Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2027
Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2027 [Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Kaarten met de leefgebieden/zoekgebieden.] 1. Wat is het Natuurbeheerplan? 1.1 Inleiding Voor u ligt het Natuurbeheerplan van de Provincie Noord-Brabant 2027. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden en agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) in de provincie. Het Natuurbeheerplan is verankerd in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016. Dit stelsel bestaat uit: de ‘Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016’ (SNL2016) voor het beheer van (agrarische) natuur en landschap en de ‘Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant’, voor investeringen in natuur en landschap (omvorming, inrichting en kwaliteitsontwikkeling). Het Natuurbeheerplan bepaalt de ambitie van het natuurnetwerk via de vastgelegde ambitietypen. Het Natuurbeheerplan geeft aan waar welke natuur aanwezig is (natuurbeheertypen) en welke beheerdoelen hiervoor gelden. De provincie stelt de kaders voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer en het agrarische beheer door dit Natuurbeheerplan vast te stellen. Daarnaast geeft het Natuurbeheerplan de kaders voor de aanvraag van diverse subsidies. De provincie financiert een aanzienlijk deel van de kosten voor de ontwikkeling van nieuwe natuur en het beheer van bestaande natuur door middel van subsidies. Het plan is geen statisch document. De provincie kan de inhoud van de plantekst, indien nodig, jaarlijks aanpassen. Ook worden jaarlijks kaartaanpassingen doorgevoerd; grenswijzigingen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of het Natuurnetwerk Brabant (NNB) worden eenmaal per jaar doorgevoerd (in ontwerp in april, definitief in september), wijzigingen van natuurbeheertypen en/of ambitietypen en agrarische zoekgebieden worden tweemaal per jaar doorgevoerd (in april en november). Hoewel het Natuurbeheerplan met een jaarlijkse frequentie is aangepast, kan het plan voor meerdere jaren gelden tot GS of PS weer een nieuw Natuurbeheerplan vaststellen. 1.2 Doel en status Natuurbeheerplan Beleidskader Het Natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, Rijks- en Provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, zoals Natura 2000 gebieden, waar nieuwe natuur aangelegd wordt en landbouwgebieden die worden beheerd volgens agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied welke natuur- en landschapsdoelen nagestreefd worden. Het plan bevat de begrenzing van de natuurgebieden en agrarische zoekgebieden, toegespitst op de internationale biodiversiteitsdoelen en de internationale natuurgerichte agromilieu-, water- en klimaatdoelen. Het plan is het beleidskader voor het provinciale natuurbeleid en ook voor de implementatie van artikel 65 van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid- Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP). Het plan is verankerd in de SNL2016 en de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant en daarmee kaderstellend voor de deze subsidies. Waterdoelen In het Natuurpact en de overeenkomst met de Manifestpartijen zijn afspraken gemaakt om naast internationale soortendoelen ook internationale Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen op te nemen. Als waterschappen voor waterbeheerdiensten (blauwe diensten) gebruik willen maken van EU-cofinanciering dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SNL2016. De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. Klimaatdoelen In het GLB-NSP is afgesproken om naast de internationale soortendoelen en KRW-doelen ook klimaatdoelen op te nemen. Het kader hiervoor wordt gevormd door het Klimaatakkoord, de nationale klimaatadaptatiestrategie en de bossenstrategie. Er wordt ingezet op klimaatadaptatie en -mitigatie. Voorbeelden zijn het verminderen van effecten van extreme weersomstandigheden door water-, bodem- en teeltmanagement. En de reductie van uitstoot broeikasgassen. Begrenzing van natuur en landschap In het Natuurbeheerplan zijn de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) inclusief de Natte Natuurparels (NNP), het NNB buiten het Natuurnetwerk Nederland, de gerealiseerde ecologische verbindingszones en de agrarische zoekgebieden aangeduid (‘begrensd’). De begrenzing van de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Brabant (inclusief het NNN) en de ecologische verbindingszones is vastgelegd op de beheertypenkaart. Bepalen van huidige en gewenste beheerdoelen van natuurgebieden en agrarisch beheer In het Natuurbeheerplan zijn de huidige en de gewenste beheerdoelen voor de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, het Natuurnetwerk Brabant en agrarische gebieden met natuurwaarden opgenomen. In dit plan begrenst en beschrijft de provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen plaats kan vinden. De begrenzing voor natuurgebieden is aangeduid op twee kaarten: de beheertypenkaart en de ambitietypenkaart. Voor het agrarisch beheer via het ANLb zijn er kaarten met agrarische zoekgebieden. Juridische gevolgen De vaststelling en begrenzing van het natuurnetwerk in planologisch opzicht is opgenomen in de Omgevingsverordening. Het betreft daarbij de ruimtelijke planologische borging. Niet alleen het NNN, maar ook de gronden buiten het Natuurnetwerk Nederland, binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant, zijn planologisch geborgd. Doorwerking vindt plaats in het Natuurbeheerplan van Noord-Brabant. Gemeenten nemen de bescherming van het Natuurnetwerk Brabant over in bestemmingsplannen. Het Natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties of consequenties voor bestemmingsplannen en heeft dus geen invloed op eigendomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Ook kunnen er geen rechten aan worden ontleend in die zin dat opname van een terrein in het Natuurbeheerplan dus niet vanzelfsprekend leidt tot een positief besluit over subsidiëring van het beheer. Het zorgt er alleen voor dat gecertificeerde beheerders en (agrarische) collectieven van de gronden die zijn begrensd als natuurgebied, als agrarische natuur of als landschapselement de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze gronden. Ook is het mogelijk om subsidie aan te vragen voor natuurgerichte agromilieu, klimaat en waterdoelen. 1.3 Wijzigingen Natuurbeheerplan (2027) Dit Natuurbeheerplan 2027 is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van het vorige Natuurbeheerplan: •De tekst van het Natuurbeheerplan 2027 is op onderdelen geactualiseerd en aangepast aan recente beleidsontwikkelingen. In het bijzonder zijn de teksten over het ANLb geactualiseerd. •De meest actuele begrenzingen (mede het gevolg van de herbegrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, besluit PS 12 december 2024), het Natuurnetwerk Brabant, de Natte Natuurparels en de Ecologische verbindingszones zijn opgenomen. •Naar aanleiding van het aanwijzen van het NNN in is een administratieve correctie van de verhouding provinciaal NNN en Rijks NNN opgenomen. •De beheertypenkaart en de ambitietypenkaart zijn op basis van wijzigingsverzoeken geactualiseerd. •De agrarische leefgebieden zijn geactualiseerd. 1.4 Leeswijzer In dit Natuurbeheerplan wordt achtereenvolgens beschreven: Hoofdstuk 2: Het beleidskader Hoofdstuk 3: Subsidiestelsel Natuur en Landschap Hoofdstuk 4: Natuur- en landschapsdoelen Hoofdstuk 5: Subsidiemogelijkheden 2. Beleidskader 2.1 Europees kader natuur en landschap Het Natuurbeheerplan is gebaseerd op het vigerend beleid voor het landelijk gebied voor water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincie. In dit hoofdstuk lichten wij de belangrijkste onderdelen van het vigerend beleid en de recente ontwikkelingen toe. De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het instandhouden van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet erop toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen. Naast de bovenstaande beleidskaders is zowel de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL2016) als de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant getoetst op staatssteun. Op basis van de Richtsnoeren voor de land- en bosbouwsector heeft de Europese Commissie goedkeuring verleend aan de beide modelverordeningen en hebben de provincies zich daarmee gecommitteerd aan de bijbehorende vereisten. GLB-NSP 2023-2027 Voor het platteland zijn door de EC beleidsdoelen en regels vastgesteld met betrekking tot de verduurzaming en vergroening van de landbouw. Dit wordt concreet geëffectueerd in de vorm van het GLB-NSP 2023-2027. Het Nationaal Strategisch Plan (NSP) betreft de Nederlandse invulling van het Europese beleidskader, welke aan de lidstaten een zekere vrijheid laat om keuzes te maken. Het motto van het NSP is ‘Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gaat toekomstbestendig boeren beter belonen’. Alle 9 doelen moeten in samenhang aan de orde komen, afhankelijk van de behoeften van de lidstaat. Daarin is de lidstaat niet helemaal vrij. Het GLB kent een aantal Europese vereisten. Daarnaast worden ook de nationale vereisten meegenomen in het GLB-NSP. Het GLB-NSP staat in het teken van de noodzaak om een toekomstbestendige landbouw te realiseren, aan de hand van 9 Europese specifieke doelstellingen en een overkoepelende opgave tot innoveren, netwerken en digitaliseren. Het GLB-NSP moet ook ingezet worden voor de Green Deal, met in het bijzonder de strategieën Farm2Fork (Boer tot Bord) en Biodiversiteit. Met het GLB-NSP zetten rijk, provincies en waterschappen samen de beleidslijnen uit voor beide subsidiefondsen van het GLB, zowel het Plattelandsfonds (pijler 2), als het Garantiefonds (pijler 1). Het Garantiefonds wordt deels ingezet via het nieuwe instrument ‘ecoregelingen’ en door budget over te hevelen naar het plattelandsfonds, waardoor meer ruimte ontstaat voor investeringen, innovatie, samenwerken en kennisoverdracht voor toekomstgerichte bedrijven en verbreding en optimalisatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Duidelijk is inmiddels dat