Beleidsregel verwijderen voertuigwrakken en ongewenste voertuigen gemeente Ridderkerk
Beleidsregel verwijderen voertuigwrakken en ongewenste voertuigen gemeente Ridderkerk Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk; Gelet op: •de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het bijzonder artikel 5:21 e.v. Awb (bestuursdwang) en artikel 4:81 Awb (beleidsregels); •de gemeentewet, in het bijzonder artikel 125; •de Algemene Plaatselijke Verordening Ridderkerk 2026 (APV), waaronder artikel 5:4, 5:5 en 5:12 (defecte voertuigen, voertuigwrakken) als onderdeel van de regels omtrent parkeren, bruikbaarheid en uiterlijk aanzien van de openbare ruimte; •de Wegsleepverordening Ridderkerk 2022 als nadere regeling voor het wegslepen van voertuigen; •de Uitvoeringsregeling wegslepen, bewaren, en teruggave van voertuigen gemeente Ridderkerk 2022; •de Beleidsregels Parkeerexcessen gemeente Ridderkerk; •de Beleidsregels verwijderen fietswrakken, weesfietsen en gevaarlijke voorwerpen gemeente Ridderkerk; •het belang van bescherming van het woon- en leefklimaat, de openbare orde, veiligheid en bruikbaarheid van de openbare ruimte; besluit vast te stellen: Beleidsregel verwijderen voertuigwrakken en ongewenste voertuigen gemeente Ridderkerk Hoofdstuk 1 – Begripsbepalingen Artikel 1 – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: 1.APV: de Algemene Plaatselijke Verordening Ridderkerk 2026. 2.Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zoals overgenomen in artikel 1:1 APV. 3.Voertuigwrak: een voertuig als bedoeld in artikel 5:5 APV, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert en zich in een kennelijk verwaarloosde toestand bevindt. 4.Defect voertuig: een voertuig als bedoeld in artikel 5:4 APV, waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden. 5.Overlast fiets of bromfiets: een (elektrische)fiets, bromfiets die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en/of in een verwaarloosde toestand verkeert en is achtergelaten als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, APV. 6.Openbare plaats: een openbare plaats als bedoeld in artikel 1:1 APV. 7.Openbare weg: een weg als bedoeld in artikel 1:1 APV. 8.Bestuursdwang: een herstelsanctie als bedoeld in artikel 5:21 Awb. Hoofdstuk 2 – Doel, reikwijdte en grondslag Artikel 2 – Doel van de beleidsregel 1.Deze beleidsregel geeft invulling aan de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders gebruikmaakt van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden tegen voertuigwrakken en andere ongewenste voertuigen in de openbare ruimte.2.Het beleid strekt tot bescherming van: ○de openbare orde en veiligheid; ○de verkeersveiligheid; ○het woon- en leefklimaat; ○het uiterlijk aanzien (uitstraling) van de openbare ruimte; ○de bruikbaarheid van de openbare ruimte, voorkoming van parkeeroverlast, parkeerdruk en hinder in de openbare ruimte. Artikel 3 – Reikwijdte 1.Deze beleidsregel is van toepassing op voertuigen die in strijd met de APV op de openbare weg aanwezig zijn en (brom)fietsen die in strijd met de APV in de openbare ruimte aanwezig zijn.2.De beleidsregel bevat algemene regels voor de belangenafweging en bevoegdheidsuitoefening door het college. Artikel 4 – Grondslagen 1.Het college is op grond van artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd handhavend op te treden tegen: a.defecte voertuigen als bedoeld in artikel 5:4 APV; b.voertuigwrakken als bedoeld in artikel 5:5 APV; c.fietsen of bromfietsen als bedoeld in het tweede lid van artikel 5:12 APV. 2.In spoedeisende gevallen kan het college bestuursdwang toepassen zonder voorafgaande last, overeenkomstig artikel 5:31, eerste lid, Awb, inhoudende directe verwijdering van het voertuig. Overeenkomstig het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat het besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast. Zo spoedig mogelijk nadien dient alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend te worden gemaakt.3.Van spoedeisendheid is in ieder geval sprake indien: ○de verkeersveiligheid direct in gevaar is; ○het voertuig een acute belemmering vormt voor het gebruik van de openbare weg; ○sprake is van een reële kans op vernieling, vandalisme en brandstichting; ○sprake is van gevaar voor personen, dieren of milieu. Hoofdstuk 3 – Criteria defecte voertuigen en voertuigwrakken Artikel 5 – Algemeen beoordelingskader 1.Een voertuig kan als defect dan wel wrak worden aangemerkt indien: a.het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert, en/of b.het zich in een kennelijk verwaarloosde toestand bevindt, en/of c.het niet (meer) geschikt is voor het oorspronkelijke gebruik als vervoermiddel. 