Beleidsregel gebiedsontzeggingen gemeente Huizen 2026
Beleidsregel gebiedsontzeggingen gemeente Huizen 2026 De burgemeester van de gemeente Huizen Gelet op het bepaalde in: •Artikel 2:78 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Huizen; •Artikel 4:81, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. •Afdeling 10.1.1 inzake Mandaat van de Algemene wet bestuursrecht Overwegende dat; •de burgemeester verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in de gemeente Huizen; •de burgemeester, met het oog op de openbare orde en veiligheid, bevoegd is overtredingen van wettelijke voorschriften te voorkomen, te beëindigen en herhaling te voorkomen; •de burgemeester bevoegd is om de uitoefening van deze bevoegdheden te mandateren aan ondergeschikte functionarissen, waaronder politieambtenaren en jeugdboa’s; •de burgemeester in 2022 beleidsregels heeft vastgesteld voor gebiedsontzeggingen en dat deze, gelet op ontwikkelingen in wetgeving, jurisprudentie en de uitvoeringspraktijk, aan herziening toe zijn; •de uitoefening van deze bevoegdheden, zowel door de burgemeester als door gemandateerden, op een zorgvuldige, consistente en inzichtelijke wijze dient plaats te vinden; •het daarom wenselijk is beleidsregels vast te stellen die richting geven aan de wijze waarop deze bevoegdheid wordt toegepast. Besluit: 1.de hiernavolgende “Beleidsregel gebiedsontzeggingen gemeente Huizen 2026” vast te stellen; 2.aan de politieambtenaren, werkzaam binnen het district Gooi en Vechtstreek van de eenheid Midden-Nederland en belast met de uitvoering van de politietaak in de openbare ruimte, en ook aan de specifiek aangewezen jeugdboa's van de gemeente Huizen, mandaat te verlenen tot het namens de burgemeester nemen en bekendmaken van besluiten als bedoeld in artikel 2:78 APV: a.voor een duur van maximaal 48 uur op grond van het eerste lid; b.voor een duur van maximaal 72 uur op grond van het tweede lid, als aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. 3.De Beleidsregel Gebiedsontzeggingen gemeente Huizen 2024 in te trekken. 1. Inleiding In de Algemene plaatselijke verordening gemeente Huizen (hierna: APV) is in artikel 2:78 een bepaling opgenomen over gebiedsontzeggingen. Op grond van deze bepaling kan door of namens de burgemeester een gebiedsontzegging worden opgelegd aan personen die strafbare feiten plegen of de openbare orde verstoren. Het doel van deze bevoegdheid is het tegengaan van overlast en het aanpakken van personen die herhaaldelijk de openbare orde verstoren. Met het oog op de rechtszekerheid en een consistente toepassing van deze bevoegdheid is nadere uitwerking noodzakelijk. In deze beleidsregel wordt deze uitwerking gegeven. 2. Aanleiding Op grond van artikel 2:78 van de APV is het degene aan wie door of namens de burgemeester, in het belang van de openbare orde, een gebiedsontzegging schriftelijk is bekendgemaakt, verboden zich gedurende een in de bekendmaking genoemd tijdvak van ten hoogste acht weken te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of plaatsen, gedurende de daarbij aangegeven uren. In verband met overlastsituaties die zich met enige regelmaat voordoen op bepaalde locaties in Huizen, bestaat de behoefte deze bepaling nader uit te werken, om meer duidelijkheid te scheppen over de toepassing van dit instrument. Daarnaast is nadere uitwerking noodzakelijk om het mandaat voor de uitvoering van deze bevoegdheid op zorgvuldige en eenduidige wijze vorm te geven. Deze beleidsregel is een herziening van de beleidsregel uit 2024 en aangepast op basis van de ontwikkelingen in wetgeving, jurisprudentie en de uitvoeringspraktijk. 3. Wettelijk kader gebiedsontzegging Artikel 2:78 van de APV bepaalt het volgende: 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen twaalf maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3.De burgemeester beperkt het op grond van het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4.Het is verboden te handelen in strijd met een op grond van het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 5.Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid. 4. Gebiedsontzegging nader toegelicht 4.1 Nadere definitie gebiedsontzegging Het begrip ‘gebiedsontzegging’ wordt als volgt gedefinieerd: een besluit van de burgemeester om in het belang van de openbare orde een persoon gedurende een bepaalde periode de toegang tot een aangewezen gebied te ontzeggen. De vraag kan worden gesteld in hoeverre het toegestaan is een persoon de toegang tot (een deel van) de openbare ruimte te ontzeggen, mede in het licht van het recht op bewegingsvrijheid zoals neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Ondanks deze spanning is het instrument van gebiedsontzegging in de praktijk ontwikkeld om effectief te kunnen optreden tegen verstoringen van de openbare orde. Gemeenten hebben behoefte aan een daadkrachtig middel om overlastsituaties te beëindigen en herhaling te voorkomen. De bestuursrechter heeft in de jurisprudentie duidelijke kaders geformuleerd waarbinnen toepassing van een gebiedsontzegging is toegestaan. Deze kaders zien met name op: •het proportionaliteitsbeginsel: de maatregel moet in redelijke verhouding staan tot de aard en ernst van de (dreigende) verstoring van de openbare orde (waaronder de omvang van het gebied en de duur van de ontzegging); •het subsidiariteitsbeginsel: de maatregel wordt slechts toegepast als minder ingrijpende maatregelen onvoldoende effectief zijn gebleken. Daarnaast geldt dat een gebiedsontzegging een preventieve maatregel is. De maatregel strekt tot het voorkomen en beperken van (verdere) verstoringen van de openbare orde, zowel in het heden als in de nabije toekomst, en is uitdrukkelijk niet bedoeld als bestraffing. 4.2 Strafbare feiten Een gebiedsontzegging wordt uitsluitend toegepast als deze noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde en een minder ingrijpende maatregel niet volstaat. Dit betekent dat eerst andere (minder ingrijpende) maatregelen moeten zijn overwogen en, indien passend, toegepast. Voor het opleggen van een gebiedsontzegging moet sprake zijn van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene: •strafbare feiten heeft gepleegd en/of openbare-ordeverstorende handelingen heeft verricht; en •er een reële verwachting bestaat dat betrokkene dergelijke gedragingen zal herhalen. Daarbij moet aannemelijk zijn dat eerdere of lichtere maatregelen, zoals een bekeuring of een minder vergaande interventie, onvoldoende effect hebben gehad of naar verwachting niet toereikend zullen zijn. De inzet van de gebiedsontzegging is gericht op het voorkomen van verdere verstoringen van de openbare orde en niet op het bestraffen van al gepleegde feiten. 4.3 Termijnen Wanneer een gebiedsontzegging wordt opgelegd, dient de duur daarvan zorgvuldig te worden bepaald. Het beginsel van proportionaliteit is hierbij leidend. Dit betekent dat de duur van de maatregel in redelijke verhouding moet staan tot de aard, ernst en frequentie van de verstoring van de openbare orde. Als wordt gekozen voor een langere duur, dient de noodzaak daarvan deugdelijk te worden gemotiveerd. Artikel 2:78 APV maakt onderscheid tussen een eerste gebiedsontzegging van maximaal 48 uur en een gebiedsontzegging van maximaal acht weken bij herhaling. Voor toepassing van het tweede lid is vereist dat aan betrokkene eerder een gebiedsontzegging op grond van het eerste lid is opgelegd en dat betrokkene binnen twaalf maanden daarna opnieuw strafbare feiten of openbare-ordeverstorende handelingen verricht. Bij het bepalen van de duur van de gebiedsontzegging komt de burgemeester een zekere mate van beleidsvrijheid toe. In de gemeente Huizen geldt op grond van artikel 2:78 van de APV dat een gebiedsontzegging kan worden opgelegd voor een periode van maximaal 8 weken. Bij het bepalen van de duur van een gebiedsontzegging wordt rekening gehouden met de aard, ernst en frequentie van de gedragingen, evenals eventuele recidive. Als uitgangspunt geldt dat bij een eerste of minder ernstige overtreding een korte duur wordt gehanteerd, terwijl bij herhaalde of ernstigere verstoringen een langere periode passend kan zijn, tot aan het maximum van de APV. Deze uitgangspunten hebben echter een indicatief karakter en vormen geen vaste escalatieladder. Een dergelijke starre systematiek kan in strijd komen met het beginsel van proportionaliteit, aangezien er bij elk individueel geval een zelfstandige en zorgvuldige afweging plaatsvindt. 