Beleidsregel jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026
Beleidsregel jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026 Het college van IJsselstein gelet op de Jeugdwet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026, besluit vast te stellen de volgende: Beleidsregel jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026. Juridisch en beleidsmatig kader •Jeugdwet •Regeling Jeugdwet •Jeugdnota gemeente IJsselstein 2023-2026 •Project financiële beheersmaatregelen jeugd •Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026 (Verordening) Definities •Team Sociaal Domein: ambtelijke medewerkers die namens het college het hiervoor genoemd juridisch kader uitvoeren. •Wet: de Jeugdwet Hoofdstuk 1. Afwegingskader Wanneer jeugdigen en ouders vragen hebben of ondersteuning nodig hebben als het gaat om opgroeien en opvoeden, kunnen zij terecht bij het Team Sociaal Domein. In de Wet is dit in artikel 2.3 als volgt verwoord: 1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. De Wet kent een jeugdhulpplicht voor gemeenten. Hierin staat maatwerk centraal; op individueel niveau wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning nodig is. In dit hoofdstuk wordt beschreven welk afwegingskader wordt gehanteerd voor jeugdhulp. De bedoeling van de Wet is dat ouders en/of jeugdigen die (tijdelijk) niet zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep kunnen doen op maatwerkvoorzieningen wanneer er geen voorliggende mogelijkheden zijn. 1.1 Uitgangspunten Jeugdhulp kán in de vorm van een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Eerst wordt altijd beoordeeld in hoeverre er andere mogelijkheden zijn om de problemen te verminderen en/of weg te nemen. Leidend in het bepalen of er sprake is van een jeugdhulpvraag zijn de eerste vier stappen zoals bepaald door de Centrale Raad van Beroep: ▪︎Wat is de hulpvraag? ▪︎Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of stoornissen en zo ja, wat zijn deze? ▪︎Welke ondersteuning is naar aard en omvang nodig? ▪︎In hoeverre zijn de eigen mogelijkheden van de ouders en/of het sociale netwerk toereikend om zelf hulp te bieden? Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van ouders moeten een aantal factoren worden onderzocht. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te treffen. 1.2 Normaliseren In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak achter de vraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt: •Kwetsbaarheid, problemen en obstakels horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost. •Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen. •Het uitgangspunt is de acceptatie van de hulpvraag te vergroten of de beperking door ouders te verkleinen, door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden. •Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken. Als het gaat om de inzet van een maatwerkvoorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren: •Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van algemene en andere voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag. •De wet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt. •Begeleiding wordt in principe alleen ondersteunend aan of volgend op een behandeling ingezet. De behandelcomponent kan onderdeel zijn van de begeleiding. Uitzondering hierop zijn hulpvragen waarvoor geen behandeling mogelijk is en begeleiding de meest adequate oplossing is voor de jeugdige. De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen. De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige kan variëren door een aandoening of stoornis. Dit betekent dat wanneer een jeugdige op een jongere ontwikkelingsleeftijd functioneert door een aandoening of stoornis de ‘normale’ problemen van die ontwikkelingsleeftijd ook als gewoon worden beschouwd, ondanks een hogere kalenderleeftijd. 1.3 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Van ouders wordt in ieder geval verwacht dat zij de benodigde ondersteuning bieden die horen bij de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’. Ook wordt van ouders verwacht indien er een aanvullende verzekering is afgesloten, zij deze aanspreken wanneer deze vergoeding biedt voor de gevraagde hulp. Voor deze ondersteuning kan in principe nooit jeugdhulp worden ingezet. Uitgangspunt is daarnaast dat ouders allereerst zelf verantwoordelijk zijn voor de hulp en ondersteuning aan hun kind(eren), ook wanneer het kind meer nodig heeft aan hulp en ondersteuning dan gemiddeld door een beperking of stoornis. Dit wordt ook wel ‘eigen kracht' genoemd. Jeugdhulp is alleen mogelijk wanneer ouders niet alle hulp en ondersteuning kunnen bieden die het kind nodig heeft en het netwerk en andere voorzieningen onvoldoende helpen om de hulpvraag te beantwoorden. Of wanneer de jeugdige specialistische zorg nodig heeft. Indien ouders niet alle hulp en ondersteuning zelf kunnen bieden, wordt onderzocht in hoeverre zij wel meer zouden kunnen doen wanneer zij nieuwe vaardigheden leren, eigen problematiek aanpakken of werk anders inrichten. In de beoordeling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt de (over)belasting van ouders altijd meegewogen. Wanneer de hulp en ondersteuning tot overbelasting kan leiden, is het soms noodzakelijk om (tijdelijk) jeugdhulp in te zetten ter ontlasting van ouders en om te zorgen dat ze de overige zorg volhouden. Ook kan opvoedondersteuning nodig zijn om ouders meer vaardigheden aan te leren in relatie tot de problematiek van hun kind, waardoor zij zich minder belast voelen in de dagelijkse opvoeding. 