Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Gennep 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op21 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Gennep

Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Gennep 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep, •Gelezen het voorstel van 16 september 2026; •Overwegende dat, op dat het wenselijk is om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet kan worden verstrekt en geweigerd en daartoe beleidsregels vast te stellen; •Gelet op titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; •Gelet op artikel 35 van de Participatiewet. besluit: De beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Gennep 2026 vast te stellen. BELEIDSREGELS BIJZONDERE BIJSTAND GEMEENTE GENNEP 2026 Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. aanvraag: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen (artikel 1:3 lid 3 Algemene wet bestuursrecht (Awb)); b. arbeidsperspectief: de mogelijkheid die iemand volgens de gemeente heeft om met werk het inkomen te vergroten; c. belanghebbende: een inwoner van de gemeente Gennep wiens feitelijk verblijf, naast de inschrijving in de BRP, ook in de gemeente Gennep is en wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 lid 1 Awb); d. bijstandsnorm: de norm bedoeld in artikel 5, onder c, van de wet; e. college: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Gennep; f. de wet: de Participatiewet; g. draagkracht: het bedrag wat de belanghebbende zelf kan bijdragen aan de kosten; h. inkomen: het totale netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de wet; voor zelfstandig ondernemers geldt voor het inkomen uit onderneming het inkomen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; i. toetsingsinkomen: het maandinkomen op het moment van het ontstaan van de kosten, inclusief vakantietoeslag; j. vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet. 2.Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2. Doelgroep 1.Bij de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van een draagkrachtloos inkomen van 120% van de voor belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm. 2.De inkomensdraagkracht bedraagt 100% van het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de in het eerste lid genoemde grens. 3.Voor de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de wet. Daarbij houdt het college rekening met de kostendelersnorm, verlagingen, verhogingen en afstemming overeenkomstig de wet. 4.Het behoren tot de doelgroep als bedoeld in het eerste lid geeft op zichzelf geen recht op bijzondere bijstand. Het recht op bijzondere bijstand wordt per aanvraag beoordeeld overeenkomstig artikel 35 van de wet. Artikel 3. Vaststelling draagkracht 1.De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van twaalf maanden, ingaande op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. 2.Bij wisselende inkomsten wordt het inkomen vastgesteld op basis van het gemiddelde inkomen over ten minste de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. 3.De draagkracht wordt gedurende de draagkrachtperiode uitsluitend herzien indien sprake is van een wezenlijke wijziging in de inkomens-, vermogens- of kostensituatie. Hiervan is in ieder geval sprake bij: a.een inkomenswijziging van 15% of meer; b.een wijziging van de toepasselijke bijstandsnorm als gevolg van een wijziging in de leefsituatie van belanghebbende; of c.een wijziging van de bijzondere noodzakelijke kosten. 4.Het college kan een langere draagkrachtperiode vaststellen indien de omstandigheden of de kostensoort daartoe aanleiding geven. Voor kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap bedraagt deze periode in beginsel maximaal 36 maanden, mits geen sprake is van wisselende inkomsten. 5.Bij incidentele bijzondere kosten wordt de draagkracht ineens verrekend. 6.Bij periodieke bijzondere kosten wordt de draagkracht naar evenredigheid verdeeld over de periode waarover bijzondere bijstand wordt toegekend, met een maximum van twaalf maanden. 7.Bij samenloop van incidentele en periodieke kosten wordt de draagkracht eerst verrekend met de incidentele kosten. 8.Als belanghebbende deelneemt aan een saneringskrediet, een minnelijke schuldregeling (MSNP) of is toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), wordt de draagkracht op nihil vastgesteld. Bij executoriaal beslag op het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen waarover belanghebbende na aftrek van het beslag feitelijk kan beschikken. 9.Indien een samenwonende partner niet deelneemt aan een in het achtste lid genoemd traject, wordt het inkomen van deze partner volledig in aanmerking genomen en afgezet tegen de voor een alleenstaande geldende bijstandsnorm. 