Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almere 2026
Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almere 2026 De burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Almere, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; Gelet op: het bepaalde in de Wet Bibob en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, en ook de relevante bepalingen in o.a. de Alcoholwet, de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Almere (m.b.t. gemeentelijke vergunningen), de Wet op de Kansspelen, de Speelautomatenhallenverordening Almere 2020, de Omgevingswet, de Huisvestingswet, de Huisvestingsverordening, de Leegstandwet, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de gemeentelijke Subsidieverordening(en), de Aanbestedingswet 2012, het Inkoopbeleid gemeente Almere, en het Burgerlijk Wetboek. Overwegende dat: –de gemeente Almere alleen zaken wil doen met integere partijen; –de Wet Bibob een instrument is om te beoordelen of partijen waar de gemeente een relatie mee aangaat of een beschikking of overheidsopdracht aan verleent, integer zijn; –het doel van de Wet Bibob is het voorkomen dat de gemeente strafbare activiteiten faciliteert en/of dat onrechtmatig verkregen voordeel wordt gebruikt middels de door haar afgegeven beschikkingen of aangegane opdrachten/transacties; –de Wet Bibob per 1 augustus 2020 (eerste tranche) en 1 oktober 2022 (tweede tranche) op belangrijke onderdelen gewijzigd is, deze wijzigingen o.a. een uitbreiding betreffen van de reikwijdte van de Wet Bibob, maar ook een verruiming geven van bevoegdheden in informatiedeling en in onderhavige beleidsregel verwerkt zijn; –de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden, deze inwerkingtreding gevolgen heeft voor de toepassingsmogelijkheden van de Wet Bibob en vraagt om aangepaste terminologie hieromtrent in deze beleidsregel; Besluiten: vast te stellen de “Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almere 2026”. Hoofdstuk 1: Algemeen Het doel van de Wet Bibob Het doel van de Wet Bibob is voorkomen dat de gemeente binnen haar bevoegdheden criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend geld mogelijk maakt. Bibob staat voor “bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur”. De gemeente voert een Bibob-onderzoek uit bij activiteiten die een verhoogd risico op criminaliteit hebben. Met dit onderzoek controleert de gemeente iemands integriteit, dus of iemand te vertrouwen is en of diegene niet betrokken is bij criminele activiteiten. De gemeente onderzoekt daarbij ook iemands zakelijke omgeving. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek kunnen bijvoorbeeld vergunningen of subsidies worden geweigerd, ingetrokken of kunnen voorschriften aan een beschikking worden opgelegd. Daarnaast kan de gemeente besluiten geen opdracht te verlenen aan een partij, geen vastgoedtransactie aan te gaan of een overeenkomst te beëindigen. De Wet Bibob geeft de gemeente Almere hierbij eigen beleidsruimte bij de besluitvorming over het toepassen van de uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden. Deze beleidsregel heeft het doel duidelijkheid te geven over de wijze waarop de gemeente Almere de Wet Bibob toepast. Artikel 1.1 Uitleg begrippen 1.In deze beleidsregel staan verschillende begrippen. In artikel 1.1 van de Wet Bibob leest u van de meeste begrippen wat ze betekenen. Daarnaast staan in deze beleidsregel nog enkele andere begrippen. Hieronder leest u wat die begrippen in deze beleidsregel betekenen. a)Apv: Algemene plaatselijke verordening gemeente Almere 2011. b)Awb: Algemene wet bestuursrecht. c)Bestuursorgaan: in deze beleidsregel verwijst “gemeente” naar een bestuursorgaan van de gemeente (de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad van de gemeente Almere of naar de rechtspersoon met een overheidstaak). Het hangt van de situatie af wie volgens de wet het recht heeft om te beslissen. d)Betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de subsidie-ontvanger, de vergunninghouder, de begunstigde van een andere beschikking, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of met wie wordt onderhandeld over een dergelijke transactie, de beoogd verkrijger van de erfpacht of de opstal waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling in artikel 1 van de Wet Bibob, en de beoogd verkrijger van een recht op eigendom of een zakelijk recht waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling in artikel 1 van de Wet Bibob. e)Bibob-relaties: huidige of voormalige zakelijke relaties van betrokkene die mogen worden betrokken in het Bibob-onderzoek zoals bepaald in de Wet Bibob. Dit kunnen bijvoorbeeld bestuurders, aandeelhouders, of vermogensverschaffers zijn. Zakelijke relaties kunnen ook verhulde relaties zijn, zoals de achterman bij een stromanconstructie. f)Bibob-vragenformulier: het formulier dat iemand moet invullen bij de start van een Bibob-onderzoek (zie artikel 7a, lid 5 van de Wet Bibob). g)Eigen ambtelijke informatie: informatie die binnen de gemeente aanwezig is. Deze informatie kan uit zowel open als gesloten bronnen komen. De gemeente mag deze informatie gebruiken voor het eigen Bibob-onderzoek en houdt zich daarbij aan de kaders van de Wet Bibob. h)Eigen onderzoek: het Bibob-onderzoek dat de gemeente Almere uitvoert, zoals bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob. Het eigen onderzoek wordt verder toegelicht in de toelichting van deze beleidsregel. i)Landelijk Bureau Bibob (oftewel het LBB): het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob. De gemeente kan het LBB vragen om een Bibob-advies te geven. j)Rechtspersoon met een overheidstaak: de gemeente Almere. k)RIEC: het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum zoals bedoeld in artikel 28, lid 2 onder d van de Wet Bibob. l)Semi-overheidsinstanties: organisaties die ‘dicht tegen de overheid aan zitten’. Het begrip wordt verder toegelicht in de toelichting onder punt 18 van deze beleidsregel. m)Wet: de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). 