Gemeente Rhenen - Damoclesbeleid gemeente Rhenen 2026
Gemeente Rhenen - Damoclesbeleid gemeente Rhenen 2026 De burgemeester van de gemeente Rhenen, gelet op het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, besluit vast te stellen het ‘Damoclesbeleid gemeente Rhenen 2026’, en het ‘Damoclesbeleid gemeente Rhenen 2019’ in te trekken. 1. Inleiding Productie, handel en andere illegale zaken rondom zowel soft- als harddrugs hebben een ondermijnend effect op de samenleving. Het is belangrijk dat de overheid zichtbaar optreedt tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor de productie van en/of handel in verdovende middelen. Naast strafrechtelijke sancties kunnen ook bestuursrechtelijke maatregelen worden ingezet om drugscriminaliteit tegen te gaan of aan te pakken. Artikel 13b Opiumwet (= de Wet Damocles) is het juridische instrument om bestuursrechtelijk op te treden tegen de productie van en/of de handel in verdovende middelen dan wel het voorbereiden van de productie van en/of de handel in verdovende middelen, in/vanuit een pand. Strafrecht versus bestuursrecht Degene die zich schuldig maakt aan overtredingen van de artikelen 2, 3, 10a, lid 1 onder 3° en artikel 11a van de Opiumwet, kan daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd door het Openbaar Ministerie en uiteindelijk door een rechter worden bestraft. De toepassing van artikel 13b van de Opiumwet heeft geen strafrechtelijk maar een bestuursrechtelijk doel. Het gaat niet om een bestraffende sanctie (met als doel leed toe te voegen) maar om een herstelsanctie. Een bestuurlijke maatregel is gericht op het beëindigen en het voorkomen van een herhaling van overtredingen van de Opiumwet en de negatieve effecten daarvan. De toepassing van 13b van de Opiumwet is daarom ook in mindere mate gericht op de persoon die (vermoedelijk) de overtreding heeft begaan of daarvoor verantwoordelijk is, maar op het object waarin of waarop de overtreding plaatsvindt: de woning, het lokaal of op een daarbij behorend erf. Een besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet is met het oog op deze doelen daarom geen “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Omdat de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet dus een ander doel heeft en losstaat van de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie, kan bij een overtreding van de Opiumwet tegelijkertijd bestuursrechtelijk door de burgemeester en strafrechtelijk door het Openbaar Ministerie worden opgetreden; het zogeheten tweesporenbeleid. De burgemeester en zijn bevoegdheden Als in een woning of lokaal en/of op het daarbij behorende erf een hoeveelheid hard- en/of softdrugs en/of een hoeveelheid materiaal voor de productie van drugs is aangetroffen, heeft de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen in de vorm van het sluiten van het pand. Het doel hiervan is de overtreding te beëindigen en de openbare orde te herstellen. De burgemeester kan, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, ook beslissen om een minder ingrijpende maatregel dan het sluiten van de woning of ander pand toe te passen zoals het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. Het beleid In deze beleidsregel wordt de aanpak van drugscriminaliteit in/vanuit een woning of lokaal en/of de daarbij bijbehorende erven door middel van de toepassing van artikel 13b Opiumwet inzichtelijk gemaakt: de beleidsregel bevat onder andere een handhavingsmatrix, het beoordelingsproces met betrekking tot het te nemen besluit en de uitvoerende en procedurele aspecten. Met dit beleid wil de gemeente Rhenen een bijdrage leveren aan het beëindigen, verminderen, tegengaan en voorkomen van drugscriminaliteit en daarmee de openbare en orde en veiligheid waarborgen. Hennepconvenant De 38 gemeenten van Midden-Nederland hebben samen met politie, Openbaar Ministerie, UWV, Sociale Verzekeringsbank, een tweetal netbeheerders, een aantal woningcorporaties en particuliere verhuurders een hennepconvenant opgesteld. In dit convenant zijn afspraken opgenomen om de (georganiseerde) hennepcriminaliteit beter te kunnen bestrijden. Het doel van het convenant is om binnen de (wettelijke) kaders van de eigen bevoegdheden invulling te geven aan de eigen taak maar met een integrale aanpak, waardoor het bestrijden van georganiseerde hennepcriminaliteit gemakkelijker wordt, onder andere door het afstemmen, coördineren of het gezamenlijk optreden van/bij acties. De convenantpartners willen de (bedrijfsmatige) teelt van (hennep) producten in woning(en) en pand(en) met daarbij behorende opstallen en erven zoveel mogelijk voorkomen en bestrijden. Regionale Veiligheidsstrategie Midden-Nederland In samenwerking met de 38 gemeenten van Midden-Nederland, het Openbaar Ministerie en de politie Midden-Nederland, zijn in de Regionale Veiligheidsstrategie Midden-Nederland prioriteiten gesteld om gezamenlijk de focus te kunnen leggen op de regionale inzet van de politie en haar partners in het veiligheidsdomein. Het aanpakken en terugdringen van drugscriminaliteit is een grote prioriteit binnen dit samenwerkingsverband. De focus ligt hierbij op onder andere de aanpak van personen, het verstoren en terugdringen van criminele geldstromen en het aanpakken van branches en locaties die criminele samenwerkingsverbanden aanwenden ten behoeve van de productie en opslag van drugs en geld. Dit doet het regionale samenwerkingsverband door op te treden als één sterke overheid, door zichtbaar en wendbaar te zijn en bewustwording te creëren. Bijlages In bijlage 1 vindt u alle verwijzingen die in dit stuk worden aangegeven door middel van cijfers. In bijlage 2 staat meer informatie over ‘na een sluiting’, in bijlage 3 vindt u meer informatie over een ‘verzoek tot opheffing van een sluiting’ en in bijlage 4 is meer informatie over drugs en de geschiedenis van de wetgeving te vinden. 2. Definities Betrokkene: de persoon die gerelateerd wordt aan of betrokken is bij een overtreding van de Opiumwet. Pand: woningen en al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen met bijbehorende erven, niet zijnde coffeeshops en/of GSH-shops. Ook (woon)wagens, -schepen en -keten, bedrijfspanden en agrarische opstallen kunnen onder het begrip pand vallen. Woning: een pand (met bijbehorende erven) dat is bedoeld om in te wonen. Ook een schip, caravan en woonwagen worden als woning aangemerkt. Een schuur, recreatiewoning, garage berging, keet of ander pand kunnen aangemerkt worden als woning als ze feitelijk als woning worden gebruikt. Het feitelijk gebruik kan blijken uit bijvoorbeeld de aanwezigheid van een bed en/of sanitaire voorzieningen. Lokaal: een pand dat niet wordt gebruikt voor bewoning. Erf: alle in de buitenlucht gelegen gronden inclusief de opstallen die bij een woning of het pand horen. Drugs: soft- en harddrugs als bedoeld in lijst II en lijst I van de Opiumwet, of een middel dat vermeld staat in artikel 3a lid 5 Opiumwet. Hennep: elk deel van de Cannabis-plant waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. Hennepstek: een individuele hennepplant. Drugslaboratorium: de plek waarin (grootschalige) waar (synthetische) drugs gemaakt worden. Drugshandel: de vervaardiging, verstrekking/verkoop of aflevering van drugs in al zijn