Beleidsregel Hemelwater, Groen en Biodiversiteit 's-Hertogenbosch

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op15 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente 's-Hertogenbosch

Beleidsregel Hemelwater, Groen en Biodiversiteit 's-Hertogenbosch Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, In zijn vergadering van 13 oktober 2026, Gezien het voorstel met reg.nr. Besluit vast te stellen De Beleidsregel Hemelwater, Groen en Biodiversiteit ’s-Hertogenbosch Beleidsregel Hemelwater, Groen en Biodiversiteit 's-Hertogenbosch Deze beleidsregel is opgesteld om richting te geven aan een klimaatbestendige, groene en biodiverse leefomgeving in de gemeente. De gevolgen van het veranderende klimaat worden steeds zichtbaarder in onze leefomgeving. Weersextremen zoals hevige regenbuien, langdurige hitte en droogte komen steeds vaker voor. De extreme neerslag zorgt lokaal voor wateroverlast en een grotere kans op overstromingen. Hitte bedreigt onze volksgezondheid en droogte leidt tot waterschaarste voor mens en natuur. Ook staat de biodiversiteit meer onder druk dan ooit. Dit vraagt om duidelijke kaders voor de inrichting van de leefomgeving, zodat nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en vernieuwingen van verharding bijdragen aan het versterken van de groenblauwe structuren en aan een gezonde leefomgeving voor inwoners, planten en dieren. Toepassingsbereik van de beleidsregel De beleidsregel geeft richting aan een klimaatbestendige, groene en biodiverse leefomgeving in de gemeente ’s-Hertogenbosch. In het omgevingsplan zijn meerdere verplichtingen (vergunningplichten) opgenomen voor het bereiken van deze leefomgeving. Zoals het realiseren van een toereikende hemelwatervoorziening en het naleven van de groennorm bij de aanleg of vernieuwing van verharding. Daaronder valt ook het bouwen van een bouwwerk. Deze beleidsregel beschrijft hoe wordt beoordeeld of aanvragers (initiatiefnemers) aan deze verplichtingen voldoen. Daarbij wordt aangesloten bij onder meer de volgende uitgangspunten: het tegengaan van hittestress, het versterken van groenblauwe structuren, het bevorderen van biodiversiteit en het sponsprincipe. Deze beleidsregel is van toepassing: op de verplichtingen (vergunningplichten) uit het omgevingsplan; bij het verlenen van buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en wijziging van het omgevingsplan. Aanlegactiviteiten op percelen in eigendom van de gemeente en gelegen in de openbare ruimte zijn uitgezonderd van de vergunningplicht om extra administratieve lasten te voorkomen. Deze projecten worden echter intern wel getoetst aan deze beleidsregel, zodat ook gemeentelijke initiatieven bijdragen aan de beleidsdoelen voor hemelwater, groen en biodiversiteit. Indien regelgeving van andere overheden, zoals het waterschap, strengere eisen stelt dan de bepalingen in deze beleidsregel, gelden de regels van die overheden in plaats van de regels in deze beleidsregel. Doelen van de beleidsregel De doelen van deze beleidsregel zijn: •het beschermen en versterken van de veiligheid; •het beschermen en versterken van de gezondheid; •het beschermen van het milieu; •het beschermen en versterken van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; •het beschermen en versterken van de biodiversiteit; •het verbeteren, versterken en in stand houden van watersystemen; •het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; •het beheer en waar nodig versterken van van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; •het beheer van natuurlijke hulpbronnen; •het beheer van natuurgebieden; en de instandhouding en versterking van houtopstanden. Juridische grondslag De verplichting tot het aanvragen van een omgevingsvergunning voor bepaalde activiteiten is vastgelegd in het omgevingsplan gemeente 's-Hertogenbosch. Het gaat dan bijvoorbeeld om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten of aanlegactiviteiten, ook wel omgevingsplanactiviteiten genoemd. Daarbij zijn ook beoordelingsregels opgenomen, zoals de vereiste toereikende hemelwatervoorziening en de inhoud van de groennorm. Deze regels vormen het juridische toetsingskader voor het bevoegd gezag bij de beoordeling van concrete aanvragen voor een omgevingsvergunning. Deze beleidsregel biedt een concrete invulling van de beoordelingsregels uit het omgevingsplan. De beoordelingsregels verwijzen naar deze beleidsregel. Daarmee wordt verduidelijkt hoe het bevoegd gezag deze regels toepast in de praktijk en welke eisen initiatiefnemers minimaal in acht moeten nemen bij het indienen van een aanvraag. Dit geeft initiatiefnemers en het bevoegd gezag duidelijkheid over de minimale vereisten en afwegingskaders bij vergunningverlening. Het voorgaande geldt ook wanneer deze beleidsregel wordt toegepast voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa's) of wijzigingen van het omgevingsplan. Afwijken van de verplichtingen Het omgevingsplan bevat tevens een mogelijkheid om af te wijken van de verplichtingen. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van het vereiste van een toereikende hemelwatervoorziening of de groennorm. Dit kan indien de eis om daaraan te voldoen, naar het oordeel van het bevoegd gezag, van de aanvrager redelijkerwijs een te grote inspanning eist in verhouding tot het doel ervan. Onder deze afwijkingsmogelijkheid valt wat betreft hemelwater ook de situatie onder dat het realiseren van een hemelwatervoorziening op eigen terrein niet doelmatig is en een collectieve voorziening op gebiedsniveau een betere oplossing biedt. Opbouw van de beleidsregel De beleidsregel is als volgt opgebouwd. In Artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd die in deze beleidsregel worden gehanteerd. Artikel 2 bevat meet- en rekenbepalingen die worden gebruikt om de in deze beleidsregel genoemde normen en scores op uniforme wijze te bepalen. Artikel 3 beschrijft de verplichting tot een toereikende hemelwatervoorziening. Artikel 4 introduceert vervolgens de groennorm en legt uit hoe deze wordt toegepast. Artikel 5 bevat basiskwaliteitscriteria voor een robuuste, klimaatbestendige en biodiverse inrichting van het projectgebied. Artikel 6 geeft de regels voor de kwantitatieve groenscore en artikel 7 behandelt de kwalitatieve biodiversiteitsscore. Tot slot beschrijft Artikel 8 de voorwaarden en motiveringsplicht voor het afwijken van de regels uit voorgaande artikelen. Al deze artikelen samen bieden duidelijkheid over de eisen en afwegingskaders bij vergunningverlening. Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: Bestaande verharding: legale verharding die aanwezig of in uitvoering is tijdens de inwerkingtreding van het toepasselijke wijzigingsbesluit omgevingsplan. Bouwwerken: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. Drukriolering: systeem van leidingen waarbij (afval)water wordt verpompt. Eigen terrein: het perceel waarop een verandering van het verharde oppervlak plaatsvindt. Fauna-voorzieningen: voorzieningen voor dieren zoals nestkasten voor vogels, vleermuisverblijven, insectenhotels of andere soort specifieke maatregelen. Groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak, die een bepaalde waterbergende capaciteit beschikt. Groene gevel: Een gevel waarop beplanting is aangebracht die direct of indirect groeit tegen of aan de gevelconstructie. Dit kan bestaan uit klimplanten, gevelsystemen met geïntegreerde beplanting, of constructies zoals plantenrekken of bakken die tegen de gevel zijn geplaatst. Hakhout: één of meer houtopstanden, vanuit landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt aangeplant als hakhout, die na periodiek terugkerend vellen, opnieuw op de stronk uitlopen. Half verharding: een type verharding dat waterpasserend of doorlatend is en bestaat uit materialen zoals grasbetonstenen, grind, schelpen, houtsnippers of andere open structuren. Hemelwatervoorziening: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast. Herplant: in het kader van deze beleidsregel, het omgevingsplan of op grond van andere wettelijke voorschriften herplanten van houtopstand. Houtopstand: één of meer bomen of hakhout. Infiltratie: het proces waarbij hemelwater wegzakt in de bodem. Knotten: het afzagen van de kroon van de houtopstand. Maaiveld: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse. Nieuwe verharding: verharding, niet van tijdelijke aard, die wordt aangelegd na de inwerkingtreding van het toepasselijke wijzigingsbesluit omgevingsplan en wat leidt tot toename van het verhard oppervlak. Perceeleigenaar: degene op wiens perceel het hemelwater valt of onder wiens perceel zich het grondwater bevindt. Projectgebied: het volledige gebied waarop de wijziging, ontwikkeling of activiteit betrekking heeft. Vellen: het rooien, kappen, verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume of het wortelgestel, met inbegrip van voor de eerste keer kandelaberen of knotten. Hieronder wordt ook begrepen het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand als gevolg kunnen hebben. Verhard oppervlak: oppervlakte voorzien van verharding. Verharding: wegen, bestrating, daken en overige bouwwerken en voorzieningen die de infiltratie van hemelwater ter plaatse belemmeren; Vernieuwde verharding: het oppervlak dat is ontstaan door het vervangen of wijzigen van bestaande verharding conform de definitie van ‘vernieuwen van verharding'. Vernieuwen van verharding: het vervangen of wijzigen van bestaande verharding, waarbij de inrichting of functie van het oppervlak wezenlijk verandert en/ of er kansen ontstaan voor vergroening en/ of waterberging. Dit omvat onder meer: •Het herinrichten van straten, pleinen of parkeerterreinen (bijvoorbeeld toevoegen van groenstroken, infiltratievoorzieningen). •Het vervangen of overlagen van dakbedekking indien daarbij de mogelijkheid bestaat om een groendak of waterbergend dak aan te brengen. Onder het vernieuwen van verharding wordt niet verstaan het vervangen of wijzigen voor technisch onderhoud waarbij de inrichting of functie niet wezenlijk verandert en geen kansen zijn voor vergroening en/ of waterberging, zoals het afschrapen en herstellen van de toplaag van asfalt en het vervangen van dakpannen. Artikel 2. Meet- en rekenbepalingen Oppervlakte bebouwing: het oppervlak aan alle gebouwen die geprojecteerd en/of aanwezig zijn binnen het projectgebied, uitgedrukt in vierkante meters. Oppervlakte verharding: het oppervlak aan verharding anders dan bouwwerken, waaronder wegen, in- en opritten, verharde looppaden, terrassen en dergelijke, uitgedrukt in vierkante meters. Oppervlakte half verharding: het totale oppervlak van half verharding Oppervlakte groen en water op maaiveldniveau: al het groen en water dat binnen het projectgebied aanwezig is en/ of wordt gerealiseerd op maaiveldniveau, uitgedrukt in vierkante meters. Groenblauwe oppervlakte: de som van oppervlakten die bijdragen aan een groene en klimaatbestendige inrichting, bestaande uit: •oppervlakte van groen en water op maaiveldniveau; •50% van de oppervlakte van half verharding; •oppervlakte van groendaken; •oppervlakte van groene gevels, berekend op basis van een projectie over vijf jaar na oplevering; •oppervlakte van kroonprojectie van bomen, berekend op basis van een projectie over tien jaar na oplevering. Voor groene gevels en bomen dient een onderbouwing te worden gegeven met beschrijving van groeipotentie, gekozen beplanting en onderhoudsstrategie. Oppervlakte groendak: het totale oppervlak aan groen dak Oppervlakte groene gevel: het realistisch en haalbaar verticale groenoppervlak (groene gevel) vijf jaar na aanplant, uitgedrukt in vierkante meters. De berekening wordt onderbouwd met een beschrijving van de groeipotentie, de gekozen beplanting en de onderhoudsstrategie. Oppervlakte kroonprojectie bomen: het verwachte oppervlak van de boomkroon tien jaar na aanplant, bepaald op basis van de groeipotentie van de soort en de inrichting van de groeiplaats, uitgedrukt in vierkante meters. De berekening wordt onderbouwd met een beschrijving van de groeipotentie, de gekozen beplanting en de onderhoudsstrategie. Artikel 3. Toereikende hemelwatervoorziening Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van verharding van 100 m2 of meer, geldt op grond van het omgevingsplan de verplichting voor de perceeleigenaar om het hemelwater op eigen terrein te verwerken en daarvoor een toereikende hemelwatervoorziening te realiseren. Bij de beoordeling daarvan gelden de volgende regels: 1.Voor het verwerken van hemelwater geldt de volgende verplichte volgorde: 1.Hergebruik 2.Infiltreren 3.Bovengronds bergen 4.Ondergronds bergen 5.Afvoeren 2.Afwijken van de verplichte volgorde onder het eerste lid is slechts toegestaan indien gemotiveerd wordt aangetoond dat toepassing van een hoger gelegen trede technisch niet uitvoerbaar is of tot onevenredige bezwaren leidt. 3.De hemelwatervoorziening dient minimaal 70 mm per m² nieuwe verharding en/ of oppervlak vernieuwde verharding te kunnen verwerken, waarvan minimaal 10 mm direct infiltreert. 