Beleidsregels voor bomen gemeente Hoogeveen
Beleidsregels voor bomen gemeente Hoogeveen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen; gelezen het ambtelijk voorstel; overwegende, dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor: Bomen in de gemeente Hoogeveen; omdat; gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en; gezien het advies van openbare ruimte en mobiliteit; besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: Beleidsregels voor bomen gemeente Hoogeveen Artikel 1 Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: a.college: college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen; b.Algemene Plaatselijke Verordening (APV): de meest recente versie van de APV Hoogeveen, te raadplegen op www.overheid.nl; c.boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een stam-/dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld (is hetzelfde als een stamomtrek van 31,4 cm). In geval van meerstammigheid geldt de stam-/dwarsdoorsnede/stamomtrek van de dikste stam; d.boomdeskundige : een deskundige in het bezit van minimaal een door een erkend instituut afgegeven certificaat European Tree Technician (ETT), European Tree Manager (ETM), European Tree Worker (ETW) en/of minimaal 5 jaar ervaring en gecertificeerd Boomveligheidscontroleur (BVC’er); e.Boom Effect Analyse (BEA): een door- of onder aantoonbare begeleiding van een European Tree Technician (ETT-er) opgestelde rapportage volgens de richtlijn BEA, opgesteld door de landelijke Bomenstichting en CROW; f.gemeentelijke houtopstand: zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet, te weten: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend; g.hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; h.particuliere houtopstand : houtopstand die staat op een terrein waarvan de eigenaar een ander dan de gemeente is; i.vellen: vellen als bedoeld artikel 1.1 van de Omgevingswet, te weten: rooien, of verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand of boom tot gevolg kunnen hebben; j.ruimtelijke ontwikkeling: onder ruimtelijke ontwikkeling of -inrichting wordt een breed scala aan werkzaamheden verstaan met als resultaat een functieverandering of uiterlijke verandering van een gebied of object. In de praktijk spreken we van (ver)-bouwen, (her-)inrichten, sloop, aanleggen, reconstrueren, groot onderhoud, omvormen of een verandering in beheer of gebruik; k.toekomstverwachting: de verwachte technische levensduur op grond van boomtechnische aspecten (onder andere conditie, groeiontwikkeling, ziektes, aantastingen of boomtechnische gebreken); l.waardevolle boom: een boom die opgenomen is op de waardevolle bomenlijst; m.inheemse soorten: organismen (planten) die al populaties lang ononderbroken voorkomen binnen de klimaatzone waar Nederland ook toe behoord; n.standplaats: een plek waar een object staat en/of een plant groeit; o.zichthoek: een zichthoek is het gebied rond een kruispunt, uitrit of oversteekplaats waar het zicht tussen verkeersdeelnemers voldoende vrij moet zijn om elkaar tijdig te kunnen waarnemen, gedrag te kunnen voorspellen en veilig te kunnen handelen. De omvang van de zichthoek wordt bepaald door de verkeerssituatie, snelheid en het gebruik van de weg; Artikel 2. De waarde van bomen Bomen spelen een belangrijke rol in de openbare ruimte. Ze worden gezien als een structureel en waardevol onderdeel van een gezonde, groene, leefbare openbare ruimte, en niet als vervangingsproduct. Om die reden gaan we zorgvuldig met onze bomen om en wegen we keuzes ten aanzien van kap, bescherming en behoud zorgvuldig af. Bomen moeten oud kunnen worden in de gemeente Hoogeveen. Juist dan vertegenwoordigen ze de meeste waarde voor de