verschijningsvormen. Gebruikershoeveelheid softdrugs: een hoeveelheid van maximaal 5 gram of 5 (hennep) planten of 1 ampul lachgas. Gebruikershoeveelheid harddrugs: een hoeveelheid van maximaal 0,5 gram/0,5 milliliter (of één bolletje, één ampul, één wikkel of één pil). Handelshoeveelheid: een hoeveelheid soft- of harddrugs waarvan in beginsel aannemelijk is dat de drugs bestemd zijn voor de verkoop, verstrekking of aflevering. Hierbij wordt aangesloten bij het bepaalde in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie (1) en (2) de 'Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003)’. Handelshoeveelheid softdrugs: meer dan 5 gram van een middel opgenomen in lijst II Opiumwet, meer dan 5 hennepplanten (3) of meer dan 10 ampullen / grotere verpakkingen lachgas. Handelshoeveelheid harddrugs: een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram van een middel opgenomen in lijst I behorend Opiumwet of meer dan 5 milliliter GHB (4). Overtreder: degene die de Opiumwet overtreedt of degene aan wie de gedraging is toe te rekenen of degene voor de overtreding verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit maakt dat huurders, verhuurders en eigenaren van een pand overtreders kunnen zijn, ook als zij de verboden handeling niet zelf hebben verricht = functioneel daderschap (5). Strafbare voorbereidingshandelingen: het in een pand voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° of artikel 11a van de Opiumwet. Growshop: een winkel die benodigdheden voor de teelt van wiet verkoopt, zoals bijvoorbeeld zaden en groeilampen. Smartshop: een winkel die psychoactieve en bewustzijnsverruimende middelen verkoopt, meestal op natuurlijke basis. Headshop: een winkel die accessoires en benodigdheden verkoopt voor het gebruik van cannabis en andere drugs. GSH-shops: de verzamelnaam voor growshops, smartshops en headshops. 3. Reikwijdte beleid 3.1. Algemeen Artikel 13b Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in woningen of lokalen of op een daarbij behorend erf sprake is van handel in drugs. Deze last onder bestuursdwang kan de burgemeester ook toepassen als er in de woning of lokaal of het daarbij behorende erf sprake is van voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a, eerste lid, onder 3° of artikel 11a van de Opiumwet. Dan gaat het om de aanwezigheid van: • gereedschappen, instrumenten, apparatuur en stoffen (versnijdingsmiddelen en andere grondstoffen) bedoeld voor het vervaardigen van soft- en harddrugs; • vervoermiddelen, ruimtes, gegevens, geld of andere betaalmiddelen bestemd voor het plegen van druggerelateerde strafbare feiten. De bevoegdheid tot sluiting op grond van 13b Opiumwet kan ook worden ingezet tegen middelen die direct verboden worden door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport maar die formeel nog niet op de lijsten I of II Opiumwet staan. Het gaat om middelen waarvan gebleken is dat deze het bewustzijn van mensen beïnvloeden en bij gebruik kunnen leiden tot schade aan de gezondheid en schade voor de samenleving. Het beleid richt zich niet op een gebruikershoeveelheid maar op een geconstateerde handelshoeveelheid drugs. 3.1.1. Woningen en bijbehorend erf Een woning is een pand waarin gewoond wordt, zoals koopwoningen en huurwoningen, maar ook stacaravans, woonwagens en woonschepen. Ook vallen gebouwen zoals bergingen, garages, stal- len en schuren die op hetzelfde perceel als de woning staan hieronder. Een woning is de plek waar één of meerdere perso(o)nen zijn of hun huishouden voert/voeren. Dit wordt niet zonder meer bepaald door kenmerken zoals de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de daaraan gegeven bestemming in het Omgevingsplan of een voor het gebruik ‘wonen’ verleende omgevingsvergunning. Tijdelijke afwezigheid van de bewoner leidt er niet toe dat de ruimte geen woning meer is. Inschrijving in de Basis Registratie Personen is een indicatie voor bewoning maar hoeft niet doorslaggevend te zijn. 3.1.2. Lokalen en bijbehorend erf Een lokaal is een pand dat niet wordt gebruikt om te wonen en het is geen woning. Hieronder vallen alle panden die, al dan niet met enige beperking (entreegeld of lidmaatschap) voor het publiek toegankelijk zijn zoals winkels, horeca-inrichtingen, hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria’s, snackbars, discotheken, buurthuizen, clubhuizen, etc. Onder een voor publiek toegankelijk lokaal wordt ook begrepen een bij het bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. Niet voor het publiek toegankelijke lokalen zijn bijvoorbeeld loodsen, schuren en bedrijfsruimten maar ook een voor bewoning bestemde ruimte die niet gebruikt wordt als woning kan aangemerkt worden als lokaal. 3.2. Voorbereidingshandelingen Van een voorbereidingshandeling in de zin van deze beleidsregel kan gesproken worden als in een woning, lokaal of een daarbij behorend erf voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden zijn die opzichzelfstaand legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om soft- of harddrugs te produceren zoals bedoeld in artikel 13b eerste lid, onder b, van de Opiumwet. Wat er aangetroffen is moet van dien aard zijn dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voorwerpen gebruikt zullen worden voor strafbare voorbereidingshandelingen. Van voorhanden hebben is sprake als de betrokkene de feitelijke macht over de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen heeft in de zin dat hij erover kan beschikken. Er wordt een bestuurlijke beoordeling gedaan om vast te kunnen stellen of er sprake is van een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 en artikel 11a van de Opiumwet, op basis van de feitelijke omstandigheden zoals de politie deze heeft vastgesteld. Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen zaken, vervoermiddelen, stoffen, geld of andere betaalmiddelen. Ook worden feiten uit andere (politie) onderzoeken meegenomen. Er hoeft niet aangetoond te worden dat de zaken die ter plaatse is aangetroffen zijn, eigendom zijn van de overtreder (6), maar bedoelde voorwerpen moeten zich wel in de 'machtssfeer’ van de overtreder bevinden (7). Dit wil zeggen dat het in de macht van de overtreder moet liggen om de aangetroffen goederen te verwijderen. Betrokkene wist of kon vermoeden dat de goederen voor de productie van drugs bestemd waren (8). De burgemeester kan bevoegd zijn ook als alleen maar een deel van de zaken aanwezig zijn die nodig zijn voor de productie van drugs. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b lid 1, aanhef en onder b van de Opiumwet is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs (9). Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet (o.a. paragraaf 3.2.1.) en het Opiumwetbesluit worden betrokken. 3.3. Complete en incomplete opstellingen Er wordt in deze beleidsregel onderscheid gemaakt tussen een incomplete en complete opstelling. Van een incomplete opstelling is sprake als slechts een deel van de zaken en/of stoffen voorhanden zijn die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, dan wel een productiepunt voor soft- en/of harddrugs. Van een complete opstelling is sprake bij een opstelling van zaken en/of stoffen waardoor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij of een productiepunt voor soft- en/of harddrugs in principe direct kan starten (10). Een complete opstelling wordt aangemerkt als verzwarende omstandigheid. 