Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2026
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2026 De raad van de gemeente Oldebroek, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders op 25 augustus 2026, met kenmerk 519787, Gelet op artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; overwegende dat: •mensen zelf verantwoordelijkheid hebben voor hoe ze leven en meedoen aan de samenleving; •van mensen mag worden verwacht dat ze elkaar helpen waar dat mogelijk is; •mensen die zelf, of samen met mensen uit hun omgeving, niet goed voor zichzelf kunnen zorgen of moeite hebben om mee te doen, hulp kunnen vragen aan de gemeente. Zo kunnen ze zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen; •er een verordening nodig is om het plan zoals bedoeld in artikel 2.1.2 Wmo 2015 uit te voeren; •er regels nodig zijn om mensen met een beperking of langdurige psychische problemen te helpen zelfstandiger te zijn en meer mee te doen in de samenleving, zoals in de eigen buurt of dorp; •het belangrijk is om ervoor te zorgen dat voorzieningen en ruimtes bereikbaar zijn voor mensen met een beperking, om een samenleving te maken waar iedereen bij hoort, besluit: vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2026. HOOFDSTUK 1 Begrippen Artikel 1.1 Uitleg van de woorden en begrippen in deze verordening 1.Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en/of de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze verordening staat een aantal begrippen waarmee we het volgende bedoelen: a.Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal is gemaakt voor mensen met beperkingen. Maar die deze mensen wel helpt om zelfstandig te zijn of mee te doen in de samenleving. Deze voorziening is te koop, daadwerkelijk beschikbaar en is betaalbaar voor mensen met een inkomen op minimumniveau. b.Algemene voorziening: een laagdrempelige voorziening, dienst of activiteit die er is voor iedereen, of voor een bepaalde doelgroep. Zonder dat er eerst uitgebreid gekeken wordt of cliënten hier recht op hebben. Deze diensten en activiteiten helpen in het dagelijks leven. c.Andere voorziening: een voorziening die niet onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 valt. d.Begeleidingsplan: een plan dat samen met de cliënt die hulp nodig heeft wordt gemaakt door de aanbieder die helpt. Hierin staat hoe de hulp wordt gegeven en hoe geprobeerd wordt om de doelen en resultaten te halen zoals beschreven in het besluit voor hulp. e.Beleidsregels: de geldende beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek. f.Besluit: het geldende Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek. g.Bijdrage: een geldbedrag dat de cliënt moet betalen voor de voorzieningen volgens de regels in de wet. h.Cliënt: de inwoner met een hulpvraag die valt onder de Wmo 2015 en die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Oldebroek. Een cliënt is ook de persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een Wmo-voorziening is gegeven. i.College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek. j.Eigen kracht: de mogelijkheid die cliënten met hun huisgenoten en/of sociaal netwerk hebben om hun eigen leven zelf vorm te geven en om hun vragen en/of problemen op te lossen. k.Gesprek: een gesprek om te onderzoeken wat voor hulp iemand nodig heeft volgens de wet. l.Gebruikelijke hulp: hulp die normaal gesproken mag worden verwacht van een echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. m.Hoofdverblijf: de woonplaats bedoeld in artikel 1:10 en 1:11 van het Burgerlijk Wetboek. n.Huisgenoot: de partner, ouder(s), inwonende kinderen en anderen die een gezamenlijk hoofdverblijf hebben en/of met wie cliënt een leefeenheid vormt. o.Hulpvraag: hulp die de cliënt denkt nodig te hebben vanuit de Wmo zoals beschreven in artikel 1.2.1 van de Wmo 2015. p.Mantelzorg: onbetaalde hulp die iemand voor langere tijd krijgt van gezinsleden, kinderen, familie, vrienden of kennissen, wanneer die persoon hulp nodig heeft. Deze hulp gaat verder gaat dan wat gebruikelijk is. q.Melding: een melding van een hulpvraag aan het college volgens de regels in de Wmo 2015. r.Nadere regels: de geldende nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek. s.Ondersteuningsplan: een gezamenlijk plan van de cliënt, de Wmo consulent, en andere betrokken partijen. Hierin staat hoe de cliënt zelfstandiger kan worden en/of kan participeren met hulp van het netwerk, algemene voorzieningen, of maatwerkvoorzieningen. t.Participatie: het mee kunnen doen in de samenleving, zoals in de eigen buurt of dorp. u.Persoonlijk plan: een plan waarin de cliënt beschrijft wat er aan de hand is en welke hulp hij of zij denkt nodig te hebben volgens de Wmo 2015. v.Persoonsgebonden budget (verder: pgb): geld dat iemand krijgt om zelf hulp in te kopen volgens de wet. w.Pgb-vertegenwoordiger: iemand die namens de cliënt met een pgb, de taken die horen bij een pgb op zich neemt. x.Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. y.Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen. z.Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. aa.Wmo consulent: dit is iemand die door het college is benoemd om namens hen een melding of aanvraag te behandelen. bb.Zelfredzaamheid: zelf de dagelijkse activiteiten kunnen doen en het huishouden regelen. cc.Zzp’er: een zelfstandige zonder personeel, een eenmansbedrijf of een freelancer. 3.Als in de verordening wordt gesproken over aanbieder, betreft dit eveneens de aanbieder die niet in contractuele relatie staat met de gemeente. Artikel 1.2 Nadere regels en beleidsregels Het college kan nadere regels vaststellen over wat voor soort hulp er wordt gegeven, wat het precies inhoudt, hoeveel hulp er wordt gegeven en hoe de persoon die hulp vraagt dit kan krijgen. De nadere regels zijn algemeen verbindend en werken de verordening verder uit. Beleidsregels kunnen ook vastgesteld worden door het college en zijn geen algemeen verbindende voorschriften, maar regels die uitsluitend zien op de wijze van bevoegdheidsuitoefening door het college. HOOFDSTUK 2 Melding, onderzoek, aanvraag Artikel 2. Melding 1.Een hulpvraag kan door de cliënt die hulp denkt nodig te hebben, of door een ander namens die cliënt, aan het college worden doorgegeven.2.Het melden van de hulpvraag aan het college kan schriftelijk, via het webformulier op www.Oldebroek.nl, mondeling of telefonisch.3.Het college stuurt een brief over de ontvangst van de melding.4.In situaties waarin directe actie nodig is, zorgt het college na de melding zo snel mogelijk voor tijdelijke hulp terwijl het onderzoek nog loopt. 