biodiversiteit, klimaatadaptatie, gezondheid en economie. Bomen zuiveren de lucht, zorgen voor verkoeling, bieden voedsel, schuilplaatsen en nestgelegenheid aan dieren, dragen bij aan een gezond bodemleven, vangen fijnstof op, verminderen geluidsoverlast en dragen bij aan de leefbaarheid. Deze maatschappelijke opgaven en de rol van bomen hierin, wordt ook inzichtelijk in de sinds 2024 geldende natuurherstelverordening (NHV). In het kader van de NHV heeft de gemeente onder andere de verplichting om het groenoppervlak en het boomkroonoppervlak (zowel gemeentelijk als particulier) binnen de gemeente in stedelijk gebied t/m 2030 niet te laten afnemen, en beide vanaf 2031 te laten toenemen. Afweging van belangen De regels ten aanzien van het behouden, beschermen, vellen en herplanten van bomen zijn vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening. Aan de hand van die regels kan worden bepaald wanneer een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom moet worden aangevraagd, welke voorwaarden er gelden en welke belangen worden afgewogen om tot een besluit te komen. In de beleidsregels voor bomen zijn de belangen voor het behouden, vellen en herplanten van bomen nader toegelicht. Artikel 3. Bescherming van gemeentelijke bomen 1.Alle gemeentelijke bomen genieten bescherming. Als het om het vellen van bomen gaat wordt het “Nee, tenzij”- principe gehanteerd. In beginsel vellen wij geen bomen. Uitzonderingen die hierop worden gemaakt komen voort vanuit de zorgplicht. Hierbij gaat het om bomen waarbij de veiligheid van de boom voor de omgeving niet gegarandeerd kan worden. Een andere afwijking van deze regel kan zijn omdat het Europese, Nationale en/of Provinciale wet- en regelgeving betreft. Onder deze afwijkingen vallen: • Conditie De conditie van een boom is bepalend voor de verwachte levensduur op grond van boom technische aspecten (onder andere conditie, groeiontwikkeling, ziektes, aantastingen of boomtechnische gebreken). De conditie van de boom wordt objectief ingedeeld in klassen op basis van het vertakkingspatroon volgens de methode van Duitse onderzoeker A. Roloff, 2001 (Bron: Stadsbomenvademecum, IPC Groene Ruimte). Iedere boomeigenaar is vanuit de zorgplicht verantwoordelijk voor zijn/haar eigen boom. De gemeente voert boomcontroles uit bij gemeentelijke bomen om de conditie te controleren, en indien nodig te handelen. • Boomziektes en aantastingen Ziekten en aantastingen kunnen ervoor zorgen dat een boom verzwakt raakt en gebreken begint te vertonen. Bomen kunnen daardoor ook vatbaar worden voor andere aantastingen. Afhankelijk van de standplaats kan een dergelijke boom gevaar opleveren. Vanuit de zorgplicht worden ziekten en aantastingen geregistreerd bij de boomcontrole en worden er maatregelen getroffen als dat nodig is. De beoordeling of er sprake is van een aantastende boomziekte vindt plaats door een gemeentelijke of onafhankelijke boomdeskundige. • Aanwijzing van een soort als invasieve exoot op de Unielijst of Attentielijst door de Europese Unie Vanuit de Europese Unie worden invasieve exoten aangewezen op de zogeheten Unielijst en Attentielijst. Deze soorten vormen een bedreiging voor de natuur, omdat ze inheemse soorten verdringen, ziekten overbrengen of schade veroorzaken aan ecosystemen. Voor deze soorten gelden vanuit deze benoemingen verschillende verplichtingen, welke kunnen leiden tot een verplichting tot het verwijderen van soorten. • Zorgplicht bij klachten en meldingen Het kan voorkomen dat de gemeente vanuit de zorgplicht moet overgaan tot het vellen van een boom of houtopstand (zie ook artikel 4, lid 2). • Noodkap Door ziekten en aantastingen, onstabiliteit, een boomtechnisch gebrek of door (storm)schade kan een boom op een voor publiek toegankelijke plaats direct gevaar opleveren. Als het vellen van de boom in die gevallen direct noodzakelijk is, spreken we van noodkap. De omgevingsvergunning voor het vellen van de boom treedt dan direct in werking, ongeacht de waarde van de boom, in verband met de zorgplicht. 