ecoregelingen en conditionaliteiten uit pijler 1 van het GLB-NSP en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer uit pijler 2 van het GLB-NSP naast elkaar kunnen worden ingezet en elkaar kunnen versterken. Ook is het mogelijk om ze beide in te zetten, mits zogenaamde ‘double funding’ voorkomen wordt, wat betekent dat voor hetzelfde perceel niet twee keer subsidie voor dezelfde maatregel mag worden verleend. De ecoregelingen en conditionaliteiten hebben een meer nationale generieke invulling (met regionale gebiedsgerichte accenten). Het herstel en de instandhouding van habitats en landschappen vergt een integrale aanpak die past bij het gebied. Het ANLb richt zich op gebiedsgerichte activiteiten die boeren samen ondernemen om doelsoorten en doelen uit de opgave Water en Klimaat te ondersteunen. De bijdrage die de Nederlandse lidstaat levert aan het agromilieu, water en klimaat is vastgelegd in het GLB-NSP-fiche, waarin de ambitie van Nederland is aangeduid. Het agrarisch natuurbeleid, het ecologisch waterbeheer en klimaatdoelen worden gekoppeld aan het ANLb en worden deels gefinancierd met Europees geld. Daarmee moet de uitvoering van het agrarisch natuurbeheer, inclusief natuur gerelateerde water- en klimaatdoelen, voldoen aan het GLB-NSP-fiche. In het fiche zijn drie leefgebieden (open grasland, open akkerland, dooradering) en de categorieën water en klimaat opgenomen. Natuurherstelverordening Op 18 augustus 2024 is de Europese natuurherstelverordening (hierna: NHV) in werking getreden. Deze verordening verplicht lidstaten om doeltreffende maatregelen te treffen om de natuur te herstellen, continu te verbeteren en niet te laten verslechteren. Het bevat oplopende kwantitiatieve doelstellingen voor terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen en mariene ecosystemen die nu niet in goede conditie verkeren, voor 2030, 2040 en 2050. Ook zijn er aanvullende doelstellingen, bijvoorbeeld voor landbouwecosystemen. Daarnaast gelden er verplichtingen m.b.t. het opstellen van een nationaal natuurherstelplan, monitoring en verslaglegging. Alle artikelen van de verordening zijn direct van toepassing. In september 2025 heeft het toenmalige kabinet Schoof het programmaplan vastgesteld, dat de stappen omschrijft richting het opstellen en het indienen van het nationale natuurherstelplan, genoemd: Natuurplan. Een concept moet voor 1 september 2026 worden ingediend bij de Europese commissie, een definitief Natuurplan uiterlijk 1 september 2027. Bestaande natuurbeleidsprogramma’s worden, waar mogelijk, in samenhang ondergebracht in het Natuurplan. Verder wordt verkend welke aanvullende opgaven de NHV stelt ten opzichte van bestaand natuurbeleid. Bijvoorbeeld ten aanzien van taken, bevoegdheden, regelgeving, financiering en de uitbreiding en extra bescherming van habitattypen in het NNN, buiten N2000-gebieden. De NHV heeft op dit moment nog niet geleid tot aanpassing van het natuurbeheerplan. Bij de vaststelling van het Natuurplan, en de bijbehorende afspraken over de implementatie van de natuurherstelverordening, zullen provincies bepalen of, en welke wijzingen van het Natuurbeheerplan gewenst zijn. 2.2 Rijksbeleid natuur en landschap Het Rijk stelt in het kader van de internationale verplichtingen op hoofdlijnen de ambities voor de agromilieu-, water- en klimaatdiensten vast en geeft de kaders aan waarbinnen die ambities gerealiseerd kunnen worden. Het Rijksbeleid heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld langs twee lijnen: de eerste lijn betreft het versterken en verbeteren van het bestaande natuurbeleid. Dit richt zich op natuurgebieden en de directe omgeving daarvan. Denk hierbij aan de uitvoering van het Natuurpact (2013) door de provincies. Daarnaast heeft het Rijk verantwoordelijkheid voor het beheren en verbeteren van natuur in de grote wateren, duurzame bescherming van de Noordzee en het verder ontwikkelen van de Nationale Parken. Met het landelijke Programma Natuur is in het kader van de stikstofaanpak extra geld beschikbaar gesteld voor natuurherstel en -ontwikkeling met een focus op stikstofgevoelige natuurgebieden. De tweede lijn gaat over het verbreden van het natuurbeleid naar andere sectoren en domeinen. De uitvoering van het stimuleringsbeleid voor natuur en platteland is met ingang van 2014 gedecentraliseerd naar de provincies en vastgelegd in een decentralisatieakkoord 2014-2027 en een Natuurpact van overheden en maatschappelijke organisaties. Dit is op 18 september 2013 door staatssecretaris Dijksma aangeboden aan de Tweede kamer. In dit Natuurpact zijn de ambities vastgelegd met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland voor de periode tot en met 2027. Het Rijk draagt bij aan de realisatie van deze ambities door jaarlijks te investeren in natuur. De onderdelen van deze ambities zijn: -Ontwikkeling Robuust Natuurnetwerk Nederland (NNN) inclusief Natura 2000-gebieden. Het NNN moet een robuuste ruggengraat van de natuur in Nederland zijn. Dat gaat gebeuren door hem te vergroten, te verbeteren en belangrijke natuurlijke verbindingen te realiseren tussen natuurgebieden onderling en tussen natuurgebieden en hun omgeving. -Soortenbescherming; Bescherming van afzonderlijke plant- en diersoorten is nodig vanwege Europese verplichtingen en afspraken waaraan Nederland zich in internationaal verband heeft gecommitteerd (VR/HR). Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het NNN door het nemen van juridische en/of fysieke maatregelen, die vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. -Natuur buiten het NNN; er zal een extra impuls gegeven worden aan het beheer van natuur buiten het NNN. Zoals agrarisch natuurbeheer en de ontwikkeling van groenblauwe dooradering. Het is belangrijk dat er meer samenhang komt tussen de natuur in het NNN en daarbuiten. -Agrarisch natuurbeheer; het ANLb kan alleen buiten het NNN worden toegepast. De uitvoering van het agrarisch natuurbeheer moet eenvoudiger en met minder kosten, en zal een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap en agrarisch ondernemerschap moeten opleveren. Het ANLb moet vooral worden ingezet voor het beschermen en verbeteren van internationale soorten. In de contourenbrief ANB (Tweede Kamer, 33576-460) is aangegeven dat de extra middelen voor ANLb prioritair worden ingezet in specifieke aandachtsgebieden te weten: 1) de leefgebieden voor de grutto en 2) in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden wordt integraal ingezet op de doelen voor natuur, water en klimaat. -Voor de inzet van extra middelen voor het ANLb in 2027 is door Rijk en provincies de ‘Leidraad 2.0 inzet ANLb groeimiddelen 2027’ (verder de leidraad genoemd) ontwikkeld. Deze leidraad geeft richting aan waar en op welke wijze de extra middelen ingezet behoren te worden. Doel is om te zorgen dat extra middelen op duurzame wijze ingezet kunnen worden op de plekken waar dat het meeste prioriteit heeft. Daarbij wordt aangesloten bij de prioritaire gebieden die hierboven zijn genoemd. -Natuur en water; Er zijn diverse mogelijkheden om de ontwikkeling van de natuur, de vergroting van het NNN en de aanpak van de Natura 2000-gebieden optimaal te laten samengaan met het verbeteren van de condities van de kwantiteit en de kwaliteit van het water. Er wordt daarbij maximale synergie gezocht met maatregelen om te voldoen aan de KRW en de Nitraatrichtlijn. Vanwege toenemende tekorten op bovengenoemde opgaven en de waarschijnlijk nieuwe natuuropgaven die voortvloeien uit de NHV zullen tussen het Rijk en provincies nieuwe afspraken worden gemaakt in een Natuurpact 2.0. Aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur Het ministerie van LVVN heeft het Nationaal Programma Landelijk Gebied stopgezet en in de kamerbrief van 29 november 2024 aangekondigd deze te vervangen door de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur. Voor deze uitwerking is een contourenbrief gepubliceerd. Na het stoppen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied heeft de provincie Noord-Brabant in februari 2025 besloten om het herstel van het landelijk gebied voort te zetten via de Aanpak Landelijk Gebied (ALG). Deze aanpak richt zich onder andere op het versnellen van het herstel van N2000-gebieden en KRW, via een versnelde uitvoering van maatregelen. Zie 2.3. 2.3 Provinciaal beleid natuur en landschap De provincies zijn – op grond van het decentralisatieakkoord natuur – volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. De doelen worden door de provincies vastgelegd in onder andere dit Natuurbeheerplan. In dit provinciale Natuurbeheerplan, dat de kaders en ambities bevat waarbinnen een subsidieaanvraag kan worden ingediend, is aangegeven in welke gebieden bepaalde natuur-, agromilieu-, water- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden. Het provinciale beleid geeft invulling aan het Europese en Rijksbeleid en voegt daar provinciale doelen aan toe. Provincies houden bij de uitvoering van het natuurbeleid, conform de door Nederland geratificeerde Europese Landschapsconventie, rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt. Provincies kunnen zelf relevante onderdelen voor provinciaal natuurbeleid en aanpalend beleid opnemen. Dat geldt ook voor klimaatdoelen. De waterdoelen zijn in 2015 door de provincies vastgesteld in een omgevingsvisie en recent geactualiseerd in het Regionaal Waterplan (2021). Als waterschappen voor waterbeheerdiensten gebruik willen maken van EU-cofinanciering dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SVNL2016. De waterschappen geven aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. De provinciale beleids- en normenkaders en besluiten die min of meer een directe invloed hebben op het Natuurbeheerplan worden hieronder kort toegelicht. De ambitie is om de realisatie van het NNN in 2030 af te ronden. In 2035 beogen we om alle EVZ’s aangelegd te hebben, waarmee het Brabantse Natuurnetwerk dan compleet zal zijn. Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie (vastgesteld in 2018) is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? En wat willen we in 2030 voor elkaar hebben om de ambities voor 2050 te halen? De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. In de Omgevingsvisie heeft de provincie als uitgangspunt opgenomen dat zij haar ambities en doelen samen met andere partijen wil realiseren. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokkenen zoeken we actief praktijken op waarin de nieuwe manier van werken centraal staat. Beleidskader Natuur 2030 In het Beleidskader Natuur 2030 (vastgesteld in 2022) wordt omschreven wat we in 2030 als Brabant op het gebied van natuur willen bereiken. Het beleidskader stelt de doelen, beschrijft hoe we die willen bereiken en wat daarbij de inzet van de provincie is. Het beleidskader is te vatten in drie belangrijke pijlers: Robuuste Natuur, Brabant Natuurinclusief en Natuur voor en door Brabanders. Alle pijlers dragen bij aan de ambitie voor een robuuste, inclusieve en verbonden natuur en bescherming en herstel van de biodiversiteit. De provincie zet op de eerste plaats in op het verder realiseren van het robuuste Natuurnetwerk Brabant. Daarnaast moet de kwaliteit van bestaande en nieuwe natuur in Brabant beter. Verschillende beleidssectoren, zoals natuur, landbouw en stikstof werken hierbij samen met de Brabantse natuurpartners. Uitvoeringsagenda 2023-2027 De Uitvoeringsagenda 2023-2027 (vastgesteld in 2023) geeft aan hoe we de doelen uit het Beleidskader Natuur 2030 willen gaan realiseren. Er staat in waar we de komende jaren aan werken en welke projecten en activiteiten we gaan uitvoeren. We gaan door met het herstellen en versterken van Natura 2000-gebieden, het aanleggen van ecologische verbindingszones, het tegengaan van verdroging en het versterken van waardevolle natte natuurgebieden. Dit gaat samen met het herstel van water, bodem en luchtkwaliteit én de intensivering van het herstel van de overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Businesscase NNB/GOB In 2013 is de businesscase NNB/GOB opgesteld, voorafgaand aan de oprichting van het Groen Ontwikkelfonds. Op basis van deze businesscase hebben PS destijds besloten tot de oprichting van het GOB, met daarbij de opdracht om te zorgen voor verwerving van provinciale NNB, inrichting van het NNB en realisatie van Ecologische Verbindingszones (EVZ’s). GOB BV kreeg daarnaast de opdracht om Rijks NNB te realiseren met middelen van het Rijk. De opdracht aan GOB BV voor de realisatie van het NNB loopt tot 31-12-2030 en voor EVZ’s tot en met 2035. Besluit GS tijdelijke stop op realisatie Provinciaal NNB Op 5 december 2022 hebben Gedeputeerde Staten besloten om met ingang van 15 december 2022 een (tijdelijke) subsidiestop in te stellen voor realisatie van het Provinciale deel van het natuurnetwerk. Dit besluit komt voort uit de bezuinigingen waartoe Provinciale Staten in 2020 hebben besloten. Op alle provinciale programma’s wordt een bezuiniging doorgevoerd. Voor het Programma Natuur is er een bezuinigingsopgave gesteld die met name gaat landen in het provinciale deel van het NNB en in 175 van de 1325 hectaren EVZ’s waarvoor geen structurele provinciale dekking meer is. De ambities voor natuur blijven overeind. De focus ligt voor nu op initiatieven in het Rijksdeel van het natuurnetwerk en de realisatie van ecologische verbindingszones. Besluit PS mbt de herbegrenzing van het NNB Op 27 februari 2024 hebben GS het besluit genomen om de te ruime begrenzing van de opgave nieuwe natuur binnen het NNB terug te brengen tot de afgesproken omvang uit het Natuurpact van 20.000 ha en om de te ruime begrenzing nieuwe natuur van ongeveer 1.800 ha in een aparte kaartlaag op te nemen. In mei 2024 hebben GS besloten om het NNN (Natuurnetwerk Nederland) binnen het NNB op kaart aan te gaan wijzen, en zo de opgave uit het Natuurpact zichtbaar te maken. Dit is via een ontwerpbesluit wijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant (OVNB) in procedure gebracht. Er is aangegeven welke gebieden binnen het NNB-deel uitmaken van de met het Rijk afgesproken hectares voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en welke percelen (waaronder de te ruime begrenzing) buiten het NNN liggen. Het NNB blijft voorlopig in zijn geheel intact om herstel van natuur- en waterdoelen op percelen mogelijk te houden. Voor de hectares NNN blijft geld beschikbaar voor afwaardering en inrichting via het GOB (voor nu alleen binnen het Rijks NNN) en voor beheervergoeding vanuit SNL. Voor de hectares NNB buiten het Natuurnetwerk Nederland zijn geen Natuurpactmiddelen beschikbaar voor afwaardering en inrichting of voor beheervergoeding. Het ontwerpbesluit wijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant (OVNB) heeft ter visie gelegen en is in december 2024 door PS vastgesteld. Verzoeken tot wijziging van de begrenzing van het NNN kunnen nog steeds worden ingediend, maar dit is in principe niet meer mogelijk (saldo nul benadering). GS zullen eventuele verzoeken dan ook zeer kritisch beoordelen. Aanpak Landelijk Gebied (ALG) In de Aanpak Landelijk Gebied (ALG) (vastgesteld februari 2025) richt de provincie zich op het versnellen van de uitvoering in gebieden waar dat voor doelbereik op de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water het hardst nodig is. Dit plan geeft aan hoe de provincie koers houdt op het realiseren van de wettelijke doelen voor natuur, stikstof, water en klimaat in samenhang met een duurzaam perspectief voor de landbouw. Met deze aanpak wil het college de uitvoering van groenblauwe projecten versnellen die bijdragen aan het wettelijk doelbereik. Dit om Brabant open te houden zodat er zicht ontstaat op vergunningverlening voor economische en maatschappelijke projecten. De focus ligt daarbij op 12 stikstofgevoelige N2000-gebieden en de bijbehorende Gebiedsgerichte Aanpak. Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof 2.0 (BOS) 2024-2027 De meerjarige programmering BOS 2.0 (vastgesteld december 2024) richt zich op de uitvoering van een aanpak voor de stikstofreductieopgave in Brabant. De BOS 2.0 beschrijft de maatregelen en instrumenten, borging en monitoring. Hiermee wil de provincie de vele natuur in Brabant herstellen en blijvend beschermen en verbeteren. Deze aanpak vermindert de uitstoot van stikstof. We zetten hiermee een belangrijke stap om vergunningverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen weer mogelijk te maken. Brabantse bossenstrategie In het Klimaatakkoord (juni 2019) is afgesproken dat het Rijk en de provincies samen met een bossenstrategie komen. Provincie Noord-Brabant heeft in januari 2020 een Brabantse bossenstrategie opgesteld met als doel het areaal bos in Brabant te vergroten, de kwaliteit ervan te verbeteren en de afzet te verduurzamen. Tot 2030 wordt 13.000 ha nieuw bos ontwikkeld. Hiervan kan 8.000 ha landen in het natuurnetwerk en 5.000 ha daarbuiten. Deze verdeling is een richtlijn; van belang is dat elke kans en mogelijkheid om bos aan te leggen, zowel binnen als buiten het netwerk, wordt aangegrepen. De belangrijkste opgave is echter het gezond maken van 60.000 ha bestaand bos, vooral op de drogere zandgronden. Dat is een opdracht met een looptijd tot 2050. Actieplan Brabantse Bomen In het Actieplan Brabantse Bomen (vastgesteld in 2022) wordt inzichtelijk gemaakt hoe de provincie, samen met partners, de doelen uit de Brabantse bossenstrategie wil gaan bereiken. Hiervoor hebben GS voor deze collegeperiode 40 korte en lange termijn acties opgezet om 40 miljoen bomen aangeplant te krijgen en alle verzwakte bossen te herstellen. Nota Grondbeleid Brabant 2022 De Nota Grondbeleid Brabant 2022 (vastgesteld op 24 juni 2022) geeft de kaders voor verwerving van het NNB. Er wordt ingezet op een gebiedsgerichte aanpak, waarmee een gehele afronding via verwerving of functieverandering en vervolgens inrichting van het Natuurnetwerk Brabant en de EVZ’s, tot stand komt. Gronden worden verkocht via een procedure van gelijkberechtiging. Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (vastgesteld in 2021) geeft invulling aan het op orde houden van de basis van het natuurlijk water- en bodemsysteem en is mede gebaseerd op wettelijke regels en beleid. Dit is onder andere vastgelegd in de wettelijk omschreven rollen en taken in het waterbeleid in Nederland, dat uitgaat van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het Regionaal Water en Bodem Programma formuleert de tussendoelen voor 2027 die nodig zijn om de uiteindelijke ambitie in 2050 te behalen. De waterschappen voeren het waterbeleid uit door middel van de waterbeheerplannen. Het NNB gerelateerde deel van het waterbeleid bestaat uit realisatie van N2000 gebieden, natte natuurparels, beek- en kreekherstel en waterkwaliteit. Rondom natte natuurparels is een hydrologische beschermingszone van kracht. Addendum Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 De afgelopen jaren zijn er diverse ontwikkelingen geweest. Het gaat onder meer over de aanpassing van het eigen provinciale beleid in het Beleidskader Leefomgeving, landelijke ontwikkelingen rondom ‘Water en Bodem sturend’ en klimaatontwikkelingen. Daarom heeft de provincie het bestaande Regionaal Water en Bodem Programma al tijdens de looptijd aangevuld met een addendum (vastgesteld in februari 2025). De aanpak van het Regionaal Water en Bodem Programma wordt met dit addendum verder aangevuld ten behoeve van de reeds bestaande doelen. De aanvulling betreft met name het verwerken van de consequenties van ‘Water en Bodem sturend’. Beleidslijn ontgrondingen en bouwgrondstoffen Provincie Noord-Brabant 2021-2030 Het provinciaal ontgrondingenbeleid is vastgelegd in de nota ‘beleidslijn ontgrondingen en bouwgrondstoffen Provincie Noord-Brabant 2021-2030’. Dit beleid is verder uitgewerkt in een verordening en in beleidsregels. Op een aantal uitzonderingen na, is elke verlaging van het maaiveld vergunningplichtig op basis van de Omgevingswet (voorheen Ontgrondingenwet). Natuurontwikkelingsprojecten die aan bepaalde voorwaarden voldoen, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht maar dienen wel gemeld te worden (zie Omgevingsverordening art. 3.67 lid 2). Deze vrijstelling geldt alleen voor zogenoemde functionele ontgrondingen. Een functionele