2.Waar in deze beleidsregel “gemeente Almere” wordt genoemd, wordt hiermee zowel het bestuursorgaan als -wanneer van toepassing- de rechtspersoon met een overheidstaak bedoeld. Artikel 1.2 De gemeente mag afwijken van deze beleidsregel In deze beleidsregel heeft de gemeente Almere omschreven in welke gevallen zij een Bibob-onderzoek uitvoert. Ook in andere gevallen kan de gemeente een Bibob-onderzoek uitvoeren als zij dat nodig vindt. De gemeente kan dit doen zolang zij zich aan de Wet Bibob en andere wetten houdt. Artikel 1.3 Risicogebieden, -indicatoren en -activiteiten Het bevoegd bestuursorgaan kan risicogebieden, -indicatoren en/of -activiteiten in de gemeente aanwijzen waarbinnen de Wet Bibob integraal, dus op alle wettelijk toegestane sectoren, kan worden toegepast. Het gaat hierbij om gebieden of activiteiten die extra aandacht nodig hebben voor wat betreft de leefbaarheid en veiligheid. Daarnaast gaat het zowel om aanvragers van nieuwe beschikkingen en overheidsopdrachten, als houders van bestaande beschikkingen. De risico-indicatoren en -activiteiten zijn terug te vinden in bijlagen 1 en 2 van deze beleidsregel. De risicogebieden wijst het bestuursorgaan aan middels een aanwijzingsbesluit. Artikel 1.4 Uitzonderingen De gemeente voert in beginsel (tenzij daar aanleiding toe bestaat) geen Bibob-onderzoek uit bij aanvragen afkomstig van: •Overheidsinstanties; •Semi-overheidsinstanties; •Woningbouwcorporaties (die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting); •Daartoe door het bevoegd gezag bij besluit aangewezen aanvragers of partijen; •Rechtspersonen met een overheidstaak; •Rechtspersonen met een wettelijke taak; •Terreinbeherende organisaties zoals Natuurmonumenten of Het Flevo-landschap. Hoofdstuk 2: Publiekrechtelijke beschikkingen In dit hoofdstuk leest u wanneer de gemeente de Wet Bibob toepast bij nieuwe aanvragen voor publiekrechtelijke beschikkingen, zoals vergunningen en subsidies. Artikel 2.1 Alcoholwet, Speelautomatenhallenverordening en Apv-vergunningen1 1.De gemeente voert altijd een eigen Bibob-onderzoek uit bij de volgende nieuwe aanvragen om een beschikking2: a) Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet (met uitzondering van slijtersbedrijven. Voor paracommerciële rechtspersonen geldt de bepaling zoals onder lid 1, sub b van dit artikel); b) Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voor een paracommerciële rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4 van de Alcoholwet waarbij het gaat om voetbalclubs, en waar de exploitatie van de horeca-activiteiten niet direct in eigen beheer van de gemeente Almere plaatsvindt; c) Vergunning alcoholvrij bedrijf zoals bedoeld in artikel 2:22e van de Apv3; d) Exploitatievergunning speelautomatenhal zoals bedoeld in artikel 2 van de Speelautomatenhallenverordening Almere 2020; e) Vergunning seksbedrijf of escortbedrijf zoals bedoeld in artikel 3.3 of 3.11 van de Apv; f) Evenementenvergunning zoals bedoeld in artikel 2:10, lid 1 van de Apv wanneer het gaat om vechtsportwedstrijden of – gala’s en sprake is van één of meer van de volgende risico-indicatoren: (verkoop van) vip-tafels, verkoop en nuttigen van sterke drank, sponsoren (financiers), contante betalingen van vip-tafels, contante betalingen door sponsoren, contante betalingen van prijzengeld, activiteit die plaatsvindt in of op accommodaties waarover de organisator normaliter niet de beschikking heeft/de hoofdbedrijvigheid uitvoert, activiteit die plaatsvindt met/door een partij die geen convenant heeft gesloten met de Nederlandse Vechtsportautoriteit. De volgende activiteiten zijn in ieder geval aan te merken als vechtsportwedstrijd of -gala: i.(Kick)boksen en Muay Tay (thaiboksen) in al hun varianten; ii.Mixed Martial Arts, ook wel genoemd gemengde vechtkunst, waaronder in ieder geval begrepen free fight (het vrije gevecht), vale tudo (Braziliaanse Mixed Martial Arts) en cage fight (Kooigevecht); iii.Vechtsportwedstrijden of -gala’s die naar hun aard vergelijkbaar zijn met die in dit artikel zijn genoemd onder sub i en ii. 2.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren bij de volgende aanvragen om een beschikking: a) Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voor slijtersbedrijven zoals bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b) Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voor een paracommerciële rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4 van de Alcoholwet voor zover deze niet valt onder de bepaling uit artikel 2.1, lid 1, onder b van deze beleidsregel; c) Wijziging van een inrichting zoals bedoeld in artikel 30 van de Alcoholwet; d) Wijziging leidinggevende zoals bedoeld in artikel 30a, lid 1 onder a en artikel 30b van de Alcoholwet (bij een bijschrijving van een leidinggevende op de Alcoholwetvergunning); e) Wijziging leidinggevende zoals bedoeld in artikel 2:22i van de Apv (bij een bijschrijving van een leidinggevende op de vergunning alcoholvrij bedrijf); f) Wijziging beheerder zoals bedoeld in artikel 10 van de Speelautomatenhallenverordening Almere 2020; g) Aanwezigheidsvergunning kansspelautomaat zoals bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen; h) Betaald voetbal zoals bedoeld in artikel 2:12 van de Apv; i)Overige aanvragen om beschikkingen die niet in deze beleidsregel staan waarbij de gemeente bevoegd is tot het toepassen van de Wet Bibob. 3.De gemeente voert altijd een eigen Bibob-onderzoek uit bij aanvragen zoals bedoeld in lid 2 indien op grond van: a)eigen ambtelijke informatie en/of; b)informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC en/of; c)een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of; d)een tip van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet en/of; e)situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of; f)overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 4.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren bij aanvragen zoals bedoeld in lid 2 indien: a)een vergunning is aangevraagd waarbij sprake is van één of meerdere risico-indicatoren (bijlage 2), en/of; b)een vergunning is aangevraagd voor een locatie gelegen binnen een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied. Artikel 2.2 Omgevingswet 1.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren bij de volgende aanvragen om een beschikking: a) Wijziging van het Omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 4.19b, lid 1 van de Omgevingswet; b) Omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 1, aanhef, onder a van de Omgevingswet; c) Bouwactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef, onder a van de Omgevingswet; d) Milieubelastende activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef, onder b van de Omgevingswet. 2.De gemeente voert altijd een eigen Bibob-onderzoek uit bij aanvragen zoals bedoeld in lid 1 indien op grond van: a)eigen ambtelijke informatie en/of; b)informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC en/of; c)een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of; d)een tip van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet en/of; e)situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of; f)overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 3.