AA is specifiek gefocust op het stimuleren van participatie van de inwoner op het gebied van (on)betaald werk. OMD daarentegen gaat vooral om ontspanning, ontmoeting en dagstructuur. Bij OMD worden geen eisen gesteld, waar AA een strenger kader stelt. 3.5.5 Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf in een instelling is bedoeld ter ontlasting van de mantelzorg of het netwerk. Het kan gaan om inwoners die voortdurend toezicht nodig hebben of waar constant zorg of zorg op ongeregelde tijdstippen noodzakelijk is. Bij kortdurend verblijf gaat het om logeren met als doel het overnemen van de zorg ter ontlasting van de gebruikelijke zorg of de mantelzorger. Kortdurend verblijf heeft een duur van maximaal drie etmalen per week gemiddeld, maar het kan ook aaneengesloten worden ingezet met een maximaal van drie keer 1 week per jaar, mits beschikbaar bij gecontracteerde partijen. Het verblijf is ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. Kortdurend verblijf betreft de mogelijkheid voor een inwoner om ergens te logeren waar permanent toezicht geboden wordt en waarbij zorg en ondersteuning geboden wordt. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie op grond van de Zvw worden geïndiceerd. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. Maximale duur Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft; bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van Wlz moet worden gesteld. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt om bijvoorbeeld verblijf van een week, zodat mantelzorg op vakantie kan, mogelijk te maken. Dit kan ook uitgespreid worden over een langere periode zodat er de mogelijkheid is tot het zogeheten interval verblijf van bijvoorbeeld elke drie maanden 1 week (7 etmalen) kortdurend verblijf. Er moet dan wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals respijtzorg vergoed door de Zvw geen optie zijn. 3.5.6 Respijtzorg Wmo Respijtzorg is een overkoepelende term voor maatwerkvoorzieningen die worden ingezet om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten. Het gaat om maatwerkvoorzieningen die worden ingezet bij een inwoner zodat zijn partner of kind tijdelijk wordt ontlast in de gebruikelijke hulp of mantelzorgtaken aan hun naaste. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ondersteuning maatschappelijke deelname (dagbesteding) waarmee iemand een aantal dagdelen per week naar de dagbesteding kan gaan. Of kortdurend verblijf waarbij de inwoner korte tijd buiten de thuissituatie kan logeren. 3.5.7 Begeleiding aan zintuigelijke gehandicapten (ZG), Specialistische ZG-ondersteuning De inzet van specialistische ondersteuning ZG is erop gericht dat inwoners (met ook hulp uit hun eigen omgeving) met een blijvende ZG beperking en die kampen met complexe bijkomende problematiek, hun zelfredzaamheid en eigen regie zoveel als mogelijk behouden, of vergroten. En tevens dat deze inwoners zo goed als mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en kunnen blijven meedoen in de samenleving. Deze ondersteuning is, omdat het zo weinig voorkomt, landelijk door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ingekocht met een raamovereenkomst. Meer informatie hierover staat op de website van de VNG. Een inwoner die in aanmerking komt voor specialistische ondersteuning voldoet aan onderstaande criteria: •Is achttien jaar of ouder •Woont zelfstandig •Heeft een visuele beperking die voldoet aan de NOG -richtlijn 'Visusstoornissen, Revalidatie en Verwijzing'. Volgens deze richtlijn is sprake van een visuele beperking als ernstige stoornissen in het gezichtsvermogen en/of de visuele perceptie zijn vastgesteld in combinatie met beperkingen in het dagelijks functioneren •Er is sprake van bijkomende beperking, problematiek. De ondersteuning richt zich daarbij op het: •Omgaan (door inwoner en naaste omgeving) met de gevolgen van de ZG beperking, hoe deze