ontgronding is gekoppeld aan de realisering van een maatschappelijk gewenste functie (in dit geval realisatie van natuur); het winnen van grondstoffen (zand, klei, etc.) is daarbij geen doel op zich, maar een essentieel onderdeel van de verbetering van de omgevingskwaliteit. Voor functioneel ontgronden is een handleiding opgesteld: ‘Provinciaal toetsingskader en handleiding voor functioneel ontgronden’. In deze handleiding worden de inrichtings- en locatievoorwaarden voor de meest voorkomende categorieën functionele ontgrondingen beschreven. Relevant voor het Natuurbeheerplan is bijvoorbeeld dat een ontgronding om voedselarme omstandigheden te creëren in principe niet dieper mag gaan dan de onderzijde van de voedselrijke bouwvoor of veraarde veenlaag; afgraven van de eutrofe bouwvoor dient beperkt te blijven tot maximaal 40 cm. De noodzaak van een afgraving dieper dan 40 cm dient te worden onderbouwd met bodemonderzoek ter plaatse. Als de afgraving plaatsvindt omdat er dieper dan 40 cm nog te veel fosfaat in de bodem zit, dient eerst te worden afgewogen of er geschikte andere beheertypen zijn dan het oorspronkelijke voedselarme ambitietype. In natte omstandigheden is dat b.v. een dynamisch moeras, gemaaid rietland of een nat bostype; in droge omstandigheden zijn een ruigteveld, kruiden- en faunarijke akker of een natuurbostype een goed alternatief. Als het gaat om de aanleg van een ven of poel, dan dient te worden aangetoond dat dimensies en locatie hiervan passen in het landschap en voldoen aan de eisen die door de soorten van deze habitats worden gesteld. Agenda Natuurinclusief Brabant In november 2025 hebben GS/provincie Noord-Brabant de Agenda Natuurinclusief Brabant vastgesteld - Natuurinclusiviteit | Brabant. Deze Agenda vormt een Brabantse uitwerking van de landelijke beweging naar een natuurinclusieve samenleving. De agenda stimuleert dat natuur en biodiversiteit structureel worden meegewogen in ruimtelijke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen, met name buiten het Natuurnetwerk Nederland. De focus ligt vooral op het versterken van natuurwaarden in sectoren als landbouw, wonen, infrastructuur, bedrijventerreinen, etc. 2.4 Overige beleidskaders Naast de provinciale beleidskaders is het van belang rekening te houden met de waterbeheerplannen van de waterschappen. In deze plannen komen de diverse doelen samen welke relevant zijn voor de uitwerking van de gebiedsaanvragen. Hierbij gaat het specifiek om: -De Kaderrichtlijn Water. -De klimaatrobuuste inrichting van het watersysteem. -De samenwerking met de agrarische sector in de Delta aanpak Agrarisch Waterbeheer (DAW). 3. Subsidiestelsel Natuur en Landschap Het beschermen van dieren en planten is belangrijk voor de mens. Deze bescherming vindt plaats om ecologische, economische en ethische redenen. De diversiteit van dieren en planten verhoogt de spankracht van de natuur (ecologie). Daarnaast is de biodiversiteit een belangrijke productiefactor (economie). Ten slotte worden dieren en planten vanwege hun intrinsieke waarde beschermd (ethiek). De provincie hecht veel belang aan het behoud en de ontwikkeling van de provinciale natuur. Daarom verleent zij daarvoor subsidie via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Het SNL is een landelijk stelsel dat door alle provincies op een uniforme manier wordt uitgevoerd. De Brabantse SNL2016 is een afgeleide van de landelijke modelregeling. De provincie bepaalt in het Natuurbeheerplan in welke gebieden natuurbeheerders, natuurcollectieven en agrarische collectieven subsidie kunnen krijgen voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer, blauwe diensten en klimaatdiensten. In het Natuurbeheerplan liggen de verschillende natuurbeheer- en landschapsbeheertypen van de Index Natuur en Landschap voor percelen en/of terreinen vast. Subsidie is alleen mogelijk voor het beheertype dat in het Natuurbeheerplan is aangegeven en begrensd, en op subsidiabel ‘ja’ staat. Subsidie voor beheer en kwaliteitsimpulsen In het Subsidiestelsel Natuur en Landschap wordt een onderscheid gemaakt tussen financiering van het beheer van de bestaande natuur en landschap en eenmalige investeringen ter verbetering van de natuurkwaliteit (kwaliteitsimpulsen) en functieverandering. De subsidie voor het beheer van natuur, agrarische natuur en landschapselementen is geregeld in de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant 2016 (SNL2016). De subsidie voor de kwaliteitsimpulsen en functieverandering is geregeld in de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant. Voor meer informatie over de subsidieverordening- en regelingen en subsidiemogelijkheden zie www.brabant.nl of https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/verordeningen/ 3.1. De Index Natuur en Landschap De basis voor het Natuurbeheerplan wordt gevormd door de Index Natuur en Landschap. Deze Index is een landelijk uniforme en sterk gestandaardiseerde “natuurtaal” waarin de Nederlandse natuur- en landschapselementtypen worden vastgelegd. De Index is van belang voor de aanduiding van de natuur- en landschapsdoelen door de overheid en voor de monitoring en bevordert ook een goede afstemming tussen beheerders onderling en tussen beheerders en overheden. De Index Natuur en Landschap bestaat uit de onderdelen natuur, agrarische natuur en landschapselementen. In de Index worden twee niveaus onderscheiden: de natuurtypen voor de sturing op landelijk niveau en de beheertypen voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau. Voor de begrenzing in het Natuurbeheerplan en de subsidieverlening wordt voor het natuurbeheer het niveau van de beheertypen gebruikt. Voor het agrarisch natuurbeheer wordt het niveau van natuurtypen gebruikt. De natuurtypen zijn bedoeld als sturings- en verantwoordingsinstrument op landelijk niveau. Daarbij valt te denken aan afspraken en rapportages tussen rijk en provincies. De beheertypen van de natuurgebieden zijn geschikt voor de aansturing van het natuurgebiedenbeheer op interprovinciaal, provinciaal en lokaal niveau. Zij vormen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en beheerder. •Er bestaan 17 natuurtypen. Binnen elk van de natuurtypen worden één of meerdere natuurbeheertypen onderscheiden. In totaal zijn er 49 natuurbeheertypen. •Voor landschap zijn er 4 landschapstypen met daaronder 13 beheertypen voor landschapselementen. •Voor het agrarisch natuurbeheer zijn er drie agrarische natuurtypen. Dit zijn open grasland, open akkerland, en dooradering. Binnen elk van de agrarische natuurtypen kunnen agrarische beheertypen en beheerfuncties onderscheiden worden, indien van toepassing dan staan deze in paragraaf 4.5. •Er is een categorie Water en een categorie Klimaat met daaronder een aantal beheertypen voor agrarische gronden. Binnen categorieën kunnen agrarische beheertypen en beheerfuncties onderscheiden worden, indien van toepassing dan staan deze in paragraaf 4.5. In de Index Natuur en Landschap worden de natuurtypen, landschapstypen en agrarische natuurtypen en beheertypen beschreven. De beschrijving van de agrarische natuur- en beheertypen is gebaseerd op het advies dat is opgesteld door Alterra met beschrijvingen van de agrarische natuurtypen/leefgebieden en de daaronder vallende agrarische beheertypen. Zie https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/02/16926_Alterra_Rapport-2585_Totaal_LR.pdf voor het advies van Alterra. Voor meer informatie over de Index Natuur en Landschap zie onderdeel thema ‘Index Natuur en Landschap’ op https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/. 3.2 Natuurbeheerplan: beheertypenkaart en ambitietypenkaart Het Natuurbeheerplan kent een beheertypenkaart en een ambitietypenkaart voor het natuurbeheer. Zij vormen met de beschrijving van de doelen de kern van het plan. De beheertypenkaart geeft alle aanwezige natuur en landschap weer met de benamingen volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven en begrensde beheertypen. Deze kaart vormt de basis voor het verlenen van beheersubsidies op grond van de SNL2016. Op de ambitietypenkaart is weergegeven welke natuurambities worden nagestreefd. Het ambitie- en beheertype kunnen van elkaar verschillen. Voor een deel van de natuurgebieden (ongeveer 34% in 2026) en agrarische gebieden met natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of beheer te veranderen. Het verschil tussen de beheertypenkaart en de ambitietypenkaart laat zien dat een verbetering van de natuurkwaliteit mogelijk en wenselijk is óf dat de ambitie niet haalbaar is en naar beneden moet worden bijgesteld. De ambitietypenkaart vormt de basis voor de (subsidiëring) van omvorming van landbouwgrond naar natuur en/of verbetering van de natuurkwaliteit op grond van de SNL2016. De SNL2016 is niet van toepassing op inrichting op agrarische gronden ten behoeve van het agrarisch natuurbeheer. De percelen waarvan het indertijd de wens was die om te vormen van landbouwgrond naar natuur worden over het algemeen aangeduid als ‘Nieuwe Natuur’. Uitzonderingen zijn enkele landbouwenclaves gelegen in Bestaande Natuur, deze noemen wij Bestaande Natuur Enclave. Een agrarisch perceel wordt na inrichting en functiewijziging naar natuur niet omgezet naar het label ‘Bestaande natuur’, het blijft dan Nieuwe Natuur heten. Het verstrekken van subsidies voor beheer en voor kwaliteitsimpulsen draagt bij aan de realisatie van het in hoofdstuk 2 beschreven beleid en de in hoofdstuk 4 beschreven Provinciale natuur- en landschapsdoelen. Zowel de beheertypenkaart als de ambitietypenkaart zijn afgestemd op de beheerplannen die in het kader van Natura 2000 zijn opgesteld. 