Algemene Plaatselijke Verordening 2008

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op13 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Amsterdam

Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 in verband met het opnemen van de horecaregeling in het Omgevingsplan Amsterdam De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 april 2026, gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit: Artikel I De Algemene Plaatselijke Verordening 2008 wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 1.1 komt te luiden Artikel 1.1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties. -gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; -horecabedrijf: horecazaak en het daarbij behorend terras en andere aanhorigheden -horecazaak: de voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of eetwaren voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, lokaliteit waarbij vanuit de gevel tegen vergoeding dranken worden geschonken of eetwaren voor directe consumptie worden bereid of verstrekt en voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar tegen vergoeding sisha, waterpijptabak of vergelijkbare genotsmiddelen worden verstrekt. -openbaar water: ieder water dat al dan niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk is; -rechthebbende: de rechthebbende krachtens burgerlijk recht met inbegrip van degene die feitelijke macht uitoefent over een zaak; -reclame: het in het openbaar aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten of namen met het doel een commercieel belang te dienen. -vaartuig: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water, alsmede drijvende werktuigen zoals kranen, werkeilanden, baggermolens, pontons en ander materieel van soortgelijke aard; -voertuig: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, wagens, aanhangwagens en opleggers, met uitzondering van trams en treinen en met uitzondering van kinderwagens, kruiwagens en dergelijke kleine voertuigen; -weg: de voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, alsmede voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen; voor publiek toegankelijke stegen, pleinen, open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten, veerponten en aanlegplaatsen voor vaartuigen, stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven. B Artikel 1.11 tweede lid komt te luiden: 2.Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover hem deze bevoegdheid toekomt, bij wijze van experiment besluiten om af te wijken van artikel 2.40 (vergunningplicht evenement), 2.47 (evenementen in gebouwen), artikelen 2.49 tot en met 2.52 (uitoefenen beroep op de weg), artikel 3.8 (exploitatievergunning), artikel 4.2 tot en met 4.5 (vastmaken en plaatsen van voorwerpen), artikel 4.7, (plakken en kladden), artikel 4.10 tot en met 4.12 (reclame) en artikel 4.20 tot en met 4.27 (parkeerexcessen) van deze verordening. C Artikel 2.31 eerste lid komt te luiden: Artikel 2.31 Handel in horecabedrijven 1.Het is de exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf een zaak verwerft, overdraagt of daartoe voorhanden heeft. D Artikel 3.1 komt te luiden: Artikel 3.1 Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -bedrijf: horecabedrijven, prostitutiebedrijven, escortbedrijven, seksinrichtingen, sekswinkels, speelgelegenheden en de bedrijfsmatige activiteiten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.16A. -bezoekers van een bedrijf: degenen die niet zijn de leden van het gezin of de huishouding van de exploitant alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad en personen van wie de aanwezigheid in het bedrijf wegens dringende reden noodzakelijk is; -escortbedrijf: een ruimte of plek waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is bemiddeld wordt in prostitutie, die op een andere plaats wordt bedreven dan waar de bemiddeling plaatsvindt; -bijzondere terrasactiviteit: bijzondere terrasactiviteiten: activiteiten op een terras, niet zijnde het uitsluitend bedrijfsmatig schenken van dranken of etenswaren of waterpijpen verstrekken voor directe consumptie op het terras. -exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd. -leidinggevende: de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een bedrijf alsmede de exploitant. -mensenhandel: de strafbare feiten als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht; -prostituee: degene die prostitutie bedrijft; -prostitutie: het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten; -prostitutiebedrijf: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie; -prostitutiehotel: een prostitutiebedrijf waar kamers ter beschikking worden gesteld aan prostituees die hun klanten elders hebben