2.Bij de beoordeling kan onder meer worden betrokken: ○de uiterlijke staat van het voertuig; ○de aanwezigheid en staat van essentiële onderdelen; ○de duur van plaatsing in de openbare ruimte. Artikel 6 – Defect motorvoertuig 1.Een motorvoertuig op twee of meer wielen wordt als defect, als bedoeld in artikel 5:4 APV, aangemerkt indien: a.het voertuig als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag rijden; en b.het voertuig langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg is geplaatst. 2.Indicatoren voor een defect motorvoertuig kunnen onder meer zijn: a.het ontbreken van een geldige APK; b.zichtbare motorische of constructieve gebreken; c.lekkage van olie, koelvloeistof of brandstof; d.het niet verzekerd zijn van een voertuig. Artikel 7 – Autowrak 1.Een motorvoertuig op twee of meer wielen wordt als voertuigwrak als bedoeld in artikel 5:5 APV aangemerkt indien: a.het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert én b.het zich in een kennelijk verwaarloosde toestand bevindt. 2.Hiervan is in ieder geval sprake indien wordt voldaan aan één of meer van de volgende hoofdcriteria: a.het voertuig voldoet niet aan wettelijke inrichtingseisen of APK-eisen; b.het voertuig heeft ernstige ongevalsschade; c.het chassis of dragende delen zijn doorgeroest; d.het voertuig is ernstig versleten of grotendeels gedemonteerd en/of er sprake is van ten minste twee van de volgende omstandigheden: -demontage van essentiële motor- of carrosserieonderdelen; -(deels) loshangende beplating; -ernstige roestschade; -ontbrekende vloerdelen; -een (deels) gedemonteerd of vernield interieur; -loshangende of blootliggende bedrading; e.En/of indien ten minste twee van de volgende onderdelen ontbreken, vernield zijn of onbruikbaar zijn : -kenteken; -ruit(en); -koplamp(en) of achterlicht(en); -wiel(en) of band(en); -interieur; -dashboard; -portier(en); -bumper(s); -zijspiegel(s). Artikel 8 – Fiets, bromfiets, snorfiets, scooter etc. 1.Een (elektrische)fiets, bromfiets, snorfiets, etc. wordt als voertuigwrak, als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, APV aangemerkt indien: a.het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert en/of b.in een verwaarloosde staat kennelijk is achtergelaten. 2.Hiervan is in ieder geval sprake indien ten minste twee van de volgende zichtbare onderdelen ontbreken of onbruikbaar zijn: -stuur; -zadel of buddyseat; -één of meer wielen; -aandrijfmechanisme (o.a. trappers, tandwielen motor of ketting); -brandstoftank of accupakket; -kenteken (indien kentekenplichtig); -voorvork; -rem (-systeem). Hoofdstuk 4 – Bewaring, vernietiging en kostenverhaal Artikel 9 – Bewaring 1.Na toepassing van bestuursdwang wordt het voertuig bewaard overeenkomstig artikel 5:30, Awb.2.Indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kosten van bewaring onevenredig zijn in verhouding tot de waarde van het voertuig, kan worden afgezien van bewaring overeenkomstig artikel 5:30, tweede lid, Awb. Artikel 10 – Vernietiging en verkoop 1.Voertuigen die niet binnen de bewaartermijn worden opgehaald, kunnen overeenkomstig artikel 5:30 Awb worden vernietigd of verkocht.2.De opbrengst van verkoop wordt aangewend ter dekking van de kosten van bestuursdwang. Artikel 11 – Kostenverhaal 1.De kosten van bestuursdwang, waaronder verwijdering, transport en bewaring, komen voor rekening van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.2.Kostenverhaal vindt plaats overeenkomstig artikel 5:25 Awb. Hoofdstuk 5 – Slotbepalingen Artikel 12 – Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.2.Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel verwijderen voertuigwrakken en ongewenste voertuigen gemeente Ridderkerk. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk op 6 oktober 2026. de secretaris, mw. M. Kitselar de burgemeesterdhr. C.A. Oosterwijk Toelichting bij de Beleidsregel verwijderen voertuigwrakken en ongewenste voertuigen gemeente Ridderkerk Algemeen Deze beleidsregel is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met deze beleidsregel geeft het college invulling aan de wijze waarop het gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang bij overtreding van bepalingen uit de Algemene Plaatselijke Verordening Ridderkerk 2026 (APV), in samenhang met de Wegsleepverordening Ridderkerk 2022,de Uitvoeringsregeling wegslepen, bewaren, en teruggave van voertuigen gemeente Ridderkerk 2022, de Beleidsregels Parkeerexcessen gemeente Ridderkerk en de Beleidsregels verwijderen fietswrakken, weesfietsen en gevaarlijke voorwerpen gemeente Ridderkerk. De beleidsregel heeft tot doel: •het waarborgen van een veilige, leefbare en ordelijke openbare ruimte; •het beschermen van het woon- en leefklimaat; •het bevorderen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid; •het bieden van transparantie over de wijze waarop het college zijn handhavingsbevoegdheid toepast. De beleidsregel betreft een nadere concretisering van bestaande wettelijke bevoegdheden en schept geen nieuwe zelfstandige normen. Juridisch kader en uitgangspunten handhaving Het college is op grond van artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met titel 5.3 van de Awb, bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van wettelijke voorschriften. De artikelen 5:4, 5:5 en 5:12 van de APV bevatten verboden met betrekking tot defecte voertuigen, voertuigwrakken en verwaarloosde (brom)fietsen op de openbare weg. Bij overtreding van deze bepalingen is het college bevoegd een herstelsanctie toe te passen. Uitgangspunt is dat bij constatering van een overtreding handhavend wordt opgetreden, tenzij concreet zicht op legalisatie bestaat of handhaving in het specifieke geval onevenredig is. Bij de uitoefening van de bevoegdheid worden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb), in acht genomen. Kennelijk verwaarloosde toestand De beleidsregel bevat nadere criteria ter invulling van open normen in de APV, waaronder het begrip “kennelijk verwaarloosde toestand”. Van een kennelijk verwaarloosde toestand is sprake indien uit objectieve en verifieerbare feiten en omstandigheden blijkt dat: •het voertuig gedurende langere tijd niet is gebruikt; •het voertuig niet (meer) wordt onderhouden; en •aannemelijk is dat de rechthebbende feitelijke afstand heeft gedaan van het voertuig (onbeheerd heeft achtergelaten). Bij de beoordeling worden onder meer betrokken: •de uiterlijke staat van het voertuig; •de aanwezigheid en staat van essentiële onderdelen; •de duur van plaatsing in de openbare ruimte; •het ontbreken van een geldige APK of verzekering (indien van toepassing). Objectieve en toetsbare criteria In de artikelen 6 tot en met 8 zijn per voertuigcategorie nadere beoordelingscriteria opgenomen. Deze criteria zijn niet-limitatief en dienen ter concretisering van de open normen uit de APV. Door te werken met objectieve, zichtbare en in veel gevallen cumulatieve criteria (bijvoorbeeld het ontbreken van ten minste twee essentiële onderdelen), wordt een zorgvuldige en consistente toepassing van de handhavingsbevoegdheid gewaarborgd. Dit voorkomt dat voertuigen op basis van een enkel, relatief gering gebrek als wrak worden aangemerkt. Voorbeelden Voorbeeld 1 – Defect motorvoertuig (artikel 5:4 APV) Een personenauto staat al geruime tijd op dezelfde parkeerplaats. Het voertuig heeft een lekke band, ernstige motorschade en geen geldige APK. Uit waarneming blijkt dat het voertuig niet kan rijden en een geruime tijd aaneengesloten in de openbare ruimte is geplaatst. In dat geval kan sprake zijn van een defect voertuig in de zin van artikel 5:4 APV. Voorbeeld 2 – Voertuigwrak (artikel 5:5 APV) Een bestelauto zonder kentekenplaten staat meerdere weken in een woonwijk. De ruiten zijn deels ingeslagen, de bumper ontbreekt en het interieur is grotendeels verwijderd. Daarnaast