1.4 Onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Het kan zijn dat het ouders op het moment van onderzoek niet lukt om alle hulp zelf te bieden. Dat kan zijn door overbelasting (niet samenhangend met de zorg aan het kind), door werk, door gebrek aan vaardigheden, door eigen problematiek, etc. Wat hebben ouders nodig om het wel te kunnen, of om meer te kunnen bieden? Hierin wordt in ieder geval verwacht van ouders dat zij, waar mogelijk; •Oorzaken van overbelasting wegnemen •Zorgverlof en andere soorten verlof inzetten •Werktijden en aantal werkuren per week aanpassen, indien mogelijk •Trainingen of cursussen volgen om opvoedvaardigheden, in relatie tot de problematiek, te versterken •Gebruik maken van opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang •Hun sociale netwerk inzetten en proberen te vergroten indien nodig •Hun kind voltijds onderwijs laten volgen en ook op aansturen bij school •Werken aan het verminderen van eigen problematiek door gebruik te maken van algemene voorzieningen, preventief aanbod of voorzieningen uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo), en/of zorgverzekeringswet Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke handicap, psychosociale problematiek of financiële problematiek, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder andere wetgeving of algemene voorzieningen, ook als de jeugdige een handicap heeft. Specialistische opvang van een jeugdige kan wel jeugdhulp zijn wanneer er sprake is van problematiek die ervoor zorgt dat er geen reguliere opvangplek mogelijk is en ouders (en netwerk) al hun opties hebben onderzocht en benut, maar dit nog onvoldoende oplossing biedt. Reguliere opvang is vaak niet mogelijk wanneer een jeugdige specialistische (1-op-1) begeleiding vraagt door gedrag, een beperking of stoornis. In die gevallen kan er aanvullend jeugdhulp nodig zijn op een reguliere opvang, of volledig specialistische opvang. Op het moment dat ouders aangeven overbelast te zijn, of wanneer er op basis van het onderzoek twijfel is over de draagkracht en belastbaarheid van ouders, wordt de belastbaarheid gemeten via een gevalideerd instrument, of wordt een deskundige geraadpleegd die in staat is om de belastbaarheid te beoordelen (onafhankelijk medisch advies). Voorbeelden van gevalideerde meetinstrumenten zijn: OBVL (opvoedbelasting vragenlijst), CSI (Caregiver Strain Index), EDIZ (Ervaren Druk Informele Zorg), etc. Het wordt niet van ouders verwacht dat zij alle zorg en ondersteuning alleen bieden wanneer een jeugdige van vijf jaar of ouder aangewezen is op 24 uur toezicht en hulp, maar (nog) geen aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz). Indien er onvoldoende netwerk of overige voorzieningen beschikbaar zijn, dan kan het inzetten van jeugdhulp een oplossing zijn om overbelasting van ouders te voorkomen. Hoofdstuk 2. Voorliggende en andere voorzieningen Een voorliggende voorziening is een voorziening waar jeugdige en ouders een beroep op kunnen doen, waardoor geen of in mindere mate ondersteuning vanuit de wet nodig is. Bij voorliggende voorzieningen voor de wet valt te denken aan algemene voorzieningen, de Wlz, Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en Passend Onderwijs. Onderstaand is toegelicht wanneer welke voorziening van toepassing is. 2.1 Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is een voorziening die toegankelijk is voor iedereen, zonder toegangstoets of op basis van een beperkte toegangstoets. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op een maatwerkvoorziening vanuit de wet. Dit betekent dat bij een aanvraag eerst beoordeeld wordt in hoeverre een algemene voorziening passend is. Indien nodig kan er aanvullend een maatwerkvoorziening worden ingezet voor dat deel van de ondersteuning waar geen algemene voorziening passend voor is. Algemene voorzieningen kunnen zowel collectief als individueel van aard zijn en het kunnen zowel commerciële diensten zijn als diensten zonder winstoogmerk. Vrijwillige inzet wordt ook als algemene voorziening beschouwd. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: •Consultatiebureau en jeugdgezondheidszorg (GGD regio Utrecht) •Kinderopvang en buitenschoolse opvang •Opvoedhulp bijvoorbeeld Familie & Co van De welzijnsorganisatie •Opvang of respijt via Buurtgezinnen 2.2 Andere voorzieningen/afbakening aanpalende wetgeving Een andere voorziening is ondersteuning waar op grond van een andere (wettelijke) regeling dan bedoeld in de wet aanspraak op kan worden gemaakt/bestaat. Het Team Sociaal Domein mag een maatwerkvoorziening jeugdhulp weigeren als aanspraak bestaat op een andere voorziening. De onafhankelijk cliëntondersteuner kan een inwoner helpen bij de aanvraag van een andere voorziening. 