10Indien binnen een lopende draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag wordt ingediend, blijft de eerder vastgestelde draagkracht van toepassing, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid. Artikel 4. Vermogen 1.Voor de vaststelling van het vermogen wordt aangesloten bij artikel 34 van de wet. 2.Indien het vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens, wordt het meerdere volledig in aanmerking genomen. Artikel 5. De aanvraag De aanvraag voor de bijzondere bijstand wordt digitaal of schriftelijk ingediend op een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier, tenzij in een artikel anders is bepaald. Hoofdstuk 2. INDIVIDUELE BIJZONDERE BIJSTAND Artikel 6. Bijzondere bijstand 1.Een belanghebbende komt in aanmerking voor bijzondere bijstand indien: a.sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan; b.geen beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening; en c.de kosten niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, vermogen of de aanwezige draagkracht. 2.Bijzondere bijstand wordt in beginsel niet verleend voor kosten die vóór de aanvraagdatum zijn gemaakt, met uitzondering van kosten voor bewindvoering, curatele, mentorschap en bijzondere omstandigheden. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt individueel bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten. 4.De gemeente verleent bijzondere bijstand voor de goedkoopst adequate voorziening. 5.Bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt. 6.Indien artikel 48 of 51 van de wet daartoe aanleiding geeft, kan bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht. Artikel 7. Deskundigenadvies 1.Het college kan deskundigenadvies inwinnen indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op of de hoogte van de bijzondere bijstand. 2.De belanghebbende verleent medewerking aan het onderzoek dat noodzakelijk is voor het uitbrengen van het advies. 3.Het college kan afzien van een deskundigenadvies indien: a.sprake is van jaarlijks terugkerende kosten en de omstandigheden aantoonbaar ongewijzigd zijn; b.de noodzaak reeds voldoende is vastgesteld; of c.de kosten beperkt zijn en geen sprake is van een meerjarige verstrekking. Artikel 8. Rechtsbijstand 1.Als sprake is van een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand, komen door de Raad voor de Rechtsbijstand opgelegde eigen bijdrage voor rechtsbijstand en de verschuldigde griffierechten, voor vergoeding in aanmerking. 2.De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig de tarieven van de Raad voor Rechtsbijstand. Voor het griffierecht wordt uitgegaan van de voor onvermogenden geldende tarieven zoals gepubliceerd door de Rechtspraak. 3.Indien geen sprake is van een toevoeging, beoordeelt het college aan de hand van de omstandigheden van het geval de noodzaak van de procedure en de daaruit voortvloeiende kosten. 4.Bijzondere bijstand voor rechtsbijstand in strafzaken wordt in beginsel niet verleend, tenzij zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. 5.Voor kosten van bewindvoering in het kader van de WSNP wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt. Deze kosten behoren ten laste van de boedel te komen. Indien na afloop van het traject blijkt dat de boedel onvoldoende middelen bevatte, kan het college alsnog bijzondere bijstand verlenen. Artikel 9. Beschermingsbewind, curatele en mentorschap 1.Voor de kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap kan bijzondere bijstand worden verleend indien de maatregel noodzakelijk is. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld overeenkomstig de geldende wettelijke tarieven. 3.De bijzondere bijstand wordt verleend zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. 4.Bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap kan met terugwerkende kracht worden toegekend tot maximaal drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. 5.Voor bankkosten die verband houden met bewindvoering of curatele en die op jaarbasis lager zijn dan het drempelbedrag van artikel 35, tweede lid, van de Participatiewet, kan eenmaal per jaar in januari bijzondere bijstand worden aangevraagd. Indien aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand wordt voldaan, worden deze kosten vergoed. Artikel 10. Kosten budgetbeheer 1.Bij de beoordeling van een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer wordt verlangd dat de aanvrager de noodzaak van die kosten aannemelijk maakt. De budgetbeheerder is verplicht binnen vier maanden een plan van aanpak op te stellen welke ten minste de volgende onderdelen bevat: a.Concrete doelstellingen gericht op hoe de belanghebbende financieel zelfredzaam wordt en/of grip krijgt op de situatie. b.Beschrijving van de stappen en/of activiteiten hoe deze doelen worden bereikt. c.Tijdsplanning. 