3.4. Combinatie woning en lokaal (bij drugshandel, handelshoeveelheid drugs en bij voorbereidingshandelingen) Worden drugshandel of voorbereidingshandelingen geconstateerd in een woning of lokaal die een samenhangend geheel vormen waardoor artikel 13b, lid 1 sub a of b van de Opiumwet gelijktijdig op zowel de woning als het lokaal kan worden toegepast, wordt het regime toegepast dat geldt voor woningen. Van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang hebben omdat zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, in elkaars nabijheid staan of dezelfde eigenaar hebben. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat in alle onderdelen drugs zijn aangetroffen. Wel zullen in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangende geheel drugs of aan drugs gerelateerde attributen aanwezig moeten zijn. Van functionele samenhang is sprake als in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice versa of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen (11). Dit wordt per geval beoordeeld aan de hand van de omstandigheden. 3.5. Coffeeshop In de gemeente Rhenen is op dit moment één gedoogde coffeeshop gevestigd. Mocht een niet gedoogde coffeeshop worden aangetroffen wordt in ieder geval bestuurlijk opgetreden met toepassing van deze beleidsregel. Als er in de coffeeshop niet-gedoogde middelen worden aangetroffen, zal handhavend opgetreden worden op grond van dit beleid. 3.6. Smart-, head- en growshops (GSH-shops) Dit zijn winkels die in hoofdzaak of als belangrijke nevenactiviteit producten verkopen die omschreven kunnen worden als hallucinerende middelen (ecodrugs) die niet verboden zijn op grond van de Opiumwet. Daarnaast verkopen zezaken die dienst (kunnen) doen voor het gebruik of de productie van andere soorten drugs. Binnen de gemeente Rhenen zijn op dit moment geen GSH-shops aanwezig. Mocht een niet-gedoogde GSH-shop worden aangetroffen, dan wordt in ieder geval bestuurlijk opgetreden met toepassing van deze beleidsregel. Als er in een GSH-shop niet-gedoogde middelen worden aangetroffen, zal handhavend opgetreden worden op grond van dit beleid. 3.7. Bevoegdheid De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang is in artikel 13b Opiumwet uitdrukkelijk in het leven geroepen om de burgemeester in staat te stellen op te treden tegen de handel in drugs, zonder dat overlast hoeft te worden aangetoond. Overtreding van de Opiumwet is een (ernstige) verstoring van de openbare orde. De last onder bestuursdwang is een herstelsanctie op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die dwingt tot het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Het is een herstelmaatregel die bedoeld is om de verkoop, aflevering of verstrekking of het daartoe aanwezig zijn van drugs in vanuit een woning of lokaal of een daarbij behorend erf (definitief) te beëindigen en beëindigd te houden en de negatieve gevolgen daarvan weg te nemen en, voor wat betreft voorbereidingshandelingen, (de aanvang van) de drugsproductie tegen te houden. Een last onder bestuursdwang kan een besluit inhouden om een pand te sluiten. Uitgangspunt van deze beleidsregel is dat als zich een geval van overtreding van artikel 13b Opiumwet voordoet, de burgemeester in beginsel overgaat tot het uitvoeren van een herstelsanctie in relatie tot de woning, het lokaal of bijbehorende erf. Een herstelsanctie kan een sluiting van het pand zijn, het opleggen van een last onder dwangsom of een waarschuwing. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom vloeit voort uit artikel 5:32 Awb. Dit artikel geeft aan dat ook een last onder dwangsom opgelegd mag worden in plaats van het opleggen van een last onder bestuursdwang. Een last onder dwangsom is ook een herstelsanctie. Het is een manier om een overtreder te bewegen de overtreding te beëindigen en te zorgen dat het niet weer gebeurt. Gebeurt het wel weer, dan moet de overtreder een geldbedrag betalen. Aan de hand van de feiten en omstandigheden en de belangen die aan de orde zijn, wordt bepaald of deze herstelsanctie passender is om op te leggen dan de last onder bestuursdwang (de sluiting) of het geven van een waarschuwing. Het uitgangspunt is sluiting, tenzij. 3.8. Gebruikershoeveelheid softdrugs en harddrugs Bij de beoordeling of een hoeveelheid soft- en of harddrugs onder de gebruikershoeveelheid valt, wordt uitgegaan van de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs 2023R003 (2) en de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, harddrugs, lijst 1 en lijst 1A 2025R005 (12). 3.9. Afwijkingsbevoegdheid Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht moet de burgemeester overeenkomstig deze beleidsregel handelen, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 4. Handhaving 4.1. Doel maatregelen Met onderstaande maatregelen wordt de openbare orde hersteld en tegelijkertijd worden met deze maatregelen de volgende belangrijke en specifiekere (sub)doelen bereikt: • het beëindigen en/of (herhaling) voorkomen van overtredingen van de Opiumwet; • het doorbreken van de bekendheid van het pand als drugspand in het drugscircuit; • het verhinderen dat het pand (weer) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel; • het afgeven van een duidelijk en zichtbaar signaal dat de handel in en de productie van drugs niet wordt getolereerd en dat daartegen wordt opgetreden; • het beschermen van (de kwaliteit van) het woon- en leefklimaat in en rondom het pand; • het voorkomen van gevaarlijke situaties voor bewoners, ondernemers en omwonenden; • de onrust en/of het gevoel van onveiligheid in de directe omgeving van het pand en/of de gemeente wegnemen; • het beschermen van de volksgezondheid door de gezondheidsrisico's van drugsgebruik te verminderen. 4.2. Toepassing maatregel Als sprake is van een overtreding zoals aangegeven in artikel 13b Opiumwet, dan zijn er drie dingen mogelijk: 1. het opleggen van een last onder bestuursdwang; 2. het opleggen van een last onder dwangsom; 3. het geven van een waarschuwing. Sluiting van het pand als handhavingsmaatregel is het uitgangspunt. Sluiting van een pand maakt gebruikers en handelaren in drugs (direct) duidelijk dat het pand geen onderdeel meer uitmaakt van het drugscircuit. Voor een buitenstaander is zichtbaar dat de woning of het lokaal gesloten is en maakt het voor omwonenden, passanten en omliggende ondernemingen duidelijk dat de burgemeester pal staat voor de veiligheid en de bescherming van het woon- en leefklimaat. Uit de rechtspraak volgt dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs aangemerkt kan worden als een verstoring van de openbare orde, iets dat sluiting van een pand op grond van artikel 13b Opiumwet rechtvaardigt (13). Een handelshoeveelheid is een hoeveelheid die meer is dan een gebruikershoeveelheid, dus de constatering van een handelshoeveelheid drugs is voldoende ernstig om tot sluiting van een pand over te gaan. Een pand sluiten is niet in alle gevallen passend waarbij sprake is van een handelshoeveelheid drugs, daarom wordt onderscheid gemaakt tussen twee handelshoeveelheden voor het al dan niet toepassen van de sluitingsmaatregel (zie hoofdstuk 5 voor meer uitleg hierover): 1. een geringe handelshoeveelheid; 2. een meer dan geringe of grote handelshoeveelheid. 