Regeling rechtspositie burgemeester en wethouders gemeente Arnhem 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op9 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Arnhem

Regeling rechtspositie burgemeester en wethouders gemeente Arnhem 2026 HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN ARNHEM; Gelezen het voorstel van 19 mei 2026; Gelet op de artikelen 44 en 66 van de Gemeentewet en de artikelen [3.2.10], 3.3.2, 3.3.3, tweede lid en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en artikel 3.8 van de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers; BESLUIT Nadere regels vast te stellen: Regeling rechtspositie burgemeester en wethouders gemeente Arnhem 2026. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2026. Artikel 1. Definitiebepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. college: college van burgemeester en wethouders. b. burgemeester: voorzitter van het college van burgemeester en wethouders. c. secretaris: de secretaris bedoeld in artikel 102 van de Gemeentewet. d. wethouder: lid van het college van burgemeester en wethouders. Artikel 2 Ter beschikking gestelde auto burgemeester en wethouders 1.Het college stelt ten laste van de gemeente een auto voor gemeenschappelijk gebruik ter beschikking als bedoeld in artikel 3.2.10 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en artikel 3.8 van de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers.2.De auto voor gemeenschappelijk gebruik wordt uitsluitend gebruikt voor zakelijke doeleinden.3.Onder gebruik voor zakelijke doeleinden wordt in dit artikel verstaan gebruik dat voor de toepassing van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende bepalingen niet als gebruik voor privédoeleinden wordt aangemerkt.4.Voor zover de burgemeester of de wethouder gebruik maakt van de auto voor gemeenschappelijk gebruik heeft hij geen aanspraak op vergoedingen van reiskosten, bedoeld in artikel 3.2.7, tweede lid, onder b, en artikel 3.2.9, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.5.Voor reizen voor de uitoefening van het ambt worden aan de burgemeester of wethouder bij gebruik van de ter beschikking gestelde auto de kosten voor parkeer-, veer- en tolkosten, voor zover van toepassing, ten laste van de gemeente vergoed, tenzij deze kosten uit andere hoofde worden vergoed. Artikel 3. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing 1.De burgemeester of de wethouder die een vergoeding wil ontvangen in verband met de deelname aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie (zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de gemeentesecretaris. 2.Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald. 3.Het verzoek wordt uitgevoerd nadat het is getoetst aan de kaders van deze regeling, het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers. Artikel 4. Informatie- en communicatievoorzieningen 1.De burgemeester of de wethouder tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld als bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2.De burgemeester of de wethouder levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen na schoning is mogelijk tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer. Artikel 5. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1.Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.2.Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze regeling, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964. Artikel 6. Betaling en declaratie van onkosten 1.Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van onkosten die op grond van deze regeling voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a.betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur; b.betaling vooruit uit eigen middelen; of c.betaling ten laste van de gemeentelijke creditcard. 2.Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken over te leggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.3.Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen een maand na factuurdatum of betaling door de burgemeester of wethouder ingediend bij de gemeentesecretaris.4.Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan burgemeester of wethouder zoveel mogelijk binnen een maand na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt. Artikel 7. Titel en inwerkingtreding 1.Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rechtspositie burgemeester en wethouders gemeente Arnhem 2026 en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het Gemeenteblad waarin deze regeling wordt geplaatst.2.De regeling rechtspositie burgemeester en wethouders gemeente Arnhem 2024 wordt ingetrokken. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, 19 mei 2026, de secretaris, de burgemeester, Toelichting regeling rechtspositie burgemeester en wethouders ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van burgemeesters en wethouders alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt. College verantwoordelijk voor uitvoering Een belangrijke noot betreft de uitvoering van het Rechtspositiebesluit, de Rechtspositieregeling en deze regeling. Steeds vaker zijn onderwerpen als scholing, preventieve beveiligingsmaatregelen en andere vergoedingen van individuele politieke ambtsdragers onderwerp van gesprek. Het is niet de bedoeling individuele verzoeken te agenderen en te bespreken in raads- en collegevergaderingen. Als een verzoek voldoet aan deze regeling en de centraal gestelde kaders uit het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling, dan wordt het verzoek uitgevoerd. Het college is verantwoordelijk voor de toetsing aan de kaders en de uitvoering. Ook het college is dus niet bevoegd om uitzonderingen of beperkingen op te leggen bij individuele verzoeken. In paragraaf 3.1 van de circulaire Wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten wordt hier uitgebreid bij stilgestaan. Dynamische regels Tijdens deze herzieningsronde is de regeling op