4.In afwijking van de verplichting onder het derde lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken. 5.De verplichting onder het derde lid geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m². 6.De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn. Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd. Artikel 4. Groennorm: algemene bepalingen Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van verharding van 500 m2 of meer, geldt op grond van het omgevingsplan de verplichting om aan de groennorm te voldoen (voldoende kwalitatief groen te realiseren). Er wordt voldoende kwalitatief groen gerealiseerd, indien wordt voldaan aan de basiskwaliteitscriteria, de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore. Toetsing aan de basiskwaliteitscriteria vindt plaats op basis van artikel 5, kwantitatieve groenscore op basis van artikel 6 en toetsing aan de kwalitatieve biodiversiteitsscore is op basis van artikel 7. Artikel 5. Basiskwaliteitscriteria Met de basiskwaliteitscriteria wordt beoordeeld of het plan voldoende bijdraagt aan een robuuste, klimaatbestendige en biodiverse inrichting van het projectgebied. Deze criteria richten zich op het versterken van ecologische waarde, het realiseren van een prettig verblijfsklimaat en het zorgvuldig omgaan met bestaande houtopstanden. 1.Nieuwe bebouwing binnen het projectgebied is voorzien van passende en goed geplaatste houtopstand, geschikt voor ten minste drie verschillende diersoorten. De voorzieningen worden afgestemd op de aard en omvang van het project en dienen op een ecologisch verantwoorde wijze te worden geïntegreerd in het ontwerp. 2.Bij het vellen van houtopstanden binnen het projectgebied geldt de volgende drietrapsbenadering: a.onderzoek of duurzaam behoud van houtopstand mogelijk is; b.indien behoud niet mogelijk is, onderzoek of verplanting mogelijk is; c.alleen wanneer behoud noch verplanting mogelijk is, kan kap plaatsvinden. In dat geval wordt herplant zodanig ingericht dat minstens de ecologische waarde van de oorspronkelijke houtopstand wordt hersteld, onder meer door toepassing van ecologisch gelijkwaardige boomsoorten, een geschikte groeiplaats, en een kroonprojectie of -volume vergelijkbaar met de te vellen bomen. 3.Het afwegingskader uit lid 2 geldt voor alle houtopstanden binnen het projectgebied, zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige situaties, conform de regels van het omgevingsplan en de Omgevingswet. Artikel 6. Kwantitatieve groenscore Met de kwantitatieve groenscore wordt beoordeeld of binnen het projectgebied voldoende groenblauwe oppervlakte behouden blijft en/ of wordt gerealiseerd. De berekening vindt plaats op basis van een gestandaardiseerd systeem. 1.Het aandeel groenblauwe oppervlakte ten opzichte van het totale oppervlak van het projectgebied dient te voldoen aan de minimale groenscore die geldt voor het betreffende gebied, zoals opgenomen op de gebiedsindelingkaart in bijlage 1 van deze beleidsregel. 2.Bij wijziging van de functie van een groter gebied, niet zijnde functiewijziging van één specifiek gebouw of perceel, wordt aangesloten bij het type gebied dat op de gebiedsindelingkaart hoort bij de nieuwe functie. 3.De kwantitatieve groenscore wordt bepaald aan de hand van de verhouding tussen: a.Het totale oppervlak van het projectgebied; b.Het totale oppervlak groen en water van het projectgebied. 4.Het totale oppervlak van het projectgebied wordt bepaald door de volgende oppervlakte bij elkaar op te tellen: a.Oppervlakte Bebouwing b.Oppervlakte verharding c.Oppervlakte Half verharding d.Oppervlakte Groen en water op maaiveldniveau 5.Het aandeel groenblauwe oppervlakte wordt bepaald door de volgende oppervlakten bij elkaar op te tellen: a.Oppervlakte groen en water op maaiveldniveau b.50% van het totale oppervlakte half verharding c.Oppervlakte groendak d.Oppervlakte groene gevel e.Oppervlakte kroonprojectie bomen Artikel 7. Kwalitatieve biodiversiteitsscore Met de kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt beoordeeld in hoeverre het toegepaste groen bijdraagt aan natuurwaarden, klimaatadaptatie en een robuuste leefomgeving. De beoordeling vindt plaats op basis van een gestandaardiseerd systeem dat inzicht geeft in de kwaliteit van het toegepaste groen, de variatie in beplanting en de ecologische waarde van de maatregelen. 1.Voor de kwalitatieve biodiversiteitsscore geldt dat maximaal 13 punten kunnen worden behaald. Een aanvraag voldoet aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitsscore indien ten minste 8 punten worden gehaald. 2.De kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt bepaald op basis van de volgende onderdelen: a.Indien extra groenblauwe oppervlakte wordt gerealiseerd boven op de minimale kwantitatieve groenscore die volgt uit artikel 6, worden punten toegekend als volgt: 1.Groenscore 10–20% 1 punt 2.Groenscore >20%: 2 punten 3.Groenscore >75%: 3 punten b.Indien natuur wordt behouden en/ of nieuwe natuur wordt ontwikkeld, worden maximaal 4 punten toegekend. De score wordt bepaald op basis van: 1.behoud en inpassing van aanwezige houtopstanden en andere groene elementen (zoals bosjes, oevers, riet, open water en bloemrijke graslanden). Indien alle aanwezige bomen en groene kwaliteiten behouden blijven, kan de maximale score van 4 punten worden toegekend. 2.inrichting van het leefgebied voor gebiedseigen soorten (bijvoorbeeld door aanleg van bloemrijk gras, ecologische oevers, poelen, of het gebruik van natuurinclusieve inrichtingselementen). Indien geen behoud plaatsvindt, kan met B2 maximaal 3 punten worden behaald. Bij gedeeltelijk behoud kan B2 de ontbrekende punten aanvullen, tot een maximum van 4 punten in totaal. c.De score wordt naar rato van de beschikbare ruimte berekend. Voor het bepalen van de score is een onderbouwing vereist waarin wordt beschreven hoe invulling wordt gegeven aan behoud en/of nieuwe natuur. Indien bij nieuwe aanplant of inzaai gebruik wordt gemaakt van inheemse soorten passend bij de groeiplaats, worden punten toegekend als volgt: 1.33% van de nieuwe aanleg: 1 punt 2.66% van de nieuwe aanleg: 2 punten d.Indien >66% van de nieuwe aanplant bestaat uit drachtplanten, wordt 1 punt toegekend. e.Indien een groene gevel wordt toegepast, worden maximaal 2 punten toegekend: a.Minimaal 33% van het potentieel geschikte geveloppervlak voor vergroening is, op basis van projectie over 5 jaar, voorzien van gevelgroen: 1 punt b.Meer dan 66% van het potentieel geschikte geveloppervlak voor vergroening is, op basis van projectie over 5 jaar, voorzien van gevelgroen: 2 punten f.Indien binnen het projectgebied een aantoonbare variatie aan inheemse plantensoorten wordt toegepast in verhouding tot de grootte en functie van het projectgebied wordt 1 punt toegekend. Artikel 8. Afwijkingsmogelijkheden 1.Afwijken van verwerken hemelwater op eigen terrein Van de beleidsregels in artikel 3 kan worden afgeweken, indien de daar opgenomen regels, naar het oordeel van het bevoegd gezag, van degene die de activiteit verricht redelijkerwijs een te grote inspanning eisen in verhouding tot het doel ervan. Degene die de activiteit verricht, dient daarvoor een motivatie aan te leveren waarom niet aan de gestelde eisen voor het verwerken van hemelwater op eigen terrein kan worden voldaan. 