2.Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager van een omgevingsvergunning om bomen te vellen een BEA bij te voegen volgens de richtlijn BEA, opgesteld door de landelijke Bomenstichting en CROW. Uit de BEA blijkt of de boom binnen de ruimtelijke ontwikkeling duurzaam kan worden ingepast, het ontwerp of de uitvoering van de ruimtelijke ontwikkeling kan worden aangepast of dat de boom moet worden geveld. De BEA dient te worden opgesteld in de initiatieffase en dient goedgekeurd te worden door de boombeheerder. 3.De uitvoering van werkzaamheden rond bestaande te behouden bomen dient plaats te vinden conform de eisen uit de meest recente versie van het Handboek Bomen, een uitgave van Normeninstituut Bomen - Werken rond bomen en bijbehorende bomenposter 'Werken rond bomen'.4.Indien gewerkt wordt binnen de kwetsbare boomzone (kroonprojectie + 1,5 meter) van bestaande te behouden bomen is een boombeschermingsplan verplicht (bv. bij werkzaamheden aan kabels & leidingen). De basis voor dit plan is de bomenposter 'Werken rond bomen' van Normeninstituut Bomen. In dit boombeschermingsplan wordt indien van toepassing ook een bronbemalingsplan opgenomen. Het plan dient voorafgaand aan de uitvoering van het werk akkoord te hebben gekregen van de boombeheerder.5.Werkzaamheden en activiteiten binnen de kwetsbare boomzone (kroonprojectie + 1,5 m) van bestaande te behouden bomen dienen onder begeleiding van een gecertificeerde European Tree Technician (ETT) of European Tree Worker (ETW) te worden uitgevoerd.6.De normen uit het handboek bomen uit 2026 en de opvolgende versies van het Normeninstituut bomen worden aangehouden als het gaat om het (opnieuw) inrichten van standplaatsen.7.Bij de overdracht van gemeentelijke gronden met gemeentelijke bomen naar privaat, worden in de anterieure overeenkomst afspraken opgenomen over de gemeentelijke bomen. Hierbij valt te denken aan instandhoudingsplicht. Artikel 4. Behandeling klachten en meldingen gemeentelijke bomen 1.De volgende klachten en meldingen zijn geen redenen voor het vellen van een gemeentelijke boom of houtopstand: • Zonnepanelen, zonnecollectoren en kleine windmolens Schaduwoverlast kan worden ervaren in relatie tot zonnepanelen of andere van zonlicht afhankelijke apparatuur. Van schaduwoverlast kan sprake zijn wanneer de boom bijvoorbeeld zuidelijk is gepositioneerd ten opzichte van de apparatuur. Wanneer de boom er al stond voordat de apparatuur werd geplaatst wordt de hinder niet beschouwd als reden om een boom te vellen. Ook overlast in het kader van kleine windmolens is geen reden om over te gaan tot het vellen van een boom of houtopstand.De investeerder kan vooraf de impact van de bestaande situatie op zijn investering inschatten. Hierbij moet worden meegenomen dat bestaande bomen ook verder zullen uitgroeien. Bovendien zullen in veel gevallen de bomen de levensduur van zonnepanelen, zonnecollectoren of kleine windmolens overstijgen. Met betrekking tot nieuwbouwlocaties wordt verwezen naar het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR). • Blad-, bloesem- en vruchtval Val van blad, bloesem en vruchten is een jaarlijks terugkerende vorm van hinder. Deze overlast die een boom logischerwijs met zich meebrengt dient te worden beschouwd als aanvaardbare hinder en wordt niet beschouwd als reden om een boom te vellen. De hinder kan met reguliere reiniging of ruimwerk op paden, wegen, dakgoten en tuinen worden