2.2.1 Wet langdurige zorg De Wlz is voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent dat wanneer iemand toegang heeft tot deze wet, de benodigde zorg en ondersteuning ook vanuit deze wet betaald wordt. Er wordt geen voorziening vanuit de wet ingezet: •wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie heeft of er redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige deze indicatie zou kunnen krijgen; •als jeugdige en ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit voor de Wlz, terwijl er wel redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige deze zou kunnen krijgen. Het Team Sociaal Domein neemt een melding op gebruikelijke wijze in behandeling en start een onderzoek, ook als zij weet dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteuning vanuit de Wlz ontvangt of denkt dat hij daarop aanspraak kan maken. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat de hulpvraag voldoende is/kan worden opgelost met zorg vanuit de Wlz als andere voorziening. Er is dan geen reden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening jeugdhulp. Sommige vormen van hulp biedt de Wlz niet en vallen dus altijd onder het bereik van de wet (bijv. jeugd-ggz of pleegzorg). Een Wlz-indicatie en jeugdhulp kunnen dus naast elkaar bestaan. Uitzondering is wanneer de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde instelling ontvangt en de behandeling van de psychische stoornis niet los is te zien van de Wlz behandeling. Bij verblijf zonder behandeling, volledig pakket thuis, modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget valt de behandeling van de psychische stoornis onder de wet. Waar nodig wordt in afwachting van het besluit vanuit de Wlz, jeugdhulp geboden tot het moment dat er een besluit is genomen. Als de jeugdige met een Wlz-indicatie vervoer naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt nodig heeft, valt dat onder de wet. De Jeugdwet en de Wlz verschillen op de volgende punten: ▪︎De Jeugdwet biedt zorg en ondersteuning aan de jeugdige zelf, maar ook aan het systeem van de jeugdige. De Wlz gaat niet uit van een herstelgedachte ten opzichte van de wet. ▪︎De Wlz is bedoeld om jeugdigen (en volwassenen) met een blijvende beperking zorg te bieden. Om toegang te krijgen tot een Wlz-voorziening worden twee toetsingscriteria gehanteerd: ontwikkelperspectief en 24-uurs zorg. ▪︎Omdat de Jeugdwet een leeftijdsrestrictie bevat, is er per definitie sprake van tijdelijke zorg. Anders dan de Jeugdwet biedt de Wlz levenslange en levensbrede zorg. De toegangscriteria voor Wlz zijn opgenomen in de Wlz en beleidsregels indicatiestelling Wlz. Ook jeugdigen onder de acht jaar kunnen toegang krijgen tot de Wlz. Het CIZ toetst op het criterium ‘gebruikelijke zorg’, hierbij speelt de leeftijd van de jeugdige een rol. 2.2.2 Zorgverzekeringswet De Zvw is voorliggend op de Jeugdwet. De Zvw wordt uitgevoerd door zorgverzekeraars en regelt medische zorg die gericht is op genezing en behandeling, thuisverpleging/wijkverpleging en kortdurende GGZ. Voor de Zvw geldt dat: ▪︎Alle verzorging die samenhangt met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt onder de Zvw. Dus ook de verzorging van kinderen die noodzakelijk is door een gezondheidsprobleem of verpleegkundige verzorging in de eigen omgeving. ▪︎Een aanvullende zorgverzekering is voorliggend op de Jeugdwet. ▪︎Voor verzorging geldt: oBegeleidende verzorging is Jeugdwet. oGeneeskundige verzorging en verpleging is Zvw. Het accent bij deze zorgverlening ligt op de medische zorg. oPalliatief terminale zorg is Zvw. ▪︎Voor gespecialiseerde behandeling geldt: oBij een verstandelijke beperking valt behandeling onder de Jeugdwet. oBij een lichamelijke ziekte of lichamelijke beperking valt behandeling meestal onder de Zvw. oBij een zintuiglijke handicap valt de behandeling onder de Zvw. oBij psychiatrische problemen valt behandeling onder de Jeugdwet. ▪︎Het is mogelijk dat jeugdigen tegelijkertijd hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet en de Zvw. Hiervoor geldt ook de plicht tot afstemming. ▪︎Indien de jeugdige problemen ervaart als gevolg van ouderproblematiek, wordt naast hulp aan de jeugdige vanuit de Jeugdwet, ook hulp ingezet voor de ouders vanuit de Zvw (bijvoorbeeld in geval van GGZ of verslavingsproblematiek). Jeugd-GGZ zit niet in het basispakket van de zorgverzekering. Zorgverzekeraars kunnen deze hulp wel via een aanvullende verzekering aanbieden. Hoewel gemeenten zorgen voor de kwaliteit, toegang en beschikbaarheid van hulp aan jongeren met psychische problemen en stoornissen blijft een klein deel van de jeugd-GGZ door de zorgverzekeraar betaald, namelijk: ▪︎Behandeling van lichte psychische klachten door de huisarts of praktijkondersteuner GGZ. ▪︎Medicijnen tegen psychische aandoeningen voor jongeren die niet in een instelling zitten (ofwel: medicijnen die inwoners zelf met een recept bij de apotheek kunnen ophalen). ▪︎Daarnaast zijn er nog andere behandelingen of zaken die onder de Zvw vallen en dan met name in de aanvullende verzekering: oSpeltherapie: 3 tot 14 jaar. oVaktherapie: sommige vormen. oPsychomotorische kindertherapie (tot of rond 12 jaar): leren stress reguleren, emoties verwerken en ervaringen opdoen met ander gedrag. oSoms: counseling. Een aanvullende verzekering is niet verplicht in Nederland en kan niet afgedwongen worden. Indien ouders wel een aanvullende verzekering hebben, wordt die eerst aangesproken voor bovenstaande behandelingen, alvorens er mogelijk vanuit de Jeugdwet hulp kan worden ingezet. Deze vormen van behandeling kunnen alleen aanvullend vanuit de Jeugdwet ingezet worden wanneer deze hulp op basis van de norm van verantwoorde werktoedeling en kwaliteitscriteria uit de Jeugdwet voldoende als veilig, goed en doeltreffend wordt geacht. 