2.Afwijken van de basiskwaliteitscriteria, de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore Van de beleidsregels in artikel 4, 5, 6 en 7 kan worden afgeweken indiende daar opgenomen regels, naar het oordeel van het bevoegd gezag, van degene die de activiteit verricht redelijkerwijs een te grote inspanning eisen in verhouding tot het doel ervan. Degene die de activiteit verricht, dient daarvoor een motivatie aan te leveren waarom niet aan de basiskwaliteitscriteria, de kwantitatieve groenscore en/ of de kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan. ’s-Hertogenbosch, 13 oktober 2026Het college voornoemd,De secretaris,Drs. B. van der PloegDe burgemeester,Drs. J.M.L.N. Mikkers Artikelsgewijze toelichting bij de ‘‘Beleidsregel Hemelwater, Groen en Biodiversiteit’’ Artikel 1. Begripsbepalingen Dit artikel bevat de definities die van toepassing zijn op deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen. Voor de definities van bouwwerken, bestaande verharding, nieuwe verharding en verharding sluit de beleidsregel aan bij de definities uit het Omgevingsplan. Voor de volledigheid zijn deze in artikel 1 nogmaals opgenomen. Daarnaast worden de definities toegelicht die uitsluitend in deze beleidsregel worden genoemd. Het begrip ‘’Vernieuwen van verharding’’ sluit ook aan bij de definitie uit het Omgevingsplan, echter is deze in de beleidsregel nog nader gespecificeerd. De begrippen zijn zorgvuldig gekozen om duidelijkheid te bieden bij de uitvoering, toetsing en beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning in relatie tot klimaatadaptatie, biodiversiteit en vergroening. Artikel 2. Meet- en rekenbepalingen Artikel 2 zorgt voor een uniforme en transparante manier van meten en rekenen binnen deze beleidsregel. Hierdoor wordt voorkomen dat normen of scores op verschillende manieren worden geïnterpreteerd of toegepast. Artikel 3. Toereikende hemelwatervoorziening De eigenaar van een perceel is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het verwerken van hemelwater dat op zijn terrein komt. Op grond van deze zorgplicht ligt er pas een taak voor de gemeente als de eigenaar van het perceel in alle redelijkheid het hemelwater niet kan verwerken op eigen terrein. In zijn algemeenheid geldt als regel dat het hemelwater niet op de riolering mag worden geloosd. Dit houdt veelal in dat het op eigen terrein moet worden verwerkt. Het op eigen terrein verwerken van hemelwater mag overigens niet leiden tot overlast op naburige percelen. Indien hemelwater wordt verwerkt op een naburig perceel is altijd schriftelijke toestemming van de eigenaar van dat perceel noodzakelijk. Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van verharding van 100 m² of meer geldt op grond van het omgevingsplan de verplichting om het hemelwater op eigen terrein te verwerken en daarvoor een toereikende hemelwatervoorziening te realiseren. Deze verplichting brengt tevens met zich mee dat, indien hemelwater nog is aangesloten op de riolering, afkoppeling noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de waterbergingseis. Het realiseren van voldoende berging op eigen terrein kan immers alleen functioneren indien het hemelwater daadwerkelijk van de riolering wordt afgeleid naar deze voorziening. Verder geldt dat bij elke ingreep dat de aanwezige totale hoeveelheid waterberging niet mag afnemen. Als bijvoorbeeld bij een ruimtelijke ontwikkeling in een projectgebied dus meer waterberging aanwezig was, dan moet dit behouden blijven of vervangen worden. Daarbovenop moet de opgave voor hemelwaterberging worden gerealiseerd, tenzij reeds is voorzien in een toereikende waterberging. Voor het ontwerp van de hemelwaterberging geldt dat deze de mogelijkheid heeft voor beheer en onderhoud. Er geldt een maximale leeglooptijd van 48 uur. Lid 1 Voor het verwerken van hemelwater geldt de volgende verplicht volgorde: 1.Hergebruik Hemelwater kan worden hergebruikt in een grijswatersysteem voor bijvoorbeeld het doorspoelen van toiletten, planten bewateren, voor koeling, voor schoonmaak van bedrijfswagens. Daarbij is minimalisering van de risico’s voor de volksgezondheid een vereiste. 2.Infiltratie Infiltratie is het in de bodem laten zakken van hemelwater. Daarmee herstelt de natuurlijke situatie zich en wordt het grondwater aangevuld. De mogelijkheden voor infiltratie zijn afhankelijk van de lokale situatie. Van belang zijn daarbij met name de grondwaterstand, de doorlatendheid van de bodem, eventuele bodemverontreiniging en de aanwezigheid van beschermde houtopstanden. Op sommige locaties is extra infiltratie van water zeer wenselijk voor natuur, groen, tuinen of landbouw. Bovengrondse infiltratie kan de vorm krijgen van bijvoorbeeld een verlaging in het maaiveld, een zaksloot of wadi. Vanuit deze laagtes infiltreert het water in de bodem. 3.Bovengronds vasthouden (bergen) Bergen is het tijdelijk vasthouden van hemelwater, om het vervolgens vertraagd af te voeren. Zodra het waterpeil in het oppervlaktewaterwater na een regenbui gezakt is, kan het water uit de waterberging vertraagd daarop worden geleegd. Bovengronds bergen kan in (extra) oppervlaktewater, in regentonnen, in groenzones, wadi’s, op waterpleinen en op groene daken. Hierbij wordt met “(extra) oppervlaktewater” gedoeld op speciaal aangelegde of aangepaste bergingsvoorzieningen, en niet op bestaande leggerwaterlopen die primair een afvoerfunctie hebben. Groene toepassingen zoals wadi’s of groene daken dragen tegelijk ook bij aan andere ambities: meer groen, meer biodiversiteit, invangen fijnstof en een koelende werking op de stad. Bovengronds vasthouden/bergen heeft de voorkeur boven ondergronds bergen vanwege de zichtbaarheid en de bereikbaarheid voor onderhoud en inspectie. 