verholpen en zijn seizoen gerelateerd. • Overlast van vogels, insecten en roetdauw Bomen kunnen voor hinder zorgen door het aantrekken van bijvoorbeeld insecten en vogels. Enkele voorbeelden daarvan zijn vogelpoep, spinselmot, eikenprocessierups en roetdauw. Bladluizen kunnen op een aantal boomsoorten veel voorkomen en scheiden een zoete vloeistof af. Deze zogenaamde honingdauw kan een (zwarte) plaklaag veroorzaken op bijvoorbeeld geparkeerde auto’s (roetdauw). Afhankelijk van de mate van hinder kan de gemeente maatregelen treffen. De hinder door vogels, insecten en roetdauw wordt echter niet beschouwd als reden voor het vellen van een boom. • Allergieën Allergieën worden soms veroorzaakt door pollen van bomen. Vaak geeft een boom slechts enkele weken overlast. Het vellen van een overlast bezorgende boom in de straat (bijvoorbeeld een berk) neemt in het algemeen niet de bron van allergie weg. Berkenpollen leggen namelijk vele honderden kilometers af. De helft van de bomen in ons land is bovendien katjesdragend. Het ecologische belang van deze bomen is groot. De hinder dient daarom te worden beschouwd als aanvaardbare hinder en wordt niet beschouwd als reden voor het vellen van een boom. • Schaduw in de tuin Bomen kunnen door hun soort, grootte en positie voor schaduw zorgen in particuliere tuinen. Deze schaduw kan als wenselijk worden beschouwd, maar kan ook als hinder worden ervaren. De hinder is vaak tijdelijk en wordt beschouwd als aanvaardbare hinder. Schaduw in de tuin wordt daarom niet beschouwd als reden voor het vellen van een boom. De gemeente zal de situatie beoordelen als er ook sprake is van gevaar, schade en/of andere vormen van hinder. • Economische schade Schaduw op landbouwpercelen, minder zicht op bedrijfspanden of hinder door bomen bij terrassen kunnen direct of indirect zorgen voor een derving van inkomsten en daarmee als economische schade worden gezien. Economische schade wordt niet beschouwd als reden voor het vellen van een boom. De boomdeskundige zal namens de gemeente de situatie beoordelen daar waar deze schade samengaat met gevaar, hinder en/of andere vormen van schade. 2.De volgende klachten en meldingen kunnen aanleiding zijn tot het treffen van maatregelen aan een gemeentelijke boom of houtopstand: • Vermoeden van risico tot omwaaien of takbreuk Bij harde wind of na stormschade elders kan een gevoel van onveiligheid of angst worden ervaren nabij bomen. Elke boomeigenaar dient invulling te geven aan de wettelijke zorgplicht door bomen regelmatig te controleren en waar nodig maatregelen te treffen om gevaar te voorkomen. Elke melding van een vermoeden van risico tot omwaaien of takbreuk wordt door de gemeente gecontroleerd. Als daar aanleiding vanuit zorgplicht toe is, worden maatregelen genomen (bv. snoei. Alleen in uiterste gevallen wordt gekozen tot het vellen van de boom). • Wortelopdruk in verharding Op zoek naar voeding, zuurstof en water vinden wortels hun weg in de ondergrond. Soms komen ze daarbij vlak onder het oppervlak en drukken ze door diktegroei de verharding op. Hierdoor kan o.a. struikelgevaar ontstaan. Het verwijderen van boomwortels is meestal geen goede oplossing omdat de wortels vaak terugkeren. Ook kan een boom daardoor onstabiel worden en omvallen. Als het gevaar niet kan worden opgelost door het treffen van maatregelen aan de verharding of de groeiplaats van de boom, kan worden besloten de boom te vellen (i.v.m. zorgplicht). • Schade door kroon of wortels Een boom kan met zijn wortels en kroon schade veroorzaken aan bouwwerken en leidingen. Wortels kunnen door diktegroei schade veroorzaken aan onder andere muren van gebouwen, keermuren (niet tuinmuur), rioleringen en leidingen. Takken kunnen, bij wind