geworven; -raamprostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf waar het werven van klanten gebeurt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg; -seksinrichting: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar voorstellingen van erotische-pornografische aard worden gegeven. -sekswinkel: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotisch-pornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd; -serre: een binnen de besloten ruimte van een horecabedrijf liggend deel dat is gelegen op de weg en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt; -speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren; -terras: een buiten de besloten ruimte liggend deel van een horecabedrijf dat als zodanig herkenbaar is als een gelegenheid waartegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen worden verstrekt voor directe consumptie ter plaatse. -weekeinde: de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag. E Artikel 3.8 komt te luiden: Artikel 3.8 Exploitatie van een horecabedrijf 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren. 2.Het is verboden op of aan de weg of op of aan het openbare water eetwaren en dranken te verkopen. F Artikel 3.11 komt te luiden: Artikel 3.11 Bijzondere weigeringsgronden 1.De burgemeester weigert de vergunning als de leidinggevende van een horecabedrijf niet voldoet aan de in artikel 3.10 gestelde eisen. 2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel de openbare orde of veiligheid of het woon- en leefklimaat, gelet op de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat, op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a.het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen; b.de aard van het horecabedrijf; c.de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en d.het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. 4.De burgemeester kan de vergunning gedeeltelijk weigeren voor zover de aanvraag ziet op exploitatie van een terras op of aan de weg a.met oog op de belangen genoemd in lid 3; b.als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, dan wel gevaar oplevert voor de veiligheid en doelmatigheid van het gebruik, onderhoud of andere publieke functies van de weg. G Artikel 3.12 en artikel 3.13 komen te vervallen. H Artikel 3.14 komt te luiden Artikel 3.14. Melding bijzondere terrasactiviteiten 1.Het is verboden om bijzondere terrasactiviteiten plaats te laten vinden tenzij: a.sprake is van activiteiten die twee keer per jaar zijn toegestaan onder de voorwaarden gesteld in het Omgevingsplan en; b.deze activiteiten uiterlijk 14 dagen voorafgaande aan de activiteit bij de burgemeester zijn gemeld. 2.De leidinggevende maakt voor het melden van de bijzondere terrasactiviteit gebruik van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3.De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een ordelijk en veilig verloop van de bijzondere terrasactiviteit en met het oog op het voorkomen van hinder voor derden. 4.De burgemeester kan een verbod opleggen om de bijzondere terrasactiviteit plaats te laten vinden als naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat, de openbare orde of veiligheid in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. I Artikel 3.15 komt te luiden: Artikel 3.15 Openingstijden 1.Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan bij of krachtens het omgevingsplan gesteld. 2.Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester gebruik te maken van a.een ontheffing of vergunning bij of krachtens de omgevingswet wanneer deze vergunning wijzigingen van de openingstijden toestaat. b.de mogelijkheden een aantal keer per jaar een latere sluitingstijd aan te houden zoals toegestaan onder de voorwaarden gesteld in het omgevingsplan. 3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat, gelet op de spanning waaraan het woon- en leefklimaat reeds bloot staat, de openingstijden van een horecabedrijf of horecabedrijven in bepaalde gebieden beperken. 4.De burgemeester kan op verzoek ontheffing verlenen van een besluit als bedoeld in het derde lid als dit naar zijn oordeel bijdraagt aan het belang van nachtcultuur. 5.De burgemeester kan horecabedrijven of gebieden aanwijzen waarin de openingstijden worden verlengd, met het oog op een veilige uitstroom van de reeds aanwezige bezoekers. J Artikel 3.16 komt te luiden: 3.16 Verplichtingen van de leidinggevende 1.De leidinggevende brengt de door de burgemeester vastgestelde openingstijdenkaart zodanig in het bedrijf aan dat deze altijd van buitenaf duidelijk zichtbaar is. 2.Het is verboden een horecabedrijf voor het publiek geopend te hebben als in de inrichting niet aanwezig is: a.een leidinggevende die als zodanig op de exploitatie- of Alcoholwetvergunning staat vermeld of; b.een persoons wiens bijschrijving op de vergunning is aangevraagd, als de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op de aanvraag is beslist. K Artikelen 3.17 en 3.18 komen te vervallen. L Artikel 3.20 komt te luiden: Artikel 3.20 Terrasverboden 1.De burgemeester kan, in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid of met het oog op de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat, gebieden wegen of weggedeelten aanwijzen waar het verboden is een terras te exploiteren. 