3.2.1 Beheertypenkaart - Beheersubsidie natuur en landschap op grond van de SNL2016 Op de beheertypenkaart wordt alle bestaande en al gerealiseerde nieuwe natuur en landschapselementen aangegeven. Ook wordt aangegeven of het terrein voor een subsidie in het kader van de SNL2016 in aanmerking komt. Als een terrein als ‘niet subsidiabel’ op kaart is aangegeven, dan komt het terrein niet voor subsidie in aanmerking, ook al is het onderdeel van het NNN. Per oppervlakte/natuurterrein is één beheertype toegekend. Omdat veel beheertypen vaak in kleinschalig mozaïek voorkomen (praktisch niet karteerbaar) moet er ruimte zijn voor het kleinschalig voorkomen van andere beheertypen binnen begrensde eenheden. Daarbij is gehanteerd dat 20% van de oppervlakte kleinschalig en in menging tot een ander beheertype mag behoren. Een terreineigenaar komt alleen voor financiering van het aangewezen beheertype in aanmerking. Indien het perceel nog niet is omgevormd naar natuur en er nog geen bestaand beheertype aanwezig is, wordt het als type N00.01 aangegeven. Dit betekent dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de ambitietypenkaart nodig is. Deze gronden komen niet direct, maar pas na inrichting c.q. functieverandering voor beheersubsidie in aanmerking. Voor het bepalen van het dan gewenste beheertype moet vaak nog aanvullend onderzoek gedaan worden. Op de aanwezige natuur kan ook subsidie voor landschapsbeheer worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is aangegeven voor welke landschapselementen subsidies landschapsbeheer kunnen worden verstrekt. In 2002 is de begrenzing van het natuurnetwerk vastgelegd, zowel de reeds aanwezige natuur als de toen nog te realiseren natuur, die nog geen natuurbestemming of -functie had. Om zicht te houden op die (rest)opgave van nog te realiseren natuur hebben alle delen van het netwerk een label gekregen. De al aanwezige natuur kreeg het label Bestaande Natuur en de rest het label Nieuwe Natuur. Het NNB bestaat uit de volgende onderdelen: •Natuurnetwerk NederlandDit zijn de natuurgebieden waarover Rijk en provincie afspraken hebben gemaakt in het Natuurpact 2013. Het gaat om: oBestaande bos- en natuurgebieden. Dit is natuur die al gerealiseerd was toen in 2002 de begrenzing van de toenmalige EHS is vastgesteld en op de kaart van het Natuurbeheerplan is gezet. Bestaande natuur wordt op de kaarten van het Natuurbeheerplan onderverdeeld in: ■Bestaande natuur ■Bestaande natuur enclave. Dit zijn percelen die (soms) nog geen natuur zijn en waar agrarische activiteiten plaatsvinden. Ze zijn volledig omsloten door het NNN ■Bestaande natuur natuurcompensatie. Dit zijn terreinen die als natuur zijn/worden ingericht om een verlies aan beschermde natuur, ten gevolge van het uitvoeren van een project, te compenseren oGerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden waar nieuwe natuur is gerealiseerd en die een natuurfunctie hebben gekregen. De voormalige functie (vaak landbouw) is verdwenen. Nieuwe natuur wordt op de kaarten van het Natuurbeheerplan onderverdeeld in: ■Nieuwe natuur. Dit zijn na 2002 gerealiseerde natuurterreinen en/of landschapselementen of percelen met een wens om deze om te zetten naar natuur. ■Nieuwe natuur Ondernemend Natuurnetwerk Brabant (ONNB). Dit zijn terreinen waarop de landbouwfunctie wordt gecombineerd met natuurwaarden. ■Nieuwe natuur NURG. Dit zijn gebieden opgenomen in het programma Nadere Uitwerking Rivierengebied van het Ministerie van Economische Zaken, dat tot doel heeft natuurontwikkeling in het rivierengebied te realiseren zoals begrensd in het Natuurbeheerplan. •NNB buiten het Natuurnetwerk NederlandOm realisatie van de nieuwe natuur te versnellen is er in het verleden de mogelijkheid geboden om gronden aan het NNB toe te voegen. Er werden echter niet gelijktijdig ook gronden buiten het NNB gebracht. Dit heeft ertoe geleid dat de omvang van het NNB toenam tot ongeveer 22.000 ha. en groter is geworden dan de opgave van 20.000 ha nieuwe natuur afgesproken in het Natuurpact. De te ruime begrenzing van ongeveer 1.800 ha is in 2024 aangewezen. Naast deze 1.800 ha die in potentie geschikt zijn om als natuur in te richten, liggen er ook natuurgebieden die vanuit eigenstandig Brabants beleid zijn gerealiseerd buiten het NNN, zoals natuur die op nieuwe landgoederen is aangelegd en de gerealiseerde Ecologische Verbindingszones.Wij hanteren het volgende subsidiebeleid voor Bestaande Natuur en Nieuwe Natuur: •Het provinciale beleid laat geen afsluiten van nieuwe natuurbeheersubsidies toe in Bestaande Natuur. Er kan alleen verlenging van eerdere subsidies plaatsvinden. Verlenging is mogelijk voor terreinen waarvoor in de periode na 1 januari 2016 een beheersubsidie is verstrekt of waar inrichting heeft plaatsvonden van Bestaande natuur enclave. oVoor Nieuwe Natuur binnen het NNN kan wel een nieuwe beheersubsidie worden afgegeven zonder dat er sprake is van continuering. •Er is een uitzondering voor Bestaande Natuur-natuurcompensatie. Hier geldt een aanloopperiode waarbij de initiatiefnemer zelf de beheerkosten voor de natuurcompensatie betaalt. In het natuurcompensatieplan is de periode van dit zogenaamde aanloopbeheer bepaald. Is dit niet zo dan geldt een periode van 6 jaar. Daarna gaan de beheerkosten over naar de eindbeheerder, die daarvoor een beheervergoeding kan aanvragen. De redenering daarbij is dat de vernietigde natuur naar verwachting ook beheervergoeding heeft gekregen. Bovendien wensen wij natuurcompensatiegebied na realisatie van de gewenste natuur goed te beheren. •Na kwaliteitsverbetering van Bestaande Natuur kan de kwaliteit van het huidige type verbeterd zijn of kan een hoger natuurbeheertype zijn gerealiseerd. De hogere kwaliteit kan ontstaan door langdurig uitgevoerde juiste beheermaatregelen. •Landschapselementen die in de meest recente versie van het Natuurbeheerplan op de beheertypenkaart zijn ingetekend en subsidiabel zijn komen voor beheervergoeding in aanmerking. Aanvragen voor het intekenen van landschapselementen in Bestaande natuur wijzen wij af, omdat zij niet voor beheervergoeding in aanmerking komen. Aanvragen voor het intekenen van landschapselementen in Nieuwe natuur honoreren wij en wij stellen deze landschapselementen open voor beheervergoeding. •Bestaande Natuur-enclaves stellen wij na inrichting open voor beheervergoeding. •Natuur op nieuwe landgoederen die in het kader van Rood-voor-groen zijn gerealiseerd komt niet voor een beheervergoeding in aanmerking. Natuur op NSW-landgoederen kan in aanmerking komen voor beheervergoeding als voldaan wordt aan de regels in de subsidieregeling. •Terreinen met een aanduiding Ondernemend Natuurnetwerk Brabant (ONNB) komen niet voor een beheervergoeding in aanmerking. •Terreinen die buiten het NNN liggen, in het NNB buiten het Natuurnetwerk Nederland, komen niet voor een beheervergoeding in aanmerking. •In 2007 is met het Rijk een overeenkomst gesloten voor het saneren van een aantal zogenaamde MOB-complexen (voormalige mobilisatiecomplexen van Defensie). Een deel van de door Defensie afgestoten MOB-complexen wordt omgevormd tot natuur, en is daarmee onderdeel van het NNN. Na doorlevering van de gronden aan een eindgebruiker komen deze in principe voor een beheervergoeding in aanmerking. •De beheertypen N17.02 Droog hakhout, N17.05 Wilgengriend en N17.06 Vochtig en hellinghakhout worden alleen opgenomen op de beheertypenkaart en opengesteld voor beheervergoeding als de beheerder bij de aanvraag heeft aangetoond dat het juiste beheer, leidend tot het natuurbeheertype, wordt gevoerd. •De beheertypen N10.01 Nat schraalland of N10.02 Vochtig hooiland worden na vaststelling van de inrichting alleen opgenomen op de beheertypenkaart en opengesteld voor beheervergoeding als de beheerder kan aantonen dat er minimaal 1 kwalificerende soort uit de Index Natuur en Landschap op het betreffende perceel aanwezig is voor dit beheertype (en daarmee voldoet aan de minimale biotische kwaliteitsbepaling), kan aantonen dat het perceel zo nat is dat er met specialistisch materiaal gemaaid moet worden of als de voedselrijke toplaag van het perceel is afgegraven. Tot die tijd nemen wij het perceel op als N12.02 op de beheertypenkaart en stellen wij het open voor beheervergoeding. Ook als de inrichting als N10.01 Nat schraalland of N10.02 Vochtig hooiland nog niet kan plaatsvinden vanwege nog te nemen hydrologische maatregelen, nemen wij het perceel op als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland tot de hydrologische maatregelen zijn genomen en wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden aan N10.01 Nat schraalland of N10.02 Vochtig hooiland. •Bosgebieden die nu nog niet op de beheertypenkaart of de ambitietypenkaart als N17.03 Park- en stinzenbos staan wijzigen wij niet naar dit type. Ook stemmen wij niet in met verzoeken voor de inrichting van nieuw N17.03 Park- en stinzenbos. Het historische element is hierbij leidend. •Beheervergoeding voor de volgende specifieke natuurbeheertypen in Bestaande of Nieuwe Natuur staat niet open. Bij deze typen is geen of te geringe ecologische waarde te verwachten. Het betreft L01.09 Hoogstamboomgaard, L02.01 Fortterrein, L02.02 Historisch bouwwerk en erf en L02.03 Historische tuin. •De Voorzieningen-, Monitoring-, Schapen- en vaarbijdrage is op kaart weergegeven. Om binnen het gebied waar een bijdrage mogelijk is, in aanmerking te kunnen komen voor de betreffende bijdrage, moet daarnaast worden voldaan aan de voorwaarden van de subsidieregeling. Het beleid ten aanzien van de bijdragen is in beginsel als volgt: oVoorzieningenbijdrage: overal beschikbaar oToezichtbijdrage: nergens beschikbaar oMonitoringsbijdrage: overal beschikbaar oSchapenbijdrage: beperkt beschikbaar, alleen in specifieke gebieden oVaarbijdrage: beperkt beschikbaar, alleen in specifieke gebieden 3.2.2 Ambitietypenkaart - Functieverandering en inrichting op grond van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant Landbouwgronden die voorkomen op de ambitietypenkaart, en op de beheertypenkaart beheertype N00.01 hebben, kunnen definitief worden omgezet in natuur, waarbij de waardevermindering van de grond wordt vergoed. Ook particulieren (of samenwerkingsverbanden van particulieren) komen voor deze vergoeding in de vorm van subsidie functieverandering in aanmerking. De particulieren zijn en blijven in dat geval eigenaar van de gronden. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. Particulier natuurbeheer is een belangrijk middel voor de realisatie van het Natuurnetwerk Brabant. Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een subsidie voor functiewijziging wordt verwezen naar de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant of naar www.groenontwikkelfondsbrabant.nl. Het Groenloket levert informatie over het opstellen van inrichtingsplannen en kan particulieren ondersteunen bij het indienen van subsidieaanvragen bij het GOB. De werkeenheid is te bereiken onder werkeenheidnatuurnetwerk@brabant.nl. 3.2.3 Agrarische zoekgebieden– leefgebieden, water en klimaat Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) onderscheiden de provincies de volgende drie leefgebieden: open grasland, open akkerland en dooradering. Deze drie leefgebieden zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie water en een categorie klimaat. In het Natuurbeheerplan worden deze drie agrarische leefgebieden/natuurtypen en de categorieën water en klimaat als agrarische zoekgebieden op de natuurtypenkaart aangeduid. Alleen binnen de begrenzing van de zoekgebieden is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Zie het vierde tabblad in de viewer van het Natuurbeheerplan. Voor de drie agrarische natuurtypen/leefgebieden en de categorieën water en klimaat worden subsidiecriteria meegegeven. Deze criteria beschrijven de instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag. Het gaat om uniforme instapeisen, met de mogelijkheid van provincies om daar gemotiveerd van af te wijken. Zie Hoofdstuk 4 en de bijlagen. Bij de begrenzing van de zoekgebieden in het Natuurbeheerplan en de keuze op welke soorten wordt ingezet, houdt de provincie rekening met de naastgelegen provincies. Dit om een goed afgestemd soortenbeleid over de provincies te garanderen. Er wordt naar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking van en/of verbinding voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) een belangrijk uitgangspunt. Tevens is het gericht op de kansrijkheid voor soorten die (deels) afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap. Vanaf 2027 wordt het ANLb aanvullend versterkt met Rijksmiddelen uit het programma Agrarisch Natuurbeheer (ANB). Deze middelen worden in overeenstemming met een gezamenlijk (LVVN en IPO) opgestelde Leidraad ingezet in de prioritaire gebieden. De Leidraad wordt specifiek omschreven in hoofdstuk 4 paragraaf 4.3 en 4.4. Ten opzichte van het vorige Natuurbeheerplan worden enkele wijzigingen doorgevoerd. Dit is mede ingegeven door de ‘Tussenevaluatie van de stelselvernieuwing Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer’ (www.tweedekamer.nl). Op de beheertypenkaart worden de doelstellingen voor specifieke soorten of soortengroepen binnen de agrarische beheertypen niet aangeduid. Welke specifieke doelstellingen de provincie heeft m.b.t. soorten of soortengroepen wordt beschreven in hoofdstuk 4 en/of de bijlagen. Voor het zoekgebied water is in hoofdstuk 4 en/of de bijlagen aangegeven op welke blauwe diensten ingezet kan worden en welke criteria daarvoor gelden. Dit geldt ook voor het zoekgebied klimaat. Voor agrarisch natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke leefgebieden, categorieën voor subsidie in aanmerking komen (zie Natuurbeheerplan (NBP)). 3.2.4 Monitoring Monitoring is een essentieel onderdeel van de beleidscyclus. De uitvoering van het natuurbeleid en beheer dient onderzocht te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Jaarlijks wordt bijgehouden hoe het staat met het aantal gerealiseerde hectares natuur, het aantal gerealiseerde hectares wat gelijk is aan het natuurambitietype en het benodigde budget om het restant te realiseren. Naast de monitoring van de kwantiteit van het natuurnetwerk wordt ook gekeken naar de kwaliteit. Per natuurbeheertype wordt beoordeeld in hoeverre de kwalificerende soorten aanwezig zijn. De manier van beoordeling van de natuurkwaliteit staat beschreven binnen de ‘Werkwijze Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk – Natura 2000’. Natuurbeheer Voor de monitoring van het natuurbeheer is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS”, die te vinden is op de website van BIJ12 (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/monitoring-en-natuurinformatie/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op de website van BIJ12 zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden. Gecertificeerde natuurbeheerders hebben het recht om de monitoring zelf uit te (laten) voeren en krijgen daarvoor een monitoringssubsidie gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Voor de natuurbeheerders die de monitoring niet zelf willen uitvoeren, voert de provincie de monitoring uit. De SNL-monitoring volgt een zes jaarlijkse cyclus, waarbij nauw wordt samengewerkt met de terreinbeheerders. Eens per zes jaar wordt een monitoringsrapport opgesteld door de provincie, waarna dit in het zogenoemde goede gesprek met de terreinbeheerders wordt geëvalueerd. Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen (op provinciaal, landelijk en Europees niveau) te evalueren). De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven, de provincie is verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring. Bij de beleidsmonitoring worden niet alleen de landelijke soorten meegenomen, maar ook de Brabantse soorten. Water De blauwe diensten worden ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit) via welke lijn de toestand en ontwikkeling van de betreffende parameters worden gemonitord. Dit betekent dat voor blauwe diensten niet een apart monitoringsprogramma ontwikkeld hoeft te worden. Klimaat Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door middelen van vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte, en omgaan met verzilting. Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) momenteel geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld. 4. Natuur- en Landschapsdoelen Dit Natuurbeheerplan geeft invulling aan het in hoofdstuk 2 beschreven natuur- en landschapsbeleid van de Europese Unie, het Rijk, de provincie en waterschappen. In hoofdstuk 4 en de genoemde bijlagen worden de beleidsdoelen en criteria beschreven ten aanzien van de provinciale natuur-, landschaps-, klimaat- en waterdoelen. Hieraan zullen de subsidieaanvragen van natuurbeheerders en de gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven worden getoetst. Het hoofdstuk start met een integrale gebiedsomschrijving en een visie, gevolgd door de beleidsdoelen en criteria op het vlak van natuurgebiedenbeheer. Het vervolg van het hoofdstuk gaat over beheer op agrarisch gebied en de criteria en beleidsdoelen die daar gelden. 4.1 Integrale gebiedsbeschrijving en visie op behoud en ontwikkeling We beogen het realiseren van het volledige Natuurnetwerk Nederland. We doen dit vanuit een aantal overwegingen. We streven naar een goed leef- en vestigingsklimaat in onze provincie. Eén van de speerpunten hierbij is robuuste en veerkrachtige natuur. Maatschappelijk draagvlak is essentieel. Dit is nodig voor het op peil houden van de natuur en landschapsambitie voor de langere termijn. Onderdeel is de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen publiek en privaat, waarbij de overheid haar regulerende rol durft los te laten en de cross overs tussen economie en ecologie. In 2019 hebben de Manifestpartners de nota ‘De Brabantse aanpak: Ondernemend & Samen’ opgesteld waarin zij een oproep doen voor een gezamenlijke gebiedsgerichte aanpak van de transities van landbouw, natuur, klimaat en energie. Verder uiteraard behoud van biodiversiteit. Hiervoor is een robuust Natuurnetwerk noodzakelijk. Niet alleen sterke natuurgebieden met het op orde brengen van de fysieke omstandigheden, maar ook de verbindingen met elkaar bepalen de robuustheid. Het waterbeleid is mede gericht op het herstellen van verdroogde gebieden en het uitvoeren van beek- en kreekherstel. De geformuleerde doelstellingen voor natuur bepalen de hydrologische eisen. Milieueisen zoals stikstof en fosfaat zijn eveneens sterk bepalend. Het natuurnetwerk wint aan kracht als er meer ruimte komt voor natuurlijke processen, zoals predatie, begrazing en het herstellen van kringlopen door toestaan van successie. Dit zogenaamde procesbeheer krijgt ruimte in een aantal gebieden. De klimaatbestendigheid neemt hierdoor toe. Andere gebieden hebben natuurwaarden als gevolg van specifiek beheer. Dit zogenaamde patroonbeheer zetten wij voort. 4.2 Beleidsdoelen en criteria natuur- en landschapsbeheer De ambities voor natuurbeheer zijn vastgelegd op de ambitietypenkaart en de te realiseren beheerdoelen op de beheertypenkaart. In paragraaf 3.2.1 staat een toelichting op de interpretatie en werkwijze van de beheertypenkaart en de ambitietypenkaart. 4.3 Beleidsdoelen en criteria agrarisch natuur- en landschapsbeheer In deze paragraaf wordt beschreven welke beleidsdoelen de provincie heeft, de begrensde gebieden, hoe tot de begrenzing is gekomen en waar het gebied idealiter aan moet voldoen. Terminologie Het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer kent 3 agrarische natuurtypen (A11, A12, A15) die ook wel de leefgebieden worden genoemd en twee categorieën (W01 en K01). Samen vormen zij de ‘agrarische zoekgebieden’. De 5 agrarische zoekgebieden zijn: -leefgebied Open grasland (A11) -leefgebied Open akkerland (A12) -leefgebied Dooradering (A15) -Waterbeheergebieden (W01) -Klimaatbeheergebieden (K01) Brabant is ten behoeve van het ANLb ingedeeld in Regio’s. Deze zijn gebaseerd op geografische, landschappelijke en ecologische kenmerken, waarbij (zoveel mogelijk) rekening is gehouden met administratieve eenheden zoals werkgebieden van waterschappen en collectieven. De Regio’s hebben elk een schaalgrootte die van voldoende omvang is om samenhangend beheer uit te voeren. Binnen de leefgebieden van de respectievelijke Regio’s wordt door de collectieven focus aangebracht. Die gebieden noemen collectieven ‘werkgebieden’. Daar wordt door collectieven samenhangend beheer uitgevoerd, afgestemd op de eisen die doelsoorten stellen. In de Regio’s kunnen zich meerdere kerngebieden bevinden. Waar de beheermaatregelen daadwerkelijk landen wordt het ‘beheerde areaal’ dan wel ‘beheerareaal’ genoemd. Voor de Regio’s zijn ‘criteria voor effectiviteit’ beschreven (bijlage 