4.Ondergronds vasthouden (bergen) Ondergrondse maatregelen zijn bijvoorbeeld in IT-rioolbuizen (lekke rioolbuizen), bergingskelders, infiltratiekratten of grindkoffers. 5.Afvoeren Het afvoeren van het hemelwater is in principe de laatste keuze. In sommige gevallen is dit de enige mogelijkheid. In andere speciale gevallen kan afvoeren wenselijk zijn om het water in een specifieke plas of waterloop aan te vullen en te verversen. Dit wordt locatiespecifiek beoordeeld. Lid 2 Afwijken van de voorgeschreven volgorde is mogelijk, maar alleen als gemotiveerd wordt aangetoond dat een hogere trede technisch niet haalbaar is of tot onevenredige bezwaren leidt. Dit biedt ruimte voor maatwerk, terwijl de voorkeursvolgorde leidend blijft. Lid 3 Bij grotere oppervlakten (≥100 m²) nieuwe of vernieuwde verharding moet de hemelwatervoorziening minimaal 70 mm per m² kunnen verwerken. Hiervan moet ten minste 10 mm direct kunnen infiltreren. Deze norm borgt voldoende bergingscapaciteit en stimuleert infiltratie, wat belangrijk is voor het voorkomen van piekbelasting op het rioolstelsel. Klimaatverandering zorgt voor steeds vaker steeds hevigere buien en langdurige droogte. Bovendien wordt de stad steeds compacter. Om overlast en schade als gevolg hiervan te beperken is het van belang dat hemelwater zoveel mogelijk lokaal wordt verwerkt. Met de norm van 70 mm per m2 wordt aangesloten bij de landelijke maatgevende T=100-bui voor stedelijk gebied, waarmee schade als gevolg van extreme piekbuien in belangrijke mate wordt beperkt. De norm van 70 mm is gebaseerd op landelijke neerslagstatistieken van het KNMI en STOWA (update 2018), waarin voor stedelijk gebied een extreme bui van circa 70 mm in één uur wordt gehanteerd als maatgevende bui met een herhalingstijd van 1 keer per 100 jaar. Daarbij is rekening gehouden met de destijds geldende klimaatscenario’s (KNMI’14). Voor kleinere ontwikkelingen (minder dan 100 m2 nieuwe of vernieuwen van verharding) is deze norm meestal redelijkerwijs een te grote inspanning in verhouding tot het doel van het verbod. Daarom is in die gevallen 10 mm hemelwater per m2 voldoende. Hiermee draagt deze voorziening wel bij aan het tegengaan van droogte, omdat de meeste buien niet groter zijn dan 10 mm. Afwijking van deze verplichting is toegestaan indien uit hydrologisch onderzoek blijkt dat in het betreffende gebied de bergingsopgave reeds is gerealiseerd, dan wel voldoende capaciteit beschikbaar is in samenhang met particulier terrein en het gemeentelijk stelsel. Lid 4 In dit lid is een afwijking opgenomen van de verplichtingen uit het derde lid voor drukriolering. Indien een perceel is aangesloten op drukriolering heeft de eigenaar van het perceel namelijk de verplichting het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken. Drukriolering heeft namelijk onvoldoende capaciteit om hemelwater te verwerken. Daarom mag op drukriolering alleen afvalwater worden aangesloten. Dit geldt ook bij extreme neerslag: ook in die situatie mag hemelwater niet worden geloosd op drukriolering. Lid 5 Een uitzondering op de verplichting uit lid 3 is opgenomen voor de situatie dat een groen dak wordt gerealiseerd. Het aanleggen van groene daken wordt gestimuleerd, omdat deze daken meerdere voordelen hebben. Zo zijn groene daken goed ter bestrijding van de hitteproblematiek en zorgen groene daken voor een betere opname van het hemelwater. Groene daken beschikken dus over een bergingscapaciteit voor hemelwater. Op het moment dat een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van minimaal 25 mm per m2 dak geldt de verplichting tot het realiseren van een hemelwatervoorziening met een bergingscapaciteit van 70 mm per m2 waarvan direct 10 mm infiltreert niet. Hierbij wordt het groene dak aangemerkt als (gedeeltelijke) invulling van de vereiste waterberging, voor zover het betrekking heeft op het dakoppervlak waarop het groene dak wordt gerealiseerd. Dit betekent dat het groene dak niet kan worden ingezet om de waterbergingsopgave voor (nieuwe of toegenomen) verharding op maaiveldniveau te compenseren. Voor die verharding blijft de verplichting gelden om te voorzien in toereikende hemelwaterberging op eigen terrein. Hiermee wordt voorkomen dat de bergingscapaciteit van groene daken wordt ‘overtoegerekend’, terwijl de afvoer van hemelwater vanaf maaiveldverharding een eigen opgave blijft. Artikel 4. Groennorm: algemene bepalingen Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van verharding van 500 m² of meer geldt op grond van het omgevingsplan de verplichting om voldoende kwalitatief groen te realiseren. Deze verplichting stimuleert vergroening en ecologische kwaliteit bij grotere ruimtelijke ingrepen. Er wordt voldoende kwalitatief groen gerealiseerd, indien wordt voldaan aan de groennorm, deze bestaat uit de basiskwaliteitscriteria, de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore. Deze systematiek zorgt ervoor dat niet alleen de hoeveelheid groen wordt geborgd, maar ook de ecologische en functionele kwaliteit. Toetsing aan de basiskwaliteitcriteria vindt plaats op basis van artikel 5, en toetsing aan de kwantitatieve groenscore op basis van artikel 6 en de toetsing aan de kwalitatieve biodiversiteitsscore op basis van artikel 7. Artikel 5 Basiskwaliteitscriteria Met basiskwaliteitscriteria wordt beoordeeld of het plan voldoende bijdraagt aan een robuuste, klimaatbestendige en biodiverse inrichting van het projectgebied. Deze criteria zijn bedoeld om de kwaliteit van de inrichting verder te versterken en richten zich op drie aspecten: het vergroten van de ecologische waarde, het realiseren van een prettig verblijfsklimaat en het zorgvuldig omgaan met bestaande houtopstanden (bomen en hakhout). Door deze basiseisen wordt geborgd dat niet alleen kwantitatieve groenscore en kwalitatieve biodiversiteitscore worden gehaald, maar dat ook aandacht wordt besteed aan de samenhang en duurzaamheid van de inrichting. Het doel is om een omgeving te creëren die bestand is tegen klimaatverandering, aantrekkelijk is voor bewoners en bezoekers, en waarin bestaande groene structuren zoveel mogelijk behouden blijven. Lid 1 Dit lid stelt een verplichting voor het integreren van voorzieningen voor dieren in nieuwe gebouwen. Door minimaal drie soorten te bedienen en de voorzieningen ecologisch verantwoord te