2.Als naar het oordeel van de burgemeester verwijdering van een terras of een serre noodzakelijk is met oog op de openbare orde en veiligheid, zorgt de exploitant of de leidinggevende onmiddellijk of binnen de daartoe gestelde termijn voor verwijdering. M Artikel 3.24 komt te luiden Artikel 3.24 Bijzondere gronden voor wijziging of intrekking De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als: a.de exploitant of leidinggevende het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde overtreedt; b.de exploitant of leidinggevende het bij of krachtens de Omgevingswet bepaalde overtreedt; c.aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid van deze verordening of bij andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf dan wel als naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 3.11, derde lid onder e, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen. N Artikel 3.46a komt te vervallen. O Artikel 5.6 komt te vervallen. P Artikel 6.1 komt te luiden: Artikel 6.1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.6 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie: 1.8, 1.9, 2.2 eerste tot en met derde lid, 2.2a, 2.3, 2.4, 2.5 eerste lid, 2.7 eerste tot en met vierde lid, 2.8 tweede lid, 2.10 vierde tot en en met zesde lid, 2,12 eerste, tweede en vierde lid, 2.13 eerste lid, 2.15 vierde lid, 2.16 eerste lid, artikel 2.16c, artikel 2.16d, 2.17 eerste, tweede en vijfde lid, 2.17A eerste lid, 2.18 eerste en tweede lid, 2.19 eerste en tweede lid, 2.20 eerste lid, 2.21, 2.22 eerste lid, 2.23 eerste lid, 2.25 eerste en tweede lid, artikel 2.25a tweede lid, 2.26 derde en vierde lid, 2.27 eerste en tweede lid, 2.31 eerste lid, 2.36 tweede lid, 2.39 tweede lid, 2.40 eerste lid, 2.41 zevende lid, 2.44 vierde lid, 2.45 tweede lid, 2.47 eerste lid, 2.48, 2.49 eerste en tweede lid, 2.50 eerste tot en met derde lid, 2.51 eerste lid, 2.52 eerste lid, 2.53 eerste lid, 3.4, 3.5, 3.8 eerste lid, 3.12, 3.13, 3.14 eerste en derde lid, 3.15 eerste en tweede lid, 3.16 tweede lid, 3.19 eerste lid, 3.20 eerste en tweede lid, 3.21, 3.26, 3.27 eerste lid, 3.27 tweede lid, 3.30 eerste tot en met zevende lid, 3.34 eerste en tweede lid, 3.38 tweede lid, 3.40 eerste lid, 3.45 derde lid, 3.47, 3.50, 3.51, 3.53 eerste lid, 3.54, 3.59 tweede lid, 3.60 eerste tot en met derde lid, 3.64, 4.2 eerste lid, 4.3 eerste lid, 4.5 vierde lid, 4.6, 4.7 eerste lid, 4.9 eerste lid, 4.10 tweede lid, 4.11 eerste lid, 4.12 eerste lid, 4.13 eerste lid, 4.14 eerste lid, 4.16 eerste lid, 4.17 eerste, vierde en zesde lid, 4.18, 4.19 eerste lid, 4.20 eerste lid, 4.21 eerste lid, 4.21 tweede lid, 4.22 eerste lid, 4.23 eerste lid, 4.24 eerste lid, 4.25 eerste lid, 4.26, 4.27, 5.2 eerste lid, 5.3, 5.3A eerste lid, 5.4 eerste lid, 5.5 eerste lid, 5.7 eerste tot en met derde lid, 5.8 eerste lid, artikel 5.8A, 5.9 eerste tot en met vierde lid, 5.10, 5.11, 5.12 eerste lid, 5.13 eerste en tweede lid, 5.14, 5.15 eerste lid, 5.16 eerste lid, 5.17, artikel 5.18. Artikel II De toelichting van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 wordt Als volgt gewijzigd: A De toelichting op artikel 1.1 Definities komt te luiden: Artikel 1.1 Definities Bouwwerk: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan bijlage A van de Omgevingswet. Gebouw: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan de Woningwet en moet in samenhang met de definitie van bouwwerk worden gelezen. Horecabedrijf: Onder de reikwijdte van het begrip horecabedrijf onder a vallen een hotel, restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, koffiehuis en aanverwante inrichtingen zoals een afhaalrestaurant, automatiek, ijssalon, ontmoetingscentrum, buurthuis, zalenverhuurbedrijf, kiosk, bistro, crêperie, croissanterie, sociëteit, verenigingsgebouw en sportkantine. Deze opsomming zal nooit volledig zijn aangezien geregeld nieuwe horecaconcepten worden bedacht: cruciaal is dat het gaat om het bedrijfsmatig of in een mate alsof het bedrijfsmatig is dranken worden geschonken en spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt in een voor publiek toegankelijke besloten ruimte. Ook gevelverkoop valt onder het horecabegrip. Dit was voorafgaand aan de inwerkingtreding van de horecaregeling als onderdeel van het omgevingsplan niet het geval. Naast eten en drinken zijn ook zaken die shisha, waterpijptabak en andere genotsmiddelen aanbieden voor consumptie ter plaatse aangemerkt als horecabedrijf. Openbaar water: de definitie is ontleend aan de Verordening op de Haven en het Binnenwater. De term “openbaar” heeft geen bijzondere juridische betekenis. Het gaat om water dat feitelijk voor het publiek toegankelijk is. Rechthebbende: het eerste deel van de definitie knoopt aan bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Het gaat om een ruime omschrijving. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de eigenaar, maar ook de huurder van een pand rechthebbende. Daarnaast is ook de persoon die de feitelijke macht uitoefent over een zaak onder de definitie van rechthebbende gebracht. Reclame: reclame is in het algemeen iedere vorm van aanprijzing van een dienst, activiteit, een goed of een naam. Vanwege de toevoeging “commercieel belang” valt het openbaren van gedachten en gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet niet onder deze definitie. Vaartuig: de definitie is ontleend aan de omschrijving van schip uit de Verordening op de Haven en het Binnenwater. Voertuig: de definitie is (deels) ontleend aan het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en bestaat feitelijk uit een opsomming van mogelijke voertuigen. Weg: deze definitie geeft een ruime omschrijving van wat onder weg moet worden verstaan. In aanvulling op wat de Wegenverkeerswet 1994 onder de weg verstaat (namelijk de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met toebehoren) verstaan we in de APV ook voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en diverse andere plaatsen buiten en in gebouwen die tot de openbare ruimte behoren onder de weg. Wanneer deze zijn afgesloten behoren ze niet tot de openbare ruimte, de APV bepalingen zijn dus niet van toepassing tijdens die tijden. Beperkingen aan de toegankelijkheid anders dan een rechtmatige afsluiting maken echter niet dat geen sprake meer is van openbare ruimte. De APV blijft dan ook van toepassing. In een aantal APV-bepalingen wordt de term “op of aan de weg gebruikt”. Als dat het geval is geldt de betreffende bepaling ook op plaatsen die strikt genomen geen weg zijn zoals gedefinieerd in artikel 1.1, maar zich wel in de nabijheid daarvan bevinden. Een bepaling kan dan ook gelden op een privé-terrein, omdat er een duidelijke relatie is met of een uitstraling naar de weg. B De toelichting op Artikel 3.1 Definities komt te luiden Artikel 3.1 Definities Bedrijf: De omschrijving bevat een opsomming van alle vormen van bedrijvigheid die in dit hoofdstuk worden gereguleerd. Bezoekers: Deze omschrijving heeft als doel om in geval van twijfel nauwkeurig te kunnen bepalen, of de vergunninghouder of de bezoekers in overtreding zijn. Het criterium van "dringend noodzakelijke aanwezigheid" is hanteerbaar; de omschrijving heeft als doel uit te sluiten dat bijvoorbeeld een monteur in overtreding zou zijn. In de praktijk is een overtreding van de sluitingstijden doorgaans gemakkelijk constateerbaar. Escortbedrijf: Kenmerkend voor escort is dat de bemiddeling in prostitutie op een andere plek gebeurt dan waar de prostitutie zelf vervolgens plaatsvindt. In deze definitie is verder tot uitdrukking gebracht dat er sprake moet zijn van bedrijfsmatige exploitatie. Er kan overigens in de praktijk op verschillende manieren blijken dat dit het geval is. Exploitant: In het hele hoofdstuk wordt consequent hetzelfde begrip gehanteerd voor vergelijkbare functies. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld. Leidinggevende: In dit hoofdstuk wordt geregeld dat de naam van de leidinggevende verplicht op de vergunning moet worden vermeld. Deze verplichting is opgenomen in het belang van toezicht en controle. In kleine bedrijven is het niet ongebruikelijk dat exploitant en leidinggevende één en dezelfde persoon zijn. Door het opnemen van de bestuurder van een rechtspersoon in de omschrijving wordt duidelijk gemaakt dat ook degene die op de achtergrond aan de touwtjes trekt onder het begrip leidinggevende wordt verstaan. Prostitutiebedrijf: Prostitutiebedrijf vormt het kernbegrip, daarnaast benoemt de APV nog afzonderlijk het raamprostitutiebedrijf en prostitutiehotel. Prostituee en prostitutie: Deze definities moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Prostitutie is ruim omschreven; het gaat niet alleen om het daadwerkelijk verrichten van seksuele handelingen maar ook om dat wat daaraan vooraf gaat, namelijk het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen. Er is sprake van prostitutie als hier een vergoeding