3). De belangrijkste criteria daarvan worden ‘instapcriteria’ genoemd. Met name de instapcriteria zijn belangrijk voor de beoordeling van de gebiedsplannen. Beleidsdoelen De agrarische leefgebieden zijn gebieden die bijdragen aan de instandhouding en/of verbetering van een aantal soorten of soortengroepen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR-soorten). Het doel is om de leefgebieden te behouden, verbeteren en versterken ten behoeve van soorten. Naast de bekende soorten streeft de provincie ook naar het behoud van aanvullende soorten, welke tot nu toe (te) weinig aandacht hebben gehad. Het gaat in alle gevallen om soorten die afhankelijk zijn van of in grote mate baat hebben bij agrarisch natuurbeheer. Op de website van BIJ12 is per agrarische natuurtype een aantal soorten genoemd. Duiding is eveneens te vinden via het rapport https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/02/Rap_2013-65_kansrijke_gebieden_voor_agrarisch_natuurbeheer.pdf. De doelsoorten staan in bijlage 1 vermeld. Synergie wordt gezocht met kwaliteitsverbetering van het landschap en de doelen voor water en klimaat. Selectie en begrenzing van de gebieden Om de gewenste ecologische effectiviteit te bereiken zijn bij het begrenzen van de agrarische leefgebieden keuzes gemaakt. De provincie heeft een aantal criteria gehanteerd om te komen tot de begrenzing. Het gaat hier onder andere om criteria t.a.v. de aanwezigheid doelsoorten en dichtheden van doelsoorten, voldoende openheid, omvang en connectiviteit, draagvlak, synergie met andere doelen, beleidskaders en financiën. Collectieven kunnen dan alleen voor deze begrensde gebieden een gebiedsaanvraag doen. Het is de bedoeling om maximale effectiviteit te bereiken door een geconcentreerde inzet van de juiste beheermaatregelen op de juiste locatie. Om de Brabantse leefgebieden per 2023 te bepalen is een analyse uitgevoerd. Hierbij zijn lagere selectiecriteria gehanteerd dan een aantal jaar geleden. Dit benadrukt de noodzaak om ANLb nog gerichter in te zetten en dat is het doel van de provincie Brabant, teneinde populaties van soorten beter te behouden en versterken. In voorkomende gevallen zijn percelen begrensd als leefgebied, terwijl (nog) niet aan de minimale aantallen doelsoorten wordt voldaan. Het is mogelijk dat op die locaties aangepast of langer beheer nodig is, voordat de potentie van het beheerde gebied wordt bereikt. Deze locaties voldeden op basis van de gebruikte monitoringsdata niet aan de selectiecriteria, maar zijn toch als leefgebied aangewezen, zodat het agrarisch collectief een afweging kan maken over het beheer. De provincie vraagt in de gebiedsplannen extra aandacht voor de onderbouwing van de voortzetting van het beheer in relatie tot de doelen in het gebied. Vanaf 2023 worden de landelijke termen gehanteerd om de agrarische zoekgebieden (waaronder de leefgebieden) te benoemen. Voorheen werkte Brabant met eigen benamingen, die goede onderbouwing hadden. Door voortaan de landelijke termen te gebruiken is het makkelijker de verbinding te leggen met de gebieden en activiteiten in de rest van het land. De selectiecriteria van leefgebieden wijken op onderdelen af van de landelijke selectiecriteria (Alterra, 2014, https://edepot.wur.nl/328376). De provincie heeft soms andere criteria gehanteerd, welke beter aansluiten op de Brabantse situatie om te komen tot de begrenzing. Het gaat hier met name om criteria voor de aanwezigheid en dichtheden van doelsoorten. Collectieven kunnen voor begrensde leefgebieden een gebiedsaanvraag doen. Meer informatie over selectiecriteria staat in de bijlagen. In algemene zin zijn de leefgebieden ruim begrensd, op basis van hun ecologische waarde en het voorzetten van bestaand beheer. Het aantal doelsoorten (bijlage 1) is teruggebracht, om meer focus te krijgen op de ANLb inzet. Hierbij worden de landelijke soorten als doelsoorten gebruikt (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/agrarisch-natuurbeheer-anlb/kennisbank/), met daarbij een aantal Brabantse soorten die als prioritair worden beschouwd. In de Regio’s kunnen een of meerdere agrarische zoekgebieden liggen en deze kunnen overlappen. De essentiële randvoorwaarden voor het beheer binnen leefgebieden worden “instapcriteria” genoemd. De bredere criteria voor het slagen van een leefgebied worden “criteria voor effectiviteit” genoemd, zie bijlage 3. De collectieven hebben per definitie veel autonomie, omdat de inhoud van beheercontracten en de betaalde vergoedingen door hen zelf worden bepaald. Door frequente informatie-uitwisseling kunnen de collectieven de provincie meenemen in hun aanpak en resultaten. Voor een effectief ANLb is verder de samenwerking van agrarische collectieven, overheden, terrein beherende organisaties en kennisorganisaties belangrijk. Synergie moet worden nagestreefd voor ecologische doelen, agrarisch waterbeheer en agrarische klimaatbeheer (zie paragraaf 4.4 en de bijlage 3). In een beheerstrategie beschrijft een agrarisch collectief hoe zij de beschikbare middelen effectief en strategisch inzetten. Deze beheerstrategie is onderdeel van de gebiedsaanvraag. De provincie toetst de gebiedsaanvraag op basis van paragraaf 4.3 en 4.4 en de bijlagen van het Natuurbeheerplan. Algemene vereisten en soortenfiches Voor het te beheren gebied wordt aan collectieven gevraagd dat ze een integraal gebiedsplan maken waarin de ecologische-, water- en klimaatdoelen worden gerealiseerd. Hierbij wordt er gekeken hoe er synergie wordt gevonden bij de verschillende doelen en opgaven in het gebied op het vlak van natuur, water en klimaat. Verzocht wordt gebruik te maken van de Soortenfiches. De Soortenfiches vormen een verzameldocument met per soort specifieke leefgebiedeninformatie met inrichting- en beheermaatregelen. Deze informatie is bedoeld om de collectieven te helpen bij het onderbouwen van de gebiedsaanvragen, als men kiest voor inspanningen voor specifieke doelsoorten. Tegelijk helpt deze informatie de provincie om gebiedsaanvragen met beheer op specifieke doelsoorten goed te kunnen beoordelen. Ecologische toets gebiedsaanvraag Om de gewenste effectiviteit te bereiken formuleert de provincie kwaliteitscriteria die gesteld worden aan het habitat/leefgebied van de soorten. Het gaat hier om criteria die gesteld worden aan de beheerde oppervlakte. Deze criteria zijn van belang bij het uitwerken van de gebiedsaanvraag door de collectieven. Er moet onderscheid gemaakt worden in een beschrijving van de doelen en criteria in deze paragraaf en in paragraaf 4.5. De in deze paragraaf 4.3 geschetste ecologische criteria beschrijft de gewenste kwaliteit die de provincie nastreeft in de gebieden en deze zijn richtinggevend bij de uitwerking van de gebiedsaanvragen door de collectieven. De in paragraaf 4.5 geschetste criteria worden door RVO gebruikt om de gebiedsaanvraag te toetsen. Criteria voor de beoordeling van de gebiedsaanvraag Deze criteria worden niet uniform vastgelegd. Provincies formuleren zelf deze criteria en richten zich op een optimaal biotoop door het zorgen voor bijv. voldoende broed- en opgroeimogelijkheden; foerageergebied; nat biotoop, Waterberging en Bufferstroken. Provincies moeten deze criteria zo formuleren dat deze duidelijk de na te streven doelen en kwaliteit beschrijven, en voldoende ruimte voor collectieven bieden om een gebiedsaanvraag te doen. Let op: deze criteria zijn niet geborgd wat betekent dat collectieven af kunnen wijken van de hier genoemde kwaliteitscriteria/wensen en daar formeel niet op afgewezen kan worden. Uitgangspunt is wel dat collectieven in goed overleg betrokken zijn geweest bij het formuleren van doelen en dus ook de gebiedsaanvraag daarop zullen baseren. Specifiek voor de inzet van de groeimiddelen ANLb in prioritaire gebieden worden landelijk uniforme beoordelingscriteria uit de Leidraad 2.0 opgenomen. Voor de inzet in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden sorteren we daarmee voor op het nemen van maatregelen rondom de N2000-gebieden en te verwachten opgaven uit de NHV. De beoordelingscriteria kunnen, indien van toepassing, worden opgenomen in de leefgebieden open akkerland, dooradering en open grasland (indien geen kerngebied voor de Grutto) en de categorieën water en klimaat. Specifieke instapcriteria In bijlage 3 staan per leefgebied, binnen elke Regio, de specifieke instapcriteria genoemd waar het gebiedsplan aan moet voldoen. Daarbij wordt verwacht dat er een onderbouwing wordt gegeven van het type beheer in relatie tot de aanwezige ecotopen en dat de beheerstrategie is afgestemd met het waterschap, andere collectieven en terrein beherende organisaties. RVO.nl voert een controle uit op de (voorgenomen) subsidieverlening van de provincie aan agrarische collectieven, welke gebaseerd is op de gebiedsaanvragen. De criteria waar RVO.nl op toetst om te controleren of aan de nationale en Europese afspraken en regels vanuit het subsidiestelsel wordt voldaan, staan opgesomd in paragraaf 4.5. Groeimiddelen 2027 binnen prioritaire gebieden Voor de inzet van groeimiddelen in 2027 in prioritaire gebieden volgens Leidraad 2.0 wordt een set aan inhoudelijke eisen gehanteerd, waarmee wordt toegewerkt naar een groter aandeel geconcentreerd zwaar beheer in deze gebieden. Deze prioritaire gebieden zijn: 1. Kerngebieden voor de Grutto Het betreft landbouwgrond binnen de kerngebieden voor de grutto. De kerngebieden bestaan uit: •Concentratiegebieden voor de grutto zoals benoemd in het concentratiegebiedenrapport van SOVON; •Aanvalsplan Grutto gebieden; •Gebieden in en rondom de 25 bestaande VR-gebieden waaraan instandhoudingsdoelen voor de grutto worden toegevoegd. Indien deze kerngebieden voor de grutto zijn begrensd als open grasland, dan behouden we de huidige inhoudelijke eisen zoals de provincies in de Natuurbeheerplannen hebben beschreven in het kader van Aanvalsplan Grutto (passend bij leefgebied open grasland) en ligt de nadruk op het verzwaren van het beheer binnen het gebied. Wij adviseren de aanbevelingen uit de ecologische evaluatie over de inzet van voldoende zwaar beheer hierin mee te nemen. Daarbij ligt de nadruk op het verzwaren van het beheer binnen de grutto gebieden. Dat betekent dat voor de groei van de staat in stand houding een forse inzet gewenst is (minimaal ca 65 ha aaneengesloten beheer waarvan de helft (50%) moet bestaan uit zwaar beheer). 