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren indien: a)een vergunning is aangevraagd voor één of meerdere activiteiten en/of projecten die vallen onder de risicoactiviteiten (bijlage 1), en/of; b)een vergunning is aangevraagd waarbij sprake is van één of meerdere risico-indicatoren (bijlage 2), en/of; c)een vergunning is aangevraagd voor een locatie gelegen binnen een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied, en/of; d)er sprake is van een illegaal gestarte bouwactiviteit waarbij al is gestart met de realisatie van een vergunningplichtig bouwwerk, zonder dat de daarvoor benodigde vergunning is verleend en de bouwkosten € 100.000,- of meer bedragen. De bouwkosten worden door de gemeente berekend op basis van de geldende legesverordening. Artikel 2.3 (Overige) vergunningen als bedoeld in artikel 7 van de Wet Bibob 1.In geval van een aanvraag voor een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 7 van de Wet (een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf) anders dan de situaties genoemd in deze beleidsregel, voert de gemeente in beginsel een eigen Bibob-onderzoek uit a)indien op grond van: i.eigen ambtelijke informatie en/of; ii.informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC en/of; iii.een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of; iv.een tip van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet en/of; v.situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of; vi.overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. b)De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren indien: i.één of meerdere activiteiten en/of projecten vallen onder de risicoactiviteiten (bijlage 1), en/of; ii.sprake is van één of meerdere risico-indicatoren (bijlage 2), en/of; iii.sprake is van een locatie gelegen binnen een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied. 2.Het bepaalde onder lid 1 geldt in ieder geval, maar niet uitsluitend, voor aanvragen om een: a) Standplaatsvergunning zoals bedoeld in artikel 5:14 van de Apv; b) Snuffelmarktvergunning zoals bedoeld in artikel 5:17 van de Apv; c) Marktvergunning zoals bedoeld in de Marktverordening van Almere; d) Evenementenvergunning zoals bedoeld in artikel 2:10 van de Apv; e) Verhuurvergunning opkoopbescherming zoals bedoeld in artikel 27 Huisvestingsverordening gemeente Almere 2019 en artikel 41 Huisvestingswet 2014; f) Leegstandwetvergunning zoals bedoeld in artikel 15 van de Leegstandwet; g)Overige aanvragen om beschikkingen die niet zijn benoemd in deze beleidsregel, of die niet vallen onder de in bijlage 1 van deze beleidsregel genoemde risicoactiviteiten, de in bijlage 2 genoemde risico-indicatoren, of in een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied waarbij de gemeente bevoegd is tot het toepassen van de Wet Bibob. Artikel 2.4 Toepassingsbereik bij subsidies 1.De gemeente voert in beginsel een eigen Bibob-onderzoek uit bij een aanvraag om een subsidie dan wel een (deels) vastgestelde of verleende subsidie zoals bedoeld in de algemene subsidieverordening indien op grond van: a)eigen ambtelijke informatie en/of; b)informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC en/of; c)een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of; d)een tip van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet en/of; e)situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of; f)overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren indien: a)de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd onder één of meerdere risicoactiviteiten valt (bijlage 1), en/of; b)sprake is van één of meerdere risico-indicatoren (bijlage 2), en/of; c)de locatie voor de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd is gelegen binnen een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied, en/of; d)een wijziging in de bedrijfsstructuur (wijziging Bibob-relaties) heeft plaatsgevonden. Artikel 2.5 Toepassingsbereik bij verleende beschikkingen 1.De gemeente voert altijd een eigen Bibob-onderzoek uit bij verleende beschikkingen (waarbij in het geval van subsidies het bepaalde onder artikel 2.4 geldt) indien: a)sprake is van een melding als bedoeld in artikel 5:37, lid 2 van de Omgevingswet (wijziging tenaamstelling) waarbij geldt dat de gemeente de Wet Bibob toepast overeenkomstig de bepalingen in artikel 2.2 van deze beleidsregel en/of; b)een wijziging in de bedrijfsstructuur (wijziging Bibob-relaties) heeft plaatsgevonden (voor Omgevingswetvergunningen geldt deze bepaling alleen zolang het pand nog niet is gerealiseerd dan wel nog niet in gebruik is genomen) en/of; c)uit eigen ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC hier aanleiding toe is en/of; d)er een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob is ontvangen en/of; e)er een tip van de officier van justitie (OM-tip) is ontvangen, of van een ander bestuursorgaan, of van een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob en/of; f)sprake is van situaties zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of; g)sprake is van overige signalen die daar aanleiding toe geven. 2.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek starten bij een verleende vergunning indien de gemeente de activiteit of het gebied waarvoor de vergunning geldt na het verlenen van de vergunning heeft toegevoegd aan de risicoactiviteiten (bijlage 1) of een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied. Bij omgevingsvergunningen kan dit alleen als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 5.40 van de Omgevingswet (bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning). Artikel 2.6: Weigering volledig invullen Bibob-vragenformulieren bij publiekrechtelijke beschikkingen 1.Bij een weigering om het Bibob-vragenformulier volledig ingevuld en met bijlagen te retourneren, zullen bij aanvragen om een beschikking de daartoe gestelde regels van de Awb toegepast worden. Bij volharding zal de gevraagde beschikking buiten behandeling worden gesteld ingevolge artikel 4:5 van de Awb. 2.Bij verleende beschikkingen zal een weigering op grond van artikel 4, lid 1 van de Wet Bibob worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. De verleende beschikking kan als gevolg daarvan worden ingetrokken. Hoofdstuk 3: Privaatrechtelijke transacties In dit hoofdstuk leest u wanneer de gemeente de Wet Bibob kan toepassen bij privaatrechtelijke transacties, zoals het kopen of verkopen van gebouwen of grond, of bij overheidsopdrachten. Artikel 3.1 Vastgoedtransacties De gemeente kan een Bibob-onderzoek starten wanneer de gemeente zelf partij is bij een vastgoedtransactie. Onder een vastgoedtransactie valt bijvoorbeeld het kopen of verkopen van een gebouw of een stuk grond maar ook de (ver)huur van vastgoed of het verlenen van een gebruikrecht. In deze beleidsregel wordt onder “vastgoedtransactie” hetzelfde verstaan als in de definitie van een vastgoedtransactie zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet Bibob. Bij de start van de onderhandelingen van een vastgoedtransactie zal de gemeente de wederpartij ervan in kennis stellen dat een eigen Bibob-onderzoek deel kan uitmaken van de procedure. De gemeente kan deze informatie bijvoorbeeld in de verkoopleidraad zetten en/of dit aangeven bij de start van de onderhandelingen. De gemeente informeert betrokkene vervolgens wanneer zij een eigen Bibob-onderzoek start en/of het LBB om advies vraagt op grond van artikel 9, lid 3 van de Wet Bibob. De gemeente neemt een integriteitsclausule op in de overeenkomst voor de vastgoedtransactie. Op basis daarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst wanneer blijkt dat de wederpartij niet integer is. De gemeente kan een Bibob-onderzoek starten voorafgaand aan het aangaan van een vastgoedtransactie, gedurende de onderhandelingen of nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen (mits de genoemde integriteitclausule is opgenomen in de overeenkomst). Artikel 3.2 Toepassing van de Wet Bibob bij vastgoedtransacties 1.De gemeente voert in beginsel een eigen Bibob-onderzoek uit indien op grond van: a)eigen ambtelijke informatie en/of; b)informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC en/of; c)een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of; d)een tip van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet en/of; e)situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of; f)overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren indien: a)het vastgoedobject, zoals een gebouw of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden voor één of meerdere activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1), en/of; b)in het kader van de vastgoedtransactie sprake is van één of meerdere risico-indicatoren (bijlage 2), en/of; c)het vastgoedobject is gevestigd in één van de door het bestuursorgaan aangewezen risicogebieden. 3.De gemeente kan tevens een eigen Bibob-onderzoek starten indien: a)het vastgoedobject naar oordeel van de gemeente een symbolische waarde heeft, dan wel belangrijk is voor het imago van de gemeente, en/of; b)er ook een aanvraag voor een vergunning of subsidie is of wordt gedaan (zie hoofdstuk 2 van deze beleidsregel), en/of; c)blijkt dat er een wijziging in de bedrijfsstructuur (wijziging Bibob-relaties) heeft plaatsgevonden, en/of; d)er sprake is van een situatie anders dan hierboven genoemd, waarbij de gemeente bevoegd is tot het toepassen van de Wet Bibob. 4.De gemeente kan nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst is bepaald. Artikel 3.3 Overheidsopdrachten De gemeente kan een Bibob-onderzoek doen bij overheidsopdrachten zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en bij zorgovereenkomsten vanuit de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Vanaf 1 oktober 2022 is het mogelijk om de Wet Bibob ook toe te passen op overeenkomsten die worden gesloten op basis van een (semi) open house constructie of toelatingsprocedure, alleen voor zover het de inkoop van jeugdzorg of maatschappelijke ondersteuning betreft. De gemeente zet in haar (aanbestedings)documenten dat inschrijvende partijen er rekening mee moeten houden dat de gemeente, voordat tot definitieve gunning wordt overgegaan, een eigen Bibob-onderzoek kan starten, dan wel advies kan inwinnen van het LBB als bedoeld in artikel 9, lid 2 van de Wet. De gemeente neemt een integriteitsclausule op in het contract en/of de stukken die daar onderdeel van uitmaken. Daarin zet de gemeente dat zij ook tijdens de contractfase een Bibob-onderzoek kan starten en onder de overeenkomst uit kan of deze kan beëindigen als uit een Bibob-onderzoek blijkt dat de uitvoerder van de opdracht niet integer is. Artikel 3.4 Toepassing van de Wet Bibob bij overheidsopdrachten 1.De gemeente voert in beginsel een eigen Bibob-onderzoek uit indien op grond van: a)eigen ambtelijke informatie en/of; b)informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC en/of; c)een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of; d)een tip van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet en/of; e)situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of; f)overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2.De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren indien bij de activiteit(en) waarop de overheidsopdracht toeziet sprake is van: a)één of meerdere activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1), en/of; b)één of meerdere risico-indicatoren (bijlage 2), en/of; c)uitvoering in een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied. 3.Als één of meerdere situaties onder lid 1 en 2 voorkomen tijdens het uitvoeren van de overeenkomst en/of wanneer blijkt dat er een wijziging in de bedrijfsstructuur (wijziging Bibob-relaties) heeft plaatsgevonden, kan de gemeente ook een eigen Bibob-onderzoek starten. 4.Het genoemde onder lid 1, 2 en 3 is van toepassing op zowel de contractpartij als de onderaannemer. Artikel 3.5 Weigering volledig invullen Bibob-vragenformulier bij privaatrechtelijke transacties 1.Als iemand weigert om de Bibob-vragenformulieren (helemaal) in te vullen, dan kan de gemeente beslissen om geen vastgoedtransactie of overheidsopdracht te sluiten of voort te zetten met die partij. Hetzelfde geldt als iemand weigert om informatie te geven aan het LBB. De gemeente moet bepalingen hierover opnemen in de documenten voor de vastgoedtransactie of overheidsopdracht, bijvoorbeeld in de verkoopleidraad of aanbestedingsdocumenten. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotbepalingen Artikel 4.1 Overgangsrecht Op een aanvraag die is ontvangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregel, blijven de Beleidsregel Wet BIBOB gemeente Almere 2017 en het Aanwijzingsbesluit ex artikel 1.3 Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almere 2021 inzake vechtsportwedstrijden of -gala’s van toepassing. Artikel 4.2 Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2.Op de dag van de inwerkingtreding worden de “Beleidsregel Wet BIBOB gemeente Almere 2017” en het “Aanwijzingsbesluit ex artikel 1.3 Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almere 2021 inzake vechtsportwedstrijden of -gala’s” van 17 november 2021 ingetrokken. 3.Deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almere 2026" Aldus vastgesteld op 23 juni 2026 Burgemeester voornoemd, W.H.J.M. van der Loo Burgemeester en wethouders voornoemd, de secretaris A. van Mazijk de burgemeesterW.H.J.M. van der Loo Aldus vastgesteld op 27 augustus 2026 De raad van de gemeente Almere voornoemd, De griffier, G.J. Broer De voorzitter,W.H.J.M. van der Loo Toelichting op eigen Bibob-onderzoek gemeente 1. Hoe past de gemeente Almere de Wet Bibob toe? Deze toelichting legt de stappen uit die de gemeente zet bij een Bibob-onderzoek. Soms voert de gemeente het onderzoek anders uit. Dit mag, zolang de gemeente zich aan de Wet Bibob houdt. De gemeente begint altijd met een eigen Bibob-onderzoek. Als dit onderzoek niet genoeg informatie oplevert om een beslissing te nemen, kan de gemeente ook het Landelijk Bureau Bibob (het LBB) om advies vragen. Het LBB heeft toegang tot meer informatie dan de gemeente. Ook kan de gemeente tijdens het onderzoek hulp vragen aan het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). In de beleidsregel Wet Bibob staat wanneer de gemeente een eigen Bibob-onderzoek kan starten. Soms gebruikt de gemeente eigen ambtelijke informatie bij dit onderzoek. Het kan zijn dat de gemeente deze informatie heeft gekregen uit één of meerdere (gesloten) bronnen, zoals gegevens van de politie. De gemeente houdt zich hierbij altijd aan de Wet Bibob. Gaat het om een privaatrechtelijke overeenkomst? Dan gelden de afspraken in het (algemene) inkoopbeleid van de gemeente, de (algemene) verkoopvoorwaarden van de gemeente en overeenkomsten. Deze beleidsregel is een aanvulling op die afspraken. 