plaatsen, wordt natuurinclusief bouwen gestimuleerd. Dit draagt bij aan de stedelijke biodiversiteit. Lid 2 Voor de afweging voor het vellen van houtopstanden wordt de volgende drietrapsbenadering gehanteerd: behoud, verplanten of herplant. Deze afweging wordt in een vroeg stadium van de planvorming doorlopen. Deze bepaling legt een zorgvuldige afwegingssystematiek vast voor het omgaan met bestaande houtopstanden (bomen en hakhout). Door eerst te onderzoeken of behoud mogelijk is, vervolgens te kijken naar verplantbaarheid, en pas in laatste instantie kap toe te staan (met verplichte herplant), wordt ecologische waarde behouden en wordt zorgvuldig omgegaan met bestaande groenstructuren. Dit sluit aan bij het principe van natuurinclusief en klimaatadaptief ontwerpen en bij de uitgangspunten uit het bomenbeleidsplan. De beoordeling vindt plaats per situatie, waarbij onder meer factoren zoals de ruimtelijke context, de conditie, waarde en inpasbaarheid van de houtopstand een rol spelen, evenals andere maatschappelijke opgaven, zoals woonbelangen. Daarbij wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit het bomenbeleidsplan, waarin onder meer veiligheid, toekomstperspectief, technische haalbaarheid en de verhouding tussen investering en kwaliteit worden betrokken. Lid 3 Het afwegingskader uit lid 2 geldt voor alle houtopstanden binnen het projectgebied, zowel in vergunningplichtige als in niet-vergunningplichtige situaties. Dit betekent dat bij iedere ingreep waarbij houtopstanden (bomen en hakhout) worden verwijderd, verplaatst of aangetast, de in lid 2 opgenomen criteria moeten worden toegepast. De drietrapsbenadering wordt daarmee toegepast vóórdat sprake is van verwijdering, verplaatsing of aantasting. Het doel van dit afwegingskader is om zorgvuldig om te gaan met bestaande houtopstanden (bomen en hakhout), omdat deze een belangrijke bijdrage leveren aan de ecologische kwaliteit, het verblijfsklimaat en de klimaatbestendigheid van het gebied. Door deze uniforme toepassing wordt geborgd dat bij grotere projecten ook in gevallen waarin geen vergunning vereist is, de belangen van natuur, biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit worden meegewogen. Artikel 6. Kwantitatieve groenscore Met de kwantitatieve groenscore wordt beoordeeld of binnen het projectgebied voldoende groenblauwe oppervlakte behouden blijft en/ of wordt gerealiseerd. De berekening vindt plaats op basis van een gestandaardiseerd systeem dat inzicht geeft in de verhouding tussen verharding en groen- en waterelementen. Het uitgangspunt is dat, indien niet wordt voldaan aan de minimale groenscore, het plan wordt aangepast totdat naleving van de minimale groenscore is verzekerd. Lid 1 De groennorm is gebiedsafhankelijk en wordt weergegeven op de gebiedsindelingkaart in bijlage 1. Hiermee wordt aangesloten bij de ruimtelijke en ecologische kenmerken van verschillende typen gebieden. Het aandeel groenblauwe oppervlakte ten opzichte van het totale oppervlak van het projectgebied dient te voldoen aan de minimale groenscore die geldt voor het betreffende gebied. Lid 2 Bij herontwikkeling of functiewijziging wordt de groennorm afgestemd op het nieuwe type gebied. Een functiewijziging betekent dat het gebruiksdoel van een groter gebied verandert, niet zijnde functiewijziging van één specifiek gebouw of perceel, wordt aangesloten bij het type gebied dat op de gebiedsindelingkaart hoort bij de nieuwe functie. Bijvoorbeeld van bedrijventerrein naar woongebied of van parkeerterrein naar openbaar groen. Zo sluiten de groennormen aan bij de toekomstige ruimtelijke functie en blijven verouderde normen niet van kracht. Lid 3 De kwantitatieve groenscore wordt bepaald aan de hand van de verhouding tussen het totale oppervlak van het projectgebied en het totale oppervlak groen en water van het projectgebied. Het projectgebied kan het gebied zijn waarop de ontwikkeling of het plan van toepassing is dan wel het gebied waarop de aangevraagde activiteiten plaatsvinden (perceel). Of bijvoorbeeld de omvang van het perceel van het gehele bedrijf waarop de nieuwe verharding van meer 500 m2 wordt toegepast. Het is niet de bedoeling dat er gronden, waar bijvoorbeeld al groen aanwezig is, die geen samenhang hebben met het initiatief/ de ontwikkeling worden betrokken, indien er hier geen veranderingen en/ of wijzigingen plaatsvinden en daarmee dus ook niet tot het initiatief/ de ontwikkeling behoren. Lid 4 Het totale oppervlak van het projectgebied wordt bepaald door oppervlakte bebouwing, verharding, half verharding en groen en water op te tellen. Bebouwing betreft onder andere woningen, bedrijven en andere gebouwen zoals ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, bejaardencentra, ontmoetingsruimten. Ook tuinhuisjes, schuurtjes, garages, stallen en/ of overige verblijven vallen daaronder. De oppervlakte bebouwing wordt in m2 ingevuld. Ook een te realiseren groen dak telt mee in de oppervlakte bebouwing. Binnen het projectgebied of projectgebied moet naast de (verharde) oppervlakte bebouwing, de oppervlakte aan overige verharding worden bepaald. Onder verharding wordt verstaan het oppervlak aan wegen, in- en opritten, verharde looppaden, terrassen en dergelijke. De oppervlakte aan half verhardingen, zoals grasbetonstenen, moet apart worden ingevuld. Half verharding draagt namelijk bij aan infiltratie van hemelwater en wordt in de berekening van de groenscore voor 50% meegeteld als groenblauwe oppervlakte. De oppervlakte groen en water op maaiveldniveau wordt bepaald door al het groen en water dat binnen het projectgebied = wordt gerealiseerd uitgedrukt in m2. Hierbij wordt de oppervlakte op maaiveldniveau bepaald en niet bijvoorbeeld de boomkruin die ook over verharding kan vallen. Voor groen en water kan gedacht worden aan tuinen, gras, plantenbakken, perkjes, wadi’s, plantsoenen en dergelijke. Lid 5 Het aandeel groenblauwe oppervlakte wordt bepaald door de oppervlakte groen en water, de helft van het totaal half verharding, groen dak, groene gevel en oppervlakte kroonprojectie bomen op te tellen. Het realiseren van een groen dak, een groene gevel of grote bomen zijn belangrijk voor het behalen van de doelstelling om een klimaatadaptieve, biodiverse, groene en daarmee gezonde omgeving te verkrijgen. Daarom zijn deze onderdelen naast groen en water op maaiveld en half verharding als aanvullende toetsingselementen in het scoresysteem opgenomen. Indien er een groen dak wordt gerealiseerd moet