4.4 Besluit gebiedsontzegging Het opleggen van een gebiedsontzegging is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarop de algemene bepalingen uit de Awb van toepassing zijn. Dit betekent onder meer dat het voornemen tot het opleggen van een gebiedsontzegging kenbaar wordt gemaakt en betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze in te dienen (artikel 4:8 Awb). Vervolgens wordt een beschikking opgesteld en bekendgemaakt aan de betrokkene (artikel 3:41 Awb). De beschikking dient te zijn gericht tot een individueel persoon en kan niet aan een groep worden opgelegd. In spoedeisende situaties kan van het bieden van gelegenheid tot het indienen van een zienswijze worden afgezien, voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet (artikel 4:11 Awb). Aan een gebiedsontzegging kan in beginsel een waarschuwing voorafgaan. Deze waarschuwing kan worden gegeven door de burgemeester, maar vindt in het kader van de mandaatregeling in de praktijk veelal plaats door de politie of jeugdboa’s ter plekke op straat. De waarschuwing zoals bedoeld in deze beleidsregel is, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze geen zelfstandig rechtsgevolg in het leven roept. Tegen de waarschuwing staat daarom geen bezwaar of beroep open. Het betreft een beleidsmatige keuze om, afhankelijk van de aard van de gedraging en de omstandigheden van het geval, al dan niet eerst een waarschuwing te geven alvorens wordt overgegaan tot het opleggen van een gebiedsontzegging. Daarbij kan er ook voor worden gekozen om te volstaan met een waarschuwing. Deze waarschuwing is echter geen wettelijke voorwaarde voor het opleggen van een gebiedsontzegging. De burgemeester of de gemandateerde politieambtenaren en jeugdboa’s behouden de bevoegdheid om, afhankelijk van de aard en ernst van de situatie, direct over te gaan tot het opleggen van een gebiedsontzegging zonder voorafgaande waarschuwing. Een gebiedsontzegging treedt daarbij in werking op het moment waarop het besluit aan de betrokkene wordt uitgereikt dan wel op andere wijze op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Ter waarborging van een zorgvuldige besluitvorming bevat de beschikking in ieder geval: •de grondslag van de bevoegdheid (artikel 2:78 APV), •de datum en plaats van de ordeverstoring, •de relevante gedragingen, •de duur en eventuele tijdsbeperking van de gebiedsontzegging •de geografische begrenzing van het gebied. Daarnaast wordt gemotiveerd waarom de gekozen duur, eventuele tijdsbeperking en geografische begrenzing van het gebied evenredig worden geacht, mede in het licht van de persoonlijke omstandigheden van betrokkene. De beschikking bevat ook: •een bezwaarclausule •informatie over de mogelijkheid een voorlopige voorziening te verzoeken. •Indien nodig wordt een kaart van het betreffende gebied als bijlage toegevoegd, zodat geen onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de gebiedsontzegging. Bij het bepalen van de omvang en duur van een gebiedsontzegging houdt de burgemeester rekening met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene. Daarbij wordt beoordeeld of het noodzakelijk is het verbod te beperken of nadere voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld wanneer het gebied de woning, werkplek, school, zorgvoorziening of andere voor betrokkene noodzakelijke locaties omvat. Indien nodig kan een looproute of andere uitzondering worden opgenomen. Deze beoordeling maakt onderdeel uit van de reguliere belangenafweging bij iedere gebiedsontzegging. 4.5 Handhaving Het opleggen van een gebiedsontzegging betreft een bestuurlijke maatregel. Als wordt geconstateerd dat een betrokkene zich bevindt binnen een gebied waarvoor een geldige gebiedsontzegging geldt, is sprake van overtreding van artikel 2:78, vierde lid, van de APV. Deze overtreding is strafbaar gesteld in artikel 6:1 van de APV. De naleving van gebiedsontzeggingen wordt primair gecontroleerd door de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s). Een overtreding is strafbaar gesteld in artikel 6:1 van de APV en kan worden afgedaan overeenkomstig de daarvoor geldende strafrechtelijke procedures. Boa’s anders dan de jeugdboa’s hebben in dit kader een signalerende rol. Zij zijn niet gemandateerd om een gebiedsontzegging op te leggen of uit te reiken. Wel kunnen zij, als zij constateren dat een persoon zich schuldig maakt aan strafbare feiten of openbare orde verstorende gedragingen, hiervan een rapportage opstellen en deze delen met de politie of daartoe aangewezen jeugdboa’s. Zij kunnen deze informatie betrekken bij de afweging om een gebiedsontzegging op te leggen. Daarnaast worden opgelegde gebiedsontzeggingen door politie of jeugdboa’s onderling met elkaar gedeeld, zodat zij kunnen signaleren of een betrokkene zich binnen het verboden gebied bevindt en elkaar hierover informeren. 