2. Start eigen Bibob-onderzoek door de gemeente Wanneer de gemeente een eigen Bibob-onderzoek start, vraagt het de betrokkene in beginsel om het Bibob-vragenformulier in te vullen en aan te leveren bij de gemeente. Naast het ingevulde en ondertekende formulier moet de betrokkene ook alle documenten (bijlagen) aanleveren waar in het vragenformulier om wordt gevraagd. Deze documenten gelden als onderbouwing voor de antwoorden. De gemeente mag haar Bibob-onderzoek echter ook al starten vóórdat zij een Bibob-vragenformulier heeft uitgereikt. Het uitreiken van het Bibob-formulier vormt hierin geen verplicht startpunt4. Als de betrokkene de aanvraag doet voor een nieuwe beschikking, zoals een vergunning of subsidie, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag voor de vergunning of subsidie. Op het moment dat er sprake is van een situatie waarin de gemeente de Wet Bibob toepast en een (rechts)persoon op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van een Omgevingswetvergunning (betrokkene) gelijk kan worden gesteld, zoals bedoeld in artikel 5.31, lid 2 van de Omgevingswet, wordt deze (rechts)persoon tevens als betrokkene aangemerkt. De gemeente reikt dan aan beide betrokkenen een Bibob-formulier uit en verricht naar beide betrokkenen een Bibob-onderzoek. 3. De gemeente voert daarna de volgende acties uit: a)De gemeente controleert en onderzoekt alle informatie die de betrokkene heeft ingevuld op het Bibob-vragenformulier en alle toegevoegde documenten (bijlagen). b)Indien de gemeente aan de hand daarvan nog vragen heeft of aanvullende informatie nodig heeft, stelt de gemeente de betrokkene in de gelegenheid om deze vragen te beantwoorden en extra informatie aan te vullen. c)De gemeente controleert en onderzoekt de extra informatie die de betrokkene heeft aangeleverd bij de gemeente als de gemeente hierom heeft gevraagd. d)Het is mogelijk dat de gemeente naar aanleiding daarvan nog verdere vragen heeft of nog extra informatie nodig heeft. De gemeente kan de betrokkene dan opnieuw in de gelegenheid stellen om de gegevens aan te leveren. Het is ook mogelijk dat de gemeente de betrokkene uitnodigt voor een gesprek. e)De gemeente doet onderzoek naar informatie over de betrokkene en de (zakelijke) omgeving van de betrokkene in open bronnen waar iedereen toegang toe heeft, zoals de Kamer van Koophandel en het Kadaster. 4. De gemeente mag de volgende extra gegevens opvragen: Naast bovengenoemde acties, vraagt de gemeente onderstaande gegevens op bij de desbetreffende instanties, waarbij ze zich houdt aan de bevoegdheden zoals die volgen uit de Wet Bibob: •Politiegegevens (zie artikel 4.3 onder l van het Besluit politiegegevens); •Justitiële gegevens, zoals een strafblad; •Informatie van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob; •Informatie van de Rijksbelastingdienst zoals bedoeld in artikel 7c van de Wet Bibob. De gemeente mag deze extra informatie opvragen over de betrokkene zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Wet Bibob, maar ook over Bibob-relaties van de betrokkene. Daaronder vallen de volgende personen: •degene die direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan de betrokkene; •degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over de betrokkene; •degene die direct of indirect vermogen geeft of heeft gegeven aan de betrokkene; •degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager staat vermeld op de aangevraagde of al gegeven beschikking; •degene die met de betrokkene gelijk kan worden gesteld door zijn invloed op de betrokkene. 5. De betrokkene moet de volgende informatie geven over hoe hij of zij het project of de activiteit financiert: De financiering van het project of de activiteit moet aannemelijk en inzichtelijk zijn. Dit betekent dat geloofwaardig moet zijn dat de betrokkene het geld heeft en dat duidelijk moet zijn waar het geld vandaan komt. Daarom gelden de volgende regels: Optie 1: De betrokkene gebruikt eigen vermogen De betrokkene moet kunnen bewijzen dat hij of zij het geld heeft en waar het vandaan komt. Ook als de betrokkene met contant geld betaalt. Optie 2: De betrokkene gebruikt vreemd vermogen In dit geval moet de betrokkene de volgende documenten inleveren: •Een door alle partijen ondertekende lenings- of schenkingsovereenkomst waarop staat wat de voorwaarden voor de lening of schenking zijn. Deze overeenkomst moet in het Nederlands zijn, of vertaald zijn naar het Nederlands. •Documenten die de identiteit van de (indirecte) geldgever bewijzen: ogeldig identiteitsbewijs; oadres en woonplaats; ogegevens over de natuurlijke personen (aandeelhouders) als de financiering door rechtspersonen gebeurt. •Documenten waaruit blijkt waar het geld van de geldgever vandaan komt en om hoeveel geld het gaat. Denk aan overeenkomsten, jaaropgaven, loonstroken en belastingaangiftes. •Bankafschriften waaruit blijkt dat de betrokkene het geld heeft ontvangen. •Betaalt de betrokkene met contant geld? Dan moet de betrokkene laten zien hoe hij of zij aan dit geld komt. •Maakt de betrokkene gebruik van crowdfunding of andere manieren om via een platform geld op te halen bij een groep mensen? Dan kan de gemeente het platform verplichten de identiteit van de uiteindelijke vermogensverschaffers bekend te maken aan de betrokkene of de gemeente. 6. Onderzoek door het LBB De gemeente is bevoegd zelf een Bibob-onderzoek te verrichten en kan, in voorkomende gevallen, het LBB om een advies vragen. Om de gang naar het LBB in te kunnen zetten moet een gemeente eerst haar eigen onderzoek hebben verricht binnen de daarvoor beschikbare bevoegdheden. De gevallen waarin de gemeente daarna het LBB om advies kan vragen staan hieronder beschreven. Het LBB heeft toegang tot meer informatie dan de gemeente, zoals internationale informatie en informatie van inlichtingendiensten. Een onderzoek door het LBB heeft daarom meer invloed op een betrokkene en de privacy van een betrokkene dan een onderzoek door de gemeente. De gemeente laat het LBB daarom alleen een onderzoek doen als zij dit echt nodig vindt. De gemeente kan het LBB onderzoek laten doen in de volgende gevallen: a)De gemeente heeft na het afronden van het eigen Bibob-onderzoek nog vragen over de integriteit van de betrokkene en/of de omgeving van de betrokkene, zoals bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet Bibob; b)De gemeente heeft nog vragen over de bedrijfsstructuur van één of meerdere bedrijven die te maken hebben met de beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie; c)De gemeente heeft nog vragen over de financiering van de activiteiten; d)Het LBB adviseert de gemeente om hen onderzoek te laten doen naar de betrokkene, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob; e)De gemeente heeft een tip ontvangen van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob. Een betrokkene kan geen bezwaar maken of in beroep gaan tegen een adviesvraag bij het LBB. De betrokkene kan de aanvraag wel altijd intrekken. Daarmee stopt het Bibob-onderzoek en wordt er geen beschikking afgegeven of overeenkomst aangegaan. Dit kan leiden tot een aantekening in het landelijke Bibob-register (zie punt 15 van deze toelichting). 