en storm, schade veroorzaken aan daken en gevels. De relatie tussen de schade en de boom moet worden aangetoond door een gecertificeerde boomdeskundige in het bijzijn van de gemeente voordat maatregelen aan de boom of de groeiplaats worden overwogen. Daar waar nieuwe schade niet kan worden voorkomen door maatregelen aan de boom of aan de groeiplaats van de boom te treffen, kan worden besloten de boom te vellen (i.v.m. zorgplicht). • Verkeersveiligheid Bomen kunnen in zichthoeken staan van verkeerskruispunten en/of in- en uitritten. Als de verkeersveiligheid aantoonbaar in het geding komt, dient de burger dit te melden bij de gemeente. De verkeerdeskundigen gaan dit beoordelen en indien nodig wordt er een onafhankelijk extern bureau om advies gevraagd. Er wordt altijd eerst onderzocht of er mogelijkheden zijn om het veiligheidsprobleem verkeersmatig op te lossen. Indien het aanbrengen van snelheidsbeperkingen en verkeersmaatregelen, of het verwijderen van onderbegroeiing niet afdoende zijn, moet naar een integrale herinrichting van de weg worden gekeken. Hierbij worden verschillende aspecten, waaronder boomwaarde, verkeersveiligheid, klimaatadaptatie, ecologie en maatschappelijke draagvlak meegenomen. Indien het geval van nieuwe in- en uitritsituaties, geldt het uitgangspunt dat bestaande beplanting blijft behouden en wordt gekeken naar een alternatieve mogelijkheid. Een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitrit, betreft geen omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand. Indien het geval van een bestaande in- en uitritsituatie en een nieuw te planten boom, wordt de boom dusdanig aangeplant, dat deze ook bij groei niet in zichthoeken komt te staan. • Afstand tot erfgrens Bij het ervaren van hinder als gevolg van een boom wordt vaak naar de afstand van de boom tot de erfgrens gekeken. Daar waar de boom op jonge leeftijd geen hinder veroorzaakt, kan dezelfde boom dat op latere leeftijd of bij veranderende plaatselijke omstandigheden wel doen. In de APV van gemeente Hoogeveen is aangegeven dat de afstand voor bomen die in eigendom zijn van de gemeente is vastgesteld op 0,5 meter. Deze afstand wordt gemeten vanaf het midden van de boomstam op de grond tot aan de erfafscheiding. Voor heggen en heesters geldt dat de afstand is vastgesteld op nihil. Voor particulieren geldt de regelgeving zoals vastgelegd in artikel 5:42 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij bomen ook buiten die vastgestelde zone voor hinder kunnen zorgen. De gemeente zal de situatie beoordelen als de hinder ook samengaat met gevaar, schade en/of andere vormen van hinder. • Daglicht in leef-/werkruimte Bomen kunnen de toetreding van daglicht in de leef-/ werkruimte belemmeren. Daarbij gaat het expliciet om daglicht en niet om zonlicht. De eigenaar van het gebouw of woning zal op basis van geldende normen, bijvoorbeeld de norm voor bezonning van het TNO, moeten aantonen dat er als gevolg van de aanwezige boom onvoldoende daglicht in de leef- of werkruimte komt. Indien uit de normen blijkt dat er als gevolg van de boom onvoldoende daglicht in de leef- of werkruimte komt, en de hinder kan niet worden weggenomen door de boom bijvoorbeeld te snoeien, kan het vellen van de boom worden overwogen (i.v.m. zorgplicht). Artikel 5. Toetsing aanvraag omgevingsvergunning bomen 1.De gemeente stelt criteria voor de waardevolle bomen op. De lijst met aangewezen waardevolle bomen wordt jaarlijks geüpdatet en opnieuw vastgesteld. 