4.6 Gebiedsontzegging APV en gebiedsverbod de MBVEO Naast de bevoegdheid tot het opleggen van een gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 van de APV, beschikt de burgemeester op grond van artikel 172a van de Gemeentewet (Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, MBVEO) over aanvullende bevoegdheden. Deze bevoegdheden omvatten onder meer het opleggen van een gebiedsverbod, een groepsverbod en een meldplicht. Daarnaast kan in specifieke gevallen een avondklok worden ingesteld voor minderjarigen jonger dan twaalf jaar. Ook de officier van justitie kan op grond van deze wet vergelijkbare maatregelen opleggen in het kader van strafrechtelijke handhaving. De MBVEO is bedoeld voor de aanpak van ernstige en structurele verstoringen van de openbare orde, bijvoorbeeld door voetbalvandalisme, herhaaldelijke overlast of intimidatie van omwonenden, slachtoffers of getuigen. De burgemeester kan hierbij maatregelen opleggen voor een langere periode en deze, indien nodig, combineren met aanvullende verplichtingen zoals een meldplicht. Het belangrijkste verschil tussen een gebiedsontzegging op grond van de APV en een gebiedsverbod op grond van de MBVEO ligt in de zwaarte en toepassing van het instrument. Een gebiedsontzegging op grond van de APV is een laagdrempelig en snel inzetbaar middel, dat ook kan worden toegepast bij een beperkte hoeveelheid of minder ernstige overtredingen. Een gebiedsverbod op grond van de MBVEO vereist daarentegen een patroon van herhaaldelijke en (ernstige) verstoringen van de openbare orde, dan wel een eenmalige maar ernstige verstoring. Daarnaast geldt dat gebiedsontzeggingen op grond van de APV, met name wanneer het kortdurende maatregelen betreft, in mandaat door de politie of jeugdboa’s kunnen worden opgelegd en bekendgemaakt. Voor maatregelen op grond van de MBVEO is mandatering niet mogelijk; deze bevoegdheid berust uitsluitend bij de burgemeester. Ook kan bij toepassing van de MBVEO een meldplicht worden opgelegd, hetgeen bij gebiedsontzeggingen op grond van de APV niet het geval is. 4.7 Samenloop met noodbevel en noodverordening Indien de burgemeester voor hetzelfde gebied en voor dezelfde openbare-ordeproblematiek een noodbevel als bedoeld in artikel 175 Gemeentewet heeft gegeven of een noodverordening als bedoeld in artikel 176 Gemeentewet heeft vastgesteld, wordt geen gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 APV opgelegd voor zover het noodbevel of de noodverordening al in de noodzakelijke toegangs- of verblijfsbeperking voorziet. Een al opgelegde gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 APV blijft slechts van kracht voor zover deze niet in strijd is met een later gegeven noodbevel of een later vastgestelde noodverordening. Bij strijd of doublure gaat het noodbevel respectievelijk de noodverordening voor. De bevoegdheid om namens de burgemeester een gebiedsontzegging van ten hoogste 72 uur op te leggen, strekt zich niet uit tot het geven van een noodbevel of het vaststellen, wijzigen of intrekken van een noodverordening. Deze bevoegdheden berusten uitsluitend bij de burgemeester. Als een noodbevel of noodverordening van kracht is, wordt voorafgaand aan het opleggen van een gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 APV beoordeeld of met toepassing van het noodbevel of de noodverordening al voldoende in de handhaving van de openbare orde wordt voorzien. Alleen als daarnaast nog een individuele, aanvullende maatregel noodzakelijk is en deze niet strijdig is met het geldende noodregime, kan een gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 APV worden opgelegd Van de beoordeling, bedoeld in de voorgaande alinea, wordt in het dossier aantekening gemaakt. 