2.2.3. Wet maatschappelijke ondersteuning Hulpmiddelen voor jeugdigen, zoals woningaanpassingen of rolstoelen, worden vanuit de Wmo verstrekt. Wanneer een jeugdige naast een hulpvraag voor jeugdhulp ook een hulpmiddel nodig heeft, betrekt het Team Sociaal Domein hun Wmo-collega voor beoordeling van dat deel van de hulpvraag. Daarnaast wordt de Wmo-medewerker ook betrokken door het Tean Sociaal Domein wanneer er bij ouders sprake is van een hulpvraag die valt onder de Wmo. Wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wmo zorgt het Team Sociaal Domein ervoor dat de Wmo-medewerker tijdig wordt betrokken voor een warme overdracht. Indien het Team Sociaal Domein niet de wettelijke verwijzer is, zorgt de betrokken jeugdhulpaanbieder voor een tijdige overdracht. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. 2.2.4 Passend onderwijs Scholen zijn verantwoordelijk voor het bieden van een passende onderwijsplek aan elke leerling, ook als de leerling extra ondersteuning nodig heeft. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Deze verplichting geldt zowel voor leerlingen die al op school zitten als voor nieuw aangemelde leerlingen. De afbakening tussen de zorgplicht van scholen en de jeugdhulpplicht van gemeenten is niet altijd even duidelijk. Grofweg kan het volgende onderscheid gemaakt worden: extra ondersteuning die primair is gericht op het leerproces, is de verantwoordelijkheid van de school. Als extra ondersteuning ook op andere leefgebieden nodig, dan kan de gemeente (deels) verantwoordelijk zijn. 2.2.4.1. Ontwikkelperspectief Plan Om te bepalen of er jeugdhulp noodzakelijk is op school is er in alle gevallen eerst een Ontwikkelperspectief Plan (hierna: OPP) nodig. Deze wordt door school opgesteld en ouders moeten akkoord gaan met het handelingsdeel uit het OPP. School is verplicht om bij elke leerling een OPP op te stellen wanneer er extra ondersteuning nodig is, ook in het regulier onderwijs. In dit OPP moet minimaal opgenomen zijn: ▪︎De verwachte uitstroombestemming van de leerling; ▪︎De onderbouwing van de verwachte uitstroombestemming van de leerling (met in elk geval een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren); ▪︎Een beschrijving van de te bieden ondersteuning en begeleiding en - indien aan de orde - de afwijkingen van het (reguliere) onderwijsprogramma (handelingsdeel). Zonder OPP kan er geen jeugdhulp worden ingezet, omdat de ondersteuningsbehoefte op school dan niet beoordeeld kan worden. Op basis van de gestelde resultaten uit het OPP en de benodigde ondersteuning kan worden bepaald of er ook resultaten zijn die gaan over jeugdhulp en niet over het volgen van onderwijs. Het kan zijn dat doelen tweeledig zijn en alleen deels onder de wet vallen. Dan wordt alleen voor dat deel jeugdhulp ingezet. 2.2.4.2. Begeleiding Inhoudelijke huiswerkbegeleiding wordt nooit vergoed vanuit de wet, dit is de verantwoordelijkheid van ouders en school. In sommige gevallen valt begeleiding bij plannen en structureren wel onder de wet, namelijk bij jeugdhulp met een somatische of psychiatrische aandoening of een verstandelijke of zintuigelijke beperking. Deze begeleiding is dan gekoppeld aan concrete doelen (niet zijnde; alleen het kunnen maken van huiswerk) en tijdsperiode met als resultaat betere zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige. Een leerling kan door zijn gedrag moeilijkheden hebben in de omgang met andere leerlingen. Als gevolg hiervan kunnen leerproblemen ontstaan. De ondersteuning of begeleiding bij deze problemen valt onder de zorgplicht van scholen. Ook tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog kan onder die zorgplicht vallen. Een intelligentietest of onderzoek kan nodig zijn voor onderwijs aan leerlingen, bijvoorbeeld een onderzoek naar hoogbegaafdheid. Als uit het onderzoek blijkt dat een leerling hoogbegaafd is, kan het onderwijs daarop afgestemd worden. In dat geval is het onderzoek primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Het Team Sociaal Domein hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. Een intelligentieonderzoek kan wél onder de verantwoordelijkheid van het Team Sociaal Domein vallen als het onderdeel is van een (breder) diagnoseproces in het kader van jeugdhulp. Begeleiding tijdens de schooluren valt soms ook onder de wet als er extra toezicht nodig is tijdens vrije lessen of activiteiten die niet direct zien op het leerproces van het kind zoals het speelkwartier, het lopen naar de gymlessen etc. Om de jeugdhulp goed aan te laten sluiten bij het onderwijs zijn samenwerkingsafspraken nodig. 