Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026
Wijzigingsverordening 2026.1 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026 De gemeenteraad van de gemeente Tilburg, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, gelet op artikel 2.9 van de Jeugdwet, b e s l u i t vast te stellen de Wijzigingsverordening 2026.1 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026. Artikel I De Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026 wordt als volgt gewijzigd. A. Artikel 2.1 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 2.1 Jeugdhulp via een arts 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdhulp wordt ingezet, wanneer een huisarts, medisch specialist of jeugdarts jeugdigen en hun ouders doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder of naar het samenwerkingsverband van gespecialiseerde jeugdhulpaanbieders. 2.Artsen verwijzen een jeugdige en zijn ouders uitsluitend door naar een jeugdhulpaanbieder die het college gecontracteerd heeft om jeugdhulp te verlenen. 3.Jeugdhulpaanbieders houden zich aan de regels uit deze verordening en de contractuele afspraken die met hen zijn gemaakt, bij het bepalen van de vorm, omvang en duur van de jeugdhulp die nodig is. 4.Het college legt de voorziening van de jeugdhulpaanbieder vast in een beschikking. B. Artikel 4.4 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 4.4 Tarieven – hoogte 1.De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het budgetplan, en wordt berekend op basis van een tarief of prijs waarmee de jeugdige of zijn ouders passende jeugdhulp kan inkopen. 2.Het tarief voor professionele hulp is 85% van het laagste tarief waarvoor het college dezelfde passende jeugdhulp heeft gecontracteerd (kostprijs zorg in natura). 3.Zodra de tarieven van de gecontracteerde jeugdhulp wijzigen, worden de tarieven voor professionele hulp aangepast, met hetzelfde indexeringspercentage als voor gecontracteerde jeugdhulp, en met ingang van dezelfde datum. 4.Als het tarief niet toereikend is om daarmee passende jeugdhulp in te kopen, en als het college geen aanbieder heeft gecontracteerd voor de toegekende jeugdhulp, dan wordt het tarief op een bedrag gesteld, waarmee bij ten minste één jeugdhulpverlener of organisatie de jeugdhulp ingekocht kan worden. 5.Het tarief voor informele hulp is gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek, behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg) die voor dezelfde periode geldt, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. De pgb’s worden geïndexeerd in overeenstemming met deze cao. 6.In afwijking van het vorige lid is de hoogte van het pgb voor informele hulpverleners die tot het sociale netwerk van de inwoner behoren, gelijk aan het wettelijk minimum uurloon vermeerderd met de vakantietoeslag en, indien van toepassing, de tegenwaarde van de verlofuren. 7.Als de jeugdige of ouder en de hulpverlener een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en de jeugdige of ouder werkgeverslasten moet afdragen, dan wordt het pgb verhoogd met die werkgeverslasten. Voor de berekening van de werkgeverslasten wordt het percentage van het hoge tarief, dat jaarlijks wordt vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank, gebruikt. 8.Als uit het budgetplan blijkt dat de jeugdige of de ouders passende jeugdhulp voor een lager tarief kunnen inkopen, dan rekent het college met dat tarief. 9.De tarieven voor de pgb’s en de verschillende vormen van jeugdhulp neemt het college op in een overzicht, dat in een nadere regeling wordt vastgelegd en actueel wordt gehouden. Artikel II De Toelichting bij de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026 wordt als volgt gewijzigd. A. De toelichting op Hoofdstuk 1, betrekking hebbende op artikel 1.1 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 1.1 Begrippen Enkele begrippen nader toegelicht: Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening. Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig. De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. Maar in de Memorie van toelichting spreekt de wetgever over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en ook binnen de Wmo2015 gebruikt wordt, is deze overgenomen in de verordening. Lid 1 onderdeel b: cliëntondersteuner. Het college wijst jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. De definitie is ontleend aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo2015 - artikel 1.1.1). Daar is cliëntondersteuning geregeld en omvat ook ondersteuning aan ouders en jeugdigen. Cliëntondersteuning wordt in Tilburg vormgegeven door ‘meedenkers’ vanuit de maatschappelijke organisaties MEE en ContourDetwern. Lid 1 onderdeel d: eigen kracht. Zowel bij degenen die beroepsmatig betrokken zijn bij jeugdhulp als bij de doelgroep, zal het begrip ‘eigen kracht’ een bekendere klank hebben, dan het in de Jeugdwet gebruikte ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’, zoals in bijv. artikel 2.3 lid 1 wordt genoemd. Er wordt