5.Er wordt geen onderzoek gedaan als de melding alleen bestaat uit een vraag om informatie of als een vraag direct kan worden beantwoord. Dit geldt ook als de melding op een andere plek thuishoort zoals een andere afdeling of organisatie.6.Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een persoonlijk plan te maken. Het college geeft hem of haar zeven dagen na de melding de tijd om dit plan te maken en aan het college te geven. Artikel 3. Cliëntondersteuning Het college wijst de cliënt en zijn/haar mantelzorger op de mogelijkheid om tijdens het onderzoek gratis onafhankelijke ondersteuning van een cliëntondersteuner te krijgen. Het college zorgt ervoor dat de cliënt kosteloos gebruik kan maken van deze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. Artikel 4. Vooronderzoek 1.Het college verzamelt alle belangrijke informatie over de cliënt en zijn of haar situatie voor het onderzoek. 2.De cliënt geeft het college vóór of tijdens het gesprek alle gegevens die volgens de medewerker nodig zijn en waarover de cliënt kan beschikken.3.Als de cliënt al bekend is bij de gemeente, kan het college met hem of haar besluiten om geen vooronderzoek te doen zoals beschreven in het eerste en tweede lid van dit artikel.4.Als er sprake is van een enkelvoudige, niet complexe ondersteuningsvraag, kan het college met de cliënt besluiten om geen vooronderzoek te doen zoals beschreven in het eerste en tweede lid van dit artikel. Artikel 5. Onderzoek naar de nodige ondersteuning 1.Het onderzoek houdt onder andere een gesprek in. Een Wmo consulent voert dit gesprek met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger. Bij het gesprek kunnen ook familieleden, mantelzorgers, kennissen of andere partijen die belangrijk voor de cliënt zijn, aanwezig zijn.2.Als het nodig is voor het onderzoek kan het college de mantelzorger(s) of bij gebruikelijke hulp de huisgenoten van de cliënt oproepen voor een gesprek. 3.In het gesprek bespreken de Wmo consulent en de cliënt samen onderstaande vragen: a.Wat de cliënt nodig heeft en wat het beste in deze situatie past. b.Het gewenste resultaat van de hulp. c.De mogelijkheden om zelfstandig te blijven of meer deel te nemen aan de samenleving, met eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp of algemene voorzieningen. Dit kan ook gaan over de behoefte aan beschermd wonen of opvang. d.Hoe mantelzorg of hulp van anderen uit zijn of haar omgeving kan helpen aan verbetering van de zelfstandigheid of participatie van de cliënt, of aan de behoefte van de cliënt aan beschermd kunnen wonen of opvang. e.De behoefte aan ondersteuning voor mantelzorgers. f.De mogelijkheden om met algemene voorzieningen of maatschappelijk waardevolle activiteiten de zelfstandigheid of participatie en het meedoen van de cliënt te verbeteren. Ook als het gaat om de behoefte aan beschermd kunnen wonen of opvang te krijgen. g.De mogelijkheden om met zorgverzekeraars, aanbieders, instanties voor publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen samen te werken om de hulp goed met elkaar af te stemmen. h.De bijdragen die de cliënt moet betalen voor de hulp of voorziening (zoals de eigen bijdrage). i.De mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de cliënt begrijpelijke informatie krijgt over de gevolgen van die keuze. 4.Als de cliënt een persoonlijk plan heeft ingediend, wordt dit door het college meegenomen in het onderzoek.5.De Wmo consulent informeert de cliënt over hoe het onderzoek verloopt, zijn rechten en plichten, en de volgende stappen in het proces.6.De cliënt geeft aan de Wmo consulent de informatie die nodig is voor het onderzoek en waarover de cliënt logisch kan beschikken.7.Bij het onderzoek controleert de Wmo consulent de identiteit van de cliënt aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.8.Als de hulpvraag al voldoende bekend is, kan de Wmo consulent met de cliënt afspreken om geen gesprek te voeren.9.Als dit nodig is voor het onderzoek, kan bij een door het college aangewezen adviesinstantie om advies worden vragen. Artikel 6. Eigen kracht 1.Cliënten hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hoe ze hun leven inrichten. Gebruikelijke hulp (artikel 7), indien aanwezig, behoort ook tot de eigen kracht.2.Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voorzover de cliënt de ervaren beperkingen met de eigen kracht danwel met gebruikelijke hulp van huisgenoten kan oplossen.3.Het college neemt bij de beoordeling van de eigen kracht in ieder geval, maar niet uitsluitend, de volgende elementen mee: •Het hebben van huisgenoten (wie zijn zorgdragend en wie zijn zorgbehoeftig?); •In hoeverre mantelzorg de nodige hulp en ondersteuning kan bieden; •Het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid van dit netwerk om te helpen; •Of sprake is van (boven)gebruikelijke hulp en hoe dit wordt vastgesteld; •Vaardigheden en mogelijkheden om de hulp te bieden; •Beschikbaarheid om de hulp te bieden (bijvoorbeeld door werk); •Mate van planbaarheid van de benodigde zorg; •Het ontstaan van overbelasting; •Het meest recente HHM-normenkader huishoudelijke hulp, het meest recente HHM-normenkader begeleiding en het meest recente abonnement van de was- en strijkservice; •Overige individuele omstandigheden die worden ingebracht. Artikel 7. Gebruikelijke hulp 1.Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan hetgeen is opgenomen in de begrippenlijst bij deze verordening. 2.Van huisgenoten wordt verwacht dat ze de taken overnemen, die de cliënt zelf niet (meer) uit kan voeren. 