2.2.4.3. Vrijstelling Bij een aanvraag voor jeugdhulp voor een jeugdige die (tijdelijk) niet naar school gaat, moet er sprake zijn van een vrijstelling of moet de aanvraag hiervoor lopen. Zonder vrijstelling, of zonder dat deze in aanvraag is, is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Het is dan in de eerste plaats belangrijk dat leerplicht betrokken is/wordt om met ouders in gesprek te gaan over het weer volgen van onderwijs en wat daarvoor nodig is. Indien nodig of gewenst kan het Team Sociaal Domein, met toestemming van ouders, hierbij aansluiten om mee te denken. Het Team Sociaal Domein beoordeelt in hoeverre de jeugdige jeugdhulp nodig heeft, omdat de oorzaak van het niet (volledig) kunnen volgen van onderwijs komt door specifieke problematiek die onder de wet valt. Voor dat deel wordt jeugdhulp ingezet. School moet beoordelen welke vorm van onderwijs kan worden geboden. Opvang op zichzelf, omdat een leerling niet volledig naar school kan is geen jeugdhulp, maar valt onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs. 2.2.4.4. Onderwijs Zorgarrangement (OZA) Een OZA is een integrale samenwerking tussen onderwijs en de gemeente waarin naast ondersteuning vanuit het onderwijs (Passend Onderwijs) door de gemeente begeleiding als maatwerkvoorziening Jeugdhulp wordt ingezet. Deze arrangementen zijn er zowel in het regulier als het speciaal onderwijs en worden voor groepen kinderen georganiseerd. De integrale samenwerking tussen onderwijs en de gemeente en de gezamenlijke financiering vanuit passend onderwijs en jeugdhulpbudget, zijn de kerncomponenten van een OZA. Indien er geen sprake is van een gezamenlijke samenwerking én gezamenlijke financiering, betreft het geen OZA vanuit de jeugdhulp. De jeugdhulpregio Lekstroom en de betrokken onderwijsinstelling bekijken steeds per situatie hoe het OZA het beste vorm kan worden gegeven. De jeugdhulpregio Lekstroom en de onderwijsinstelling maken daarbij afspraken over de benodigde inzet vanuit passend onderwijs en jeugdhulp, de beoogde doelen, monitoring en wie de regie voert. Het gaat immers om maatwerk. In het geval van OZA moet het wel duidelijk zijn dat de ondersteuning van de jeugdige breder is dan alleen ten aanzien van de leerproblemen. Indien bij de ondersteuning alleen sprake is van leerproblemen dan betreft het geen OZA en is dit aan het onderwijs. 2.2.5 Afstemming met kinderopvang Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend als algemene voorziening. Alleen in uitzonderlijke situaties, als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door pedagogisch medewerkers kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan er een maatwerk voorziening worden ingezet. Hoofdstuk 3. Toelichting vormen van jeugdhulp Wanneer een hulpvraag van een inwoner niet of onvoldoende op eigen kracht, met hulp van personen uit het sociaal netwerk of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen kan worden opgelost, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. Van veel voorzieningen is in de (landelijke) regelgeving of richtlijnen duidelijk welke criteria gelden. Een aantal voorzieningen vraagt om een nadere toelichting als het gaat om het afwegingskader. In dit hoofdstuk zijn deze afwegingskaders beschreven. 3.1 Pleegzorg Voor pleegzorg geldt dat altijd eerst wordt ingezet op ‘kindgericht werven’. Daarmee wordt eerst onderzocht of het netwerk kan voorzien in een netwerkpleegzorgplaatsing. Als hier niet in kan worden voorzien, wordt ingezet op pleegzorg via bestaande pleeggezinnen (bestandspleeggezinnen). Ingezet wordt op een zo kortdurend mogelijke pleegzorg. Hierbij wordt ook afgewogen of weekendpleegzorg een goed alternatief is. Bij de start van de pleegzorgbegeleiding maken betrokkenen (de jeugdige, de ouders, pleegouders, de pleegzorgaanbieder, Team Sociaal Domein en eventueel de gecertificeerde instelling) afspraken over de doelen van de pleegzorgbegeleiding, de ondersteuning van de biologische en/of juridische ouder(s), coördinatie van zorg en wie het initiatief neemt voor evaluatiegesprekken en het opstellen van een perspectiefplan. 3.1.1 Pleegvergoeding, toeslagen en vergoeding bijzondere kosten De pleegvergoeding is bedoeld voor de kosten van de verzorging en de opvoeding van de in het gezin of bij pleegouder geplaatste jeugdige. De vergoeding bestaat uit een basisbedrag dat kan worden vermeerderd met een toeslag of verminderd met een korting. Een toeslag kan worden toegekend bij crisisplaatsing, bij de opvang van drie of meer pleegkinderen of de opvang van een pleegkind met een verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke beperking. Een korting kan worden toegepast voor de periode dat het pleegkind in verband met bijzondere omstandigheden tijdelijk elders verblijft. Zie ook artikel 5.1 en 5.2 van de Regeling Jeugdwet. De hoogte van het basisbedrag wordt jaarlijks vastgesteld door de Rijksoverheid, evenals het bedrag dat maximaal als toeslag kan worden toegekend. De pleegzorgaanbieder verstrekt de pleegvergoeding en beslist over de toekenning van toeslagen en toepassing van