wel hetzelfde bedoeld. Lid 1 onderdeel f: individuele voorziening. Een individuele voorziening is niet vrij toegankelijk. Hiervoor is een individuele – op de jeugdige of zijn ouders toegesneden - beoordeling door of namens het college voor nodig. Lid 1 onderdeel i: Samenwerkingsverband hoogspecialistische jeugdhulp. Hoog specialistische jeugdhulp is intensieve hulp bij zeer complexe en/of meervoudige problematiek. Ook verblijfsvoorzieningen met behandelgroepen, waar een jeugdige buiten het eigen gezin opgevangen wordt, vallen onder de hoog specialistische jeugdhulp. Deze hoogspecialistische jeugdhulp wordt ingezet na doorverwijzing door Toegang Tilburg of artsen naar Crossroads, een samenwerkingsverband van jeugdhulpaanbieders. Crossroads is een zorgcombinatie van specialistische organisaties in de regio’s West Brabant West, Hart van Brabant en West Brabant Oost. Na doorverwijzing koppelt Crossroads een geschikte hulpverlener aan de jeugdige. Lid 1 onderdeel j: sociale netwerk. Om te verduidelijken wat onder sociale netwerk wordt verstaan is hier een omschrijving opgenomen. Het gaat om mensen die een betekenisvolle sociale relatie hebben met de jeugdige of zijn ouders. Het gaat dus niet om personen die een zakelijke/commerciële relatie met de jeugdige/ouders hebben, bijv. een huisgenoot met een huurcontract. Het begrip komt overeen met het sociaal netwerk in de Wmo2015. Lid 1 onderdeel k: Toegang Tilburg. Toegang Tilburg is een samenwerking van de afdelingen Dienstverlening en Werk & Inkomen van de gemeente Tilburg, IMW regio Tilburg, MEE De Meent Groep en GGD Hart voor Brabant. Toegang Tilburg helpt inwoners die met een vraag of probleem zitten over thema’s als opvoeding, werk en inkomen, en wonen, en neemt namens het college meldingen voor hulpvragen in behandeling, maar neemt geen besluiten. De dienstverlening van Toegang Tilburg is o.a. georganiseerd via meerdere wijkteams. Lid 2. Het aantal definities is beperkt, omdat de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dat geldt ook voor definities die in het Besluit Jeugdwet, de regeling Jeugdwet en in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn opgenomen en in deze verordening worden gebruikt. Denk aan de begrippen ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘besluit’ (artikel 1:2 van de Awb). B. De toelichting op Hoofdstuk 2, betrekking hebbende op artikel 2.2, wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 2.2 Jeugdhulp via de gemeente Leden 1 en 2. Een melding voor een hulpvraag kan bij Toegang Tilburg – namens het college – worden gedaan. In dit artikel zijn de belangrijkste elementen van de procedure beschreven: de verschillende manieren waarop de melding kan worden gedaan, de ontvangstbevestiging, vraagverheldering, het gesprek over de hulpvraag, het familiegroepsplan en de hulp van een cliëntondersteuner. In Nadere regels of beleidsregels kan de procedure meer in detail worden uitgewerkt. Uitgangspunt is, dat meldingen op allerlei manieren kunnen worden gedaan. Toegang Tilburg checkt vervolgens of het een vraag is over jeugdhulp of een ander/breder type vraag, en waar de vraag het beste kan worden beantwoord. Vervolgens kan een aanvraag worden ingediend. Toegang Tilburg kan daarvoor een schriftelijk of digitaal formulier gebruiken in de zin van artikel 4:4 Awb. De procedure m.b.t. het indienen van aanvragen wordt beheerst door de Awb. Een melding die voldoende concreet is, kan een aanvraag zijn, waarop een besluit moet volgen (met bezwaarclausule), en waarvoor bepaalde behandelvoorschriften gelden. Lid 3. Toegang Tilburg zorgt ervoor dat meldingen op korte termijn in behandeling worden genomen. De eerstvolgende stap is dan een gesprek met de jeugdige en zijn ouders. Het college wijst op de mogelijkheid om een familiegroepsplan te maken. Dat is een plan dat ouders samen met de jeugdige en het sociale netwerk maken om de problematiek het hoofd te bieden. Ouders houden daarmee de regie over het proces om de situatie te verbeteren. Het familiegroepsplan wordt dan betrokken bij de hulpvraag. Cliëntondersteuners – meedenkers van MEE of ContourDeTwern - kunnen ouders ondersteunen om het familiegroepsplan vorm te geven. Lid 4. Voor het nemen van een passend besluit op de hulpvraag is het noodzakelijk dat ouders en jeugdigen tijdig de juiste gegevens doorgeven én meewerken aan het onderzoek waar dat nodig is (zie ook artikel 8.1.2 lid 3 Jeugdwet). Dat is hier vastgelegd. Ontbreekt het aan die gegevens of medewerking, dan kan niet beoordeeld worden of er jeugdhulp ingezet moet worden, en kan een aanvraag worden afgewezen. Lid 5. In spoedeisende situaties moet snel hulp ingezet kunnen worden. Dat is hier beschreven. Het gaat altijd om hulp die voor een beperkte periode wordt ingezet, totdat een meer definitief besluit over jeugdhulp kan worden genomen C. De toelichting op Hoofdstuk 4, betrekking hebbende op artikel 4.4, wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 4.4 Tarieven – hoogte Lid 1. Het budgetplan