2.Het college kan de budgetbeheerder vragen tussentijds een verslag te maken over de voortgang van de belanghebbende. 3.In beginsel wordt ten hoogste 36 maanden bijzondere bijstand verstrekt voor de kosten van budgetbeheer. Artikel 11. Babyuitzet 1.Bijzondere bijstand is in beginsel niet mogelijk, omdat de kosten van een babyuitzet incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn die moeten worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm door middel van reservering of gespreide betaling achteraf. 2.Bijzondere bijstand is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Denk hierbij aan: a.geboorte van een meerling; b.een onvrijwillige zwangerschap ten gevolge van een zedenmisdrijf; c.medische complicaties; d.uitstroom uit een opvangvoorziening; e.een plotselinge ontwrichting van de leefsituatie; f.andere bijzondere omstandigheden waardoor reservering redelijkerwijs niet mogelijk was. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgeleid uit de NIBUD prijzengids. 4.De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een geldlening of borgtocht verleend als belanghebbende niet gereserveerd heeft, terwijl dit wel verwacht zou mogen worden. Artikel 12. Duurzame gebruiksgoederen 1.De kosten van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. 2.Van belanghebbende wordt verwacht dat hij voor deze kosten reserveert of gebruikmaakt van gespreide betaling. Een passende lening via de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) geldt als voorliggende voorziening. 3.Indien reservering, gespreide betaling of een passende GKB-lening redelijkerwijs niet mogelijk is geweest en sprake is van bijzondere omstandigheden, kan bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening worden verleend. 4.Voor verf, behang en stoffering kan bijzondere bijstand worden verstrekt tot maximaal €750 op declaratiebasis. 6.Voor de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de meest actuele Nibud-prijzengids. Artikel 13. Vaste lasten tijdens een verblijf in een inrichting 1.Tijdens een tijdelijk verblijf in een inrichting en vanaf het moment dat dit een wijziging van de norm tot gevolg heeft kan er voor de duur van maximaal 6 maanden bijzondere bijstand worden verleend voor de doorbetaling van de vaste lasten in verband met het aanhouden van de woning in de gemeente. 2.Vaste lasten kunnen zijn: a.huur (rekening houdend met een aanspraak op huurtoeslag); b.de kosten van het vastrecht voor gas, water en elektra; c.De noodzaak van de kosten als bedoeld in het eerste lid wordt aangenomen indien en zolang belanghebbende de lage bijdrage is verschuldigd op grond van de Wet langdurige zorg. 3.Als vooraf vaststaat dat de opname geldt voor onbepaalde tijd kan er bijzondere bijstand worden verleend voor de periode van huuropzegging. 4.De noodzaak van de kosten als bedoeld in het eerste lid kan worden aangenomen indien belang- hebbende de hoge bijdrage is verschuldigd op grond van de Wet langdurige zorg met een maxi- mum duur van 3 maanden vanaf het moment dat belanghebbende de eigen bijdrage voor het eerst verschuldigd was. Artikel 14. Woonkostentoeslag 1.Het college kan een woonkostentoeslag verlenen bij voor: a.een huurwoning waarvan de huurkosten beneden de maximale huurgrens van de huurtoeslag liggen; b.een huurwoning waarvan de huurkosten boven de maximale huurgrens van de huurtoeslag liggen; of c.een eigendomswoning. 5.De hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand is ingeval van een huurwoning afhankelijk van de huurprijs wordt vastgesteld overeenkomstig de systematiek van de huurtoeslag. 6.De hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand is ingeval een eigendomswoning afhankelijk van de eigendomslasten. Hieronder wordt verstaan: a.de rente die verband houdt met de woning (de verschuldigde hypotheekrente); en b.de zakelijke lasten die rechtstreeks samenhangen met het eigendom van de woning. 7.Kosten van groot onderhoud behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen niet voor woonkostentoeslag in aanmerking. 8.Indien de woonkosten niet passend zijn, kan het college aan de woonkostentoeslag voorwaarden verbinden gericht op het verkrijgen van passende woonruimte. 9.Van belanghebbende met een verhuisverplichting wordt verwacht dat hij actief zoekt naar passende woonruimte. 10.Een woonkostentoeslag wordt in beginsel verleend voor maximaal twaalf maanden. 11.Indien belanghebbende ondanks aantoonbare en voldoende inspanningen geen passende woonruimte heeft kunnen verkrijgen, kan het college de woonkostentoeslag voor een nader te bepalen periode verlengen. 