2.Het college toetst een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de boom of houtopstand en op het belang voor het vellen van de boom of houtopstand. Hierbij toetst het college op de volgende onderdelen (zie ook nadere regels APV):• Vitaliteit De conditie van de boom maakt onderdeel uit van de visie op toekomstige ontwikkelingen en hoe daarop te anticiperen. Daarnaast is de leeftijd van de boom van belang. Jonge bomen kunnen soms worden verplant en hoe ouder de boom, hoe meer waarde de boom heeft voor zijn omgeving. Tevens wordt zorgvuldig afgewogen wat de verwijdering van een boom doet voor de beplanting in zijn omgeving. • Klimaatadaptatie De mate waarin een boom met haar boomkroonoppervlak bijdraagt aan klimaatadaptatie, maakt onderdeel uit van de afweging tot kap. Door klimaatverandering wordt onder andere schaduwwerking van bomen steeds belangrijker. Daarnaast zijn in de Natuurherstelverordening regels opgenomen voor het stabiliseren en vanaf 2031 vergroten van het totaal aan boomkroonoppervlak. • Natuurwaarde De natuurwaarde van een boom heeft betrekking op de mate waarin een boom (potentieel) nest-, voortplantings-, rust-, verblijf-, foerageer- of schuilgelegenheid biedt en voedsel biedt aan (beschermde) planten of dieren. Óf onderdeel uitmaakt van een essentiële vleermuisvliegroute. Daarnaast is het van belang of een boom onderdeel is van een reeks elementen die een ecologische verbinding vormen, hetzij als verbinding, hetzij als ‘stepping stone’ (verblijfsgebied voor dieren en/of planten). Ook wordt meegewogen of de boom veel voorkomt in Nederland. Daarmee kan worden bepaald of de boom bijdraagt aan genetische diversiteit van het bomenbestand en/of de boom een belangrijke zaadbron vormt voor een autochtoon ras (genetische waarde). • Landschappelijke waarde De mate waarin een boom een karakteristiek landschapselement of structuur accentueert of hier onderdeel van uitmaakt, weegt mee in de afweging tot behoud en/of kap van een boom. Daarnaast wordt onderzocht of de boom onderdeel uitmaakt van het in het omgevingsplan beschreven straat-, laan- of wijkbeeld. Tevens wordt gekeken of de boom een duidelijk herkenningspunt vormt in het landschap en/of de boom een bijzondere verschijningsvorm heeft. • Cultuurhistorische waarde Cultuurhistorische waarde heeft betrekking tot de mate waarin een boom onderdeel uitmaakt van een historische verbinding en/of verwijst naar een historische functie (bijvoorbeeld oude leilindes bij historische boerderijen). Daarnaast wordt onderzocht of de boom een herdenkingsboom, markeringsboom of vertegenwoordigt en/of een cultuurhistorische waardevolle plaats, gebeurtenis of object markeert- of accentueert. Tevens wordt in de afweging meegenomen of een boom een status heeft als monumentale of waardevolle boom. 3.Specifiek voor de toetsing van de aanvraag van een omgevingsvergunning van gemeentelijke bomen, komt daar het volgende criterium bij:• Maatschappelijke hinder Regelmatig komen verzoeken binnen van inwoners tot kap van een gemeentelijke boom of houtopstand. Hierbij wordt door de gemeente altijd een afweging gemaakt tussen individueel belang versus maatschappelijk belang. Niet iedereen ervaart overlast op dezelfde manier. Wat de één hinderlijk vindt, kan iemand anders misschien totaal niet deren. Daarom vindt de gemeente het belangrijk om de mening van de gemeenteraad hierin te verkrijgen. Wanneer de gemeenteraad stelt dat er sprake is van maatschappelijke hinder, zal het college dit meenemen in de afwegingskader gemeentelijke bomen om over de kapaanvraag te besluiten. Het is aan de bewoners om aan te tonen hoeveel belanghebbenden de boom verwijderd willen hebben en hoeveel belanghebbenden de bomen willen behouden. De melder moet er zelf voor zorgen dat alle belanghebbenden een reactie hebben gegeven op de overlast ervaring. Artikel 6. Herplantplicht particuliere of gemeentelijke boom of houtopstand 1.Het college legt voor iedere gevelde boom