tegenover staat. De term prostituee is genderneutraal. Seksinrichting: Bij seksinrichtingen gaat het steeds om het geven van voorstellingen van erotisch-pornografische aard. De inhoud van die voorstellingen en de wijze waarop en de middelen waarmee ze worden gegeven kunnen uiteenlopen: zo bestaan seksautomatenhallen, seksbioscopen en sekstheaters. Sekswinkel: De definitie van sekswinkel vermeldt “uitsluitend of hoofdzakelijk” om zo te benadrukken dat de verkoop of verhuur van deze artikelen de hoofdactiviteit van het bedrijf is. Serre en terras: Terrassen en serres maken deel uit van een horecabedrijf. Gekozen is voor twee aparte omschrijvingen om het onderscheid tussen losse terrassen in de openbare ruimte en geheel overdekte aanbouwen aan horecabedrijven beter aan te geven. Het onderscheidende element in de nieuwe omschrijvingen is of het bewuste deel van het horecabedrijf binnen (serre) of buiten (terras) de besloten ruimte van het bedrijf is gelegen. Met besloten ruimte wordt bedoeld de ruimte in het gebouwde perceel waarin het eigenlijke horecabedrijf wordt geëxploiteerd. Een serre kan alleen worden aangebouwd als het omgevingsplan daarin voorziet. Het onderscheid is verder van belang voor de sluitingstijden en voor het verschil dat op een terras geen etenswaren mogen worden bereid. Zo is een barbecue op een terras niet toegestaan. In de omschrijving is het criterium ‘als zodanig herkenbaar' opgenomen om aan te geven dat pas van een terras kan worden gesproken als uit de inrichting hiervan voor derden duidelijk blijkt dat bij het horecabedrijf een terras wordt geëxploiteerd. Dat is het geval door de aanwezigheid van voorwerpen zoals tafels en stoelen, banken, statafels, parasols etc. Dit sluit ook aan bij wat in het spraakgebruik onder een terras wordt verstaan. Dat betekent dat niet gesproken kan worden van een terras als er alleen groepen mensen buiten staan, al dan niet met een consumptie in de hand, zonder dat er in de openbare ruimte voorwerpen zijn geplaatst die het exploiteren van een terras tot doel hebben. Speelgelegenheid: In deze definitiebepaling is tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om bedrijfsmatige exploitatie van een speelgelegenheid. Het organiseren van zuiver recreatieve spelen waarbij een prijsje kan worden gewonnen valt niet onder de vergunningplicht van de APV. Dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie kan op meerdere manieren blijken. De woorden “winnen en verliezen” geven aan dat er sprake is van inleg van geld, op welke wijze dan ook. Een horecagelegenheid waarin een speelautomaat wordt opgesteld valt overigens niet onder de werking van de regels voor speelgelegenheden (zie de uitzonderingen op de vergunningplicht in artikel 3.55). In de Wet op de kansspelen en de Verordening op de speelautomaten(hallen) wordt de aanwezigheidsvergunning voor een speelautomaat in een horecabedrijf geregeld. Weekeinde: De omschrijving is ingevoegd om misverstand uit te sluiten en de bepalingen over de tijdstippen van opening en sluiting korter en leesbaarder te maken. C De toelichting op artikel 3.11 Bijzondere weigeringsgronden komt te luiden: Artikel 3.11 Bijzondere weigeringsgronden Het niet voldoen aan de vereisten van artikel 3.10 levert een verplichte weigeringsgrond op naast de in paragraaf 2 van dit hoofdstuk bedoelde strijd van de vestiging van een bedrijf met het omgevingsplan of een andere planologische regeling en de in artikel 1.5 genoemde algemene weigeringsgrond. Volgens het tweede lid kan de burgemeester de vergunning ook gedeeltelijk weigeren. Voorbeelden van een gedeeltelijke weigering zijn het niet vergunnen van een terras terwijl de exploitatie van het eigenlijke horecabedrijf geen bezwaren oproept of een beperking van de sluitingstijden als de openbare orde hiertoe aanleiding geeft. Het derde lid geeft meer concreet inhoud aan de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid. Hierin wordt de model-APV grotendeels gevolgd. Toegevoegd zijn de criteria ‘de wijze van bedrijfsvoering en het levensgedrag van de exploitant en de leidinggevende’. Een vergunning moet geweigerd kunnen worden aan een exploitant van wie is gebleken dat hij eerder of elders op dit punt een slechte staat van dienst heeft, of als leidinggevenden in dienst zijn van wie dit het geval is. Te denken valt bijvoorbeeld aan betrokkenheid bij harddrugs, heling of andere activiteiten in de inrichting die de openbare orde in een buurt bedreigen, dan wel aan nalatigheid bij het treffen van voorzorgsmaatregelen in de bedrijfsvoering. Het vierde lid geeft de burgemeester de mogelijkheid om specifiek het deel van de aanvraag gericht op het terras te weigeren als het terras niet toelaatbaar is gelet op