gecompenseerd kan worden •Behouden en benutten van een sociaal netwerk rondom/ van een inwoner •Met kennis en expertise versterken van het informele (ook vrijwilligers) systeem rondom de inwoner •Met ZG kennis en expertise versterken van het professionele systeem rondom de inwoner •Aanbrengen van structuur, het zelf regie kunnen voeren, compenseren en actief herstellen van het beperkt of afwezig regelvermogen. Hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen •Het (kunnen) hanteren van de energiebalans is een belangrijk onderdeel 3.5.8 Voorziening voor sportbeoefening Wanneer een inwoner een ondersteuningsvraag voor sportbeoefening heeft, kan een ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten van sportbeoefening’ worden verstrekt als maatwerkvoorziening. Ook een sportvoorziening, bijvoorbeeld een sportrolstoel, kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van een inwoner. Uitgangspunt hierbij is dat inwoners in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening. Wanneer vanwege de beperking extra kosten worden gemaakt, kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De financiële tegemoetkoming voor sportvoorzieningen is gemaximeerd en is opgenomen in het Besluit. Voorwaarden De financiële tegemoetkoming wordt maximaal eens in de drie jaar verstrekt, voor de aanschaf, het onderhoud en reparatie. Verder is de inwoner zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij het uitoefenen van een sport en zijn algemeen gebruikelijke kosten voor eigen rekening. Denk aan kosten voor lidmaatschap, noodzakelijke kleding, vervoer van en naar de sportlocatie etc. Indien de voorziening voor sportbeoefening een rolstoel betreft dan is de voorziening wettelijk uitgezonderd van het innen van een eigen bijdrage via het abonnementstarief. Omdat het te behalen resultaat op maatschappelijke participatie is gericht, worden de volgende (niet limitatief) elementen betrokken bij de afweging of een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt: -op welke andere wijze de inwoner participeert, -welke meerwaarde de sportactiviteit levert, -of er een historie is met de betreffende sportactiviteit dan wel sport in zijn algemeenheid, -of er sprake is van sporten in verenigd verband. Het kan daarbij gaan om sporten in verenigingsverband, maar ook om sporten in georganiseerd en structureel verband lijkend op een vereniging, zoals een trainingsgroep onder leiding van een professional. Als de inwoner, naar het oordeel van het Team Sociaal Domein, al in aanvaardbare mate participeert door bijvoorbeeld school, vrienden, werk of een andere vorm van dagbesteding, mag het college een maatwerkvoorziening ten behoeve van sportbeoefening weigeren. Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking. Het faciliteren van topsport valt niet onder de reikwijdte van de wet omdat de wet zich beperkt tot de zelfredzaamheid en participatie. 3.6 Financiële tegemoetkoming meerkosten In artikel 2.1.7 van de wet is bepaald dat gemeenten aan personen met een beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming kunnen verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Het verstrekken van deze financiële tegemoetkoming is een keuze, dus geen verplichting van de gemeente. De gemeente IJsselstein heeft ervoor gekozen om geen financiële tegemoetkoming meerkosten in de verordening op te nemen. De gemeente ziet hiervan af omdat op basis van de ervaring hier geen gebruik van wordt gemaakt en dit daarom niet langer is opgenomen. 3.7 Waardevermeerdering woning na woningaanpassing In artikel 20 van de verordening is de terugbetaling voor de waardevermeerdering van een woning na woningaanpassing opgenomen. De uitvoering van dit artikel vraagt aan het Team Sociaal Domein om een taxateur te betrekken wanneer er naar verwachting sprake is van een waardestijging van de eigen woning van meer dan €15.000 door het treffen van een woonvoorziening. De taxateur bepaalt vervolgens de waarde van de woning vóór en na de woningaanpassing. Indien de inwoner aan de vereisten van artikel 20 uit de verordening voldoet, moet de waardevermeerdering van de woning terugbetaald worden aan de gemeente. Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (pgb) Op grond van de wet kunnen inwoners kiezen de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) te ontvangen in plaats van zorg in natura (Zin), als er aan enkele specifieke voorwaarden wordt voldaan. Een pgb is bedoeld om de noodzakelijke ondersteuning zelf in te kopen en dus bij uitstek geschikt voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen en wensen te voeren. Een pgb is niet bedoeld om een inkomen te verbeteren of een verlies van inkomsten te vergoeden of te compenseren. De specifieke voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen, zijn: 1.De inwoner moet zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen; 2.De inwoner moet naar oordeel van het Team Sociaal Domein op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen, dan wel met hulp uit zijn sociaal netwerk of van zijn vertegenwoordiger in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; 3.Naar oordeel van het Team Sociaal Domein moet gewaarborgd zijn dat de door de inwoner in te kopen ondersteuning, hulpmiddelen en andere maatregelen die daartoe behoren, veilig, doeltreffend en inwonergericht zijn, oftewel van goede kwaliteit. Er is een verschil in procedure voor een pgb voor diensten zoals begeleiding en huishoudelijke ondersteuning en voor een eenmalig pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen. Dit hoofdstuk is met name gericht op de diensten. 4.1 Motiveren pgb Op grond van de wet moet een inwoner beargumenteren waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst te ontvangen. Uit de motivering moet blijken dat het de beslissing van de inwoner zelf is om een pgb aan te vragen. Een inwoner kan ervoor kiezen een maatwerkvoorziening voor diensten gedeeltelijk in de vorm van een pgb en gedeeltelijk in natura te ontvangen. In dat geval moet in de schriftelijke motivering duidelijk worden aangegeven hoe de inwoner deze verdeling wil maken en ligt de verplichting bij de inwoner of zijn vertegenwoordiger om de ondersteuning te coördineren en op elkaar af te stemmen. Bij de combinatie van vervoer naar dagbesteding en diezelfde dagbesteding is deze verdeling niet mogelijk. In dat geval is voor de gehele toekenning dezelfde financieringsvorm van toepassing. 4.2 Pgb-plan Het is belangrijk dat een inwoner vooraf goed weet wat een pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden daarbij komen kijken. Daarom wordt tijdens de onderzoeksfase door het Team Sociaal Domein aan de inwoner hierover voorlichting gegeven. Het schrijven van een pgb-plan helpt een inwoner om na te denken over zijn ondersteuningsvraag en de mate waarin deze met behulp van een pgb kan worden opgelost. Wanneer de inwoner een pgb-plan gedeeltelijk of geheel niet binnen de daarvoor gestelde termijn aanlevert, dan kan het Team Sociaal Domein niet controleren of aan de gestelde voorwaarden voor verstrekking van de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt voldaan. Het Team Sociaal Domein kan dan besluiten een pgb te weigeren en de maatwerkvoorziening in natura toe te kennen. Voor het schrijven van een pgb-plan stelt het Team Sociaal Domein een format beschikbaar. De inwoner beschrijft zodoende in ieder geval in zijn plan: •welk(e) doel(en) hij wil bereiken; •hoe hij deze doelen wil bereiken; •binnen welk tijdsbestek hij deze doelen denkt te bereiken; •waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; •hoe de inwoner de taken die aan het pgb verbonden zijn, denkt te gaan organiseren; •indien van toepassing; wie hij gemachtigd heeft om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en hoe de vertegenwoordiger de aan de pgb verbonden taken gaat organiseren; •welke ondersteuning hij met het pgb wenst in te kopen (wat, waar en/of bij wie); •hoe deze ondersteuning zich verhoudt tot het eigen probleemoplossend vermogen; •wat de kwaliteit van de ondersteuning is die hij met het pgb wenst in te kopen en waaruit blijkt dat de ondersteuning van goede kwaliteit is (voldoet aan de eisen in dit hoofdstuk); •wat de ondersteuning per activiteit kost (onderbouwd met een raming). 