waarvoor een omgevingsvergunning nodig is een herplantplicht voor een nieuwe boom op. Hierbij worden gekapte bomen gecompenseerd met fysieke bomen van gelijkwaardige ecologische waarde, volume bovengronds (boomkroonoppervlak) en ondergronds (groeiplaats). Herplant vindt bij voorkeur plaats op dezelfde locatie of plangebied als de gekapte boom. Als herplant niet mogelijk is binnen het plangebied zelf, wordt het bedrag voor herplant gestort in het gemeentelijke boomcompensatiefonds, waarmee elders in de gemeente de nieuwe bomen worden geplant op gemeentegrond. Om op dit laatste regie te houden, wordt een compensatielijst opgesteld, met daarin opgenomen: de stamdiameter, boomkroonoppervlak, boomkroonvolume, soort en locatie van de gekapte en van de te herplante boom). De waarde van het te storten bedrag in het boomcompensatiefonds wordt bepaald aan de hand van de meest recente richtlijnen van de NVTB, welke te vinden is op: www.boomtaxateur.nl. 2.De nieuwe bomen dienen te beschikken over voldoende boven- en ondergrondse ruimte. 3.Het college legt voor iedere gevelde vierkante meter (m2) houtopstand (hakhout, bos en bosplantsoen) waarvoor een omgevingsvergunning nodig is een herplantplicht voor een vierkante meter (m2) nieuwe houtopstand op, hetzij op dezelfde locatie, hetzij in de directe omgeving.4.Het college legt voor iedere gevelde vierkante meter (m2) houtopstand (hakhout, bos en bosplantsoen) waarvoor een omgevingsvergunning nodig is een herplantplicht voor een vierkante meter (m2) nieuwe houtopstand op, hetzij op dezelfde locatie, hetzij in de directe omgeving.5.De herplant van particuliere bomen dient minimaal plaats te vinden in de maat 16-18 (stamomvang in centimeters op 1,00 meter hoogte).6.De herplant van hakhout, bos en bosplantsoen dient minimaal plaats te vinden in de maat 80-100 (hoogte in centimeters) en met een plantafstand tussen- en in de rij van 1,00 meter.7.De herplant dient te worden gerealiseerd voor 31 maart van het volgende plantseizoen.8.Daar waar het herplant in gemeentelijk projectverband betreft vindt herplant zo veel mogelijk in het aansluitende plantseizoen plaats en worden de bomen voor het beëindigen van het project aangebracht.9.In de omgevingsvergunning wordt de verplichting opgelegd om binnen een bepaalde termijn na de herplant, niet-geslaagde beplanting te vervangen (nazorg). Onder nazorg wordt tevens verstaan: het tijdig water geven, vervangen of verwijderen van gebroken boompalen, intact houden van boombescherming ter voorkomen van maaischade, inboeten en het toepassen van begeleidingssnoei. De nazorg geldt voor een periode van 3 jaar. Bij tussentijdse inboet geldt de 3 jaar opnieuw met betrekking tot de inboetboom.10.Bij herplant dient in eerste instantie gekeken te worden naar het toepassen van inheemse soorten. Indien omstandigheden vragen om een andere keuze (bv. i.v.m. klimaat, biodiversiteit of ruimtegebrek) kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Artikel 7. Slotbepalingen 1.Deze beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking. 2.Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels voor bomen gemeente Hoogeveen. Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 6 oktober 2026De secretaris, De burgemeester,Mike Hacking Martijn Breukelman Toelichting artikel 3 lid 1 Conditie De conditie van een boom is bepalend voor de verwachte levensduur op grond van boom technische aspecten (onder andere conditie, groeiontwikkeling, ziektes, aantastingen of boomtechnische gebreken). De conditie van de boom wordt objectief ingedeeld in klassen op basis van het vertakkingspatroon volgens de methode van Duitse onderzoeker A. Roloff, 2001 (Bron: Stadsbomenvademecum, IPC Groene Ruimte).
Meer informatie