7. Wanneer besluit de gemeente om geen vergunning of subsidie af te geven, of geen vastgoedtransactie of overheidsopdracht te sluiten? De gemeente beoordeelt zelf, of met een advies van het LBB, of het een positief of negatief besluit neemt. In de Wet Bibob staat hoe de gemeente moet omgaan met de kans op criminele activiteiten. Als die kans erg groot is, heeft de Wet Bibob het over ‘een ernstige mate van gevaar’. Als de kans kleiner is, heeft de Wet Bibob het over ‘een mindere mate van gevaar’. De gemeente kan ook concluderen dat er ‘geen gevaar’ bestaat. In het laatste geval volgt altijd een positief besluit (mits uiteraard wordt voldaan aan de overige beoordelingsregels die volgen uit andere geldende wet- en regelgeving en van toepassing zijn op de betreffende beschikking). Vergunningen en subsidies In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om een aanvraag voor een vergunning of subsidie niet te behandelen of verlenen. Of een al verleende vergunning of subsidie in te trekken. Dit kan de gemeente doen volgens artikel 4:5 van de Awb en op grond van artikel 3 en artikel 4 van de Wet Bibob. •De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene de gelegenheid heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen. •De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie. •De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij of zij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij of zij aan dit geld is gekomen. •De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het LBB. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet aan te leveren. Of door niet naar waarheid te antwoorden. •Uit het Bibob-onderzoek blijkt dat er een ernstige mate van gevaar is, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Wet Bibob. Als de vergunning of subsidie al gegeven is, kan de gemeente deze intrekken. •Is er geen ernstige mate van gevaar, maar een mindere mate van gevaar, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Wet Bibob? Dan kan de gemeente extra voorschriften (regels) verbinden aan de vergunning of subsidie. Die extra voorschriften moeten ervoor zorgen dat het gevaar voor criminele activiteiten verdwijnt of kleiner wordt. Als de betrokkene zich niet aan deze voorschriften houdt, kan de gemeente de vergunning of subsidie intrekken. •Is er wel een ernstige mate van gevaar, maar vindt de gemeente het weigeren of intrekken van de vergunning of subsidie niet proportioneel? Ook dan kan de gemeente extra voorschriften opleggen. Die extra voorschriften moeten ervoor zorgen dat het gevaar voor criminele activiteiten verdwijnt of kleiner wordt. Als de betrokkene zich niet aan deze voorschriften houdt, kan de gemeente de vergunning of subsidie intrekken. Vastgoedtransacties In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om geen vastgoedtransactie te sluiten (of aan te gaan), dan wel de reeds gesloten overeenkomst onmiddellijk en naar eigen keuze op te schorten, (buitengerechtelijk) te ontbinden of anderszins te beëindigen. De gemeente moet die optie wel in de overeenkomst hebben opgenomen. •De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene de gelegenheid heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen. •De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie. •De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij of zij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij of zij aan dit geld is gekomen. •De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het LBB. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet aan te leveren. Of door niet naar waarheid te antwoorden. •Er is minimaal een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie wordt gebruikt voor het witwassen van crimineel geld of vermogen. •Er is minimaal een mindere mate van gevaar dat in of met het gebouw of de grond strafbare activiteiten zullen gebeuren. •De gemeente heeft een ernstig vermoeden dat de betrokkene mogelijk niet integer is door ernstige strafbare activiteiten waarmee de betrokkene te maken heeft. •De gemeente heeft een ernstig vermoeden dat er strafbare activiteiten zijn uitgevoerd om het gebouw of de grond te verkrijgen. Overheidsopdrachten In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om geen overheidsopdracht te gunnen, of het contract voor de overheidsopdracht te beëindigen. De gemeente moet die optie wel in het contract hebben opgenomen. •De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene de gelegenheid heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen. •De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie. •De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij of zij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij of zij aan dit geld is gekomen. •De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het LBB. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet te geven. Of door niet naar waarheid te antwoorden. •Uit het Bibob-onderzoek blijkt dat de betrokkene niet integer is. De gemeente kan dan beslissen dat de partij niet mee mag doen aan de aanbesteding volgens de Aanbestedingswet 2012. •In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht kan de informatie uit het eigen onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012. •Bij contracten zoals bedoeld in de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) kan de informatie uit het Bibob-onderzoek reden voor de gemeente zijn om het contract niet te sluiten of te beëindigen. 