is sprake van ernstige roestvorming. Op basis van de cumulatie van gebreken kan het voertuig worden aangemerkt als voertuigwrak. Voorbeeld 3 – Verwaarloosde fiets (artikel 5:12 APV) Een fiets zonder zadel en met een ontbrekend voorwiel staat langdurig vastgeketend aan een fietsenrek. De ketting en aandrijving ontbreken en het frame is ernstig verroest. Indien ten minste twee essentiële onderdelen ontbreken of onbruikbaar zijn, kan de fiets worden aangemerkt als wrak. Voorbeeld 4 – Geen wrak ondanks gebreken Een voertuig met lichte parkeerschade en een verlopen APK staat regulier geparkeerd, is verzekerd en vertoont geen verdere gebreken. Het voertuig is rijdbaar en wordt aantoonbaar gebruikt. In een dergelijke situatie is in beginsel geen sprake van een voertuigwrak. Voorbeeld 5 – Spoedeisende situatie Een zwaar beschadigd voertuig na een brand staat op de openbare weg, waarbij vloeistoffen lekken en scherpe delen uitsteken in de rijbaan. Gelet op het directe gevaar voor de verkeersveiligheid en het milieu kan sprake zijn van een spoedeisende situatie waarin onmiddellijk bestuursdwang wordt toegepast. Voorbeeld 6 – Spoedeisende situatie Een auto is verwaarloosd en heeft geen ramen meer. Er zijn aanwijzingen dat of het is aannemelijk dat het voertuig wordt gebruikt voor (verdere) vandalisme (bijvoorbeeld rond Oud en Nieuw). Ook dit levert een direct gevaar op waarvoor onmiddellijke bestuursdwang kan worden toegepast. Voornemen en gelegenheid tot herstel Het college stelt de rechthebbende in de gelegenheid de overtreding binnen een redelijke termijn te beëindigen door in de last onder dwangsom een begunstigingstermijn op te nemen (artikel 5:24 Awb). Ter voorbereiding op dat besluit wordt een voornemen bekendgemaakt waarin de rechthebbende op grond van artikel 4:8 Awb zijn zienswijze kan geven. In situaties waarin de eigenaar of houder niet direct kan worden achterhaald, wordt het voornemen kenbaar gemaakt door het aanbrengen van een sticker of label op het voertuig. Op deze sticker wordt vermeld: •dat sprake is van een (vermoedelijke) overtreding van de APV; •dat het college voornemens is bestuursdwang toe te passen; •binnen welke termijn het voertuig dient te worden verwijderd of hersteld; •wat de mogelijke gevolgen zijn indien hieraan geen gehoor wordt gegeven. De sticker fungeert in die gevallen als feitelijke en kenbare bekendmaking van de overtreding en biedt de rechthebbende de gelegenheid om zelf in herstel te voorzien of een zienswijze in te dienen tegen het voornemen. Daarnaast wordt het voornemen kenbaar gemaakt op de gemeentelijke website. Indien de eigenaar of houder wel kan worden geïdentificeerd, wordt het voornemen schriftelijk aan hem of haar bekendgemaakt. 1 Na afloop van de gestelde termijn en na afweging van eventueel ingediende zienswijzen, kan het college besluiten tot toepassing van bestuursdwang. Spoedeisende bestuursdwang In spoedeisende gevallen kan op grond van artikel 5:31, eerste lid, Awb bestuursdwang worden toegepast zonder voorafgaande last. Van spoedeisendheid kan onder meer sprake zijn indien: •de verkeersveiligheid direct in gevaar is; •het voertuig een acute en substantiële belemmering vormt voor het gebruik van de openbare ruimte; •sprake is van een reëel risico op brandstichting, vernieling of milieuschade; •gevaar bestaat voor personen, dieren of het milieu. De spoedeisendheid wordt per individueel geval beoordeeld en gemotiveerd vastgelegd. Bewaring en kostenverhaal Na toepassing van bestuursdwang wordt het voertuig in beginsel in bewaring genomen overeenkomstig artikel 5:30 Awb. Indien aannemelijk is dat de kosten van bewaring niet in verhouding staan tot de waarde van het voertuig, kan van bewaring worden afgezien overeenkomstig het tweede lid van dat artikel. De kosten van bestuursdwang, waaronder begrepen de kosten van verwijdering, transport en eventuele bewaring, worden verhaald op de overtreder overeenkomstig artikel 5:25 Awb. Afwijkingsbevoegdheid Op grond van artikel 4:84 Awb handelt het college overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij toepassing ervan gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Meer informatie