3.Er wordt geen maatwerkvoorziening geboden als er sprake is van gebruikelijke hulp. Artikel 8. Niet-gebruikelijke hulp Niet-gebruikelijke hulp kan gevraagd worden van een huisgenoot als: a.Deze huisgenoot niet-gebruikelijke hulp kan leveren en b.Deze huisgenoot hiertoe in staat is; c.Deze huisgenoot niet overbelast is of overbelast dreigt te worden; d.Het om niet-professionele hulp gaat; e.Er geen medische beletselen zijn voor de huisgenoot om deze hulp te bieden. Artikel 9. Gebruikelijke hulp door kinderen 1.Als er in een huishouden één of meer kinderen zijn dan kunnen zij mee helpen in het huishouden.2.Hoeveel zij mee kunnen helpen is afhankelijk van hun leeftijd en functioneren en de eigen mogelijkheden van de kinderen.3.Er mag nooit zo veel bij kinderen belegd worden dat dit ten koste gaat van hun welbevinden en ontwikkeling.4.Voor gebruikelijke hulp door kinderen en wat van hen verwacht kan worden gelden de nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek. Artikel 10. Verslag of ondersteuningsplan 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2.Het college verstrekt zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen zes weken na de melding, een onderzoeksverslag met daarin een verslag van het onderzoek en het gesprek met de cliënt. We noemen dit het ondersteuningsplan. 3.De cliënt tekent het ondersteuningsplan om aan te geven dat hij/zij het heeft gezien en het ermee eens is. De cliënt kan het plan ook aanvullen. De cliënt zorgt ervoor dat een ondertekend ondersteuningsplan wordt teruggestuurd naar de gemeente.4.Als de cliënt tekent om aan te geven dat hij/zij het heeft gezien, kan de cliënt ook aangeven waarom hij/zij niet akkoord gaat.5.Als de cliënt vindt dat hij/zij recht heeft op een maatwerkvoorziening dan kan de cliënt dit aangeven op het ondersteuningsplan dat hij/zij heeft ondertekend.6.Als er voor een mantelzorger een ondersteuningsplan wordt opgesteld dan geldt dezelfde werkwijze als beschreven onder lid 1 t/m 5 van dit artikel. Artikel 11. Aanvraag 1.Na het afsluiten van het onderzoek of na een periode van zes weken na de melding kan de cliënt, zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger schriftelijk een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doen bij het college.2.Het college ziet een ondertekend ondersteuningsplan als een aanvraag.3.Het college kan in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken als het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend.4.Het college neemt binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen een besluit. HOOFDSTUK 3 Maatwerkvoorziening Artikel 12.1 Algemene voorziening 1.Het college kan algemene voorzieningen beschikbaar stellen die gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning.2.Een algemene voorziening kan bedoeld zijn voor alle cliënten of voor een bepaalde groep cliënten.3.Algemene voorzieningen zijn in ieder geval, maar niet uitsluitend: a.collectief vervoer; b.was- en strijkservice; c.dagbesteding. 4.Het college kan nadere regels vaststellen over de toegang, het gebruik, de doelgroep en de uitvoering van algemene voorzieningen.5.Het college kan beleidsregels vaststellen over de beoordeling of een algemene voorziening passend en toereikend is voor de ondersteuningsvraag van de cliënt. Artikel 12.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.2.De cliënt ontvangt alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a.eigen kracht en/of; b.gebruikelijke hulp en/of; c.mantelzorg en/of; d.hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e.algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f.algemene voorzieningen en/of; g.andere voorzieningen. 3.Naast deze algemene voorwaarden worden aanvullende voorwaarden per specifieke vorm van ondersteuning genoemd in de artikelen 12.3 tot en met 12.10 van deze verordening. Artikel 12.3 Voorwaarden en weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen 1.De regels in dit artikel gelden voor alle vormen van maatwerkvoorzieningen.2.Naast de voorwaarden en weigeringsgronden in dit artikel gelden aanvullende voorwaarden per specifieke vorm van ondersteuning. Deze staan in de artikelen 12.4 tot en met 12.10 van deze verordening.3.Er wordt geen maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie (meedoen) gegeven als: a.de ondersteuning kortdurend nodig is, tenzij het gaat om huishoudelijke hulp of begeleiding; b.de cliënt geen inwoner is van de gemeente Oldebroek, behalve bij beschermd wonen en opvang of bij het kunnen bereiken van een woning van ouders of partner om regelmatig thuis te kunnen komen. De cliënt kan op dit adres ook de hulpmiddelen blijven gebruiken die eerder zijn gegeven. 4.Als een maatwerkvoorziening nodig is, wordt de meest geschikte en goedkoopst beschikbare voorziening geleverd.5.Een maatwerkvoorziening wordt alleen gegeven als deze voor de cliënt en anderen veilig is en het geen risico’s geeft voor de gezondheid. Ook mag het geven van de voorziening geen nadeel hebben op herstel van de beperkingen van de cliënt.6.Als het college constateert dat de cliënt had kunnen verwachten en voorkomen dat ondersteuning nodig is, dan kan het college besluiten om geen maatwerkvoorziening toe te kennen.7.Een voorziening wordt alleen vervangen als de eerdere voorziening technisch is afgeschreven en niet langer veilig is en niet goed meer werkt, tenzij: a.de eerdere voorziening is verloren zonder schuld van de cliënt; b.de cliënt helemaal of gedeeltelijk meebetaalt aan de ontstane kosten; c.de eerdere voorziening niet langer geschikt is waarvoor deze is gegeven. 8.Als de hulp niet speciaal voor één cliënt bedoeld is, wordt er geen hulp gegeven, tenzij dit het specifieke doel is.9.Het college kan een voorziening weigeren als de cliënt de voorziening al heeft gekocht of gerealiseerd voordat de cliënt zich heeft gemeld of voordat de Wmo consulent een onderzoek heeft kunnen verrichten. Het college kan wel een voorziening geven als deze direct nodig is of als het college binnen drie maanden na het kopen van de voorziening de noodzaak nog kan vaststellen. Artikel 12.4 Aanvullende voorwaarden Hulp bij het huishouden Naast de voorwaarden in artikel 12.2 en 12.3 kunnen cliënten hulp bij het huishouden ontvangen als zij hulp nodig hebben met betrekking tot één of meer van de volgende doelen: a.het houden van een schoon en leefbaar huis; b.het hebben van schone en draagbare kleding; c.het verzorgen van minderjarige kinderen die horen bij het gezin; d.het regelen van huishoudelijke taken. Artikel 12.5 Aanvullende voorwaarden individuele begeleiding Naast de voorwaarden in artikel 12.2 en 12.3 kan een cliënt individuele begeleiding ontvangen als zich het volgende voordoet: a.de cliënt heeft hulp nodig bij activiteiten en praktische dingen, zowel thuis als buiten; b.de cliënt heeft hulp nodig om dingen te plannen, te organiseren en uit te voeren; c.de cliënt heeft hulp nodig bij dagelijkse dingen zoals