kortingen. Een pleegoudervoogd dan wel een pleegouder die een pleegkind opvangt, kan rechtstreeks bij de pleegzorgaanbieder een vergoeding voor ‘bijzondere kosten’ aanvragen, voor zover: •de kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk zijn en •niet voldaan kunnen worden uit de pleegvergoeding of toeslagen •voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt •de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders Het bovenstaande is ook van toepassing bij vrijwillige pleegzorg. Voorbeelden van kosten waarvoor een vergoeding ‘bijzondere kosten’ kan worden aangevraagd zijn een door school gevraagde ouderbijdrage, bijdrage voor een schoolreis, kosten voor zwemles voor het A-diploma, de aanschaf van een laptop/schoolboeken, van een fiets, van kleding in verband met een bepaalde beroepsopleiding of paspoort of Europese identiteitskaart. De pleegzorgaanbieder is bevoegd tot bedragen van € 200,- zelfstandig te beslissen op een aanvraag vergoeding ‘bijzondere kosten’. Voor bedragen tussen de € 200,- en € 500,- moet de pleegzorgaanbieder overleggen met het Team Sociaal Domein. Voor het toekennen van een vergoeding ‘bijzondere kosten’ boven de € 500,- is nadrukkelijk toestemming van het Team Sociaal Domein vereist. De pleegzorgaanbieder kan de kosten die als vergoeding ‘bijzondere kosten’ aan pleegouders zijn toegekend, declareren bij de gemeente mits aan bovenstaande eisen is voldaan en de declaratie van een onderbouwing en financiële bewijsstukken is voorzien. 3.2 Andere vormen van wonen met begeleiding en/of behandeling Er zijn meerdere vormen van wonen (‘verblijf’) met begeleiding en/of behandeling als maatwerkvoorziening. Het gaat om leef-, woon- of behandelgroepen in een meer open setting en een meer gesloten setting (essentiële verblijfsvoorziening). De aard van de problematiek bepaalt wat de best passende maatwerkvoorziening is. 3.2.1 Crisishulp Er is sprake van crisis als er binnen 24 uur iets moet gebeuren. Als problemen in een gezin acuut zijn en ambulante spoedhulp niet toereikend is, kunnen kinderen (onder 12 jaar) en jongeren (vanaf 12 jaar) maximaal 28 dagen geplaatst worden in een crisispleeggezin respectievelijk een crisisopvang. Tijdens het verblijf in de crisisopvang onderzoeken betrokkenen (hulpverleners, ouders en de jeugdige) samen wat het beste vervolg is voor de jeugdige en het gezin: terug naar huis of naar een plek buiten het gezin, bijvoorbeeld in een pleeggezin, gezinshuis of in een leef-, woon- of behandelgroep. 3.2.2 Hoogspecialistische jeugdhulp De hoogspecialistische jeugdhulp is de zorg voor kinderen en jongeren in een zeer kwetsbare positie. Met 24-uurs behandeling moet de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen het kind en zijn omgeving herstellen. Het omvat de ‘producten’ driemilieuvoorziening, Jeugdzorg+ en klinische opnames. Het zijn verblijfsvormen waar een noodzaak is tot toevoeging en inzet van specifieke expertise, namelijk kennis en ervaring met: •jeugdigen die zeer ernstig ontregelend gedrag laten zien •jeugdigen waarbij in hoge mate hechtingsproblemen en -stoornissen en trauma/PTSS spelen •jeugdigen in gezinssystemen waarbij een veelzijdige combinatie van problematiek aanwezig is •(wetenschappelijk en praktijk-onderbouwde) effectieve inzet van (groeps-) begeleiding en behandeling In bijzondere gevallen kan het verblijf gesloten van karakter zijn: jeugdzorg plus. Dit betekent dat de jeugdige niet kan gaan en staan waar hij wil, omdat wordt ingeschat dat een jongere een gevaar is voor zichzelf of zijn omgeving. Gewerkt wordt aan terugkeer naar huis, een traject richting zelfstandigheid, een vervolgbehandeling of een langer durende zorg en ondersteuning of een lichtere vorm van jeugdhulp met verblijf, zoals verblijf in een pleeggezin, gezinshuis of in een leef- of woongroep. 3.3 Respijtzorg jeugd Respijtzorg is een overkoepelende term voor maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp en Wmo die worden ingezet om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten. Voor Jeugdhulp gaat het om maatwerkvoorzieningen die een ouder kunnen ontlasten in de zorg die hij zijn kind biedt zodat de ouder zijn rol als opvoeder/ verzorger kan blijven vervullen. Veelal gaat het om maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp met verblijf waarbij de jeugdige korte tijd buiten de thuissituatie kan verblijven. Respijtzorg hoeft niet altijd te betekenen dat de jeugdige uit de thuissituatie weggaat. Het kan bijvoorbeeld ook door de ouder(s) een weekend weg te laten gaan of de inzet van informele zorg thuis. Bij dreigende overbelasting van de persoon die thuis de zorg levert - zoals de ouder(s), partner of huisgenoten - heeft kortdurend verblijf van de jeugdige vaak echter wel de voorkeur. Respijtzorg kan alleen ter ontlasting van een ouder zoals bedoeld in de wet worden getroffen ten aanzien van een jeugdige die: •de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, én; •aangewezen is op permanent toezicht, én; •begeleiding of persoonlijke verzorging of verpleging ontvangt. Daarbij is het van belang dat indien mogelijk wordt gewerkt aan een situatie waarin ouders weer zelfstandig in staat zijn tot de opvoeding. Als sprake is van een jeugdige met een Wlz-indicatie dan komt de respijtzorg (bijv. de logeeropvang om de mantelzorg te ontlasten) ten laste van de Wlz. De mantelzorger kan in dat geval dus geen beroep doen op respijtzorg vanuit de wet. 3.4 Vervoer In artikel 2.3, tweede lid van de wet is beschreven wanneer vervoer onder jeugdhulp valt: “Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.” Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van ouders wordt verwacht dat zij hun kind zelf vervoeren. In geval van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige kan er een vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt gekozen voor het goedkoopst adequate vervoer. Dat wil zeggen dat wanneer zowel individueel als groepsvervoer passend is, er wordt gekozen voor het goedkopere groepsvervoer. Van medische noodzaak is sprake wanneer een jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer. De criteria hiervoor staan opgenomen in artikel 12 van de Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026. 3.4.1 Afwegingskader vervoer Om voor vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen: •Heeft een jeugdige een indicatie voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp; en •Is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid; en •Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren. Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het OV voorliggend is. Voor ouders met een minimuminkomen, waardoor reiskosten niet betaald kunnen worden, is de participatiewet voorliggend; en •Is er geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening; en •Bedraagt de afstand van de verblijfsplaats van de jeugdige tot de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer. Bij een reisafstand binnen 6 kilometer wordt van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen, tenzij er zwaarwegende factoren zijn om hiervan af te wijken; en •Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet. 3.4.2 Pgb en vervoer Er kan geen pgb voor formeel vervoer worden toegekend. Wanneer de jeugdige in verband met zijn problematiek moet worden begeleid tijdens het vervoer, wordt in eerste instantie van ouders verwacht dat zij zelf, of iemand uit hun netwerk, deze begeleiding bieden. De eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdige worden conform artikel 11 uit de verordening beoordeeld. Alleen op hoge uitzondering kan een pgb begeleiding worden toegekend. Dit geldt alleen op het moment dat het kind meereist. Voor een ‘lege’ terugreis wordt geen pgb verstrekt. Hoofdstuk 4. Het persoonsgebonden budget Op basis van de wet kan een individuele voorziening worden ingezet in de vorm van door de gemeente gecontracteerd aanbod (zorg in natura) of een persoonsgebonden budget (pgb). Een besluit voor een pgb wordt genomen met behulp van het pgb-plan. Het pgb-plan is een aanvulling op het onderzoeksplan. Om voor een pgb in aanmerking te komen, moet worden voldaan aan het motiveringsvereiste en de gestelde kwaliteitscriteria. Zie hiervoor onder andere artikel 8.1.1 van de wet en artikel 19 van de verordening. Een pgb is niet bedoeld om een inkomen te verbeteren of een verlies van inkomsten te vergoeden of te compenseren. 4.1 Motiveren pgb De formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1 van de wet geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening ‘in natura’ krijgen. Ouders en jeugdigen die een pgb wensen te ontvangen moeten dit motiveren. De motivering is samen met de bekwaamheid en kwaliteit onderdeel van het pgb-plan. 4.2 Kwaliteitscriteria pgb Het is de taak van het Team Sociaal Domein om er zeker van te zijn dat de ondersteuning die de jeugdige vanuit een pgb wil inkopen van goede kwaliteit is. Het Team Sociaal Domein toetst hierop bij de aanvraag, maar is bevoegd tussentijds heronderzoek te doen. Het Team Sociaal Domein mag dus ook lopende de bestedingstermijn van het pgb onderzoeken of het pgb juist besteed wordt en/of de ingekochte ondersteuning nog steeds aan de kwaliteitseisen voldoet. Bij haar toets op kwaliteit, kijkt het Team Sociaal Domein of de ondersteuning veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. Wanneer de ondersteuning naar het oordeel van het Team Sociaal Domein niet van goede kwaliteit is, kan het Team Sociaal Domein besluiten een verzoek tot verstrekking van de maatwerkvoorziening als pgb te weigeren en de maatwerkvoorziening in natura te verstrekken of een eerder genomen besluit tot verstrekking van een pgb te herzien of in te trekken. 4.2.1 Pgb-vaardigheid budgetbeheerder Om er zeker van te zijn dat bij toekenning een pgb goed wordt besteed, is het belangrijk dat de inwoner naar het oordeel van het Team Sociaal Domein voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen én in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Als de jeugdige en/of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een pgb worden verstrekt. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Ook kan het zo zijn dat ouders worden gecompenseerd of ondersteund om te beschikken over de vaardigheden. In deze gevallen beoordeelt het team op basis van de individuele situatie of een pgb toegekend kan worden. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang: •Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel pgb, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden. Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn: oEr is geen andere pgb-beheerder beschikbaar. oEen andere zorgverlener is geen optie. oDe kwaliteit van de zorg is gewaarborgd. •Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de wet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.Let op! De bewindvoerder kan de jeugdige en/of ouder(s) extra kosten in rekening brengen voor dit beheer. Deze kosten worden niet vergoed en mogen niet vanuit het pgb worden betaald. •Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als pgb beheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg. 4.3 Kwaliteitscriteria aanbieder De kwaliteit van de aanbieder wordt op basis van de volgende punten getoetst: •Raadplegen van Zorgaanbiedersportaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor controle op registratie en aanwezigheid van inspectierapporten; •Controle op aanwezigheid recente VOG (niet ouder dan 1 jaar) indien noodzakelijk; •SKJ of BIG-registratie, inclusief toetsing in het register zelf; •Aanwezigheid KvK-nummer; •Relevante diploma’s en/of werkervaring indien noodzakelijk; •De norm ‘verantwoorde werktoedeling’ is van toepassing bij de inzet van een informele zorgverlener. 4.4 Arbeidstijdenwet Voor een informeel pgb geldt, net als bij een formeel pgb, dat de arbeidstijdenwet van toepassing is. Op het moment dat een persoon uit het informeel netwerk naast een reguliere baan ook uitvoerder is van een pgb, kan dit conflicteren met de arbeidstijdenwet. Om overbelasting bij de uitvoerder van het pgb te voorkomen en de kwaliteit van het pgb te garanderen kan het team besluiten om een pgb in deze gevallen (deels) niet te laten uitvoeren door de persoon uit het informeel netwerk. Wel geldt hiervoor dat er sprake moet zijn van een reëel risico voor de kwaliteit, doordat er bijvoorbeeld substantieel meer uren worden gewerkt of er signalen van overbelasting zijn. Meer werken dan de arbeidstijdenwet toestaat, is op zichzelf geen reden om een pgb te weigeren. 4.5 Pgb buitenland Inwoners mogen zorg inkopen met een pgb bij een dienstverlener die in een andere EU-lidstaat is gevestigd of daar zijn diensten aanbiedt. Niet-EU-lidstaten zijn uitgesloten. Voor een pgb in het buitenland geldt, naast de voor het pgb algemene en hierboven beschreven criteria, dat: •Het hoofdverblijf van de jeugdige in gemeente IJsselstein ligt, of waarbij IJsselstein de formele woonplaats is op basis van het woonplaatsbeginsel. Het verblijf in het buitenland is dus tijdelijk en van beperkte duur. •De geboden jeugdhulp noodzakelijk is om tijdens het buitenlands verblijf te functioneren. •Alleen de kosten van de jeugdhulp uit het pgb gefinancierd mogen worden (dus bijvoorbeeld geen reis- en verblijfskosten). •Er wordt gewerkt conform het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG. Hoofdstuk 5. Overgang 18-/18+ In sommige situaties is het voor een jongere die ondersteuning via de wet ontvangt wenselijk dat deze ondersteuning ook na het 18e levensjaar blijft bestaan. Jeugdhulp kan doorlopen tot maximaal het 23e levensjaar voor zover deze hulp niet onder een ander wettelijk kader valt en mits wordt voldaan aan één van onderstaande kenmerken: •De jongere krijgt jeugdhulp voor de 18e verjaardag die nog niet is afgerond, of •Het Team Sociaal Domein heeft vóór de 18e verjaardag jeugdhulp toegekend en start pas na de 18e verjaardag, of •Als de jongere voor de 18e verjaardag jeugdhulp heeft gehad (al dan niet opgelegd door de rechter) en deze binnen 6 maanden na afloop van de voorziening deze wederom nodig heeft. Daarnaast geldt dat bij de overgang van 18- naar 18+: •De gemeente niet meer jeugdhulpplichtig is als de zorg vanaf 18 jaar op grond van een andere wet (Zvw, Wlz of Wmo) kan worden verleend; •De gemeente wél verantwoordelijk is voor het voortzetten van de jeugdhulp tot 23 jaar als het om een vorm van jeugdhulp gaat die voor een meerderjarige niet op grond van een andere wet kan worden voortgezet (met name jeugd- en opvoedhulp, niet zijnde jeugd-GGZ of jeugd-LVG). Wanneer jeugdigen niet meer thuis kunnen wonen, wordt getracht hen zo thuis mogelijk te laten opgroeien: zo dicht mogelijk bij huis en bij voorkeur in een gezinsachtige setting. Naast de verlengde jeugdhulp voor de maatwerkvoorzieningen pleegzorg en gezinshuizen kan de jeugdhulp ook na het 18e levensjaar doorlopen vanuit een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering. Er is dan geen leeftijdsgrens, wat betekent dat de hulp ook kan doorlopen tot na het 23ste levensjaar. Voor het Moeder-Kindhuis geldt dat de begeleiding zich richt op de moeder, en de beschikking dus ook op naam van de moeder wordt afgegeven. Dit betekent dat de leeftijd van de moeder bepalend is in de toekenning van de voorziening en of dit op basis van Jeugdhulp of Wmo wordt ingezet. Vastgesteld op 28 september 2026.Het college van IJsselstein, Wilma van de Werken secretaris Ester Weststeijnburgemeester
Meer informatie