4.3 Pgb-vaardigheid budgethouder Om er zeker van te zijn dat bij toekenning een pgb goed wordt besteed, is het belangrijk dat de inwoner naar het oordeel van het Team Sociaal Domein voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen én in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het Team Sociaal Domein kan bij deze beoordeling gebruikmaken van de checklist ‘10 punten pgb-vaardigheid’ zoals in 2021 gepubliceerd door het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS). Te vinden op rijksoverheid.nl. Belangenverstrengeling Uit een verzoek tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, kan blijken dat de ondersteuning met het gewenste pgb ingekocht gaat worden bij de persoon die ook het pgb zal gaan beheren. Het Team Sociaal Domein hanteert als uitgangspunt dat het pgb-beheer en het bieden van de ondersteuning vanuit een pgb niet bij één en dezelfde persoon mag liggen. Enkel wanneer naar oordeel van het Team Sociaal Domein geen sprake is van een onacceptabele belangenverstrengeling en uiteraard ook als aan alle overige criteria (inclusief de kwaliteitseisen) wordt voldaan, kan deze dubbelrol worden toegestaan. 4.4 Kwaliteitstoets in te kopen ondersteuning Het is de taak van het Team Sociaal Domein om er zeker van te zijn dat de ondersteuning die de inwoner vanuit een pgb wil inkopen van goede kwaliteit is. Het Team Sociaal Domein toetst hierop bij de aanvraag, maar is bevoegd tussentijds heronderzoek te doen. Het Team Sociaal Domein mag dus ook lopende de bestedingstermijn van het pgb onderzoeken of het pgb juist besteed wordt en/of de ingekochte ondersteuning nog steeds aan de kwaliteitseisen voldoet. Bij haar toets op kwaliteit, kijkt het Team Sociaal Domein of de ondersteuning veilig, doeltreffend en inwonergericht is. Wanneer de ondersteuning naar het oordeel van het Team Sociaal Domein niet van goede kwaliteit is, kan het Team Sociaal Domein besluiten een verzoek tot verstrekking van de maatwerkvoorziening als pgb te weigeren en de maatwerkvoorziening in natura te verstrekken of een eerder genomen besluit tot verstrekking van een pgb te herzien of in te trekken. Allereerst wordt in paragraaf 4.4.1 beschreven wat verstaan wordt onder de begrippen ‘veilig’, ‘doeltreffend’ en ‘inwonergericht’. In de paragrafen daarna worden deze begrippen vertaald naar concrete kwaliteitseisen. 4.4.1 Veilig, doeltreffend en inwonergericht Veilig Met het begrip ‘veilig’ wordt bedoeld dat de inwoner de ingekochte ondersteuning met weinig risico’s kan ontvangen/gebruiken. Het gaat om risico’s ten aanzien van zijn fysieke, sociale of psychische gesteldheid. Een aspect waarnaar gekeken wordt bij het beoordelen of de ondersteuning veilig is, is de aard van de relatie tussen de ondersteuner en de inwoner. Aangetoond moet worden dat de ondersteuner de inwoner met respect behandelt. Daarnaast handelt de ondersteuner in lijn met bepaalde gedrag- en meldcodes en heeft oog voor de rechten en plichten van de inwoner. Doeltreffend Bij doeltreffend gaat het om de vraag of de ondersteuning passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de inwoner. Of de kwaliteit van de hulp toereikend is, is niet alleen afhankelijk van de bekwaamheid van de zorgverlener (opleiding, werkervaring en/of referenties) en zijn wijze van hulpverlening, maar ook van de situatie en (achtergrond van) de problematiek van de inwoner. Een zorgverlener kan bovenstaande zaken aantoonbaar maken door