4.2.1 Geen onderscheid soft- en harddrugs Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen soft- en harddrugs. De hennepteelt heeft de afgelopen jaren een professionalisering doorgemaakt met de daarbij behorende risico’s voor de leefomgeving. 4.2.2. Sluiten De constatering van een meer dan geringe of een grote handelshoeveelheid drugs leidt in beginsel tot sluiting van een pand. In de handhavingsmatrix (hoofdstuk 5) is weergegeven wanneer hiervan sprake is. Bij verzachtende en/of bijzondere omstandigheden kan van sluiting worden afgezien; het opleggen van een last onder dwangsom, het geven van een waarschuwing of het verkorten van de sluitingsduur kan dan eventueel toegepast worden. De aanwezigheid van goederen ter productie van drugs (de voorbereidingshandelingen) wordt ook gezien als ernstig, want hierdoor wordt de drugscriminaliteit in stand gehouden. De aanpak van voorbereidingshandelingen wordt daarom gelijkgesteld met de aanpak op de constatering van ‘een meer dan geringe of grote handelshoeveelheid drugs’; ook in dit geval wordt het pand gesloten. 4.2.3. Tijdsduur sluiten De tijdsduur van een sluiting is in beginsel 3, 6, 9 of 12 maanden. De duur wordt onder andere bepaald door de hoeveelheid van de aangetroffen drugs of het materiaal ter productie, de locatie, het aantal constateringen, recidive of eventuele verzachtende, bijzondere of verzwarende omstandigheden. De burgemeester kan de tijdsduur van een sluiting ook verlengen als daar aanleiding voor is. Daarbij geldt dat een woning voor kortere tijd wordt gesloten dan een niet-bewoond pand. 4.2.4. Spoedsluiting Afhankelijk van de ernst van de situatie en de mate van gevaarzetting is het mogelijk een spoedsluiting te doen. Het gaat dan om situaties waarbij onmiddellijk optreden is vereist en aan betrokkene niet eerst de mogelijkheid wordt geboden tot het geven van een zienswijze. In zo’n situatie volgt het daadwerkelijke sluiten vrij kort op het mondelinge besluit van de burgemeester. Het besluit op schrift volgt zo snel mogelijk. 4.2.5. Waarschuwing Een geringe handelshoeveelheid drugs leidt in beginsel bij een eerste overtreding/constatering tot het geven van een bestuurlijke waarschuwing, tenzij uit feiten en omstandigheden blijkt dat er voldoende noodzaak bestaat tot het toepassen van een zwaardere maatregel. In dat geval volgt in beginsel een sluiting. 4.2.6. Last onder dwangsom De last onder dwangsom is een maatregel die bij hoge uitzondering wordt toegepast, daarom is de last onder dwangsom opgenomen in de handhavingsmatrix. Een last onder dwangsom wordt in beginsel alleen toegepast als uit feiten en omstandigheden en/of de diverse belangen die er spelen blijkt dat deze maatregel passender is dan andere maatregelen. De maatregel ‘last onder dwangsom’ is mogelijk voor beide handelshoeveelheden. De hoogte van dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de geschonden belangen. Het bedrag moet een voldoende afschrikwekkend effect hebben zodat voorkomen wordt dat opnieuw een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt. De hoogte van het bedrag kan mogelijk gebaseerd worden op de te verwachten opbrengst van de drugs, mits de politie door middel van een bestuurlijke rapportage hier een inschatting van geeft. 4.2.7. Verzwarende omstandigheden Verzwarende omstandigheden kunnen leiden tot toepassing van een zwaardere maatregel of een langere sluitingsduur, zoals bijvoorbeeld: aanwezigheid van wapens en/of explosieven (bijvoorbeeld zwaar vuurwerk) en/of munitie in de zin van de Wet wapens en munitie; • indicatie van betrokkenheid bij grootschalige (internationale) drugshandel en/of de verdenking van witwassen; • de aanwezigheid van grote sommen contant geld; • ernstige gewelds- of andere openbare orde delicten gelieerd aan de locatie (waaronder ripdeals, aanslagen, bedreiging, mensenhandel, prostitutie, illegaal vuurwerk); • de aannemelijkheid dat er ook andere locaties betrokken zijn bij de drugshandel; • zeer ernstig gevaar voor en/of bedreiging van de woon- en leefomgeving; • de mate van overlast; • recidive van betrokkene(n), daaronder in ieder geval begrepen eerdere overtredingen van de Opiumwet en/of eerdere sluiting van eigendommen van één of meerdere pandeigenaren op grond van artikel 13b Opiumwet; • antecedenten van betrokkene(n); • samenloop van overtredingen; • de aanwezigheid van een complete opstelling; • het actief (online) aanbieden van producten uit lijst I of II van de Opiumwet; • etc. 4.2.8. Verzachtende of bijzondere omstandigheden Dit zijn omstandigheden die invloed hebben op de te nemen maatregelen en/of de duur daarvan. Uit een zienswijze of informatie van derden blijkt of deze omstandigheden voor betrokkene(n) zich voordoen. De omstandigheden worden afgewogen tegen de doelstellingen van de maatregel en op basis daarvan wordt een passende maatregel genomen. Dit kan een lichtere maatregel zijn of een mildere of kortere sluitingsduur dan in beginsel was bepaald of het opleggen van een last onder dwangsom. 4.2.9. Recidive Een herhaling van de overtreding van artikel 13b Opiumwet binnen drie jaar en na de verzenddatum van een eerder genomen bestuurlijk handhavingsbesluit wordt aangemerkt als recidive. Bij herhaling van een overtreding zal de bekendheid van het pand groter zijn en kan een langere sluitingstijd nodig zijn om de openbare orde te herstellen en of om andere met dit beleid beoogde doelen te bereiken. In beginsel sluit de zwaarte van de toe te passen maatregel aan op de mate, ernst en omvang van de recidive. 4.2.10. Samenloop Van samenloop is sprake als op één en hetzelfde moment sprake is van meerdere overtredingen van art. 13b Opiumwet (bijvoorbeeld de aanwezigheid van spullen voor de productie van drugs + hoeveelheid harddrugs + hoeveelheid softdrugs). Bij samenloop is in beginsel de zwaarste maatregel van toepassing. 4.2.11. Intrekken vergunningen Naast bestuursrechtelijke handhaving op grond van artikel 13b Opiumwet wordt in het geval van vergunningsplichtige inrichtingen ook beoordeeld of er aanleiding is om hun vergunningen in te trekken (zoals een huisvestingsvergunning, exploitatievergunning of Alcoholvergunning). 