Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht
Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 29 september 2026, nr. UTSP-8141755331-2086 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht Gedeputeerde Staten van Utrecht; Gelet op artikel 1.4 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022; Overwegende dat het wenselijk is om de Subsidieregeling Leefomgeving Landelijk gebied te wijzigen: Besluiten: Artikel I De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 3.8, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden: g.in afwijking van de Beleidsregel paragraaf 3 sub h, kosten voor onvoorziene omstandigheden tot maximaal 5% van de uitvoeringskosten; B. Na artikel 3.8 wordt een artikel ingevoegd dat luidt: Artikel 3.9 Staatssteun De subsidie die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, betreft geen staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). C. Artikel 4.9 komt te luiden: Artikel 4.9 Staatssteun 1.Wanneer de activiteiten zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 1 sub a betrekking hebben op onderzoek naar bestrijdings-, beheers- en herstelmethoden is er mogelijk sprake van staatssteun en kan de steun met in achtneming van artikel 14 van de Landbouwvrijstellingsverordening of artikel 25 van de Algemene Vrijstellingsverordening worden vrijgesteld. 2.De overige activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend op grond van dit hoofdstuk worden aangemerkt als niet-economische activiteiten. Daarmee is voor deze activiteiten geen sprake van staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). D. Artikel 5.5 komt t luiden: Artikel 5.5 Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt in 2026 € 270.000,- en in 2027 € 100.000,-. E. Artikel 5.6 komt te luiden: Artikel 5.6 Hoogte van de subsidie 1.In 2026 bedraagt de subsidie minimaal € 2.500,- en maximaal € 50.000,-. 2.In 2027 bedraagt de subsidie minimaal € 2.500,- en maximaal € 25.000,-. 3.De subsidie bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten. F. Artikel 5.7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1.Onderdeel e vervalt. 2.Onderdeel f wordt geletterd e. G. Artikel 5.8 komt te luiden: Artikel 5.8 Staatssteun Als de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk kwalificeert als staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, VWEU, wordt deze verleend met inachtneming van de van toepassing zijnde De-minimisverordening. H. Artikel 6.5 komt te luiden: Artikel 6.5 Subsidieplafond Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 165.000,- en voor 2027 € 165.000,-. I. Na artikel 6.7 wordt een artikel ingevoegd dat luidt: Artikel 6.8 Staatssteun De subsidie die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, betreft geen staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). J. Artikel 7.1.9 komt te luiden: Artikel 7.1.9 Staatssteun Als sprake is van staatssteun, gebeurt de subsidieverlening met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 26 oktober 2018, C(2018) 6937, met betrekking tot steunmaatregel SA.104064 (Catalogus Groenblauwe diensten). K. Artikel 7.2.9 komt te luiden: Artikel 7.2.9 Staatssteun Als sprake is van staatssteun, gebeurt subsidieverlening met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 26 oktober 2018, C(2018) 6937, met betrekking tot steunmaatregel SA.104064 (Catalogus Groenblauwe diensten). L. Artikel 9.9 komt te luiden: Artikel 9.9 Staatssteun Als de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk kwalificeert als staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, VWEU, wordt deze verleend met inachtneming van de van toepassing zijnde De-minimisverordening. M. Artikel 13.8 komt te luiden: Artikel 13.8 Staatssteun Als de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk kwalificeert als staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, VWEU, wordt deze verleend met inachtneming van de van toepassing zijnde De-minimisverordening. N. In artikel 15.3, vijfde lid, wordt in onderdeel c “; en” vervangen door een puntkomma. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door “; en” wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: e.een adviesverslag opgesteld door de wolvenconsulent provincie Utrecht. O. Artikel 15.3, eerste lid komt te luiden: Artikel 15.3 Aanvraag Een aanvraag voor subsidie kan tot en met 31 december 2027 worden ingediend. P. Artikel 15.6 komt te luiden: Artikel 15.6 Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor 2026 bedraagt € 300.000,-. 