8. Hoe snel krijgt de betrokkene de uitslag van het onderzoek? De gemeente moet binnen een wettelijk bepaalde termijn reageren op de aanvraag van een betrokkene voor een beschikking. Indien de gemeente aanvullende informatie die nodig is voor het uitvoeren van het Bibob-onderzoek opvraagt bij betrokkene, wordt de beslistermijn opgeschort met de periode die betrokkene gebruikt voor het aanleveren van de stukken. Ook het LBB moet binnen een wettelijk bepaalde periode reageren op een verzoek van de gemeente voor een extra Bibob-onderzoek. In sommige gevallen krijgen de gemeente en het LBB meer tijd. Als de gemeente een advies aanvraagt bij het LBB dan krijgt de gemeente meer tijd om op de aanvraag te beslissen. De periode wordt verlengd met het aantal dagen dat het LBB nodig heeft om dit advies te geven. De dag dat het LBB de aanvraag in behandeling neemt telt als dag 1, en de dag dat de gemeente het advies heeft ontvangen telt als de laatste dag. De periode hiertussen mag niet meer dan 8 weken zijn (zie artikel 15, lid 1 van de Wet Bibob). Lukt het het LBB niet binnen 8 weken een advies te geven aan de gemeente? Dan kan het de periode verlengen met maximaal 4 weken (zie artikel 15, lid 3 van de Wet Bibob). De termijn waarbinnen de gemeente moet beslissen wordt dan met dezelfde periode opgeschort. De gemeente laat het de betrokkene direct weten als dit gebeurt. In het uiterste geval waarin het LBB ook deze termijn van in totaal 12 weken niet haalt, begint de beslistermijn van de gemeente weer te lopen en wordt per situatie bekeken wat de meest passende oplossing is. Mist het LBB nog informatie tijdens de uitvoering van het onderzoek? Dan vraagt het dit op bij de betrokkene, de gemeente of een andere organisatie. De adviestermijn van 8 tot maximaal 12 weken wordt daarmee opgeschort tot de dag waarop de gevraagde partij de informatie aanlevert. De beslistermijn van de gemeente wordt met dezelfde periode opgeschort. 9. Informatieplicht van de gemeente Als de gemeente het LBB een onderzoek laat doen, moet de gemeente dit in een brief laten weten aan de betrokkene. De gemeente laat de betrokkene ook weten dat dit betekent dat de gemeente meer tijd krijgt om op de aanvraag van de betrokkene te beslissen (zie artikel 31 Wet Bibob). Een kopie van die brief voegt de gemeente toe aan de vraag om een advies bij het LBB. De gemeente moet de betrokkene een kopie van het advies van het LBB geven als dit advies reden was voor de gemeente om: •een aanvraag om een beschikking te weigeren; •een verleende beschikking in te trekken; •extra voorschriften te verbinden aan de beschikking. De gemeente moet die kopie ook aan andere personen geven als die zijn onderzocht (derden, zoals bedoeld in artikel 28 en 33 van de Wet Bibob) en de informatie over deze personen onderdeel heeft uitgemaakt van de beslissing van de gemeente. De gemeente mag alleen de onderdelen die over hen gaan met hen delen (zie ook punt 10 van deze toelichting) en voor zover het leidt tot een weigering of intrekking van de beschikking, dan wel het verbinden van Bibob-voorschriften aan de beschikking. Dit betekent dat wanneer er een positieve beschikking volgt, de gemeente de inhoud van het eigen onderzoek en het LBB-advies niet met betrokkene en betrokken derden mag delen vanwege de geheimhoudingsplicht die op deze informatie rust (op grond van artikel 28 Wet Bibob). 10. Geheimhoudings plicht Bibob-informatie Op grond van de Wet Bibob geldt er een strenge geheimhoudingsplicht op Bibob-informatie. Dit betekent dat iedereen die volgens de Wet Bibob informatie ontvangt, verplicht is tot het geheim houden van deze informatie zoals bedoeld in artikel 28 Wet Bibob. De betrokkene en anderen die een kopie zoals beschreven onder punt 9 hebben ontvangen, moeten de informatie hieruit geheim houden (geheimhoudingsplicht). De gemeente laat dit schriftelijk aan hen weten (zie artikel 28 Wet Bibob). 11. Wet open overheid (Woo) De geheimhoudingsplicht die volgt uit artikel 28 van Wet Bibob leidt tot een bijzondere openbaarmakingsregeling. Deze bijzondere bepaling heeft voorrang boven de Woo, zoals beschreven in artikel 8.8 van de Woo. Dit betekent dat de Woo daarmee opzij wordt gezet en Bibob-informatie niet openbaar wordt gemaakt. 12. Reageren op een negatief besluit naar aanleiding van een Bibob-onderzoek Op het moment dat de gemeente op basis van het Bibob-onderzoek één van de hieronder genoemde negatieve besluiten neemt: •het weigeren van een aanvraag om een beschikking; •het intrekken van een verleende beschikking; •het verbinden van extra voorschriften aan de beschikking; mogen de betrokkene en andere personen die zijn onderzocht hierop reageren door middel van een zienswijze, zoals bedoeld in artikel 33 van de Wet Bibob. 13. Gebruiken van Bibob-advies (en informatie uit eigen Bibob-onderzoek) De gemeente mag een advies van het LBB en informatie uit het eigen Bibob-onderzoek vijf jaar lang gebruiken voor een andere beslissing, zoals bedoeld in artikel 29 van de Wet Bibob. De gemeente maakt bij hergebruik van een advies dan wel informatie uit het eigen Bibob-onderzoek altijd een nieuwe belangenafweging. 14. Meerdere vergunningen of sectoren die onder de Wet Bibob vallen In het geval er sprake is van meerdere gemeentelijke beschikkingen, vindt deugdelijke afstemming en regie plaats. Het is de bedoeling dat de gemeente het Bibob-onderzoek zo vroeg mogelijk uitvoert. Anders kan het lastig zijn om een beslissing terug te draaien, bijvoorbeeld bij vastgoedtransacties. Ook geeft dit de betrokkene die de activiteit wil uitvoeren snel duidelijkheid. De gemeente probeert het aantal Bibob-onderzoeken per betrokkene zo beperkt mogelijk te houden. Toch kan de gemeente soms meerdere keren een Bibob-onderzoek uitvoeren bij eenzelfde betrokkene. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat betrokkene hetzelfde is maar er sprake is van andere Bibob-relaties, zoals vermogensverschaffers. Daarnaast kan het in de praktijk voorkomen dat een vergunning van een aanvrager is c.q. wordt ingetrokken of geweigerd op grond van de Wet Bibob, terwijl deze persoon, dan wel zijn zakelijke relaties ook betrokken is (dan wel zijn) bij bijvoorbeeld een andere vergunningsaanvraag of verleende beschikking. Op dat moment kan het zijn dat de gemeente in het kader van die aanvraag dan wel reeds verleende beschikking een nieuw Bibob-onderzoek start. Als er al een advies van het LBB voorhanden is met betrekking tot deze perso(o)n(en) hoeft de gemeente niet opnieuw een advies aan te vragen. Zoals gesteld kan op grond van artikel 29 Wet Bibob het advies worden gebruikt voor een andere beslissing. Dit advies mag maximaal 5 jaar oud zijn. 15. Aantekening maken in het landelijke Bibob-register Het landelijke Bibob-register zorgt ervoor dat verschillende overheidsorganisaties informatie met elkaar kunnen delen. De gemeente maakt een aantekening in het Bibob-register, zoals bedoeld in artikel 7a, lid 7 en 8 van de Wet Bibob, als: •uit het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar; •de gemeente vermoedt dat de betrokkene de aanvraag heeft ingetrokken omdat de gemeente de Wet Bibob uitvoert. 16. Tippen andere gemeenten en/of rechtspersonen met een overheidstaak De gemeente kan een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag toepassen, wijzen op de mogelijkheid om een eigen Bibob-onderzoek te starten zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob. 17. Delen van gegevens met andere gemeenten en/of rechtspersonen met een overheidstaak De gemeente kan Bibob-informatie delen met andere gemeenten en/of rechtspersonen met een overheidstaak die de Wet Bibob mogen toepassen als zij daarom vragen, zoals bedoeld en onder de voorwaarden in artikel 28, lid 2 onder m van de Wet Bibob. 