vooraf/tussentijds een zorgplan/ evaluatieverslag aan te leveren. Dit bepaalt in grote mate of de ondersteuning passend en toereikend (doeltreffend) is voor de inwoner. Ook is de aard van de relatie tussen de zorgverlener en de inwoner relevant voor de doeltreffendheid van de in te kopen ondersteuning. In sommige gevallen is het doeltreffender om de ondersteuning te bieden door een persoon buiten het sociaal netwerk. Inwonergericht Met de term inwonergericht wordt bedoeld dat de in te kopen ondersteuning aansluit op datgene wat de inwoner nodig heeft. De beoogde zorgverlener sluit aan bij de wensen, voorkeuren en behoeften van de inwoner. Daarnaast beschikt de beoogde zorgverlener over voldoende deskundigheid en de juiste competenties om de voor de specifieke inwoner benodigde ondersteuning te bieden. Dit kan worden aangetoond met bijvoorbeeld een verslag van een intakegesprek, aan specifieke kenmerken (zoals bijvoorbeeld religie) of de specialisatie/deskundigheid van de persoon of organisatie waar de inwoner de ondersteuning wil inkopen. 4.4.2 Basiskwaliteitseisen ondersteuning pgb Om te kunnen spreken van ondersteuning van goede kwaliteit (veilige, doeltreffende en inwonergerichte ondersteuning), moet de ondersteuning die een inwoner met een pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het Team Sociaal Domein aan de volgende basiskwaliteitseisen voldoen: •de ondersteuning leidt tot het behalen van de doelen en resultaten waarvoor de maatwerkvoorziening is/ wordt toegekend; •de ondersteuning is afgestemd op de reële ondersteuningsbehoefte van de inwoner en op andere vormen van zorg of hulp die de inwoner ontvangt; •de ondersteuning wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de inwoner; •de ondersteuning wordt tijdig en conform afspraak geboden; •de ondersteuningscontinuïteit is gewaarborgd; •de inwoner heeft vertrouwen in de zorgverlener; •de inwoner kan zijn familie en mantelzorger betrekken in de zorg, de zorgverlener houdt daar rekening mee; •de zorgverlener heeft oog voor alle levensgebieden, zoals de woon-, werk- en leefomgeving van de inwoner; •de zorgverlener heeft een actieve signaleringsplicht ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de inwoner aan meer of andere zorg. 4.4.3 Kwaliteitseisen professionele ondersteuning Wanneer de ondersteuning die de inwoner vanuit een pgb wenst in te kopen geboden gaat worden door een professionele zorgverlener, gelden de volgende kwaliteitseisen: •de zorgverlener voldoet aan de basiskwaliteitseisen zoals geformuleerd in paragraaf 4.4.2; •de zorgverlener is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; •de zorgverlener draagt zorg voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers; •alle medewerkers van de zorgverlener beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG); •de zorgverlener heeft een systeem voor het bewaken, beheersen en verbeteren van de kwaliteit; •de zorgverlener heeft de meldplicht om calamiteiten en geweld te melden aan de daarvoor aangewezen toezichthoudende instantie; •de zorgverlener stelt voor het bieden van de ondersteuning een plan van aanpak op hoe de doelen en resultaten gehaald gaan worden en stelt dit plan periodiek bij met een evaluatie en eventueel nieuwe aanpak. Overige mogelijkheden om de kwaliteit van professionele ondersteuning te toetsen Om te komen tot een oordeel of de professionele ondersteuning die de inwoner met een pgb wenst in te kopen van goede kwaliteit is, kan het Team Sociaal Domein ook: •contact opnemen met de professionele zorgverlener en aanvullende informatie opvragen, zoals klantervaringen/-beoordelingen, •jaarverslagen raadplegen, of •rapporten van één of meerdere inspecties of toezichthoudende instanties te raadplegen. 