5. Handhavingsmatrix 5.1. Woningen en/of daarbij behorende erven geringe handelshoeveelheid drugs softdrugs 5-30 gram softdrugs, 6-20 hennepplanten, 10-20 ampullen of 1 cilinder lachgas harddrugs 0,5-5 gram, 1-5 pillen/tabletten of 5-50 ml consumptie-eenheid vloeibare harddrugs schriftelijke waarschuwing meer dan geringe of grote handelshoeveelheid drugs constatering 1e constatering 2e constatering binnen 3 jaar na voorgaande constatering 3e en volgende constatering binnen 3 jaar na voorgaande constatering softdrugs meer dan 30 gram softdrugs, meer dan 20 hennepplanten, meer dan 20 ampullen lachgas, meer dan 1 cilinder lachgas harddrugs meer dan 5 gram, meer dan 5 pillen/tabletten, meer dan 50 ml consumptie-eenheid vloeibare harddrugs voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 13b lid 1 onder b van de Opiumwet 3 maanden sluiting 3 maanden sluiting 6 maanden sluiting 6 maanden sluiting 9 maanden sluiting 9 maanden sluiting 5.2. Lokalen en/of daarbij horende erven geringe handelshoeveelheid drugs softdrugs 5-30 gram softdrugs, 6-20 hennepplanten, 10-20 ampullen of 1 cilinder lachgas harddrugs 0,5-5 gram, 1-5 pillen/tabletten of 5-50 ml consumptie-eenheid vloeibare harddrugs schriftelijke waarschuwing, tenzij er verzwarende omstandigheden zijn meer dan geringe of grote handelshoeveelheid drugs constatering 1e constatering 2e constatering binnen 3 jaar na voorgaande constatering 3e en volgende constatering binnen 3 jaar na voorgaande constatering softdrugs meer dan 30 gram softdrugs, meer dan 20 hennepplanten, meer dan 20 ampullen lachgas, meer dan 1 cilinder lachgas harddrugs meer dan 5 gram, meer dan 5 pillen/tabletten, meer dan 50 ml consumptie-eenheid vloeibare harddrugs voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 13b lid 1 onder b van de Opiumwet 6 maanden sluiting 9 maanden sluiting 12 maanden sluiting 5.3. Aanvullende maatregelen Soms is sluiting van een pand niet voldoende en zijn er aanvullende maatregelen nodig om de leefbaarheid rond het gesloten pand te herstellen. De Wet Victor regelt het na-traject van onder andere een sluiting van een woning op grond van artikel 13b Opiumwet. De Wet Victor maakt het mogelijk om het beheer van een pand over te nemen (artikel 13b Woningwet) en het daarna eventueel te onteigenen. 5.4. Gevolgen sluiting De bewoner moet de woning verlaten. Dit is op zichzelf dan geen bijzondere omstandigheid, maar dat kan anders zijn als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen (het gaat hierbij specifiek om binding met de woning, de omgeving van de woning staat daar los van). De burgemeester moet onderzoeken in hoeverre de betrokkene geschikte vervangende woonruimte kan regelen, bijvoorbeeld bij familie, vrienden, kennissen etc. De verantwoordelijkheid om vervangende woonruimte te vinden rust primair bij de betrokkene (14), maar er kan ook een rol weggelegd zijn voor de burgemeester als de betrokkene geen vervangend onderkomen kan vinden. In dat geval moet de burgemeester informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. Dit is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. De burgemeester hoeft dus niet concreet een vervangende woning aan te bieden. 5.5. Huisraad en huisdieren Betrokkenen moeten zelf voor hun huisraad en huisdieren zorgen. Behalve in spoedeisende gevallen zal aan hen een op de omstandigheden van het geval redelijke begunstigingstermijn gegeven worden om zelf bederfelijke waar te verwijderen, opslag te regelen etc. Kunnen huisdieren niet worden opgevangen, dan zullen zij als onderdeel van de uitoefening van de bestuursdwang worden opgevangen (artikel 5:29 Awb). De kosten daarvan zullen worden verhaald op de betrokkene. Als dieren of huisraad niet kunnen worden teruggegeven aan de betrokkene, is het bestuursorgaan bevoegd deze te verkopen, om niet aan een derde in eigendom te geven of te laten vernietigen (artikel 5:30 Awb). 6. Beoordeling Als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 13b Opiumwet en de burgemeester besluit tot het opleggen van een maatregel, wordt vervolgens beoordeeld of het te nemen besluit evenredig is en dus in verhouding staat tot het te bereiken doel. 6.1. Doel van een maatregel Het doel van artikel 13b Opiumwet is het herstellen van de openbare orde. Daarnaast staan in artikel 4.1 een aantal specifiekere doelen. Door middel van de handhavingsmatrix (hoofdstuk 5) kan de meest geschikte maatregel bepaald worden voor het te behalen doel. 6.2. Noodzaak Om te bepalen of het noodzakelijk is om een woning te sluiten, wordt onder meer gekeken naar het herstel van de openbare orde en de bescherming van het woon- en leefklimaat. De vraag die hierbij gesteld wordt is of het doel ook met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt. Dit wordt bepaald aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding en: het gevaar voor de openbare orde (15); de mate van gevaarzetting en de risico’s voor de omgeving, waaronder de aard en omvang van de aangetroffen stoffen en goederen (16); het soort verdovende middelen in samenhang met de hoeveelheid aangetroffen drugs; is er sprake van recidive (17); de ligging van een woning of lokaal in een voor (drugs)criminaliteit kwetsbare wijk, waarbij een groter gewicht mag worden toegekend aan de signaalfunctie (17); de drugshandel of hennepteelt/drugsproductie heeft een professioneel karakter; feitelijke handel in/vanuit het pand: voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld en of sprake is van een ‘loop’ naar het pand (18); een combinatie van aanwezigheid van middelen als bedoeld op Lijst I en II Opiumwet; de mate van (ernstige) overlast rondom de locatie (19); overige feiten en/of omstandigheden die duiden op georganiseerde drugshandel en/of ernstige ondermijnende criminaliteit in (georganiseerd) verband; tijdsverloop. 6.3. Evenredigheid Nadat bepaald is welke maatregel toegepast gaat worden, wordt vervolgens gekeken of die maatregel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding. Er wordt gekeken naar het doel van de maatregel en de gevolgen van het opleggen van de maatregel voor de betrokkene. De maatregel mag niet onevenredig zwaar zijn. Het volgende is hierbij van belang: de mate van verwijtbaarheid van betrokkene; de gevolgen van de maatregel voor betrokkene; de aanwezigheid van minderjarige kinderen. De aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan van sluiting van de woning moet worden afgezien. De aanwezigheid van minderjarige kinderen samen met andere omstandigheden kan maken dat in redelijkheid de betreffende maatregel niet moet worden toegepast. De mate van verwijtbaarheid en de (nadelige) gevolgen van de maatregel moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de maatregel noodzakelijk is. De punten b en c vragen om actief onderzoek van de burgemeester. Een te nemen en/of genomen maatregel met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenredig. N.B. als dat noodzakelijk is kan de burgemeester afwijken van de handhavingsmatrix. 6.4 Jurisprudentie De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de afgelopen jaren meerdere uitspraken gedaan over de manier waarop een burgemeester tot een oordeel zou moeten komen over het sluiten van een pand in verband met drugs. Op 2 februari 2022 deed de Afdeling opnieuw een belangrijke uitspraak waarbij het toetsingskader voor het sluiten van een pand met betrekking tot drugs nader is geconcretiseerd: de burgemeester moet zorgdragen dat het te nemen besluit evenredig is met het te bereiken doel (evenredigheidsbeginsel). Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling uitspraken gedaan waarin het beoordelingskader is aangescherpt ten aanzien van de vraag wanneer de burgemeester mag aannemen dat in drugs gehandeld wordt vanuit een woning (20). Het aangescherpte beoordelingskader ziet op de noodzaak van sluitingen. Uit de uitspraken van de Afdeling kan afgeleid worden wanneer de burgemeester in beginsel aan mag nemen dat er sprake is van drugshandel en dat is als er sprake is van: feitelijke handel vanuit de woning; 'loop’ naar de woning; overlastmeldingen die wijzen op handel vanuit de woning; en/of attributen zijn aangetroffen die kunnen wijzen op drugshandel. Recente jurisprudentie van de Raad van State heeft de eisen aan de motivering van een besluit tot sluiting aangescherpt. De landelijke norm vereist een expliciete drietraps-evenredigheidstoets: is de sluiting de geschikte, noodzakelijke en evenwichtige maatregel ? In haar uitspraak van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2923) duidelijkheid gegeven over de betekenis van het tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de feitelijke sluiting van een pand op grond van artikel 13b Opiumwet. De burgemeester moet op het moment van besluitvorming opnieuw beoordelen of sluiting van een pand door tijdsverloop nog a) geschikt is en b) bij geschiktheid nog noodzakelijk is. Als de situatie ter plaatse door tijdsverloop al is hersteld en de overtreding feitelijk is beëindigd, draagt sluiting niet meer bij aan het herstel van de openbare orde of het voorkomen van herhaling en is de maatregel dus niet meer geschikt. De ernst van de oorspronkelijke overtreding is op zich geen rechtvaardiging om de sluiting alsnog door te zetten. De uitspraak bevestigt dat een sluiting een herstelsanctie is en niet om een signaal af te geven. 7. Procedurele aspecten 7.1. Algemeen 7.1.1. Zienswijze Voordat de burgemeester een definitief besluit neemt over een op te leggen maatregel, wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze te geven (21). Deze zienswijze wordt door de burgemeester meegewogen in het uiteindelijke besluit. N.B. wanneer er sprake is van een spoedeisende situatie kan de burgemeester bestuursdwang toepassen, het schriftelijke besluit volgt dan achteraf (22). Bij een spoedeisende situatie wordt vrijwel altijd van het indienen van een zienswijze afgezien (23). 7.1.2. Hardheidsclausule De burgemeester heeft beleidsvrijheid bij het gebruik van zijn/haar bevoegdheden op grond van artikel 13b lid 1 onder a en b van de Opiumwet. Deze beleidsregels zijn het uitgangspunt voor aanpak van drugshanden en voorbereidingshandelingen, maar als de feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan de burgemeester gemotiveerd van de beleidsregels afwijken (zowel strenger als soepeler). 7.2. Na het besluit 7.2.1. Registratie bij sluiting pand De burgemeester is op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb) verplicht om binnen vier dagen na bekendmaking van het besluit tot sluiting of het opleggen van een last onder dwangsom, in het beperkingenregister vast te leggen dat een pand en/of de daarbij behorende erven is gesloten of dat er een last onder dwangsom is opgelegd. Als de sluiting wordt opgeheven of als de sluitingstermijn afloopt, moet dit ook worden aangepast in het Wkpb-register. 7.2.2. Kostenverhaal bestuursdwang De kosten voor de toepassing van bestuursdwang worden in beginsel op de overtreder(s) verhaald. Het gaat hierbij om de directe kosten van feitelijk optreden door of vanwege het bestuursorgaan (denk aan de vervanging van sloten, de verzegeling of de afsluiting van een perceel door middel van hekken en schermen). Ook andere kosten van bestuursdwang in de zin van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden verhaald. In het besluit tot sluiting (de last onder bestuursdwang) kan het kostenverhaal worden opgenomen. Het kostenverhaal kan achterwege blijven als de overtreder niets te verwijten valt. 7.2.3. Verjaring Als gedurende drie jaar na de waarschuwing of het op de eerdere constatering genomen besluit geen nieuwe overtreding plaatsvindt, zal de zaak als afgedaan worden beschouwd. Een latere overtreding op dezelfde locatie geldt dan als een eerste constatering. Bekendmaking en inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op de dag nadat zij bekend zijn gemaakt. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Damoclesbeleid gemeente Rhenen 2026’. Aldus besloten door de burgemeester van Rhenen op 22 september 2026. mr. drs. G.A. Kaai burgemeester zaaknummer: 78283 Bijlage 1: verwijzingen 1 wetten.nl - Regeling - Aanwijzing Opiumwet - BWBR0036356 2 Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003) | Openbaar Ministerie 3 Bij paddo’s wordt een onderscheid gemaakt tussen verse en gedroogde paddo’s, waarbij een hoeveelheid van meer dan 5 gram verse dan wel niet gedroogde paddo’s en een hoeveelheid van meer dan 0,5 gedroogde paddo’s als een handelshoeveelheid worden aangemerkt. Onder softdrugs (lijst II) valt sinds 1 januari 2023 ook lachgas 4 Een gebruikershoeveelheid van maximaal 0,5 gram komt overeen met één bolletje, één ampul, één wikkel of één pil/tablet 5 ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067; ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL: RVS:2023:2071 6 HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 7 HR 15 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:723 8 ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617 9 Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p.3 (MvT) 10 Kamerstukken II 2016/17, 34763, nr. 3, p. 3 (MvT); ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:368 11 ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193 12 Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA (2025R005) | Openbaar Ministerie 13 ECLI:NL:RVS:2017:1362, uitspraak 24 mei 2017. ECLI:NL: 2019:2912 uitspraak 28 augustus 2019. 14 ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4046 15 ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910; ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916 16 ABRvS 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:715; ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1913; ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 17 ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 18 ABRvS 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:715; ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1913 19 Rb. Limburg 13 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:2381 20 ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910; ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911; ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1913; ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916 21 Artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht 22 Artikel 5:31 lid 1 jo. lid 2 Algemene wet bestuursrecht 23 Artikel 4:11 onder a Algemene wet bestuursrecht 24 ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2906 25 ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3481 26 ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719; ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149 Bijlage 2: Na een sluiting Tussentijdse opening gesloten pand Na de sluiting mag een woning, lokaal of een daarbij behorend erf niet meer worden betreden, zie artikel 2:41 Algemene Plaatselijke Verordening Rhenen (APV). In uitzonderlijke gevallen kan ontheffing worden verleend van dat verbod, maar daarmee wordt zeer terughoudend omgegaan. Er wordt alleen toestemming gegeven om een woning, lokaal of daarbij behorend erf te betreden als sprake is van dringende en zwaarwegende omstandigheden, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van een (spoed) reparatie. Effectuering sluiting Na de bekendmaking van het sluitingsbesluit wordt overgegaan tot het sluiten van de woning, het lokaal en/of het bijbehorende erf. De betrokkene krijgt de kans om voor de sluiting persoonlijke eigendommen, huisraad of