zowel de eerdergenoemde belangen als wanneer er sprake is van gevaar voor de veiligheid of doelmatigheid van het gebruik van de weg. D De toelichting op artikel 3.14 Terrasactiviteiten komt te luiden: 3.14 Terrasactiviteiten In het Omgevingsplan is opgenomen dat ondernemers twee keer per jaar een activiteit op hun terras mogen organiseren die niet behoort tot het regulier terrasgebruik (het schenken van dranken en uitserveren van eten/waterpijpen voor consumptie ter plaatse). Daaraan zijn voorwaarden gesteld zoals dat geen sprake is van versterkte muziek. Om te kunnen controleren op deze voorwaarden en om bij te houden hoevaak al gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot het uitoefenen van de activiteit is het wel van belang dat ondernemers vooraf melding doen van de activiteiten, er is dus sprake van een meldplicht. E De toelichting op artikel 3.15 Afwijkende openingstijden komt te luiden: Artikel 3.15 Openingstijden In het omgevingsplan worden de openingstijden voor horecabedrijven genoemd. In het eerste lid wordt verboden het horecabedrijf op andere tijden geopend te houden dan bij of krachtens het omgevingsplan gestelde tijden. Het deel ‘krachtens’ het omgevingsplan betekent dat een exploitant zich te houden heeft aan eventuele ontheffingen of beperkingen die op grond van het omgevingsplan zijn gesteld. Het tweede lid legt vast dat niet alleen de ontheffing van het college voldoende is om gewijzigde openingstijden aan te houden, maar dat de burgemeester een eigen ontheffing moet verlenen op basis van deze APV. Dit geldt ook voor het systeem in het omgevingsplan dat onder voorwaarden een aantal keer per jaar een latere sluitingstijd kan worden aangehouden. In het derde lid worden aan de burgemeester beperkingsmogelijkheden gegeven. De burgemeester heeft een exclusieve bevoegdheid op het gebied van openbare orde en veiligheid. Deze kan worden gebruikt om openingstijden in te perken als hij dat nodig acht in dit belang. Ook als sprake is van een zodanige spanning op het woon- en leefklimaat dat het geopend zijn van horecabedrijven daar een ontoelaatbare toename van die druk zou opleveren is het aan de burgemeester om beperkingen op te leggen. Er zijn twee hoofdzakelijke manieren om dit derde lid te gebruiken. De eerste is het nemen van een besluit op een of meerdere individuele exploitatievergunningen. De tweede is het aanwijzen van een bepaald gebied via een aanwijzingsbesluit. In dat geval zijn voor individuele horecabedrijven dan in uiterst beperkte mate weer ontheffingen mogelijk op de inperking van de openingstijden, zoals staat in het vierde lid. Voorwaarde daarvoor is dat een horecabedrijf van belang is van de nachtcultuur, zoals deze is geformuleerd in de Visie op de nachtcultuur en het daarbij opgestelde uitvoeringsbeleid. In het vijfde lid tenslotte wordt ook een mogelijkheid gegeven om een bedrijf juist langer open te houden met oog op veilige uitstroom van bezoekers. Daarbij kunnen voorschriften worden gesteld om te voorkomen dat dit extra reguliere openingstijd wordt. F De toelichting op artikel 3.16 verplichtingen van de exploitant en leidinggevende komt te luiden: Artikel 3.16 Verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende Dit artikel bevat een aantal verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende van meer formele aard, met de bedoeling het vergunningenstelsel soepel en doelmatig te kunnen toepassen. Naast de exploitant gelden deze verplichtingen ook voor de leidinggevende als degene die de dagelijkse en onmiddellijke leiding heeft. In kleine bedrijven zullen deze rollen vaak door dezelfde persoon worden uitgeoefend. Het eerste lid verwijst naar de al vele jaren gehanteerde sluitingstijdenkaart als middel om in één oogopslag duidelijk te maken om welk soort horecabedrijf het gaat en om welke sluitingstijd. Dat is ook nodig omdat bezoekers die na sluitingstijd in het horecabedrijf aanwezig zijn volgens artikel 3.26, eerste lid in overtreding zijn. Bezoekers kunnen zich zo op de hoogte stellen van de toegestane openingstijden. De leidinggevende van een horecabedrijf wordt in de exploitatie- of Alcoholwetvergunning vermeld. De namen zijn nodig, omdat exploitant en leidinggevende verantwoordelijk zijn voor een goede gang van zaken in het bedrijf en in de directe omgeving daarvan. Dit dient tot uiting te komen door het actief verrichten van de handelingen die hiervoor nodig zijn zoals in het derde lid wordt geëist. Het is gelet op de openbare orde ongewenst dat een horecabedrijf voor publiek geopend is als de verantwoordelijke personen, i.e. degenen die op de vergunning staan, niet aanwezig zijn. G De toelichting op artikel 3.17 en 3.18 komen te vervallen H De toelichting op