schoonmaken, eten, medicijnen, planning, papierwerk, geld en regelen; d.de cliënt heeft hulp nodig om dingen te oefenen die hij/zij geleerd heeft tijdens behandeling. Artikel 12.6 Aanvullende voorwaarden voor dagbesteding Naast de voorwaarden in artikel 12.2 en 12.3 kan een cliënt dagbesteding ontvangen als zich het volgende voordoet: a.de cliënt kan niet zelf of met hulp van bijvoorbeeld familie, mantelzorgers of vrienden meedoen aan de samenleving; b.de cliënt heeft speciale hulp nodig tijdens de dagbesteding door een beperking of bijzondere situatie; c.de dagbesteding helpt voorkomen dat mensen die zorgen voor de cliënt (mantelzorgers) te veel belast worden. Artikel 12.7 Aanvullende voorwaarden voor respijtzorg of kortdurend verblijf Naast de voorwaarden in artikel 12.2 en 12.3 kan een cliënt respijtzorg of kortdurend verblijf ontvangen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a.de cliënt kan geen respijtzorg of kortdurend verblijf krijgen via de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw); b.de mantelzorger heeft een onderbreking nodig van zijn zorgtaak of rust nodig; c.andere hulp voor de mantelzorger is niet genoeg; d.de cliënt heeft op vaste en verschillende tijden zorg en toezicht nodig of; e.de cliënt kan geen respijtzorg of kortdurend verblijf krijgen via zijn aanvullende zorgverzekering. Artikel 12.8 Aanvullende voorwaarden voor beschermd wonen en opvang Naast de voorwaarden in artikel 12.2 en 12.3 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen of opvang als: a.de cliënt psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en b.de cliënt de situatie van psychische- of psychosociale problemen - met als gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen; c.beschermd wonen of opvang een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Artikel 12.9 Aanvullende voorwaarden voor vervoersvoorziening 1.Als de cliënt geen gebruik kan maken van normaal openbaar vervoer en andere beschikbare vervoermiddelen, kan de cliënt eventueel collectief vervoer gebruiken.2.Verder kan iemand individueel vervoer krijgen als dat over een langere tijd nodig is en collectief vervoer niet genoeg is.3.Bij het regelen van vervoer wordt alleen gekeken naar de ritten in de directe omgeving waar de cliënt woont. Dat is een gebied van 25 kilometer rond het huis, met een maximum van 1.500 kilometer per jaar.4.Geen vervoersvoorziening, behalve collectief vervoer, wordt verstrekt als een adequate stallingsmogelijkheid noodzakelijk is, maar deze ontbreekt en ook niet te realiseren is. Een vervoersvoorziening met een accu wordt alleen dan verstrekt als er een brandveilige stallingsplek beschikbaar is. De beschikbaarheid van de stallingsplek wordt actief getoetst.5.Het college onderzoekt jaarlijks of de vervoersvoorziening nog adequaat en noodzakelijk is. Artikel 12.10 Aanvullende voorwaarden voor woonvoorzieningen 1.Naast de voorwaarden in artikel 12.2 en 12.3 kan de cliënt een woonvoorziening krijgen als: a.de cliënt geen normaal gebruik kan maken van zijn woning; b.de cliënt alles heeft geprobeerd om een passende woning te vinden; c.de cliënt woont of gaat wonen waar de voorziening nodig is; d.de cliënt volgens de meest recente huisvestingsverordening gemeente Oldebroek in de woning mag wonen en die woning geschikt is om daar blijvend te wonen. Het moet gaan om een vast huurcontract of koophuis; e.de problemen niet komen door de aard van de in de woning gebruikte materialen of door slecht onderhoud. En de woning moet aan de meest recente huisvestingsverordening gemeente Oldebroek voldoen. 2.In gemeenschappelijke ruimten worden alleen deze woonvoorzieningen gegeven: a.automatische deuropeners; b.hellingbanen/oprijplaten; c.het verbreden van toegangsdeuren van gemeenschappelijke ruimten; d.drempelhulpen of vlonders plaatsen; e.een opstelplaats voor een voorziening in de buurt van de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Als een gebouw speciaal gemaakt, gebouwd of ingericht is voor ouderen, mensen met een handicap of een andere specifieke doelgroep geldt lid 2 van dit artikel niet. 3.Het college geeft geen woonvoorziening als: a.de cliënt niet naar de meest geschikte beschikbare woning is verhuisd volgens de beperkingen van de cliënt, tenzij het college vooraf schriftelijke toestemming heeft gegeven; b.de noodzaak om te verhuizen niet komt door beperkingen in zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden is om te verhuizen; c.de voorzieningen of aanpassingen bij nieuwbouw of renovatie door de cliënt makkelijk en zonder veel extra kosten kunnen worden gedaan; d.wanneer er niet wordt voldaan aan het meest recente Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 13. Verstrekkingsvorm maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening kan zijn: een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een voorziening in de vorm van een pgb. Artikel 14. Inhoud beschikking 1.Het college maakt het besluit om wel of niet een maatwerkvoorziening toe te kennen in een beschikking bekend.2.De cliënt die de voorziening krijgt moet zich binnen zes maanden na de datum van de beslissing melden bij de aanbieder die de maatwerkvoorziening uitvoert of levert. Als het gaat om een pgb moet de cliënt het pgb binnen zes maanden gebruiken voor het doel waarvoor het is gegeven.3.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura, als financiële tegemoetkoming of als pgb wordt verstrekt. 4.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b.wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c.indien van toepassing de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven; en d.hoe de voorziening wordt verstrekt, e.of en welke bijdrage in de kosten verschuldigd is; f.welke voorwaarden en verplichtingen gelden. 5.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.voor welk resultaat het pgb moet worden ingezet; b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c.wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d.wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e.de voorwaarden voor uitbetaling van het pgb en de wijze van uitbetaling van het pgb en f.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; g.de wijze van administratievoering. 6.Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 15. Regels voor een pgb 1.Het college geeft geen pgb in de volgende situaties: a.als het om hulp gaat die met spoed nodig is; b.voor dagbesteding en specialistische individuele begeleiding die door informele hulp wordt gegeven. Deze twee voorzieningen kunnen alleen door een gecontracteerde aanbieder worden gegeven; c.als de cliënt de voorziening al heeft gekocht of gerealiseerd voordat de cliënt zich heeft gemeld of voordat de Wmo consulent een onderzoek heeft kunnen verrichten. Het college kan wel een voorziening geven als deze direct nodig is of als het college binnen drie maanden na het kopen van de voorziening de noodzaak nog kan vaststellen. 2.De cliënt of zijn/haar pgb-vertegenwoordiger moet weten welke zorg nodig is en kan goede afspraken maken met de zorgverlener.3.Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en zelf de ondersteuning wil regelen met een pgb, controleert het college of dit volgens de wet kan. De cliënt moet dan een budgetplan maken. In dat plan staat in ieder geval: a.hoe de cliënt zelf of met hulp van anderen de taken van een pgb op een goede manier gaat uitvoeren; b.waarom de cliënt een pgb wil voor de maatwerkvoorziening; c.welke hulp de cliënt wil inkopen en bij welke aanbieder; d.hoe de kwaliteit van de hulp goed wordt gecontroleerd en past bij waar het pgb voor bedoeld is; e.hoeveel de hulp kost, in omvang en bedragen. 4.Het pgb mag niet gebruikt worden voor: a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b.extra zorgkosten; c.kosten voor het bijhouden van de pgb-administratie; d.kosten voor hulp bij het aanvragen en beheren van een pgb; e.kosten voor speciale uitkeringen, zoals bij feestdagen. 5.Het pgb heeft geen deel dat vrij te besteden is.6.Het pgb is niet een vast bedrag per periode.7.Een eenmalige uitkering bij het stoppen van een pgb na het overlijden van de cliënt kan worden toegekend, als: a.er een dag voor het overlijden een geldige overeenkomst is met de zorgverlener; b.de uitkering binnen het budget past; c.de uitkering niet voor zorginstellingen of zorgverleners is die voor een zorginstelling werken; d.de hoogte van het bedrag niet meer is dan het gemiddelde bedrag van de afgelopen drie maanden; e.de duur van de uitkering niet langer is dan één maand. 8.Als de cliënt wil dat iemand anders het pgb beheert, mag die persoon niet tegelijk de zorgverlener van de cliënt zijn, tenzij het college hiermee vooraf schriftelijk akkoord gaat. Artikel 16. Onderscheid professionele en niet professionele hulp 1.Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.2.Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt: a.personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en beschikken over een voor de uit te voeren werkzaamheden een relevante Verklaring omtrent gedrag (VOG), afgegeven niet langer dan drie jaar vóór de datum van de aanvraag, of; b.personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en beschikken over een voor de uit te voeren werkzaamheden een relevante Verklaring omtrent gedrag (VOG), afgegeven niet langer dan drie jaar vóór de datum van de aanvraag. 3.Niet-professionele hulp is: a.Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2 van dit artikel. b.Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid van dit artikel, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen. 4.Een cliënt kan informele ondersteuning vragen onder deze voorwaarden: a.Het pgb voldoet aan de uitgangspunten van artikel 15, tweede lid, van deze verordening; b.de informele hulp kan de juiste kwaliteit leveren die past bij wat landelijk hiervoor gevraagd wordt; c.de informele hulp vindt de hulp niet te zwaar om te geven. Artikel 17. De hoogte van een pgb 1.De hoogte van een pgb: a.wordt bepaald aan de hand van een plan dat de cliënt maakt over hoe hij of zij het pgb gaat gebruiken; b.houdt geen rekening met de kosten voor reizen die de hulpverlener maakt voor de ondersteuning die nodig is; c.wordt berekend op basis van een prijs waarmee ervoor wordt gezorgd dat het pgb genoeg is om veilige, effectieve en goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere nodige dingen te krijgen van anderen. Als het nodig is dan wordt het aangevuld met geld voor onderhoud en verzekering; d.is niet hoger dan de prijs van de meest passende voorziening in de gemeente die er op dat moment is als maatwerkvoorziening in natura; e.Is hoger dan het percentage of bedrag in artikel 17, derde lid, van dit artikel, als er formele hulp is en het resultaat anders niet gehaald kan worden; f.wordt aangepast als het pgb volgens artikel 17, tweede lid, van dit artikel, niet genoeg is om de juiste voorziening te kopen, zodat de voorziening bij minstens één aanbieder kan worden ingekocht. 2.De hoogte van het pgb voor een hulpmiddel of aanpassing wordt maximaal vastgesteld op: a.Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; b.Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. De noodzakelijke kosten van een onderhoudscontract worden meegenomen. c.De gemeente houdt rekening met de normale levensduur en de kosten van onderhoud en verzekering. 3.De hoogte van het pgb voor formele hulp is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4.Het pgb-tarief voor ondersteuning door aanbieders die een contract hebben met de gemeente, of die werken volgens vastgestelde kwaliteitsregels in de meest recente nadere regels en meest recente Besluit, is maximaal 80% van de prijs die het college volgens artikel 21 van deze verordening heeft vastgesteld voor diezelfde zorg in natura. 5.Voor Beschermd wonen geldt een andere regel. Het pgb-tarief hiervoor loopt op, afhankelijk van de soort en hoeveelheid zorg, tot maximaal 80% van de prijzen die in het meest recente Besluit staan voor beschermd wonen in natura.6.Het pgb-tarief voor hulpverleners die niet werken volgens vastgestelde kwaliteitsregels in de meest recente Besluit en meest recente nadere regels: is maximaal 75% van de prijs die het college in artikel 21 van deze verordening heeft vastgesteld voor diezelfde zorg in natura.7.Het pgb-tarief voor begeleiding en hulp bij het huishouden voor hulpverleners uit het eigen sociale netwerk en overige hulpverleners uit het sociale netwerk, wordt vastgesteld op het hoogste uurbedrag (gebaseerd op een 36 - urige werkweek voor een persoon van 21 jaar en ouder) van het wettelijk minimumloon en minimumvakantiebijslag.8.Als de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd. 9.Met in achtneming van het in het eerst lid tot en met het vijfde lid bepaalde, legt het college in het besluit de hoogte van het pgb per soort maatwerkvoorziening, respectievelijk categorie vast.10.Als het op basis van het tweede, derde en vierde lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. Artikel 18. Financiële tegemoetkomingen Het college kan een financiële tegemoetkoming geven om te helpen bij zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving en het gaat om één van de volgende voorzieningen: a.De kosten van verhuizing en herinrichting. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing en de Nibud-normen voor stoffering. Het college legt de hoogte vast in het Besluit; b.De kosten voor vervoer al dan niet per eigen auto, als dit vervoersprobleem niet met een algemene voorziening of ander algemeen toegankelijk vervoer kan worden opgelost en de en de cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De vervoersvergoeding wordt volgens de belastingsystematiek vastgesteld op basis van de voor fiscale doeleinden gehanteerde kilometervergoeding, dit is inclusief onderhoud, verzekering en parkeerkosten. Bij de vaststelling van de vervoersvergoeding wordt uitgegaan van 1500 kilometer per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving van de cliënt. Als de aantoonbare vervoersbehoefte substantieel lager is dan 1500 kilometer per jaar, kan het college de tegemoetkoming hierop aanpassen. Het college legt de hoogte vast in het Besluit. c.De kosten voor de aanschaf van een sportrolstoel/sportvoorziening. Artikel 18.1 Financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening 1.Het college kan een financiële tegemoetkoming geven aan een cliënt wanneer dit, gelet op diens persoonlijke situatie, een passende bijdrage levert aan zijn of haar zelfredzaamheid of participatie. De financiële tegemoetkoming wordt aangemerkt als een maatwerkvoorziening in de zin van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. De financiële tegemoetkoming kan worden gegeven: a.ter vervanging van een maatwerkvoorziening in natura, of b.als bijdrage in de kosten die de cliënt zelf maakt om beperkingen te compenseren. 2.Het college bepaalt bij besluit voor welke vormen van ondersteuning een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt en op welke wijze de hoogte daarvan wordt berekend. Daarbij kan het college rekening houden met: a.de aard en noodzaak van de voorziening, b.de werkelijke kosten die de cliënt maakt, c.de gebruiksduur van de voorziening, en d.de eigen mogelijkheden van de cliënt. 3.De financiële tegemoetkoming wordt uitsluitend verstrekt als de voorziening noodzakelijk is en de cliënt geen recht heeft op vergoeding uit een andere regeling of verzekering. Voor de financiële tegemoetkoming kan een bijdrage in de kosten worden gevraagd, overeenkomstig artikel 2.1.4.a van de Wmo 2015. Het college kan nadere regels stellen over: a.de voorwaarden voor toekenning van de financiële tegemoetkoming, b.de berekening en hoogte van de tegemoetkoming, en c.de verplichtingen die aan de cliënt worden opgelegd. HOOFDSTUK 4 Bijdrage in de kosten Artikel 19. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1.Als een volwassen cliënt gebruik maakt van een maatwerkvoorziening (zorg in natura of pgb) moet deze een bijdrage betalen voor de kosten. Dit geldt zolang de cliënt de voorziening gebruikt of tijdens de periode waarvoor het pgb wordt gegeven.2.De eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen (zorg in natura of pgb) zijn even hoog als de werkelijke kosten, maar ze gaan niet verder dan het geldende (abonnements)tarief dat wordt genoemd in artikel 2.1.4a, vierde lid van de Wmo 2015. Het college houdt rekening met de uitzonderingen die in artikel 2.1.4a, vijfde lid van de Wmo 2015 en hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 staan.3.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015, wordt de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening (zorg in natura of pgb) vastgesteld op het landelijk vastgestelde bedrag en door het Centraal administratiekantoor (CAK) geïnd.4.De ouders die onderhoudsplichtig voor hun kind zijn moeten de eigen bijdrage betalen voor aanpassingen aan een woning die nodig zijn voor het kind. Dit geldt ook voor degenen tegen wie een verzoek op basis van artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegewezen (de verwekker van het kind). En degene die samen met de ouder anders dan als ouder gezag uitoefent over een kind. De woningaanpassing moet op naam staan van de ouders of toegewezen ouders of degene die als ouder gezag uitoefent.5.Voor de eigen bijdrage bij beschermd wonen en opvang gelden de regels van de centrumgemeente Harderwijk.6.Voor collectief vervoer is de eigen bijdrage het geldende tarief van het openbaar vervoer.7.Voor de was- en strijkservice is een eigen bijdrage verschuldigd in de vorm van een maandabonnement. 8.De cliënt hoeft geen eigen bijdrage te betalen voor: a.herinrichtingskosten zoals beschreven in artikel 18, onderdeel a, van deze verordening; b.het gebruik van een auto voor sociaal vervoer zoals beschreven in artikel 18, onderdeel b, van deze verordening; c.het gebruik van een sportrolstoel/sportvoorziening zoals beschreven in artikel 18, onderdeel c, van deze verordening; d.de maatwerkvoorziening begeleiding individueel waakvlam; e.de maatwerkvoorziening begeleiding groep arbeidsmatig; f.de maatwerkvoorziening begeleiding groep meedoen als algemene voorziening; g.als het inkomen van de cliënt niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. HOOFDSTUK 5 Kwaliteit en veiligheid Artikel 20. Kwaliteitseisen voor aanbieders van een maatwerkvoorziening 1.Aanbieders van maatwerkvoorzieningen (zorg in natura en pgb) zorgen voor een goede kwaliteit van dienstverlening en voorzieningen, door: a.de hulp aan te passen aan de situatie van de cliënt; b.de hulp af te stemmen op andere zorg die nodig is; c.de juiste deskundigheid in te zetten; d.te voldoen aan de eisen voor kwaliteit en deskundigheid die nodig zijn voor erkende keurmerken in hun sector; e.ervoor te zorgen dat zorgverleners volgens de professionele normen handelen. 