huisdieren uit de woning, het lokaal en/of daarbij behorende erven te halen. Alle deuren en ramen moeten vervolgens worden gesloten. Namens de burgemeester wordt gecontroleerd of de betrokkene heeft voldaan aan de last onder bestuursdwang; als dat nodig is assisteert de politie hierbij. Sleutels overdragen De sleutels van de bestaande sloten van het te sluiten pand worden overgedragen. Namens de burgemeester wordt dit vastgelegd in een ‘formulier sleuteloverdracht’. Dit formulier wordt ondertekend door de betrokkene en door een ambtenaar namens de burgemeester. Sloten vervangen Als de burgemeester van mening is dat de sleuteloverdracht niet voldoende toereikend is, bijvoorbeeld omdat de vrees bestaat dat het pand toch zal worden betreden of omdat vermoedelijk niet alle sleutels ingeleverd zijn, wordt namens de burgemeester de opdracht gegeven aan een derde om de sloten van alle toegangen te vervangen. De betrokkene moet hieraan zijn medewerking verlenen. Kenbaar maken sluiting De sluiting wordt kenbaar gemaakt door bijvoorbeeld het aanbrengen van borden, stickers of posters aan of binnen het pand of aan de toegang van het pand en het daarbij behorende erf. Op de borden, stickers of posters staat dat het pand en/of het daarbij behorende erf is gesloten op last van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De reden hiervan is dat bekend wordt gemaakt dat in het pand en/of het daarbij behorende erf geen met de Opiumwet strijdige activiteiten meer plaatsvinden en dat actief wordt opgetreden door de gemeente. De loop wordt uit het pand gehaald en voor het eventueel betrokken circuit is duidelijk dat in het pand en/of op het daarbij behorende erf geen activiteiten meer plaatsvinden (24). Onderzoek terugkeermogelijkheid in de woning, lokaal en/of een daarbij behorend erf na sluiting Wanneer de sluitingstermijn is verstreken kan de betrokkene in beginsel terugkeren in de woning; de burgemeester bericht dit aan de betrokkene en er worden afspraken gemaakt over bijvoorbeeld de overdracht van sleutels en de verwijdering van zegels, borden, stickers of posters. Gehuurd pand Een overtreding van de Opiumwet in een huurwoning of gehuurd lokaal en/of een daarbij behorend erf kan in een privaatrechtelijke relatie zoals met een woningcorporatie, leiden tot een procedure die gericht is op de ontbinding van de huurovereenkomst. Het recht om ingeval van een dergelijke overtreding een huur- of gebruiksovereenkomst (buitengerechtelijk) te ontbinden komt toe aan de eigenaar/verhuurder van het pand waarin de overtreding heeft plaatsgevonden en staat eveneens los van de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De toepassing door de burgemeester van artikel 13b van de Opiumwet heeft een van de ontbinding van huurovereenkomst te onderscheiden functie, ter voorkoming van verdere overtredingen in de betrokken woning/lokaal (25). Het ligt op de weg van de betrokkene om bij de burgemeester aan te geven of bovengenoemde omstandigheid zich voordoet, bijvoorbeeld in een zienswijze. Dit kan de burgemeester aanleiding geven om met de eigenaar/verhuurder in overleg te treden over de sluitingsmaatregel en welke mogelijkheden er zijn voor de betrokkene om na de sluiting terug te keren in dezelfde of een andere woning. In het Hennepconvenant Midden-Nederland is opgenomen dat de convenantpartners onderling afstemmen, coördineren of gezamenlijk optreden bij acties ten aanzien van hennepcriminaliteit. In het geval van hennepcriminaliteit wordt bijvoorbeeld nagegaan of de betrokkene door sluiting van de woning op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie waardoor hij/zij geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als een betrokkene niet kan terugkeren in zijn/haar woning of op een zwarte lijst komt te staan, betekent dit niet dat de woning niet gesloten kan worden: de mate van verwijtbaarheid of de ernst van de overtreding worden hierbij meegewogen (26). Bijlage 3: Verzoek tot opheffen van de sluiting Van de mogelijkheid tot opheffing van de sluiting wordt terughoudend gebruik gemaakt. Alleen als aannemelijk is dat met de sluiting geen enkel doel meer wordt gediend, waarbij rekening wordt ge-houden met de aard, ernst en duur van de overtreding en de uitgangspunten van dit beleid, kan de sluiting worden opgeheven. De betrokkene kan de burgemeester tussentijds schriftelijk verzoeken de sluiting op te heffen. Bij zijn beslissing op een dergelijk verzoek neemt de burgemeester onder andere in overweging of de te realiseren doelen van de sluiting zijn behaald. Deze afweging wordt mede gemaakt op basis van een door de politie en eventuele andere veiligheidspartners gemaakte inschatting. Als dat nodig is kan daartoe een bestuurlijke rapportage of advies worden opgevraagd. Van belang bij de besluitvorming over het opheffing van de sluiting is de bereidheid van de betrokkene om aantoonbaar maatregelen te nemen om herhaling van de overtreding(en) te voorkomen. De hoofdregel is dat alleen tot opheffing van een sluiting kan worden besloten als er sprake is van een schriftelijk verzoek waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat het op basis van veranderde feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning, het lokaal en/of het daarbij behorend erf plaats zullen vinden, de openbare orde hersteld is, de ‘loop’ uit het pand is en er geen gevaar (meer) is voor omwonenden. Er moeten ruim voldoende maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in of vanuit het pand opnieuw overtredingen plaatsvinden van de Opiumwet. sluitingsduur verzoek opheffing na < 3 maanden niet mogelijk 3 maanden 6 weken 6 maanden 3 maanden 12 maanden 6 maanden Ook gelden de volgende eisen: de betrokkene van het pand en/of het daarbij behorende erf heeft geen nieuwe overtreding van de Opiumwet begaan; er is sprake van een nieuwe betrokkene, die een andere is dan degene die ten tijde van de sluiting betrokkene was en die ook geen directe relatie (zakelijk of privé) met de betrokkene heeft. Deze nieuwe betrokkene heeft de laatste drie jaar geen overtreding van de Opiumwet begaan; bij het verzoek moet een plan worden overgelegd, waaruit blijkt op welke wijze zal worden voorkomen dat er opnieuw een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt. Als sprake is van een lokaal: bij het verzoek moet een (ondernemings) plan worden overgelegd, waaruit blijkt hoe het lokaal zal worden gebruikt en hoe zal worden voorkomen dat er opnieuw een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt. Het voorgenomen gebruik moet in overeenstemming zijn met het Omgevingsplan. Bijlage 4: drugs & de geschiedenis van de wetgeving Drugs zijn middelen als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep of een preparaat daarvan als bedoeld in lijst IA van de Opiumwet of aangewezen krachtens artikel 3, lid 5 van de Opiumwet. Lijst I heeft betrekking op harddrugs. Lijst IA bevat een viertal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van meerdere substanties met een psychoactieve werking die op lijst I staan. Met deze stofgroepen (chemische structuur) kunnen substanties en de preparaten worden ontwikkeld, die vergelijkbare psychoactieve effecten teweegbrengen of beogen teweeg te brengen als de bekende drugs, zoals MDMA, THC (de psychoactieve stof in cannabis) en heroïne (zogenoemde “designerdrugs”). Deze lijst is per 1 juli 2025 aan de Opiumwet toegevoegd. Lijst II bevat verboden softdrugs. Aan lijst II is sinds 1 januari 2023 ook ‘lachgas’ toegevoegd. Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid wordt in dit beleid aansluiting gezocht bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (Stcr. 2015, nr. 5391). Op grond van deze Aanwijzing worden een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram gezien als hoeveelheden voor eigen gebruik (gedoogde gebruiks-hoeveelheid). Als deze hoeveelheden worden overschreden, dan mag worden aangenomen dat de drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Slaagt de betrokkene daar niet in, dan is de burgemeester bevoegd op grond van artikel 13b, lid 1 aanhef en onder a van de Opiumwet om ten aanzien van een woning, lokaal en/of bijbehorend erf een last onder bestuursdwang op te leggen. Lachgas Sinds 1 januari 2023 is lachgas (distikstofmonoxide, CAS-nummer 10024-97-2) op lijst II van de Opiumwet opgenomen. Lachgas wordt daarmee gekwalificeerd als een softdrug. Op grond van artikel 3 van de Opiumwet is het voor eenieder verboden om stoffen die op lijst II staan, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen. Deze verboden gelden ook voor de oneigenlijke toepassing van lachgas als (recreatieve) softdrug. Het doel van het verbod is om de brede beschikbaarheid van lachgas voor recreatief gebruik als roesmiddel terug te dringen en het aanbod te beperken. Het gebruik van lachgas (recreatief als roesmiddel) valt niet onder het verbod. Het verbod op handel in lachgas is niet van toepassing als het lachgas een legale toepassing heeft, wat het geval is als lachgas wordt gebruikt voor legale technische doeleinden of als voedingsaddi-tief. Om deze legale toepassingen van lachgas buiten de reikwijdte van het verbod op grond van de Opiumwet te houden, gelden uitzonderingen op het lachgasverbod. Zie hiervoor artikel 15a van het Opiumwetbesluit. Voor lachgas geldt daarom als uitgangspunt dat dit “strafbaar is, tenzij…”. Dit betekent in de praktijk een omgekeerde bewijslast: degene bij wie lachgas is aangetroffen, moet aannemelijk maken dat dit niet onder het lachgasverbod valt. Volgens het besluit tot plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet is bij particulieren het bezit van meer dan 10 ampullen lachgas van 8 gram een (sterke) aanwijzing dat het lachgas niet bestemd is voor eigen gebruik en daarmee is het een handelshoeveelheid. Daarnaast geldt voor aangewezen eindgebruikers in bijlage II van het besluit dat zij maximaal vijf verpakkingen van elk maximaal 50 ampullen in bezit mogen hebben voor de toepassing van lachgas als voedingsadditief. Het bezit van een grotere hoeveelheid dan de genoemde 10 respectievelijk 50 ampullen is een overtreding van artikel 3 van de Opiumwet aannemelijk. Designerdrugs Met ingang van 1 juli 2025 is de “Wet van 29 januari 2025 tot wijziging van de Opiumwet in verband met het toevoegen van een derde lijst met als doel het tegengaan van de productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen”7 in werking getreden (hierna: ‘de Wijzigingswet 2025’). De Wijzigingswet 2025 richt zich op nieuwe psychoactieve stoffen (hierna: NPS of NPS-en). NPS-en worden in de praktijk aangeduid als ‘designerdrugs’. NPS-en zijn middelen die geregeld op de markt verschijnen en qua werking vergelijkbaar zijn met de klassieke illegale drugs, maar vóór inwerkingtreding van de Wijzigingswet 2025 niet onder de drugswetgeving vielen9. Met de Wijzigingswet 2025 is aan de Opiumwet een nieuwe lijst toegevoegd: lijst IA. Deze lijst bevat een aantal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van meerdere substanties met een psychoactieve werking die reeds op Lijst I van de Opiumwet staan. Met deze stofgroepen (chemische structuur) kunnen substanties en de preparaten worden ontwikkeld, die vergelijkbare psychoactieve effecten teweegbrengen of beogen teweeg te brengen als de bekende drugs, zoals MDMA, THC (de psychoactieve stof in cannabis) en heroïne. De Wijzigingswet 2025 behelst een generiek verbod op deze stofgroepen die zijn opgenomen op lijst IA. Dit staat in artikel 2a van de Opiumwet. Beoogd wordt hiermee de volksgezondheid te beschermen en de productie van en handel in deze middelen tegen te gaan. Het generieke verbod omvat dus een verbod op alle middelen die kunnen worden afgeleid van de chemische basisstructuur van een substantie. Als de producent van NPS-en aan deze basisstructuur een chemische groep toevoegt, is de ontstane NPS automatisch verboden. Daarmee bestaat dus een “verbod op designerdrugs”. Ontheffing Op grond van artikel 6 lid 1 van de Opiumwet kan de minister van VWS een ontheffing verlenen van het generieke verbod. Anders dan de ontheffing met betrekking tot de middelen op lijst I en II, wordt een ontheffing voor lijst IA niet per middel maar per stofgroep verleend. Uit artikel 6 lid 2 van de Opiumwet volgt dat een ontheffing of de verlenging daarvan voor maximaal vijf jaar kan gelden. Artikel 8 lid 3 van de Opiumwet bevat de gronden waarop een ontheffing van voornoemd verbod kan worden verleend of verlengd. Lijst 1A Vóór de inwerkingtreding van de Wijzigingswet 2025 was de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning, lokaal of bijbehorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig is. Sinds de inwerkingtreding van de Wijzigingswet 2025 op 1 juli 2025 is deze bevoegdheid uitgebreid, in de zin van het hiervoor genoemde artikel, als een substantie die deel uitmaakt van/ontleend is aan een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig is (en geen sprake is van één of meer van de hiervoor genoemde uitzonderingen op het verbod). Het is volgens de wetgever van belang dat de burgemeester ook bij het constateren van handel in designerdrugs kan optreden. Omdat lijst IA de stofgroepen bevat waarvan de chemische structuur is afgeleid van substanties die op lijst I van de Opiumwet staan vermeld, bestaat tussen beide lijsten een onderlinge samenhang. Op lijst I staan verboden harddrugs, terwijl op lijst IA de chemische basisstructuren staan voor de harddrugs op lijst I. Vanwege deze samenhang wordt op grond van dit beleid, voor het bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid designerdrugs (substanties of preparaten) die voortkomt uit de stofgroepen genoemd in lijst IA, aangesloten bij hetgeen in de Aanwijzing Opiumwet is geregeld met betrekking tot harddrugs. Concreet betekent dit dat als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram, 0,5 milliliter (of 1 pil/ampul) substanties of preparaten die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of preparaten daarvan, die aangetroffen hoeveelheid in beginsel (mede) wordt geacht bestemd te zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dit betekent tevens dat voor de handhaving van designerdrugs in dit beleid wordt aangesloten bij het regime dat in de handhavingsmatrixen is bepaald voor harddrugs. Hierbij wordt opgemerkt dat lijst IA niet in de Aanwijzing Opiumwet is verwerkt. De stoffen die genoemd zijn onder lijst IA vallen daarmee dus niet onder de gedoogconstructie voor gebruikers zoals dit voor bepaalde stoffen van Lijst II geldt.
Meer informatie