5. Gebiedsontzegging in Huizen 5.1 Uitgangspunten Deze beleidsregel wordt in beginsel toegepast in gebieden die bekend staan als hotspots (overlastlocaties). Dit zijn locaties waar, in het belang van de openbare orde, structureel meer dan gemiddelde inzet wordt gevraagd van politie, boa’s en andere betrokken partijen, zoals jongerenwerk. In deze gebieden worden veelal aanvullende maatregelen getroffen en vindt monitoring plaats. De gebiedsontzegging wordt ingezet ten aanzien van personen bij wie deze overige maatregelen onvoldoende effect sorteren. Daarnaast kan de beleidsregel worden toegepast in incidentele gevallen, waarin op een specifieke locatie door één of meerdere personen strafbare feiten zijn gepleegd of de openbare orde is verstoord, en andere beschikbare instrumenten ontoereikend worden geacht om de openbare orde te beschermen. 5.2. Strafbare feiten en openbare orde verstorende handelingen Bij (het constateren van) de onderstaande strafbare feiten en openbare orde verstorende gedragingen kan een gebiedsontzegging worden opgelegd, voor zover dit, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het geval, noodzakelijk wordt geacht in het belang van de openbare orde. Niet ieder strafbaar feit vormt op zichzelf een grond voor het opleggen van een gebiedsontzegging. Doorslaggevend is of de gedraging leidt tot een verstoring van de openbare orde of een reëel risico daarop (artikel 2:78 APV). APV Huizen Artikel Omschrijving Artikel 2:1 Samenscholing ongeregeldheden Artikel 2:1a Verstoring van de openbare orde Artikel 2:26 Ordeverstoring evenement Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2.49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen Artikel 2:53 Bespieden van personen Artikel 2:65 (gereserveerd) Bedelarij Artikel 2:74 Drugshandel op straat Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Artikel 3:9 Straatprostitutie Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Wetboek van Strafrecht Artikel Omschrijving Artikel 131 Opruiing Artikel 137c Belediging van groep mensen Artikel 138 Huisvredebreuk Artikel 141 Openlijke geweldpleging Artikel 179 Ambtsdwang Artikel 180 Wederspannigheid Artikel 181 Ambtsdwang en wederspannigheid met letsel Artikel 182 Ambtsdwang en wederspannigheid in vereniging Artikel 184 Niet opvolgen van een ambtelijk bevel Artikel 186 Samenscholen Artikel 239 Schennis van de eerbaarheid Artikel 246 Feitelijke aanranding van de eerbaarheid Artikel 252 Toedienen bedwelmende drank Artikel 266 Eenvoudige belediging Artikel 267 Belediging van het openbaar gezag Artikel 285 Bedreiging Artikel 300 Eenvoudige mishandeling Artikel 301 Mishandeling met voorbedachten rade Artikel 302 Zware mishandeling Artikel 303 Zware mishandeling met voorbedachten rade Artikel 306 Deelneming aan aanval of vechtpartij Artikel 317 Afpersing Artikel 318 Afdreiging Artikel 350 Beschadiging goederen Artikel 424 Straatschenderij Artikel 426 Verkeersbelemmering in staat van dronkenschap Artikel 431 Rumoer/burengerucht Artikel 453 Openbaar dronkenschap Opiumwet Artikel Omschrijving Artikel 2 Verbodsbepaling Artikel 3 Verbodsbepalingen lijst II Wet Wapens en Munitie Artikel Omschrijving Artikel 13 Vervaardigen etc. Artikel 26 Verbodsbepaling Artikel 27 Dragen De bovenstaande opsomming is niet limitatief. Ook andere strafbare feiten of gedragingen die leiden tot verstoring van de openbare orde kunnen aanleiding geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging. 5.3 Duur van de gebiedsontzegging Bij strafbare feiten en gedragingen die de openbare orde en veiligheid raken, kan het noodzakelijk zijn om direct in te grijpen. De duur van de gebiedsontzegging wordt in elk individueel geval afzonderlijk bepaald, waarbij de aard, ernst en omstandigheden van het geval leidend zijn. Daarbij wordt het beginsel van proportionaliteit in acht genomen en wordt de gekozen duur deugdelijk gemotiveerd. Voor het bepalen van de duur van een gebiedsontzegging wordt geen gebruik gemaakt van een vaste escalatieladder. Een automatische koppeling tussen herhaald gedrag en oplopende termijnen botst met het principe van proportionaliteit, waarbij voor ieder individueel geval een