2.In de afspraken met aanbieders legt het college vast aan welke eisen de hulp moet voldoen. Hierbij wordt zoveel mogelijk gekeken naar wat er staat in artikel 3.1 van de Wmo 2015. En naar de eisen die gelden voor de zorgsector waar het over gaat.3.Het college houdt toezicht op de naleving van deze eisen door regelmatig overleg met aanbieders te hebben, een jaarlijkse enquête onder cliënten te houden en indien nodig door ter plekke te controleren of de gegeven hulp of voorziening aan de eisen voldoet.4.In geval van een verstrekt pgb ziet de pgb ontvanger toe op de naleving van de kwaliteitseisen en neemt dit op in de verantwoording van het pgb. Tijdens het periodiek onderzoek wordt door het college in ieder geval getoetst of het pgb conform de voorwaarden is besteed en uitgevoerd.5.Voor aanbieders die worden ingekocht door middel van een pgb, gelden de kwaliteitseisen vastgelegd in de beleidsregels en nadere regels.6.Voor gecontracteerde aanbieders gelden ook de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Programma van Eisen bij de aanbesteding. Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.In het belang van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde of; b.een reële prijs, die geldt als ondergrens voor: c.een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met een derde, en d.de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, van dit artikel, vast: a.volgens de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en b.rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening tussen diegene aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college stelt in het Besluit tarieven vast voor aanbieders die hulp verlenen. Daarbij houdt het college rekening met de volgende punten: a.de soort en het aantal taken die de aanbieder uitvoert; b.het salaris dat geldt voor een bepaalde functie (op basis van de cao in de sector); c.een redelijke vergoeding voor overheadkosten (zoals kosten voor administratie, communicatie en verzekeringen); d.kosten voor reizen; e.tijd dat personeel niet kan werken (bijvoorbeeld door verlof, ziekte, opleiding of overleg); f.kosten voor extra training en opleiding voor het personeel; g.overige kosten als gevolg van de door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen, component voor no-show en administratieve verplichtingen. 4.Bij het toekennen van opdrachten voor te leveren overige voorzieningen, houdt het college rekening met: a.de marktprijs van een voorziening; b.extra taken die van de leverancier worden gevraagd, zoals: i.het aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii.uitleg over hoe de voorziening gebruikt moet worden; iii.onderhoud van de voorziening. 5.Het college beslist met welke andere partij een overeenkomst wordt aangegaan. Artikel 22. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college maakt afspraken over het melden van ernstige noodsituaties en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder, en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan (volgens het meest recente calamiteiten protocol Wmo, Noord Veluwse gemeenten en Zeewolde).2.Bij het geven van een voorziening meldt de aanbieder direct iedere calamiteit en ieder incident van geweld aan de toezichthouder, zoals bedoeld in artikel 3.4 van de Wmo 2015. 3.Onder calamiteit en geweld bij een voorziening wordt verstaan wat staat in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015. 4.De meldplicht betekent niet dat de aanbieder zijn verantwoordelijkheid verliest. Na het melden zorgt de aanbieder voor passende maatregelen en zet zich in om herhaling te voorkomen. 5.De toezichthouder onderzoekt de noodsituaties en geweldsincidenten. De toezichthouder adviseert het college over manieren om verdere noodsituaties te voorkomen en geweld aan te pakken. Artikel 23. Voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik 1.Het college informeert de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger duidelijk over de regels en verantwoordelijkheden die horen bij het krijgen van een maatwerkvoorziening (zorg in natura of pgb). Ook worden de mogelijke gevolgen van verkeerd gebruik of misbruik van de wet uitgelegd.2.Ondanks artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 moet een cliënt aan het college alle feiten en omstandigheden melden, als deze redelijk gezien zouden kunnen leiden tot het opnieuw bekijken van een beslissing zoals beschreven in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015. Dit kan op verzoek of meteen uit eigen beweging.3.Ondanks artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een beslissing zoals beschreven in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 herzien of intrekken wanneer het college vaststelt dat: a.de cliënt verkeerde of niet volledige informatie heeft gegeven en als correcte informatie tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.de cliënt niet meer de maatwerkvoorziening of het pgb nodig heeft; c.de maatwerkvoorziening (zorg in natura of pgb) niet meer genoeg helpt; d.de cliënt meer dan twee maanden in een zorginstelling verblijft volgens de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e.de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor de maatwerkvoorziening (zorg in natura pgb); f.de cliënt de maatwerkvoorziening (zorg in natura pgb) niet gebruikt of voor iets anders gebruikt dan waarvoor het bedoeld is. 4.Een beslissing om een pgb te geven kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden, nadat het is gegeven niet is gebruikt voor de kosten van de voorziening waarvoor het is bedoeld.5.Bij opname in een ziekenhuis of instelling mag de cliënt het pgb tot maximaal twee maanden na opname houden, ondanks de gewijzigde situatie. Het college heroverweegt na deze periode de maatwerkvoorziening.6.Bij verblijf in het buitenland van maximaal zes weken per jaar behoudt de cliënt het recht op pgb. Als de cliënt langer in het buitenland verblijft moet de cliënt dit melden en heroverweegt het college de maatwerkvoorziening Artikel 24. Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan aan de Sociale Verzekeringsbank vragen om betalingen uit het pgb tijdelijk helemaal of gedeeltelijk stop te zetten, voor maximaal dertien weken, als er ernstige vermoedens zijn over een persoon. Dit is als er situaties zijn zoals beschreven in artikel 2.3.10, eerst 1, onderdeel a, d of e van de Wmo 2015.2.Het college kan aan de Sociale Verzekeringsbank vragen om betalingen uit het pgb helemaal of gedeeltelijk stop te zetten voor de periode van opname in een instelling, als er een situatie is zoals beschreven in artikel 23, derde lid, onderdeel d van deze verordening. •Als de cliënt langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname. •Als de cliënt langer dan zes weken per jaar in het buitenland verblijft. 