artikel 3.20 Terrasverboden komt te luiden: Artikel 3.20 Terrasverboden In het eerste lid wordt het mogelijk gemaakt om de bijzondere weigeringsgronden voor een terras te veralgemeniseren en dit in de vorm van een aanwijzing voor een gebied te regelen. In het tweede lid wordt incidentele verwijdering van terrassen geregeld, bijvoorbeeld wegens werkzaamheden in de openbare ruimte of openbare orde motieven zoals bij risicovolle voetbalwedstrijden. I De toelichting op artikel 3.24 Bijzondere gronden voor wijziging of intrekking komt te luiden: Artikel 3.24 Bijzondere gronden voor wijziging of intrekking De specifieke gronden voor wijziging of intrekking vormen een aanvulling op de algemene gronden die in artikel 1.7 worden genoemd. De grond genoemd onder a regelt wijziging of intrekking als de regels van dit hoofdstuk worden overtreden of de vergunningen en de daaraan verbonden voorschriften niet worden nageleefd. De onder b genoemde gronden zien toe op overtredingen van voorschriften bij of krachtens de Omgevingswet, dus ook het omgevingsplan of vergunningvoorschriften in de omgevingsvergunning. De onder c genoemde gronden zien op de gevaren voor de openbare orde en veiligheid als de exploitant zelf betrokken is bij harddrugs, heling, illegaal gokken en andere activiteiten, die de openbare orde bedreigen of ernstig nalatig is geweest om hier tegen op te treden. De bepaling is zowel op het gedrag van de exploitant als dat van de leidinggevende van toepassing. De betrokkenheid moet "aannemelijk" zijn. Dit kan blijken uit een analyse van de bevindingen van de politie. Hetzelfde geldt voor ernstige nalatigheid. De bepaling kan niet worden gebruikt als de exploitant wel heeft getracht de bedoelde activiteiten te voorkomen maar daarin niet is geslaagd. In dat geval kan overigens wel een sluiting als bedoeld in artikel 2.10 APV of op grond van artikel 3.25 aan de orde zijn. Artikel III Dit besluit treedt in werking de dag na bekendmaking. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 2 september De voorzitterFemke Halsema De raadsgriffierJolien Houtman Toelichting Algemeen Deze wijziging van de APV maakt onderdeel uit van de benodigde wijzigingen in de regelgeving in Amsterdam als gevolg van het opnemen van het horecabeleid in het Omgevingsplan. Het deel van het Omgevingsplan dat over horeca gaat regelt een aantal onderwerpen die tot aan deze wijziging in de APV werden geregeld. Daarbij wordt een duidelijkere scheiding aangebracht in regels die met oog op de fysieke leefomgeving zijn gesteld en regels met de openbare orde en veiligheid als oogmerk. De regels over de fysieke leefomgeving staan nu zoveel mogelijk in het Omgevingsplan. De meest in het oog springende wijzigingen zijn de regels over openingstijden. Openingstijden worden met name gereguleerd gelet op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Wel blijft het aan de burgemeester om de openingstijden eventueel te beperken met oog op de openbare orde. Ook voor de exploitatie van terrassen geldt iets soortgelijks. De terrasmogelijkheden worden in principe beheerst door wat ruimtelijke mogelijk is, maar er kunnen redenen van openbare orde zijn om een vergunningaanvraag voor een terras toch (al dan niet gedeeltelijk) te weigeren. Voor de APV betekent dit met name dat een aantal artikelen vervallen die te maken hadden met openingstijden. Verder veranderen er definities: Horecabedrijf staat nu in artikel 1.1 gedefinieerd. De term komt ook in andere hoofdstukken dan hoofdstuk 3 voor. Verduidelijkt is dat ook sishalounges en dergelijke onder het horecabegrip vallen. Er wordt niet langer gewerkt met dag- avond- of nachtzaken. Artikelsgewijs Artikel 1.1 en 3.1, Definities In de APV stonden horecagerelateerde definities in hoofdstuk 3. Omdat horeca en horecazaken in andere hoofdstukken in de APV genoemd worden (bijvoorbeeld handel in horecabedrijven in hoofdstuk 2) horen deze definities in de algemene definities van hoofdstuk 1 te worden opgenomen. Een aantal van de definities vervallen. Nu in het omgevingsplan de openingstijden worden gereguleerd vanuit ruimtelijk perspectief, vervalt het onderscheid tussen dag-, avond- en nachtzaken. Ook het onderscheid tussen alcoholvrije en alcoholverstrekkende horecabedrijven vervalt omdat dit in het omgevingsplan en de Alcoholwet gereguleerd wordt. Het horecabedrijf omvat de horecazaak en de daarbij behorende terrassen en andere aanhorigheden. Daarmee is goed werkbaar in de artikelen, nu voor het bedrijf regels toezien op zowel de zaak binnen als de terrassen buiten, de zaak de toegankelijk besloten ruimte is en voor het terras als onderdeel van het bedrijf specifieke regels kunnen gelden. Het begrip van horecazaak is uitgebreider