zelfstandige en zorgvuldige afweging plaatsvindt. Politieambtenaren en specifiek aangewezen jeugdboa's kunnen namens de burgemeester een gebiedsontzegging opleggen voor maximaal 48 uur op grond van artikel 2:78, eerste lid, APV. Indien aan de voorwaarden van artikel 2:78, tweede lid, APV is voldaan, kunnen zij een gebiedsontzegging opleggen voor maximaal 72 uur. Een gebiedsontzegging van langere duur is voorbehouden aan de burgemeester. Bij het bepalen van de duur vindt steeds een individuele beoordeling plaats van de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij worden onder meer de aard en ernst van de gedragingen, eventuele eerdere gebiedsontzeggingen en het risico op verdere verstoring van de openbare orde betrokken. 5.4 Mandatering jeugdboa’s De burgemeester heeft ervoor gekozen om naast politieambtenaren ook specifiek aangewezen jeugdboa’s te mandateren voor het namens de burgemeester opleggen en uitreiken van gebiedsontzeggingen voor maximaal 48 uur op grond van artikel 2:78, eerste lid, APV. Indien aan de voorwaarden van artikel 2:78, tweede lid, APV is voldaan, kunnen zij een gebiedsontzegging opleggen voor maximaal 72 uur. Deze keuze is gemaakt vanwege de specifieke werkzaamheden van jeugdboa’s binnen de gemeente Huizen. Jeugdboa’s houden zich structureel bezig met de aanpak van jeugdoverlast en zijn veelal werkzaam tijdens de avond- en weekenduren, juist op de momenten waarop overlastsituaties zich het meest voordoen. In die situaties zijn zij vaak als eerste ter plaatse en beschikken zij over voldoende informatie om een zorgvuldige afweging te maken over de inzet van het instrument gebiedsontzegging. Deze mandatering geldt uitsluitend voor specifiek aangewezen jeugdboa’s en niet voor alle buitengewoon opsporingsambtenaren. Daarbij is meegewogen dat gebiedsontzeggingen in de praktijk met name worden ingezet bij de aanpak van jeugdoverlast en andere vormen van overlast in de openbare ruimte waarmee jeugdboa’s regelmatig worden geconfronteerd. De mandatering is bedoeld om slagvaardig optreden mogelijk te maken en onnodige vertraging door tussenkomst van de politie te voorkomen. De inzet van jeugdboa’s blijft daarbij beperkt tot hun eigen wettelijke taak en bevoegdheden. De mandatering van gebiedsontzeggingen betekent niet dat jeugdboa’s politietaken uitvoeren of verantwoordelijk worden voor de handhaving van de openbare orde in situaties waarin sprake is van een verhoogde gevaarzetting of escalatie. Op grond van de landelijke Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar zijn boa’s opgeleid voor handhaving in situaties met een beperkte gevaarzetting. Indien sprake is van een situatie waarbij handhaving niet langer kan plaatsvinden zonder onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van de boa of derden, of wanneer de situatie overgaat in een daadwerkelijke openbare-ordeverstoring waarvoor herstel van de openbare orde noodzakelijk is, ligt de verantwoordelijkheid bij de politie. In dergelijke situaties hebben boa’s een signalerende rol en wordt de politie ingeschakeld. Bij het opleggen van een gebiedsontzegging beoordeelt de jeugdboa daarom steeds of de aard van de situatie, het gedrag van betrokkene en de mate van gevaarzetting passen binnen de wettelijke taakuitoefening van de boa. Als daarvan geen sprake is, wordt afgezien van het gebruik van het mandaat en wordt de politie ingeschakeld. De mandatering laat de primaire verantwoordelijkheid van de politie voor de handhaving van de openbare orde onverlet. Ter waarborging van een zorgvuldige toepassing ontvangen de aangewezen jeugdboa’s een instructie over deze beleidsregel, het juridisch kader en de motiveringsvereisten. 5.5 Toelichting procedure gebiedsontzegging. 1.De gedragingen waarvoor een gebiedsontzegging kan worden opgelegd zijn opgenomen in paragraaf 5.2. De duur van de ontzegging wordt per individueel geval bepaald, zoals beschreven in paragraaf 5.3. 