3.Het college informeert de cliënt aan wie het pgb is gegeven schriftelijk over het verzoek zoals genoemd in het eerst en tweede lid van dit artikel. Artikel 25. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen 1.Toezien en toezicht beschermt cliënten tegen onrechtmatigheden in zorg en ondersteuning en bevordert transparantie over kwaliteit en rechtmatigheid. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, hoe maatwerkvoorzieningen (zorg in natura en pgb) worden gebruikt. Dit gebeurt om te kijken of de kwaliteit, recht- en doelmatigheid op de juiste manier worden ingezet.2.Het college is gerechtigd tot het uitvoeren van controles waaronder materiële controle, kwaliteits- en fraudeonderzoek. Controle en onderzoek omvat ook de juiste digitale verwerking en beveiliging van cliëntgegevens, het waarborgen van privacy en de naleving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). 3.Aanbieders, ook pgb aanbieders, zijn verplicht om kosteloos hun medewerking te verlenen aan deze onderzoeken.4.Rapporten van bevindingen van de Wmo-toezichthouder worden niet alleen openbaar gemaakt aan belanghebbenden, maar in beginsel ook geanonimiseerd actief openbaar gemaakt, zodat derden daarvan kennis kunnen nemen. Artikel 25.1 Toezichthouder 1.Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015.2.De aangewezen toezichthouder is bevoegd om: a.inlichtingen te vorderen; b.de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c.om de administratie te vorderen van de belanghebbende of de pgb beheerder; d.vorderen van identificatie; e.inzage van documenten en toegang tot gegevens; f.plaatsen te betreden (met uitzondering van woningen). 3.De aangewezen toezichthouder is belast met: a.controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft; b.ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de belanghebbende of de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; c.controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd. 4.Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder, tenzij er een geheimhoudingsplicht is zoals staat in artikel 5:20 lid 2 van de Awb. HOOFDSTUK 6 Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 26. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college of bij een door het college aangewezen instantie voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. Artikel 27. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.Het college kan een financiële bijdrage geven aan personen met een beperking of mensen die langdurige psychische of psychosociale problemen hebben. Dit is bedoeld voor personen die duidelijk extra kosten maken die helpen om zichzelf (beter) te redden en mee te kunnen doen in de samenleving. Hierbij houdt het college rekening met het Sociaal Domein beleidsplan zoals beschreven in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015. HOOFDSTUK 7 Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 28. Klachtregeling 1.Aanbieders stellen een procedure op voor hoe ze omgaan met klachten van cliënten die van hun ondersteuning krijgen.2.Het college controleert of deze regels worden nageleefd door regelmatig overleg met aanbieders en jaarlijks te vragen naar de ervaringen van cliënten die ondersteuning krijgen. Artikel 29. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders maken afspraken over hoe cliënten kunnen meepraten over plannen die belangrijk voor hen zijn.2.Het college zorgt ervoor dat aanbieders zich aan deze afspraken houden door regelmatig met hen te spreken en jaarlijks te vragen naar de ervaringen van cliënten. Artikel 30. Betrekken van inwoners bij het beleid 1.Het college betrekt de inwoners van de gemeente Oldebroek als het beleid over de Wmo voorbereidt. Dit gebeurt volgens de regels die de raad heeft vastgesteld (op basis van artikel 150 van de Gemeentewet).2.Het college geeft belanghebbenden de kans om vanaf het begin mee te denken met beleid over de Wmo. Belanghebbenden zijn in elk geval: inwoners waarvoor de Wmo is bedoeld, hun vertegenwoordigers en de Adviesraad sociaal domein. Artikel 30.1. Adviesraad Sociaal Domein 1.Ter uitvoering van artikel 30 betrekt het college de Adviesraad Sociaal Domein Oldebroek bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid inzake maatschappelijke ondersteuning.2.De taken, werkwijze en ondersteuning van de Adviesraad Sociaal Domein zijn vastgelegd in de Verordening Adviesraad Sociaal Domein Oldebroek.3.Het college waarborgt dat de adviesraad tijdig en adequaat wordt betrokken bij beleidsontwikkelingen, en dat inwoners via deze raad hun stem kunnen laten horen. HOOFDSTUK 8 Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 31. Nadere regels en hardheidsclausule 1.Als deze verordening geen regels heeft voor situaties die met deze verordening te maken hebben, beslist het college.2.Het college kan in het voordeel van de cliënt afwijken van de regels in deze verordening. Dat doet het college alleen in bijzondere situaties. Dit is bijvoorbeeld wanneer de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan als het college de regels in de verordening toepast.3.Het college kan nadere regels en beleidsregels opstellen over de uitvoering van deze verordening. Artikel 32. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2018 wordt ingetrokken wanneer deze verordening in werking treedt. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2018, zoals die gold tot 1 november 2026, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.3.Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de Verordening Wmo gemeente Oldebroek 2018 genomen is, wordt beslist op basis van Verordening Wmo gemeente Oldebroek 2026, indiende belanghebbende hierdoor niet materieel wordt benadeeld.4.Artikel 17, achtste lid, van deze verordening, gaat enkel in onder voorbehoud dat de wet aanpassing regeling dienst aan huis wordt aangenomen. Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 november 2026. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2026. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Oldebroek op 1 oktober 2026; De voorzitter, T.H. Haseloop-Amsing De griffier, M. Frensel
Meer informatie