het oppervlak hiervan volledig ingevuld worden in m2. Ook als er zonnepanelen op het groen dak worden geplaatst en de vegetatie onder de panelen aanwezig is, telt het oppervlak groen dak volwaardig mee. Het oppervlak groene gevel wordt bepaald door een realistisch en haalbaar verticaal oppervlak, te weten de grootte ervan na 5 jaar aanplanting. Dit dient onderbouwd en toegelicht te worden met informatie over de gekozen beplanting, groeipotentie en onderhoudsstrategie. Hiermee wordt geborgd dat vergroening duurzaam en realistisch is en niet slechts op papier plaatsvindt. Het oppervlak kroonprojectie bomen (m2) wordt bepaald door de aanwezige kroon van de bomen zoals feitelijk aanwezig en/ of door een inschatting van het kroonoppervlak 10 jaar na aanplant. Indien bomen nog moeten worden aangeplant, moet een toelichting over de verwachte kroonprojectie na 10 jaar worden toegevoegd, inclusief onderbouwing van soortkeuze, groeipotentie en onderhoud. Dit stimuleert een kwalitatieve invulling van het ontwerp en voorkomt dat vergroening niet wordt gerealiseerd. Hiermee wordt geborgd dat vergroening duurzaam en realistisch is en niet slechts op papier plaatsvindt Artikel 7. Kwalitatieve biodiversiteitsscore Met de kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt beoordeeld in hoeverre het toegepaste groen bijdraagt aan natuurwaarden, klimaatadaptatie en een robuuste leefomgeving. Onder biodiversiteit wordt verstaan de variatie tussen soorten, binnen soorten (genetische diversiteit) en tussen ecosystemen. Onder robuust groen wordt verstaan een ecologisch sterke, toekomstbestendige en klimaatresistente groenstructuur met voldoende variatie, samenhang en groeiruimte. De beoordeling vindt plaats op basis van een gestandaardiseerd systeem dat inzicht geeft in de kwaliteit van het toegepaste groen, de variatie in beplanting en de ecologische waarde van de maatregelen. Het uitgangspunt is dat een plan wordt aangepast totdat naleving van de minimale biodiversiteitseisen is verzekerd. Lid 1 Voor het bepalen van de kwalitatieve biodiversiteitscore is een aantal regels opgesteld op grond waarvan punten behaald kunnen worden met een maximum van 13 punten. Voor nieuwe ontwikkelingen is de minimale score gesteld op 8 punten. Bij nieuwe ontwikkelingen kan namelijk relatief eenvoudig worden ingespeeld op maatregelen ter voldoening aan de kwalitatieve biodiversiteitscore. Lid 2 In het scoresysteem voor de kwalitatieve biodiversiteitscore wordt een onderscheid gemaakt in de onderstaande onderdelen. Onderdeel A: Groenscore boven de groennorm Dit onderdeel beloont projecten die méér doen dan het minimum. Door extra groen- en wateroppervlak te realiseren bovenop de kwantitatieve groenscore, wordt de ecologische waarde vergroot. De puntentoekenning is proportioneel en stimuleert ambitie. Directe punten zijn te behalen door het aanleggen van groene daken en aanplanten van bomen en het beperken/verminderen van het oppervlak gesloten verharding. Onderdeel B: Behoud van natuur en nieuwe natuur Dit onderdeel heeft betrekking op het behoud van natuur en nieuwe natuur. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in onderdeel B1 (reeds aanwezige natuur) en onderdeel B2 (het inrichten voor nog niet aanwezige soorten). De onderdelen B1 en B2 vullen elkaar aan en leveren samen een score op van 4 en 3 punten naar rato van de aldus ingerichte beschikbare ruimte. De beschikbare ruimte is de maximale ruimte die met groen ingevuld zou kunnen worden. Bestaande schuine daken met een té grootte helling, monumentale panden en een minimum aan ruimte voor een terras en toegang tot het pand worden daarbij niet meegerekend. Parkeerplaatsen wel. Voor het bepalen van de score wordt aanbevolen om een onderbouwing te geven hoe invulling gegeven wordt aan het behoud van natuur en nieuwe natuur. De onderdelen B1 en B2 vullen elkaar aan en vormen samen één score voor onderdeel B. Het uitgangspunt is dat behoud van bestaande natuur (B1) zwaar weegt. Indien alle aanwezige bomen en groene kwaliteiten behouden blijven, kan de maximale score van 4 punten worden toegekend. Wanneer een deel van de bestaande natuur niet behouden blijft, maar er wel nieuwe natuur wordt ingericht (B2), kan hiermee een deel van de score worden gecompenseerd. De totale score voor onderdeel B bedraagt maximaal 4 punten, ongeacht de combinatie van B1 en B2. Hieronder is per onderdeel een verdere toelichting opgenomen. B1 – Reeds aanwezige natuur Aanwezige bomen en andere groene kwaliteiten worden behouden en ingepast, conform de eisen uit het Bomenbeleidsplan 2017. Naast oude bomen gaat het bijvoorbeeld om het inpassen van bestaande bosjes, oevers, riet, openwater en bloemrijke graslandjes. Natuur heeft tijd nodig om zich te ontwikkelen. Ook bestaande levende erfafscheidingen, zoals hagen en struweelranden, worden onder dit onderdeel meegewogen. Deze elementen vormen vaak langdurig ontwikkeld leefgebied voor kleine fauna en dragen bij aan de ecologische samenhang en migratiemogelijkheden in het gebied. Als bosjes, hagen, struwelen, kruidenrijke graslandjes en waterpartijen langer aanwezig zijn zullen zich hier in de loop van de tijd steeds meer soorten vestigen en gebruik van maken. Over het algemeen geldt hoe ouder, hoe soortenrijker, denk daarbij wel in decennia. Omdat dit hoog gewaardeerd wordt is met dit onderdeel 4 punten te behalen, waarbij er ruimte is om naar boven af te ronden als alle aanwezige bomen van enige omvang behouden worden. B2 – Nieuwe natuur Er wordt leefgebied gemaakt voor gebiedseigen soorten. Het gaat hier om de inrichting van de vollegrond of het dak. Bijvoorbeeld het aanleggen van bloemrijk gras, vlindervegetatie, drachtbomen, poel, ecologische oevers, moeras, aanplanten van bomen en struiken voor soorten die er van nature voorkunnen komen. In stedelijk gebied gaat het ook om kansrijk bepaalde soorten, die in de omgeving voorkomen te helpen. Als bijvoorbeeld iepenpage of sleedoornpage voorkomen, is het nuttig om iepen dan wel sleedoorn aan te planten. In de buurt van een wetering of watervoerende sloot is het voor de biodiversiteit goed om poelen aan te leggen. Deze zijn vrij kansrijk om gebruikt te worden door kikkers, padden en salamanders. Ook als de buitenruimte een andere functionele invulling heeft, kan dat ingepast worden, zoals bij een moestuin met veel bloemen en afzien van bestrijdingsmiddelen, speeltuin zonder gesloten verharding en geen kunstgras, erfafscheiding die gepasseerd kan worden