2.Indien sprake is van een overtreding als bedoeld in deze beleidsregel, wordt zo nodig direct opgetreden. Voorafgaand aan het opleggen van een gebiedsontzegging door de politie of jeugdboa’s vindt collegiale afstemming plaats. Tevens wordt gecontroleerd of aan betrokkene eerder een gebiedsontzegging is opgelegd. Op basis daarvan wordt beoordeeld of de politie of jeugdboa bevoegd is tot oplegging of dat de burgemeester dient te beslissen. De gebiedsontzegging kan worden bekendgemaakt na invrijheidstelling na aanhouding, dan wel direct ter plaatse door gemandateerde politieambtenaren. Een afschrift wordt verstrekt aan het team Openbare Orde en Veiligheid. 3.Boa’s vervullen een belangrijke rol bij de signalering en aanpak van overlast in de openbare ruimte. Specifiek aangewezen jeugdboa’s zijn gemandateerd om namens de burgemeester waarschuwingen en gebiedsontzeggingen op grond van artikel 2:78 APV op te leggen en uit te reiken voor maximaal 48 uur op grond van artikel 2:78, eerste lid, APV. Indien aan de voorwaarden van artikel 2:78, tweede lid, APV is voldaan, kunnen zij een gebiedsontzegging opleggen voor maximaal 72 uur. Overige boa’s hebben een signalerende rol en kunnen rapportages of processen-verbaal van bevindingen opstellen naar aanleiding van geconstateerde gedragingen van (notoire) overlastveroorzakers. Deze informatie kan door politie of gemandateerde jeugdboa’s worden betrokken bij de afweging om een gebiedsontzegging op te leggen. 4.Het opleggen van een gebiedsontzegging van maximaal 48 uur op grond van artikel 2:78, eerste lid, APV en indien aan de voorwaarden van artikel 2:78, tweede lid, APV is voldaan, voor maximaal 72 uur is gemandateerd aan politieambtenaren als bedoeld in de Politiewet 2012, werkzaam in het district Gooi en Vechtstreek en voor zover zij belast zijn met de uitvoering van de politietaak, en ook aan de specifiek aangewezen jeugdboa’s van de gemeente Huizen. 5.De gebiedsontzegging wordt door de politie bekendgemaakt en betreft een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beschikking dient te voldoen aan de eisen zoals opgenomen in paragraaf 4.4. Betrokkene wordt daarbij in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Indien hiervan gebruik wordt gemaakt, wordt deze zienswijze vastgelegd. 6.Als een waarschuwing wordt gegeven, is deze geen besluit in de zin van de Awb. Tegen deze waarschuwing staat daarom geen bezwaar of beroep open. 7.Indien betrokkene na oplegging van een gebiedsontzegging opnieuw gedrag vertoont als bedoeld in paragraaf 5.2, wordt opnieuw beoordeeld of en voor welke duur een gebiedsontzegging wordt opgelegd, met inachtneming van de omstandigheden van het geval. 8.Indien cameratoezicht aanwezig is in een aangewezen gebied, kunnen gedragingen die aanleiding geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging mede met behulp van camerabeelden worden vastgesteld, voor zover rechtmatig verkregen en voor dit doel mogen worden gebruikt. 5.5 Dossiervorming Voor het opleggen van een gebiedsontzegging met een duur van meer dan 72 uur stelt de politie zo snel als mogelijk een bestuurlijke rapportage op, welke wordt aangeleverd bij het team Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Huizen. Deze rapportage bevat in ieder geval: •een overzicht van eerder opgelegde gebiedsontzeggingen, inclusief de bijbehorende processen-verbaal en eventuele ingediende zienswijzen; •informatie over eventuele voorafgaande waarschuwingen, alsmede het onderliggende proces-verbaal van het strafbare feit; •een gemotiveerd verzoek tot het opleggen van een gebiedsontzegging; •een omschrijving van het gebied waarop de gebiedsontzegging betrekking dient te hebben; Het team Openbare Orde en Veiligheid kan aanvullende informatie opvragen van de boa’s en deze gebruiken voor de uiteindelijke gebiedsontzegging. Bij gebiedsontzeggingen met een duur van maximaal 72 uur leggen de politie of jeugdboa’s de relevante feiten en omstandigheden vast in hun bedrijfsprocessen-systeem. Daarbij worden alle relevante feiten van betrokkene betrokken die noodzakelijk zijn voor de besluitvorming, met als doel een volledig beeld te schetsen van diens gedrag en, indien nodig, inzicht te bieden in de totstandkoming van de opgelegde gebiedsontzegging(en) bij een eventuele rechterlijke toetsing. 5.6 In werking treden beleidsregel Deze beleidsregels treedt 1 dag na publicatie in werking en vervangt de Beleidsregel Gebiedsontzeggingen gemeente Huizen 2024. Aldus vastgesteld door de burgemeester van Huizen, d.d. 12 oktober 2026 S.G. Ferraro
Meer informatie