2.Het subsidieplafond voor 2027 bedraagt € 200.000,-. Q. Artikel 15.9 komt te luiden: Artikel 15.9 Staatssteun Als de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk kwalificeert als staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, VWEU, wordt deze verleend met inachtneming van de van toepassing zijnde De-minimisverordening. R. Artikel 16.8 komt te luiden: Artikel 16.8 Staatssteun Als de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk kwalificeert als staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, VWEU, wordt deze verleend met inachtneming van de van toepassing zijnde De-minimisverordening. S. Artikel 17.9 komt te luiden: Artikel 17.9 Staatssteun Als sprake is van staatssteun, gebeurt subsidieverlening met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 26 oktober 2018, C(2018) 6937, met betrekking tot steunmaatregel SA.104064 (Catalogus Groenblauwe diensten). T. In de Bijlage bij hoofdstuk 1, artikel 1.1 wordt in de begripsbepaling bij Catalogus Groenblauwe Diensten “met het goedkeuringsbesluit SA.44848 (2017/N) goedkeuring heeft verleend” vervangen door “met het goedkeuringsbesluit SA.44848 (2017/N) goedkeuring heeft verleend en verlengd bij maatregel SA.59078 (2020/N) en SA.104064 (2022/N).”. U. In de Bijlage bij hoofdstuk 7 komt de tekst onder L01.15 Natuurvriendelijke oever (II.2, Cluster overgang nat-droog) te luiden: Algemene beschrijving Natuurvriendelijke oevers komen in heel Nederland voor langs waterlopen, maar het meest karakteristiek zijn de natuurvriendelijke oevers voor Laag-Nederland. Natuurvriendelijke oevers zijn door de mens aangebracht in de vorm van een plas- of drasberm of een flauw talud langs een bestaande waterloop. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde. Zij zijn gebonden aan typische terreinomstandigheden. Als specifieke inrichtingsvariant kan een vooroever worden toegepast, bijvoorbeeld in situaties met een hoge mate van oevererosie. Een vooroever kan in diverse varianten worden aangelegd. Zoals schotten boven of onder water, met een balk, of via constructies van wilgentenen. Een vooroever kan ook van tijdelijke aard zijn, bijvoorbeeld een constructie van palen en wiepen. Dit beschermt de achterliggende oever tegen verstoringen, zoals door woelende karpers, zodat de vegetatie zich ongestoord kan ontwikkelen. Afbakening •Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse planten. •Indien er gebruik wordt gemaakt van een vooroever, hoeft het flauwe talud niet direct bij inrichting gerealiseerd te zijn. Door opslibbing en aanvoer van organisch materiaal in de vooroeverzone zal de oever op termijn de gewenste flauwte krijgen. Hoewel er bij de inrichting nog geen sprake is van een natuurvriendelijke oever, is de ontwikkeling hiertoe met de aanleg van de vooroever wel in gang gezet. •Natuurvriendelijke oevers zijn minimaal 3 en maximaal 10 meter breed. Voorschriften: •Vergoeding op basis van werkelijke kosten voor arbeid, machines en materiaal; •Onder profiel brengen van de oevers. De vorm van het profiel is afhankelijk van de geformuleerde doelstelling; •Overige inrichtingsmaatregelen noodzakelijk om de geformuleerde doelstelling te kunnen realiseren komen voor vergoeding in aanmerking. •Bij toepassing van een vooroever moet deze passeerbaar zijn voor soorten. •Beschermen tegen schade als gevolg van beweiding of bewerking op aangrenzende gronden. V. De bijlage bij hoofdstuk 15 wordt vervangen door: Bijlage bij hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters Aangewezen subsidiegebied wolf Op deze kaart is de begrenzing vastgesteld van het gebied waarbinnen subsidie kan worden aangevraagd, het Aangewezen subsidiegebied wolf, te weten ‘De Utrechtse Heuvelrug’, ruim begrensd via de buitengrenzen van de gemeenten: Amersfoort, Soest, Baarn, De Bilt, Bunnik, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede, Woudenberg, Rhenen, Veenendaal, Renswoude, Houten en Leusden. W. De toelichting wordt als volgt gewijzigd: 1.Onder Hoofdstuk 3 leefgebieden bedreigde soorten wordt in de tekst onder Artikel 3.8 Subsidiabele kosten “de 10% genoemd onder d.” vervangen door “de 10% genoemd onder onderdeel e” en “onder uitvoeringskosten in onderdeel f” vervangen door “onder uitvoeringskosten in onderdeel g”. 2.Onder hoofdstuk 3 leefgebieden bedreigde soorten wordt in de tekst onder Artikel 3.8 Subsidiabele kosten aan het slot toegevoegd: De kosten voor onvoorziene omstandigheden genoemd onder g. zijn in afwijking van de beleidsregel projectsubsidies tot een beperkt percentage van de uitvoeringskosten subsidiabel gesteld. Op deze manier wordt aangesloten bij de werkwijze voor verschillende natuursubsidies van de provincie Utrecht. 3.Onder Hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven Utrecht wordt “Artikel 8.4 Aanvraag” vervangen door “Artikel 8.3 Aanvraag” en “Artikel 8.6 Verplichtingen” vervangen door “Artikel 8.5 Verplichtingen”. Artikel II Inwerkingtreding en intrekking Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal blad. Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 29 september 2026, Gedeputeerde Staten van Utrecht, Voorzitter, mr. J.H. Oosters Secretaris, mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen
Meer informatie