door egels als er kans is dat egels in de omgeving rondlopen. De aanleg van nieuwe levende erfafscheidingen (bijvoorbeeld inheemse hagen of struweel) wordt eveneens als natuurmaatregel gewaardeerd. Dergelijke groene afscheidingen bieden voedsel, dekking en nestgelegenheid voor gebiedseigen soorten en dragen bij aan een natuurinclusieve inrichting van het terrein. Onderdeel C: Inheemse soorten Dit onderdeel ziet op de inheemse soorten. Er wordt voor nieuwe aanplant/ inzaai gebruik gemaakt van inheemse soorten passend bij de groeiplaats/ omgeving. De puntentelling is als volgt: bij een nieuwe aanplant met een oppervlakteaandeel inheems van meer dan 33% (en groter dan 2 m2 voor kleinschalige toepassing): 1 punt. Bij een oppervlakteaandeel van meer dan 66 % (en groter dan 10 m2 bij kleinschalige toepassing): 2 punten. Grassen dienen volledig uit te kunnen groeien en niet te worden beheerd als gazon, om bij te dragen aan het verkrijgen van punten. Ook voor een groene gevel kunnen inheemse planten gebruikt worden zoals klimop, bosrank, kamperfoelie en hop. Eén van de doelen is om voor vogels, insecten, zoogdieren, paddenstoelen etc. zoveel mogelijk leefgebied te ontwikkelen dan wel in stand te houden. Hierbij geldt dat plantensoorten die hier sinds lange tijd groeien in vergelijking tot soorten die van elders gehaald zijn, meer voedsel en nestgelegenheid bieden en daarmee leefgebied aan meer soorten en individuen. Uitgangspunt is dat inheemse soorten worden toegepast. Inheemse cultivars (veredelde varianten van inheemse soorten) worden in dit kader niet als inheems aangemerkt en tellen niet mee voor de puntentelling, omdat zij ecologisch doorgaans minder waarde hebben voor de inheemse fauna dan de oorspronkelijke wilde soort. Alleen wanneer deze soorten onvoldoende klimaatbestendig zijn voor de betreffende locatie, mag aanvullend worden uitgeweken naar soorten met een Europese oorsprong. Voorwaarde is dat deze soorten ecologisch passend zijn, geschikt voor de groeiplaats en aantoonbaar van waarde voor insecten en andere fauna. Soortenlijsten van de Vlinderstichting en andere kennisorganisaties kunnen hierbij als inspiratiebron en onderbouwing dienen. Het is overigens niet de bedoeling om aanwezige oudere niet inheemse bomen of struiken hiervoor te vervangen. Onderdeel D: Drachtplanten Dit onderdeel ziet op drachtplanten. Het hele palet aan bloemen en planten waar de bijen op vliegen om er stuifmeel of nectar te halen valt onder de drachtplanten. Op internet circuleren lijsten waarop aangegeven wordt welke planten interessant zijn voor hun dracht. Daarbij is het ook goed om aandacht te hebben voor de continuïteit van de dracht gedurende de zomer. Voorkomen moet worden er dat gedurende het seizoen gaten vallen in de aanwezigheid nectar en stuifmeel, zodat er zoveel mogelijk een ononderbroken voedselketen ontstaat voor bijen en andere insecten. Vaste planten hebben de voorkeur en de gekozen planten moeten passend zijn voor de groeiplaats. Onderdeel E: Gevelgroen Het potentieel geschikte geveloppervlak voor vergroening betreft het deel van de gevel dat technisch en ruimtelijk geschikt is voor toepassing van gevelgroen, rekening houdend met oriëntatie, constructieve mogelijkheden en groeipotentie. De beoordeling vindt plaats op basis van een projectie van het beoogde gevelgroen over een periode van 5 jaar, waarbij wordt uitgegaan van de verwachte groei en dekking van de beplanting. Hiermee wordt gestimuleerd dat gevelgroen duurzaam en effectief wordt toegepast, ook als volledige bedekking van de gevel niet haalbaar is. Onderdeel F: variatie aan plantensoorten Dit onderdeel stimuleert projecten die een divers palet aan beplanting toepassen, met nadruk op inheemse soorten. Een gevarieerde beplanting verhoogt de ecologische waarde en draagt bij aan de veerkracht van het groen. Het doel is om zoveel mogelijk leefgebied te creëren of in stand te houden voor vogels, insecten, zoogdieren, schimmels en andere organismen. Inheemse plantensoorten – soorten die hier van nature al lange tijd voorkomen – bieden doorgaans meer voedsel, nestgelegenheid en schuilplaatsen dan uitheemse soorten. Daarmee ondersteunen zij een groter aantal soorten en individuen. Indien inheemse soorten onvoldoende klimaatbestendig zijn voor de betreffende locatie, mag aanvullend worden uitgeweken naar soorten met een Europese oorsprong. Voorwaarde is dat deze soorten ecologisch passend zijn, geschikt voor de groeiplaats en aantoonbaar van waarde voor insecten en andere fauna. Op die manier combineren we klimaatbestendigheid met behoud van biodiversiteit. Artikel 8. Afwijkingsmogelijkheden Artikel 8 introduceert een belangrijke flexibiliteitsbepaling binnen deze beleidsregel. Het doel van dit artikel is om in uitzonderlijke situaties maatwerk mogelijk te maken, wanneer strikte toepassing van de regels uit de voorgaande artikelen leidt tot een onevenredige inspanning in verhouding tot het doel. Hiermee wordt voorkomen dat de beleidsregel onredelijke of disproportionele gevolgen heeft voor initiatiefnemers, terwijl de beleidsdoelen zoveel mogelijk behouden blijven. Lid 1 Dit lid ziet op de verplichting uit artikel 3 om hemelwater op eigen terrein te verwerken. In beginsel is deze verplichting van groot belang voor het verminderen van wateroverlast en het ontlasten van het rioolstelsel. Toch is afwijking toegestaan als het bevoegd gezag van mening is dat naleving van deze regels een te grote inspanning vraagt in verhouding tot het doel. De initiatiefnemer moet hiervoor een motivatie indienen waarin wordt aangegeven waarom niet aan de eisen voor hemelwaterverwerking kan worden voldaan. Lid 2 Dit lid ziet op de verplichtingen uit artikelen 4, 5, 6 en 7, die betrekking hebben op basiskwaliteitscriteria, vergroening en biodiversiteit. Deze bepalingen zijn bedoeld om een robuuste, klimaatbestendige en biodiverse inrichting van het projectgebied te waarborgen. Ook hier geldt dat afwijking mogelijk is als het bevoegd gezag van oordeel is dat naleving een te grote inspanning vergt in verhouding tot het doel. De initiatiefnemer moet een motivatie aanleveren waarin wordt uitgelegd waarom niet aan één of meer van deze eisen kan worden voldaan. Bijlage 1. Gebiedsindelingkaart Kaart gelijk als: 20230503 groennorm, update percentages naar: Legenda Buitengebied 50 % Dorpse en landelijke woonmilieus 42 % Groenstedelijk woonmilieu 42 % Stedelijk woonmilieu 40 % Brede binnenstad 22 % Bedrijventerrein 32 %

Meer informatie