vormt de basis om vast te stellen of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en zo ja, wat dan de hoogte van het tarief voor het pgb wordt. Als het budgetplan onvoldoende informatie bevat, kan het college om aanvulling vragen. Geeft het budgetplan uiteindelijk nog onvoldoende zekerheid, dan kan het pgb worden afgewezen en wordt zorg in natura ingezet. Het college kan over het budgetplan nadere regels stellen. Lid 2. Het tarief voor professionele jeugdhulp wordt gesteld op een percentage (85%) van de zorg in natura tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden (lid 8). Het tarief is lager dan de zorg in natura-tarieven, gelet op het ontbreken van een aantal kosten voor de budgethouder. Lid 3. Ook voor de tarieven voor professionele jeugdhulp geldt, dat deze wijzigen vanaf de datum waarop de tarieven voor zorg in natura wijzigen. Lid 4. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan. Blijkt dat in een individueel geval niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 5. In aansluiting op de jurisprudentie over individuele begeleiding binnen de Wmo2015 (CRvB 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580) is in lid 5 geregeld dat het tarief voor een pgb voor informele hulp afgeleid wordt van de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Lid 6. Als de jeugdhulp door een informele hulpverlener uit het sociale netwerk wordt geleverd is de hoogte van het pgb gelijk aan het wettelijk minimum uurloon. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak, CRvB 30 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1276, rechtsoverweging 7.7.2, bepaald dat voor het informele tarief voor de hulp uit het sociale netwerk aangesloten kan worden bij het wettelijk minimumloon. Lid 7. Het pgb wordt verhoogd met de werkgeverslasten als daarvan sprake is. Dat is het geval als sprake is van een werkgevers- en werknemersrelatie tussen respectievelijk de jeugdige of ouder en de hulpverlener en er een arbeidsovereenkomst, als bedoeld in artikel 7:610 lid 1 Burgerlijk Wetboek, tussen hen is afgesloten voor het verlenen van de hulp en de betaling door middel van het pgb. Voor die arbeidsovereenkomst dient men, gelet op artikel 8a lid 2 Regeling Jeugdwet, de meest recente modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank te gebruiken. Lid 8. In aansluiting op het uitgangspunt, dat voor de minst kostbare oplossing wordt gekozen om aan de hulpvraag tegemoet te komen, als er verschillende passende oplossingen zijn, geldt ook voor de tariefstelling, dat uitgegaan wordt van een lager tarief dan de norm, als degene die jeugdhulp verleent, bereid is om dat voor een lager bedrag te doen. Lid 9. Om duidelijkheid te geven over de actuele tarieven, neemt het college in Nadere regels de geldende tarieven op. D. De toelichting op Hoofdstuk 7, betrekking hebbende op artikel 7.1, wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 7.1 Afstemming met andere voorzieningen Lid 1. In lid 1 zijn drie manieren beschreven waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere vormen van hulp en zorg. Onderdeel a beschrijft het attent maken op en doorverwijzen naar andere vormen van hulp en zorg, en de begeleiding daarbij, al dan niet met ondersteuning van een ‘meedenker’ van MEE of ContourDeTwern. Onderdeel b beschrijft de beleidsmatige component: het college zorgt ervoor, dat het belang van jeugdigen betrokken wordt bij beleidsvorming op andere vlakken, zoals onderwijs, werk en inkomen en wonen. Dat is geheel in lijn met de wens van de Kinderombudsman (zie het jaarverslag 2024). De Kinderombudsman pleit ervoor om bij het maken van regels een kinderrechtentoets uit te voeren. Deze toets helpt beleidsmakers om bij nieuw én bestaand beleid steeds te checken: “Hoe raakt dit kinderen?” Onderdeel c legt een zorgplicht op het college om voorzieningen echt op elkaar af te stemmen, zodat een optimaal effect voor jeugdhulp én jeugdigen wordt bereikt. Denk daarbij aan het inzetten van Wmo- en jeugdhulpvoorzieningen door dezelfde aanbieder (waar mogelijk). Lid 2. Dit lid behoeft geen nadere toelichting. Lid 3. Gaat het om de inzet van jeugdhulp via de genoemde organisaties, dan is overleg over de inzet van jeugdhulp belangrijk, om ervoor te zorgen dat de jeugdigen zo goed mogelijk ondersteund worden. Daarover zijn afspraken gemaakt. Artikel IV In afwijking van artikel I onderdeel B, is artikel 4.4, zesde lid, niet van toepassing op besluiten die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling. Artikel V Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na de bekendmaking, met dien verstande dat artikel 4.4, zesde lid, uit Onderdeel B van Artikel I, in werking treedt op 1 januari 2027, en artikel 4.4, zevende lid, uit Onderdeel B van Artikel I, terugwerkt tot en met 1 januari 2026. Artikel VI Deze verordening wordt aangehaald als de Wijzigingsverordening 2026.1 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 september 2026, de burgemeester,de griffier
Meer informatie