12.Voor zover belanghebbende maandelijks een voorlopige teruggaaf wegens hypotheekrenteaftrek ontvangt, wordt deze als inkomen in aanmerking genomen bij de draagkrachtberekening. Artikel 15. Eerste huurnota 1.Bijzondere bijstand voor de eerste maand huur en administratiekosten is mogelijk op het moment dat er sprake is van een noodzakelijke verhuizing en belanghebbende niet de mogelijkheid heeft gehad om voor deze kosten te reserveren. 2.De hoogte van de eerste maand huur wordt gebaseerd op het huurcontract/de eerste verhuurnota. 3.De bijzondere bijstand de administratiekosten wordt eveneens verstrekt om niet. 4.Een eventuele borgsom wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening. Artikel 16. Medische en tandheelkundige kosten 1.Voor medische en tandheelkundigekosten wordt geen bijzondere bijstand verleend indien een beroep kan worden gedaan op de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of een andere voorliggende voorziening. 2.Het ontbreken van een vergoeding vanuit een voorliggende voorziening vormt op zichzelf geen grond voor het verlenen van bijzondere bijstand. 3.Indien sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan het college gemotiveerd afwijken van dit tweede lid. Hoofdstuk 3. INKOMENSONDERSTEUNENDE REGELINGEN Artikel 17. Collectieve zorgverzekering 1.Een belanghebbende kan in aanmerking komen voor een collectieve zorgverzekering die bestaat uit een korting op de premie van de aanvullende zorgverzekering. 2.Het college spant zich in om met zorgverzekeraars een contract te sluiten, om aan de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 2, een collectieve zorgverzekering aan te bieden. Indien er geen gecontracteerde zorgverzekeraar is, kent het college geen collectieve zorgverzekering toe. 3.De hoogte van de gemeentelijke bijdrage wordt jaarlijks door het college vastgesteld. 4.Het college betaalt de gemeentelijke bijdrage rechtstreeks aan de zorgverzekeraar. 5.De belanghebbende doet tijdens de jaarlijkse overstapperiode (half november tot en met 31 december van dat kalenderjaar) een aanvraag via www.gezondverzekerd.nl/gennep. De belanghebbende kan tussentijds overstappen indien de huidige verzekering is afgesloten bij een gecontracteerde zorgverzekeraar. 6.Het college beoordeelt de aanvraag en kent deze eventueel toe in het nieuwe kalenderjaar. Artikel 18. Einde deelname collectieve zorgverzekering 1.Het college kan een aanvraag afwijzen of de deelname aan de collectieve zorgverzekering (tussentijds) beëindigen met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin geen recht meer bestaat, als: a.belanghebbende niet (meer) behoort tot de doelgroep, en/of b.belanghebbende niet meer woonachtig is in de gemeente. 2.Indien het college een aanvraag afwijst of (tussentijds) beëindigt, zoals bedoeld in het eerste lid, meldt gemeente de belanghebbende af bij de gemeentepolis. De zorgverzekeraar neemt contact op met belanghebbende voor het doen van een passend aanbod. Hoofdstuk 4. HERZIENING. INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel 19. Intrekking en terugvordering 1.Een toekenning kan worden ingetrokken en de vergoeding kan worden teruggevorderd indien belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en/of onvoldoende medewerking heeft verleend en dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van de bijzondere bijstand. 2.Indien de bijstand niet besteed wordt aan het doel waarvoor deze is verstrekt, dan wel wanneer de bijstand anderszins onverschuldigd is verstrekt, wordt de bijstand teruggevorderd overeenkomstig artikel 58 van de wet. Hoofdstuk 5. SLOTBEPALINGEN Artikel 20: Hardheidsclausule Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij toepassing daarvan voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen. In dat geval kan het college gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels. Artikel 21. Inwerkingtreding 1.Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking. 2. Met ingang van de datum van inwerkingtreding worden ingetrokken: a.de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Gennep, vastgesteld op 12 september 2023; b.de Beleidsregels Participatiewet, minimabeleid en schulddienstverlening 2015, vastgesteld op 31 maart 2015; c.de Normenkaart Minimabeleid 2020, vastgesteld op 17 december 2019. 3.Voor aanvragen om bijzondere bijstand die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt dat deze beleidsregels van toepassing zijn, tenzij toepassing van de beleidsregels als genoemd in het intrekkingsbesluit gunstiger is voor belanghebbende. Artikel 22. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Gennep 2026’. Ondertekening Aldus vastgesteld op 28 september 2026 Burgemeester en wethouders van Gennep, De secretaris, Bart Teunissen De burgemeester, Hans Teunissen

Meer informatie