Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026
Wijzigingsverordening 2026.1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026 De gemeenteraad van de gemeente Tilburg, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, gelet op artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, b e s l u i t vast te stellen de Wijzigingsverordening 2026.1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026. Artikel I De preambule van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026 wordt als volgt gewijzigd. A. De preambule wordt gewijzigd en komt te luiden: De gemeenteraad van de gemeente Tilburg, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het artikel 4:81, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en de artikelen 3.8, eerste lid, en 5.4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, b e s l u i t 1.de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025, gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, nr. 496005, per 1 januari 2026 in te trekken, 2.vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026. Artikel II De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026 wordt als volgt gewijzigd. A. Artikel 4.2 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 4.2 Verhuizen en de verhuiskostenvergoeding 1.Indien een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening zijnde een woonvoorziening, maar een verhuizing zou de goedkoopste voorziening zijn, dan heeft de verhuizing het primaat. 2.Het college past het primaat van verhuizen uitsluitend toe: a.als er binnen een medisch aanvaardbare termijn een geschikte woning beschikbaar is, b.het kostenverschil tussen de woonvoorziening en de verhuiskosten aanzienlijk is, en c.na een beoordeling van de individuele omstandigheden en de persoonlijke belangen van de inwoner, waaruit geconcludeerd kan worden dat een verhuizing daadwerkelijk een compenserende voorziening zal zijn. 3.Indien het college het primaat van verhuizen kan toepassen, maar de inwoner wil niet verhuizen, dan kent het college in de plaats van een woonvoorziening een bedrag ter hoogte van een verhuiskostenvergoeding toe. 4.Indien het college het primaat van verhuizen kan toepassen en de inwoner wil verhuizen, dan verstrekt het college een huisvestingsindicatie met een geldigheid van twaalf maanden. Daarmee kan de inwoner zich als woningzoekende inschrijven bij een woningcorporatie in de gemeente en voorrang krijgen op een woning die geschikt is. B. Artikel 5.3 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 5.3 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor diensten 1.Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor begeleiding, dagopvang, ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding of kortdurend verblijf wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en informele zorg- of dienstverleners. 2.Van een professionele zorg- of dienstverlener is sprake als de zorg of de dienst verleend wordt door een persoon: a.die werkzaam is bij een instelling of die aangemerkt is als zelfstandige zonder personeel die, ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren activiteit, ingeschreven staat in het handelsregister, en b.die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende activiteit, en c.die niet in eerste, tweede of derde graad van bloed- of aanverwantschap tot de inwoner staat, of die niet een gezamenlijke huishouding met de inwoner voert, of die niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner. 3.Van een informele zorg- of dienstverlener is sprake als de zorg of de dienst geboden wordt door een andere persoon dan bedoeld in het tweede lid. 4.De professionele zorg- of dienstverlener moet voldoen aan de kwaliteitseisen in artikel 7.2, eerste en tweede lid. 5.De informele zorg- of dienstverlener moet voldoen aan de kwaliteitseisen in artikel 7.2, eerste lid. 6.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.2 is de hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele zorg- of dienstverleners: a.voor begeleiding gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 69,39 per uur, b.voor dagopvang gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 31,20 per dagdeel, c.voor ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 31,12 per dagdeel, d.voor kortdurend verblijf gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van i.€ 105,10 per etmaal, inclusief vijf uren begeleiding, ii.€ 138,77 per etmaal, inclusief negen uren begeleiding, iii. € 172,45 per etmaal, inclusief dertien uren begeleiding, en e.voor beschermd thuis gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 65,94 per etmaal. 7.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele zorg- of dienstverleners wordt gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek in salarisschaal FWG 30 van de cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Voor informele en professionele zorg- of dienstverleners die dagopvang of ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding bieden, is het tarief voor een dagdeel gelijk aan 50% van het uurloonbedrag van diezelfde periodiek. 8.In afwijking van de eerste volzin van het vorige lid is de hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele zorg- of dienstverleners die tot het sociaal netwerk van de inwoner behoren, gelijk aan het wettelijk minimumloon, vermeerderd met de vakantietoeslag en, indien van toepassing, de tegenwaarde van de verlofuren. 9.In afwijking van het zesde en zevende lid wordt het persoonsgebonden budget dat de inwoner of diens vertegenwoordiger beogen te verzilveren bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder voor het leveren van zorg in natura, vastgesteld op dezelfde hoogte van het bedrag dat de aanbieder zou ontvangen als de inwoner zijn maatwerkvoorziening in natura zou ontvangen. 