enkele punten dynamisch gemaakt. In bepaalde artikelen zie je tussen blokhaken het woord ‘percentage’ in plaats van bedrag. Als de gemeente het maximale bedrag uit het Rechtspositiebesluit hanteert, kan hier dus 100% worden ingevuld. Als het bedrag wordt geïndexeerd, hoeft de regeling niet te worden aangepast. Uiteraard is het niet verplicht dit over te nemen. Indien uw gemeente liever bedragen opneemt in de regeling, attenderen wij u op de aanpassing daarvan bij indexatie van bedragen. Hoofdlijnen gemeentelijke regeling In deze regeling zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van burgemeesters en wethouders zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018) betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal van wettelijke regelingen af te wijken. Wel kunnen er nadere regels gesteld worden. Indien een gemeente besluit om nadere regels te stellen, zijn een aantal regels van belang. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke regeling. In artikel 44 en 66 Gemeentewet is bepaald dat ‘buiten hetgeen bij of krachtens de wet is toegekend’, de burgemeester en wethouders als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze regeling rechtspositie burgemeester en wethouders gemeente Arnhem 2026 is een (nadere) uitwerking van de gestelde regels van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen voor de burgemeesters en wethouders. De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Burgemeesters en wethouders zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente, maar wel benoemd. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat burgemeesters en wethouders wél ambtenaar in formele zin zijn, worden zij fiscaal behandeld als ware zij actief in dienstbetrekking door de Wet op de loonbelasting 1964. Er wordt daarom op de bezoldiging van burgemeesters en wethouders ook loonheffingen ingehouden. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is van toepassing op wethouders en burgemeesters. De burgemeester volgt de pensioenaanspraken van de ABP-Pensioenregeling. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Ter beschikking gestelde auto burgemeester en wethouders Voor burgemeester en wethouders is in dit artikel expliciet bepaald dat een auto voor gemeenschappelijk gebruik ter beschikking wordt gesteld. Het hele dagelijks bestuur maakt gebruik van deze auto. De gemeente Arnhem stelt geen leaseauto’s ter beschikking aan burgmeester of wethouders. Het gebruik van een dienstauto voor gemeenschappelijk gebruik is vanwege fiscale consequenties uitsluitend zakelijk toegestaan. Onder zakelijk gebruik wordt verstaan het fiscaal-zakelijk gebruik. Hieronder vallen ritten voor woon-werkverkeer, dienstreizen en ritten voor ambtsgebonden (“qq”) functies. Als bijvoorbeeld een wethouder zijn gemeente vertegenwoordigt en daarvoor een ter beschikking gestelde auto gebruikt, is er vanuit zijn functie als wethouder bezien sprake van zakelijk gebruik van die auto. Ook bij onbezoldigde commissies en functies van de VNG neemt de Belastingdienst het standpunt in dat er sprake is van zakelijke ritten. Van het gebruik van de auto wordt een rittenadministratie bijgehouden. Artikel 3. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing Voor burgemeesters en wethouders is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente. Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, tweede lid kan het college nadere regels stellen voor de eigen scholing. Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan komen te staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen als ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van individuele scholingsaanvragen. Het beoordelen of fiatteren van scholingsaanvragen is de verantwoordelijkheid van het college. De gemeentesecretaris is hiervoor gemandateerd. Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld. Ten eerste is prijs-kwaliteitverhouding van de scholing als voorwaarde toegevoegd om de kosten redelijk te houden. Daarnaast moeten de kosten niet al uit anderen hoofde worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 onderscheidenlijk 3.2.9 om, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, reis- en verblijfkosten in het kader van de scholing te vergoeden ten laste van de gemeente. Artikel 4. Informatie en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking op grond van een bruikleenovereenkomst. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Een computer is een desktop, een tabletcomputer of een laptop. Er mag slechts één computer verstrekt worden. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Hiervoor wordt een redelijk termijn (bijvoorbeeld een termijn tussen de 6 en 8 weken) afgesproken. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik. Als hergebruik niet aan de orde is, kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager, maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)).1 Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer. Artikel 5. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en in deze regeling aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan een burgemeester of wethouder kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de bestuurder loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen. Op de website van de VNG treft u advies over de vrije ruimte. Artikel 6. Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen op welk moment vergoedingen en onkosten betaald worden aan burgemeesters en wethouders. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kan dit artikel uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee burgemeester en wethouders gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Burgemeester en de wethouders declareren hun onkosten bij de gemeentesecretaris en dienen daarbij bewijsstukken te verstrekken. Het vereiste om bewijsstukken te verstrekken geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.2

Meer informatie