4.4.4 Kwaliteitseisen ondersteuning sociaal netwerk Zoals gezegd is het de taak van het Team Sociaal Domein om te waarborgen dat de ondersteuning die de inwoner vanuit een pgb wil inkopen van goede kwaliteit is. Wanneer de inwoner ondersteuning wil inkopen bij een persoon uit zijn sociaal netwerk, is er een verhoogd risico op belangenverstrengeling. Bovendien is een persoon uit het sociaal netwerk vaak niet specifiek gekwalificeerd om deze ondersteuning te bieden. Het Team Sociaal Domein is om deze twee redenen extra kritisch bij haar toets op de kwaliteit van de ondersteuning geboden door een persoon uit het sociaal netwerk. Het Team Sociaal Domein stelt de volgende kwaliteitseisen aan ondersteuning die geboden wordt door iemand uit het sociaal netwerk van de inwoner: •de hulpverlener voldoet aan de basiskwaliteitseisen zoals geformuleerd in paragraaf 4.4.2. •de hulpverlener heeft de in relatie tot de behoeften, persoonskenmerken en de ondersteuningsvraag van de inwoner benodigde expertise en ervaring •de ondersteuning vanuit het sociaal netwerk is beter, meer effectief en doelmatiger dan ondersteuning door een professionele aanbieder •de hulpverlener uit het sociaal netwerk is voldoende op de hoogte van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn. •bij de hulpverlener uit het sociaal netwerk is geen sprake van (dreigende) overbelasting. Het Team Sociaal Domein neemt de kwaliteitseisen die zij stelt aan professionele zorgverleners als uitgangspunt bij haar toets of de hulpverlener over de benodigde expertise en ervaring beschikt, evenals of de ondersteuning meer effectief en doelmatiger is dan professionele ondersteuning. Zie paragraaf 4.4.3. Goede kwaliteit Individuele Begeleiding Bij de maatwerkvoorzieningen Individuele Begeleiding type ontwikkelen en/of de verzwarende omstandigheden + en/of ++ , kan alleen sprake kan zijn van een goede kwaliteit van de ondersteuning wanneer de hulpverlener: 1.beschikt over de benodigde specialistische kennis, vaardigheden en ervaring, 2.werkt aan de hand van effectief bewezen methoden én 3.volledig onafhankelijk en objectief kan handelen. Dit is zo gezien de complexe aard en/of zwaarte van de problematiek waarvoor deze maatwerkvoorzieningen in natura worden toegekend. Zoals in de Verordening is opgenomen zal het Team Sociaal Domein, wanneer er professionele hulpverlening nodig is, in principe geen ondersteuning in de vorm van een pgb voor ondersteuning uit het sociaal netwerk toekennen. Ondersteuning geboden door huisgenoten Wanneer het Team Sociaal Domein na haar toets een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb toekent voor ondersteuning van een huisgenoot, beperkt de inzet vanuit het pgb zich tot de ondersteuning die de (boven)gebruikelijke hulp overstijgt. 4.5 Pgb bij hulpmiddelen en woningaanpassingen Een inwoner dient bij een verzoek tot pgb betreffende een hulpmiddel of woningaanpassing een verkort pgb-plan in, zoals benoemd in artikel 14 lid 2 van de Verordening. Deze maatwerkvoorzieningen worden immers als éénmalig pgb toegekend door het Team Sociaal Domein. Er is geen sprake van een zorgovereenkomst en de SVB is ook niet betrokken. Wel dient de inwoner twee offertes te overleggen waarin de aanschafprijs staat vermeld en de kosten voor onderhoud en verzekering zijn opgenomen. Indien de inwoner tijdens het onderzoek aangeeft een hulpmiddel of woningaanpassing als pgb wenst te ontvangen, voert het Team Sociaal Domein een korte toets uit op de pgb-vaardigheid. Wanneer de inwoner naar het oordeel van het Team Sociaal Domein in aanmerking komt voor de betreffende maatwerkvoorziening en de pgb-vaardigheid hiervoor op orde is, wordt in de beschikking als onderdeel van het ondersteuningsplan opgenomen onder welke voorwaarden de betreffende maatwerkvoorziening als pgb wordt toegekend. Het betreft in ieder geval: •de hoogte van het pgb (inclusief kosten voor verzekering, onderhoud en reparatie); •het Programma van Eisen (PvE), oftewel een beschrijving van het doel en resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt toegekend en eventuele voorwaarden aan de invulling; •de duur van de verstrekking; •eventuele verplichtingen voor het afsluiten van een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid (WA) of een onderhoudscontract; •besteding en verantwoording. Programma van Eisen ( PvE ) In het PvE legt het Team Sociaal Domein vast voor welk doel de maatwerkvoorziening als pgb wordt toegekend en waaraan de voorziening moet voldoen. Als de inwoner een andere voorziening dan voorgesteld wil, kan hij daarvoor kiezen onder bepaalde voorwaarden: de voorziening roept geen (andere) belemmeringen op en de voorziening dient de beperking op hetzelfde niveau op te lossen als in het PvE wordt gesteld. Natuurlijk dient de invulling ook van goede kwaliteit te zijn: veilig, doeltreffend en inwonergericht (zie paragraaf 4.4.1). Onder veiligheid vallen ook bepaalde (brand)veiligheidskeurmerken/ISO-normeringen. De specifieke eisen die het Team Sociaal Domein stelt aan de kwaliteit worden opgenomen in het PvE. Duur van de toekenning De maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt tenminste toegekend voor de normale afschrijvingstermijn van de desbetreffende voorziening (tenzij anders beschreven in de beschikking). Het Team Sociaal Domein verstaat onder de normale afschrijvingstermijn de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in, dat het Team Sociaal Domein niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de inwoner, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken. De normale afschrijvingstermijnen zijn: 5 jaar 7 jaar 10 jaar 14 jaar Kinderhulpmiddelen, zoals een rolstoel (handbewogen en elektrisch) Hulpmiddelen (muv Kinderhulpmiddelen en Douche- en toilethulpmiddelen), zoals rolstoel (handbewogen en elektrisch), scootmobiel, driewielfiets en losse tillift Traplift Elektrische deurdrangers Douche- en toilethulpmiddelen Autoaanpassingen Plafondtillift Aangepast autozitje voor kinderen Woningaanpassingen De afschrijving van een hulpmiddel kan alleen met een technisch afschrijvingsrapport die is opgesteld door een onafhankelijke partij. Een voorziening kan alleen worden afgeschreven wanneer dit blijkt uit het technisch afschrijvingsrapport. Het aflopen van de afschrijftermijn is op zichzelf staand geen reden om een nieuwe voorziening in te zetten. Zolang de voorziening nog goedkoopst passend is en volgens de normale afschrijvingstermijn nog niet is afgeschreven, kan de inwoner pas een nieuwe aanvraag doen wanneer de looptijd van de indicatie is verstreken. De situatie van de inwoner kan verslechteren, waardoor de voorziening niet meer als passend kan worden aangemerkt. Als wordt verwacht dat de situatie van de inwoner (langzaam) achteruit zal gaan, wordt dit ook opgenomen in het PvE. Een medisch onderzoek kan aan de orde zijn. Wanneer er sprake is van risico op snelle/vroegtijdige vervanging dan wordt er in principe geen pgb ingezet. Bijvoorbeeld bijkindvoorzieningen of daar waar een progressieve aandoening is. Dit is omdat het risico op vroegtijdige vervanging erg groot is en een voorziening bij een gecontracteerde aanbieder sneller kan inspringen op de veranderende ondersteuningsvraag. Indien de inwoner ervoor kiest een tweedehands hulpmiddel aan te schaffen, dan is het risico dat de voorziening binnen de looptijd van de beschikking technisch wordt afgeschreven, voor de inwoner. Besteding en verantwoording Een omzetting van een pgb in een maatwerkvoorziening in natura is niet meer mogelijk nadat er al uitgaven zijn gedaan uit het pgb. Andersom kan ook een eenmaal verstrekte maatwerkvoorziening in natura gedurende de duur van de looptijd van de afgegeven beschikking – indien de voorziening nog goedkoopst passend is en niet is afgeschreven – niet omgezet worden in een pgb. Vastgesteld op 28 september 2026.Het college van IJsselstein, Wilma van de Werken secretaris Ester Weststeijnburgemeester

Meer informatie