10.Als de inwoner en de zorg- of dienstverlener een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en de inwoner werkgeverslasten moet afdragen, dan wordt het persoonsgebonden budget verhoogd met die werkgeverslasten. Voor de berekening van de werkgeverslasten wordt het percentage van het hoge tarief, dat jaarlijks wordt vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank, gebruikt. C. Artikel 5.11 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 5.11 Hoogte van een persoonsbonden budget voor hulp bij het huishouden 1.De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek van de salarisschaal voor hulp bij het huishouden in de cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren, vermenigvuldigd met de omvang van de benodigde tijd voor hulp bij het huishouden. 2.In afwijking van het vorige lid is de hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden die geleverd wordt vanuit het sociaal netwerk van de inwoner, gelijk aan het wettelijk minimumloon, vermeerderd met de vakantietoeslag en, indien van toepassing, de tegenwaarde van de verlofuren. 3.Indien de cliënt en de zorg- of dienstverlener een lager tarief zijn overeenkomen, dan wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget op die overeenkomst gebaseerd. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt niet gebaseerd op een overeenkomst waarin een lager loon dan dat wettelijk is toegestaan, is overeengekomen. 4.Als de inwoner en de zorg- of dienstverlener een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en de inwoner werkgeverslasten moet afdragen, dan wordt het persoonsgebonden budget verhoogd met die werkgeverslasten. Voor de berekening van de werkgeverslasten wordt het percentage van het hoge tarief, dat jaarlijks wordt vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank, gebruikt. 5.Het eerste lid is onverkort van toepassing indien de cliënt en de zorgverlener een hoger tarief zijn overeenkomen. Artikel III De Toelichting bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026 wordt als volgt gewijzigd. A. De eerste alinea met een toelichting op Hoofdstuk 1, betrekking hebbende op artikel 1.1, wordt gewijzigd en komt te luiden: In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat de betekenis is van bepaalde begrippen die in deze verordening worden gebruikt. De begripsbepalingen in artikel 1.1 zijn aanvullend op de definities die in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 staan. Een aantal begrippen wordt hier nader toegelicht. De omschrijving van de algemeen gebruikelijke voorziening, onderdeel a, is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB 20 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535, rechtsoverweging 4.2. De zorg- of dienstverlener, onderdeel s, is degene die jegens de inwoner gehouden is een voorziening te leveren en met een persoonsgebonden budget wordt betaald. Met deze term wordt een duidelijk onderscheid beoogd met de aanbieder uit artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren en dat dus in natura doet. B. De eerste alinea met een toelichting op Hoofdstuk 5, betrekking hebbende op artikel 5.1, wordt gewijzigd en komt te luiden: De gemeente kan de zorg zelf organiseren in natura, maar in plaats daarvan ook een persoonsgebonden budget toekennen. Daarmee kan de inwoner zelf de zorg inkopen. In dit hoofdstuk staan regels over het persoonsgebonden budget. Deze regels zijn aanvullend op de bepalingen uit de Wmo 2015. In artikel 5.1 staan de algemene regels die voor een persoonsgebonden budget gelden. In lid 1 staat als eerste de voorwaarde genoemd dat een inwoner in aanmerking moet komen voor een maatwerkvoorziening. Dat betekent dat de melding, het onderzoek en de aanvraag uit hoofdstuk 2 en de criteria uit hoofdstuk 4 ook van toepassing zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een persoonsgebonden budget. Aan de hand van het budgetplan wordt getoetst of voldaan wordt aan de criteria uit artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 om een persoonsgeboden budget te verstrekken. In lid 2 staat een aantal beperkingen voor de besteding van een persoonsgebonden budget. Onderdeel d, waarin staat dat een persoonsgebonden budget niet mag worden besteed aan de kosten voor huisvesting, betekent onder andere dat een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen niet mogelijk is. Huisvesting is, gelet op artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015, een onlosmakelijk deel van beschermd wonen; zodoende is een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen niet mogelijk. De wetgever heeft daarover gezegd dat als gemeenten geen persoonsgebonden budget voor deze wooncomponent verstrekken, dat dit betekent dat er dan ook geen persoonsgebonden budget voor beschermd wonen verstrekt moet worden, Kamerstukken II 2018-19, 35093, nr. 3, p. 4-5. Bovendien laat het systeem van de Wmo 2015 het niet toe dat een onderdeel van de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt geleverd in de vorm van een persoonsgebonden budget en het resterende deel in zorg in natura, Rechtbank Den Haag, 14 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6965, rechtsoverweging 6.2.2. Met onderdeel h, waarin staat dat een persoonsgebonden budget niet mag worden besteed aan een eenmalige uitkering, wordt bedoeld dat er geen resterend budget wordt uitgekeerd als de zorgovereenkomst plotseling gestopt is door, bijvoorbeeld, overlijden of definitieve opname van de inwoner. In lid 3 wordt genoemd dat een persoonsgebonden budget, in beginsel, niet buiten Nederland mag worden besteed. In beginsel, want het college heeft de ruimte om bij nadere regeling de criteria te bepalen wanneer daarvan afgeweken mag worden. De Wmo 2015 heeft, onder meer, als doel om mensen in staat te stellen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving – dus thuis – te blijven. Dat blijkt uit artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Een besteding van het persoonsgebonden budget buiten Nederland zou dan in strijd kunnen komen met dat doel. In lid 4 en lid 5 staat een beperking ten aanzien van de vertegenwoordiger van de inwoner; de zorg- of dienstverlener mag niet tevens het persoonsgebonden budget beheren. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de familieleden tot en met de derde graad van bloed- of aanverwantschap of de persoon die samen met de inwoner een gezamenlijke huishouding voert. De graden van bloed- en aanverwantschap worden vastgesteld op de wijze als bedoeld in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek. In lid 6 staat dat het college de bevoegdheid heeft om aan de Sociale verzekeringsbank te vragen om de betalingen uit het persoonsgebonden budget op te schorten; onderdeel b vult de bevoegdheid uit artikel 2b lid 6 aanhef en onderdeel g Uitvoeringsregeling Wmo 2015 aan. C. De derde alinea met een toelichting op Hoofdstuk 5, betrekking hebbende op artikel 5.3 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 5.3 bevat de aanvullende criteria voor de diensten. In lid 2 wordt de definitie van de professionele zorg- of dienstverlener gegeven. Als de beoogde zorg- of dienstverlener niet aan de criteria van lid 2 voldoet, dan kan hij nog wel een informele zorg- of dienstverlener, als bedoeld in lid 3, zijn. Dat geldt ook voor de zorg- of dienstverlener die zijn diensten bedrijfsmatig verleent, maar die niet aan de bepalingen van lid 2 voldoet. Deze informele zorg- of dienstverlener moet dan wel geschikt zijn om het beoogde resultaat te bereiken; op grond van artikel 2.3.6 lid 2 aanhef en onderdeel c Wmo 2015 moeten de diensten namelijk, naast veilig en inwonergericht, doeltreffend zijn. In lid 7 wordt voor de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget, waarmee de individuele begeleiding door een informele zorg- of dienstverlener wordt betaald, verwezen naar de hoogste periodiek van salarisschaal FWG 30 van de cao VVT. De Centrale Raad van Beroep heeft namelijk geoordeeld dat deze periodiek de minimale hoogte van het uurtarief voor individuele begeleiding is, CRvB 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580, rechtsoverweging 4.4.2. In de tweede volzin staat dat 50% van hetzelfde uurtarief wordt gehanteerd voor een dagdeel voor dagopvang of ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding. De gedachte daarachter is dat dit ondersteuning is die groepsgericht wordt aangeboden. De zorg- of dienstverlener biedt dan meerdere cliënten gelijktijdig de ondersteuning. Voor het bieden van die groepsgerichte ondersteuning is het niet nodig dat iedere cliënt individueel het uurloon aan de zorg-of dienstverlener betaalt. De Sociale Verzekeringsbank gaat voor zijn berekeningen ervan uit dat een dagdeel vier uren duurt. Dat betekent dat als de informele zorg- of dienstverlener aan acht cliënten gelijktijdig groepsgerichte ondersteuning biedt, hij hetzelfde bedrag per uur betaald krijgt als een begeleider die voor het informeel tarief individuele ondersteuning biedt. In afwijking van het vorige lid is in lid 8 bepaald dat de hoogte van een persoonsgebonden budget, waarmee de individuele begeleiding door een informele zorg- of dienstverlener wordt betaald en waarvan de ondersteuning wordt verleend door een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt, overeenkomstig het wettelijk minimumloon wordt vastgesteld; de Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak, CRvB 30 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1276, rechtsoverweging 7.7.2, bepaald dat voor het informele tarief voor de ondersteuning uit het sociaal netwerk aangesloten kan worden bij het wettelijk minimumloon. In lid 9 wordt een uitzondering gemaakt op de regels uit lid 6 en lid 7 voor het geval dat de beoogd zorg- of dienstverlener die middels een persoonsgebonden budget zal worden betaald, tevens een gecontracteerde aanbieder voor de gemeente Tilburg is. In lid 10 staat dat het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met de werkgeverslasten als daarvan sprake is. Dat is het geval als er sprake is van een werkgevers- en werknemersrelatie tussen, respectievelijk, de cliënt en de zorg- of dienstverlener en er een arbeidsovereenkomst, als bedoeld in artikel 7:610 lid 1 Burgerlijk Wetboek, door hen is gesloten voor het verlenen van de ondersteuning en de betaling door middel van het persoonsgebonden budget. Voor die arbeidsovereenkomst moet, gelet op artikel 2a lid 2 Uitvoeringsregeling Wmo 2015, de meest recente modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruikt worden. Artikel IV In afwijking van artikel II onderdelen B en C, zijn de artikelen 5.3, achtste lid, en 5.11, tweede lid, niet van toepassing op besluiten die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze bepalingen. Artikel V Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na de bekendmaking, met dien verstande dat de artikelen 5.3, achtste lid, en 5.11, tweede lid, uit Onderdeel B van Artikel II, in werking treden met ingang van 1 januari 2027, en dat de artikelen 5.3, tiende lid, uit Onderdeel B van Artikel II, en 5.11, vierde lid, uit Onderdeel C van Artikel II, terugwerken tot en met 1 januari 2026. Artikel VI Deze verordening wordt aangehaald als de Wijzigingsverordening 2026.1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 september 2026, de burgemeester,de griffier
Meer informatie