18. Semi-overheidsinstanties De gemeente voert in beginsel geen Bibob-onderzoek uit bij aanvragen vanuit semi-overheidsinstanties, tenzij daar aanleiding toe is. Semi-overheid is een term die wordt gebruikt voor verschillende soorten organisaties die niet officieel deel uitmaken van de overheid, maar er wel veel mee te maken hebben. Deze organisaties komen voor in veel verschillende sectoren en hebben vaak twee belangrijke kenmerken: 1) ze hebben wettelijke taken en/of dienen een duidelijk publiek belang, en 2) ze worden gefinancierd door de overheid. Het feit dat semi-overheidsinstanties geld van de overheid ontvangen leidt ertoe dat de overheid directe invloed heeft op deze instanties. Er worden strenge voorwaarden gesteld aan de verstrekking van dit geld. Als een instantie niet aan deze voorwaarden voldoet, kan de overheid de financiering stop zetten. Dit is vaak niet wenselijk omdat veel van deze organisaties afhankelijk zijn van overheidsfinanciering om te kunnen blijven bestaan. Daarnaast heeft de overheid indirecte invloed, doordat ze toezichthouders in verschillende sectoren heeft aangesteld. De toezichthouders controleren of de semi-overheidsinstellingen hun maatschappelijke doelen behalen. Als dat niet het geval is, kan dit ook problemen opleveren voor de betreffende instelling. Voorbeelden van semi-overheidsinstellingen zijn woningcorporaties, ziekenhuizen en bijzondere onderwijsinstellingen (waarbij het openbaar onderwijs onder de overheid valt). Daarnaast worden zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) van de overheid zoals het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Kadaster, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) als semi-overheid beschouwd. Het zijn private organisaties die tussen de overheid en de samenleving in staan. Bijlage 1. Risicoactiviteiten De gemeente kan alleen een Bibob-onderzoek doen bij publiekrechtelijke beschikkingen (zoals vergunningen of subsidies) of privaatrechtelijke transacties (zoals overheidsopdrachten en vastgoedtransacties) die genoemd staan in de Wet Bibob. Voor onderstaande activiteiten is niet altijd een vergunning nodig. Als er geen vergunning of beschikking nodig is voor een activiteit, kan de gemeente de Wet Bibob niet direct uitvoeren. Wel kan het zijn dat de gemeente nog andere beslissingen moet nemen om die activiteit mogelijk te maken, zoals het verlenen van een omgevingsvergunning of het sluiten van een vastgoedtransactie. Als dat zo is, kan de gemeente in dat kader de Wet Bibob toch nog uitvoeren. In onderstaande lijst staan de risicoactiviteiten die gelden in de gemeente Almere. Ze zijn verdeeld over categorieën. Voor deze activiteiten bestaat een verhoogd risico op criminaliteit of het witwassen van crimineel verdiend geld. De lijst is niet limitatief en kan aan de hand van ontwikkelingen worden aangepast. Met een definitieve lijst zou ook het risico bestaan dat kwaadwillenden overstappen naar andere activiteiten of branches. Horeca-activiteiten 1.Horecabedrijven en –lokaliteiten (waaronder afhaal- en bezorgbedrijven) 2.Hotels, pensions, of andere locaties die bedrijfsmatig worden aangeboden om te overnachten 3.Coffeeshops 4.Shishalounges 5.Zaalverhuur 6.Partycentra De rechter heeft in verschillende uitspraken over horecabedrijven5 geoordeeld dat algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob6. Recreatie en vrije tijd 1.Recreatieparken 2.Jachthavens 3.Zaken, verenigingen en/of bedrijven die verband houden met motorclubs 4.Evenementen, zoals oVechtsportwedstrijden en -gala’s (of vergelijkbare evenementen) oRide outs motorclubs (of vergelijkbare evenementen) oVergunningplichtige voetbalwedstrijden 5.Speelautomatenhallen, casino’s, gamecenters, speelgelegenheden 6.Fitnessbedrijven, sportscholen 7.Sporthallen, sportclubs en -verenigingen en sportcomplexen 8.Commerciële sportactiviteiten 9.Springkussenverhuur 10.Reisorganisaties Seksbranche 1.Prostitutie- en seksbedrijven 2.Seksinrichtingen 3.Escortbedrijven 4.Erotische massagesalons 5.Strip- en parenclubs De rechter heeft in verschillende uitspraken over prostitutiebedrijven7 geoordeeld dat het algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob8. Detailhandel en dienstverlening 1.Beauty-, wellness- en saunabedrijven 2.Massagesalons 3.Kappers, barbershops 4.Nagelstudio’s 5.Tattooshops 6.Smartshops, growshops, headshops 7.(Zelfbedienings-) wasserettes 8.Zonnebankstudio’s 9.Avondwinkels 10.Belwinkels, internetcafés en dergelijke 11.Geldwisselkantoren 12.Goudinkoop- en wisselbedrijven 13.Pandjeshuizen 14.Verhuur of lease van transportmiddelen (auto’s, (bestel)bussen, deelvoertuigen) 15.Taxibedrijven 16.Darkstores, flitsbezorgdiensten 17.Weekmarkten 18.Koeriersdiensten 19.Im- en exportbedrijven 20.Handel in (beschermde) diersoorten Wonen en vastgoed 1.Kamerverhuurbedrijven (inclusief omgevingsvergunningen voor kamerverhuur- en/of logiespanden) 2.Aankopen/omzetten/splitsen van woningen/panden voor kamerverhuur of realisatie van (meerdere) woonruimten 3.Aanpassen/transformatie kantoorpanden (naar woningen en/of kamers) 4.Opvang vluchtelingen 5.Huisvesting van arbeidsmigranten 6.Woonwagenterreinen 7.Bedrijfsmatige aankoop, doorverkoop en splitsingen van vastgoed/grond 8.Realisatie van bedrijfsunits Opslag 1.Garageboxen/opslagruimtes 2.Bedrijfsverzamelgebouwen Milieubelastende activiteiten 1.(Gevaarlijke) afvalbewerking en -verwerking 2.Afvalrecycling 3.Mestverwerking 4.Sloop- en/ of asbestverwijdering 5.Autohandel-, sloop-, vernietigings-, recycle-, demontage- en garagebedrijven 6.Autowasstraten 7.Vuurwerkbranche 8.Transport- of overslagondernemingen 9.Datacenters 10.Glazenwassersbranche Zorg, welzijn en opleiden 1.PGB-bureaus, zorgbureaus en -instellingen, zorgaanbieders en reïntegratiebedrijven (inclusief aanbieden van zorgwoningen) 2.Het aanbieden van particuliere schoolactiviteiten 3.Scholen 4.Religieuze instellingen, gebedshuizen 5.(Niet-geregistreerde) uitzendbureaus Duurzaamheid en transitie Waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend: 1.Energiemaatschappijen en energieproducenten (waaronder (mest)vergisters, windmolens, zonneparken, enzovoort) 2.Activiteiten voor uitkoop- en opkoopregelingen (in verband met onder andere stikstof) Bijlage 2. Risico-indicatoren In onderstaande lijst staan risico-indicatoren die gelden in de gemeente Almere. Deze indicatoren duiden op een mogelijk verhoogd risico op criminaliteit of het witwassen van crimineel verdiend geld. De lijst is niet limitatief en kan aan de hand van ontwikkelingen worden aangepast. 1.Aanwezigheid van (grote hoeveelheden) contante geldstromen 2.Financiering geheel uit eigen middelen 3.Geldverstrekking door natuurlijke personen dan wel middels verschillende (eigen) ondernemingen 4.Onverklaarbare/onherleidbare financieringsstructuur 5.Financiering middels crowdfunding of sponsoring 6.Veel wisselingen in de bedrijfsstructuur 7.Complexe en onoverzichtelijke bedrijfsstructuren 8.Betrokkenheid van buitenlandse (rechts)personen 9.Relatief jonge leeftijd van partijen bij woningbouw 10.(Ongebruikelijke) combinatie van SBI-codes in uiteenlopende sectoren
Meer informatie