geformuleerd dan voorheen, nu ook duidelijk in de definitie staat dat sishalounges en dergelijke onder het begrip vallen. Artikel 3.11 In artikel 3.11 zijn twee veranderingen doorgevoerd. Ten eerste is dat zoals op meerdere plekken het geval is een andere invulling van ‘woon- en leefklimaat’. Het woon- en leefklimaat als zodanig is onderdeel van de fysieke leefomgeving. De omgevingsvergunning ziet dus in het kader van ruimtelijke toedeling van functies toe op de aanvaardbaarheid van de activiteit (in dit geval horeca) op de plaats, waarmee het woon- en leefklimaat op een relatief voorzienbare manier zal worden beïnvloed. Het kan echter ook zo zijn dat het woon- en leefklimaat in bepaalde mate onder druk staat door de feitelijke situatie ter plaatse. Met het verlenen van een vergunning kan dit met zich meebrengen dat er een nog hogere druk op de omgeving ontstaat. In de belangenafweging van de burgemeester kan dit betekenen dat het belang van vergunningverlening niet opweegt tegen de mate van toenemende druk op dit woon- en leefklimaat die de vergunning met zich mee zou brengen. Het gaat hierbij om effecten die druk en spanning hebben op de openbare orde en de handhaving daarvan. De andere wijziging is dat er wijzigingsgronden specifiek voor terrassen worden opgenomen in een nieuw vierde lid. Deze gronden stonden voorheen opgenomen als een terrasverbod in artikel 3.18. Dit levert een verschil op in regeltechnische benadering. Bij een vergunningaanvraag met een aanvraag voor een terras werd voorheen op grond van artikel 3.17 besloten over ingebruikname van de weg in afwijking van artikel 4.3 en bestond een afzonderlijk terrasverbod in artikel 3.18. Daaraan is onjuist dat in afwijking van artikel 4.3 werd besloten, omdat terrassen al uitgezonderd werden in artikel 4.3. Ook is het verbod dubbel, een terras maakt immers al deel uit van een horecabedrijf, dat niet zonder vergunning mag worden geëxploiteerd. Nu geldt dat bij een vergunningaanvraag met een aanvraag voor een terras ook dat de vergunningverlening voor het terras gewoon volgt uit artikel 3.8, waarbij in 3.11 ook specifieke weigeringsgronden voor het onderdeel terras zijn benoemd. Artikel 3.12, 3.13, 3.14 en 3.15 De artikelen over openingstijden. De basisregels over openingstijden zijn verplaatst naar het Omgevingsplan. Het zwaartepunt van openingstijden is immers de impact van de exploitatie op de fysieke leefomgeving tijdens openingsuren van de zaak. Als ook sprake is van invloed op de openbare orde door de exploitatie, dan heeft de burgemeester in artikel 3.15 wel de mogelijkheid om de openingstijden te beperken. De twee afwegingen ruimtelijk en openbare orde bestaan hier dus naast elkaar, waarbij in de praktijk het strengste regime geldt. Het zijn immers twee stelsels van gelijke orde. Als een horecabedrijf ruimtelijk tot 02:00 open kan zijn, maar gelet op de openbare orde maar tot 12:00, dan betekent dit dat in de vergunning zal worden opgenomen dat de sluitingstijd voor het bedrijf 12:00 is. Uitzondering is dat het Omgevingsplan het aan de burgemeester laat te beslissen in de gevallen van verruiming van de openingstijden met oog op veilige uitstroom van bezoekers. Artikel 3.16 In dit artikel is gelijkgesteld aan de Alcoholwet dat ook een leidinggevende aanwezig mag zijn als de aanvraag voor bijschrijving op de vergunning al wel is aangevraagd en bevestigd, maar nog niet op deze aanvraag is beslist. Vervallen artikelen 3.17 en 3.18, 3.19 en 3.20 De twee artikelen over terrassen zijn verwerkt in het aanvragen van de vergunning voor het horecabedrijf, dus zaak plus terras. Artikel 3.19 blijft ongewijzigd zodat het mogelijk blijft om gebieden aan te wijzen waar een exploitatieplan moet worden overgelegd met betrekking tot het beperken van de overlast door terrassen. Dit kan een effectievere manier zijn dan hier bij elke vergunningaanvraag tijdens de aanvraagprocedure afspraken moeten te gaan maken (mogelijk pas bij een zienswijze na een mogelijke afwijzing) voor de verlening van de vergunning met voorschriften met betrekking tot het terras. Artikel 3.18 en 3.20 zijn samengevoegd en opnieuw geformuleerd. Het gaat om de mogelijkheid van de burgemeester gebieden aan te wijzen waar geen terrassen zijn toegestaan en om situaties waarbij terrassen direct moeten worden verwijderd in specifieke situaties zoals voorafgaand aan risicovolle voetbalwedstrijden. Artikel 3.24 Toegevoegd aan de bijzondere intrekkingsgronden is het niet naleven van het gestelde in of op grond van de Omgevingswet. Vervallen artikel 3.46a. Overgangsregeling voor drie jaar, opgenomen in de APV in 2008, uitgewerkt in 2011 en nooit verwijderd. Vervallen Artikel 5.6 Overgegaan in het Omgevingsplan

Meer informatie