2. In en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze leefgebieden zijn begrensd als open akkerland, dooradering of open grasland (indien geen kerngebied voor de Grutto) dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen: ■Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg); ■Minimaal 10% (zware) beheermaatregelen1 binnen het cluster: oDe verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën; oBij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen; oBeperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. De collectieven stellen op basis van bovenstaande criteria nieuwe werkgebieden in. De zonering rondom stikstofgevoelige natuurgebieden zal gebaseerd worden op bestaande beleidskaarten uit de omgevingsverordening zoals de attentiezone waterhuishouding, grondwaterbeschermingsgebieden (waterwinning voor menselijke consumptie), ecologische verbindingszones en het regionaal waterprogramma zoals de natte natuurparels en KRW watergangen die op een of andere manier gerelateerd zijn aan deze gebieden. Maatregelen binnen de werkgebieden dragen bij aan verbetering van het leefgebied van doelsoorten uit het natuurbeheerplan (bijlage 1) of habitatrichtlijn soorten waarvoor het aanliggende N2000 gebied is aangewezen en op systeemherstel van het aanliggende N2000-gebied. 4.4 Beleidsdoelen en criteria agrarisch water- en klimaatbeheer 4.4.1 Water In overleg met de waterschappen De Dommel, Aa en Maas, Rivierenland en Brabantse Delta zijn de waterdoelen opgenomen in dit Natuurbeheerplan. Zo kan er een bijdrage worden geleverd aan verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en de grondwaterkwaliteit. Maatregelen voor het verhogen van het gehalte organische stof kunnen hier bijvoorbeeld een positieve rol spelen. Of er kan worden gedacht aan het verminderen van nitraat en bestrijdingsmiddelen in de bodem. Dit kan door bijvoorbeeld een onbemeste zone langs watergangen in te stellen, voor zover het hier niet reeds een verplichting uit de basis conditionaliteiten voor agrariërs betreft. Voor een optimale inzet van de middelen is het belangrijk dat synergie wordt gezocht met andere doelen. Gedacht kan worden aan: biodiversiteit op agrarische gebied en in natuurgebieden, klimaatdoelen, ecologische verbindingszones en grondwaterbeschermingsgebieden. De mogelijke locaties om te werken aan de waterdoelen zijn middels het agrarische zoekgebied ‘Zoekgebied Water’ weergegeven op de kaart. Zie het vierde tabblad in de viewer van het Natuurbeheerplan. De beheerfuncties gekoppeld aan het agrarisch waterbeheer zijn te vinden in paragraaf 4.5. De beheerpakketten ANLb zijn te vinden via de website www.boerennatuur.nl. Instapcriteria voor waterbeheergebieden In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Dit dient te zijn afgestemd met het des betreffende waterschap. 4.4.2 Klimaat De categorie Klimaat is gericht op klimaatbeheermaatregelen die CO2-vastlegging, het verminderen van broeikasgassen en het vasthouden en afvoeren van water als doelstelling hebben. Deze doelstelling is opgesplitst in klimaatmitigatie en klimaatadaptatie. Deze klimaatdoelen zijn tevens weergegeven op de kaarten bij het Natuurbeheerplan. Collectieven kunnen op basis van paragraaf 4.5 de toegestane beheerfuncties toepassen. De kaart ‘Klimaatbeheergebied’ is het kader voor agrarische collectieven bij het opstellen van het gebiedsplan. De volgende klimaatmitigatie-maatregelen komen in aanmerking: a. Het verhogen van het gehalte organische stof in akkerbouwbodems Deze maatregel geldt specifiek voor akkerbouwbodems. Hierbij kan worden gedacht aan een aantal verschillende maatregelen, bijvoorbeeld niet-kerende grondbewerking, het inzetten van vanggewassen/groenbemesters met aanvullende maatregelen en het gebruik van ruige stalmest. b. Aanpassing gewaskeuze en teelttechniek in akkerbouw en weidebouw, inclusief onderhoud en beheer van nieuwe boomrijen, nieuwe struweellinten, het toepassen van agroforestry, het toepassen van meer CO2-bindende gewassen en precisie-landbouw Bij deze maatregel staat het beheer van houtige landschapselementen centraal, voor zover deze een extra bijdrage leveren aan de opslag van CO2. Daarom wordt een peildatum van 1 januari 2019 gehanteerd voor nieuwe landschapselementen. Vanuit het ANLb kan slechts het beheer worden betaald. Voor de aanpassing van gewaskeuze kan bijvoorbeeld worden gekozen voor het telen van alternatieve gewassen in plaats van maïs. Aangepaste teelttechnieken kunnen helpen tegen ‘run off’ van overtollig water op het maaiveld maar ook ‘run off’ vanaf hellende percelen. Hierbij kan worden gedacht aan het ‘niet-haaks’ inzaaien op hellende percelen t.o.v. waterlopen. c. Vermindering oxidatie van veenbodems, onder andere via verhoging grondwaterpeil en/of overstap naar natte teelten/paludicultures Doordat veen verdroogt, klinkt het in. Dit proces veroorzaakt bodemdaling en hierbij komt CO2 vrij. De meest effectieve manier om dit tegen te gaan is het opzetten van het waterpeil en daarmee het grondwaterpeil in de (laag)veenweidegebieden. Dit betreft maatwerk en dient gebiedsgericht te gebeuren in nauw overleg met de waterschappen. Het gaat dan met name over het opzetten het peil in de droge maanden. Het voeren van natte teelten is een manier om in de laagstgelegen delen van een peilvak bij een verhoogd waterpeil bruikbare gewassen te telen. Voorbeelden van gewassen die hiervoor in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld riet en lisdodde. De volgende maatregelen vallen onder klimaatadaptatie: a. Meer water vasthouden in beekdalen en in infiltratiegebieden Het vasthouden van water in beekdalen wordt gezien als een maatregel die vooral door de waterschappen kan worden uitgevoerd, onder meer via hermeanderen van beken en het anders inrichten van beken. Water vasthouden in infiltratiegebieden is van belang voor het tegengaan van verdroging en het herstel van kwelstromen. Maatregelen die hiervoor in aanmerking komen zijn o.a. het verondiepen of dempen van sloten en het opzetten van slootpeilen. Voor begrenzing zie kaart Infiltratiegebieden. b. Adaptatie aan de verwachte hogere frequentie van inundaties in beekdalen en in laaggelegen akker- en weidegebieden Adaptatie aan de verwachte hogere frequentie van inundaties in beekdalen en in laaggelegen akker- en weidegebieden houdt in dat agrariërs in delen van hun gronden inundatie accommoderen, mogelijk maken of toelaten, zodat inundatie op de meer waardevolle landbouwgronden en in laaggelegen bewoonde gebieden wordt voorkomen of verminderd. Inundaties kunnen tevens bijdragen aan verhoging biodiversiteit aangezien zo tijdelijke plas-drasgebieden ontstaan. Daarnaast zorgt het toelaten van tijdelijke inundatie ervoor dat de noodzaak voor andere maatregelen, zoals water wegpompen en dijkverhogingen wordt verminderd. Instapcriteria voor klimaatbeheergebieden: In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden, ecologische verbindingszones en de watertransitie. 4.5 Beoordelingscriteria gebiedsaanvragen De in deze paragraaf geschetste leefgebieden en beheerfuncties worden door RVO gebruikt om de gebiedsaanvraag en de jaarlijkse beheerplannen te toetsen op EU-conformiteit. In een gebiedsaanvraag worden meerdere leefgebieden/zoekgebieden opgenomen. De toetsing vindt plaats op de begrenzing van de zoekgebieden/leefgebieden en beheerfuncties. De kaarten met de leefgebieden/zoekgebieden (voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer en agromilieu- en klimaatdiensten) zijn digitaal te raadplegen. De Agrarische zoekgebieden-kaart in de provinciale viewer laat de zoekgebieden en ‘deelgebieden’ zien, waarbij nadrukkelijk wordt opgemerkt dat zowel de ‘financiële regio's’ als de ‘gebieden met voorwaarden’ een alternatieve vorm van deelgebieden zijn en geen eigen min.max qua hectares hebben. Deze vormen van deelgebieden worden door de provincie gebruikt bij subsidie openstellingen en beoordelingen van gebiedsaanvragen/subsidieaanvragen, zie verder paragraaf 4.3, 4.4 en de bijlagen. Agrarisch zoekgebieden Financiële regio Gebieden met voorwaarden (Regio’s) Beheerfuncties A11 Open grasland n.v.t. -Land van Altena -Maaskant Oost -Zeekleigebied -De Peel -Maasheggen Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden (F01.12) en/en Creëren nat biotoop (F01.15) en/en A12 Open akkerland n.v.t. -Land van Altena -Zeekleigebied -Brabantse Wal en Baronie -Maaskant West -Maaskant Oost -Meijerij en Kempen -De Peel -Maasheggen Creëren foerageergebied (F01.11) en/of Optimaliseren voortplantingsmogelijkheden (F01.13) en/of A15 Dooradering n.v.t. -Land van Altena -Zeekleigebied -Brabantse Wal en Baronie -Maaskant West -Maaskant Oost -Meijerij en Kempen -De Peel -Maasheggen Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroei mogelijkheden (F01.12) en/of Verschralen (F01.14) en/of W01 Waterbeheergebieden Waterschap Rivierenland Waterschap Brabantse Delta Waterschap Dommel Waterschap Aa en Maas -Land van Altena -Zeekleigebied -Brabantse Wal en Baronie -Maaskant West -Maaskant Oost -Meijerij en Kempen -De Peel -Maasheggen Waterberging (F02.11) en/of Vernatting (F02.13) en/of Water vasthouden (F02.14) en/of Verbeteren chemische waterkwaliteit (F02.15) en/of Verbeteren ecologische waterkwaliteit (F02.16) en/of K01 Klimaatbeheergebieden n.v.t. -Land van Altena -Zeekleigebied -Brabantse Wal en Baronie -Maaskant West -Maaskant Oost -Meijerij en Kempen -De Peel -Maasheggen Vastleggen CO2 (F03.11) en/of Reduceren broeikasgassen (F03.12) en/of Vernatten (F03.13) en/of Opvangen waterpieken en droogte (F03.14) en/of K01 Klimaatbeheergebieden n.v.t. -Zeekleigebied -Brabantse Wal en Baronie Omgaan met verzilting (F03.15) en/of De neergaande trend van veel beschermde soorten van het agrarisch gebied is niet gekeerd. Vanwege de zorgwekkende toestand van de natuur in het agrarisch gebied wordt samen met de collectieven minimaal 3 keer per jaar ‘een goed gesprek’ gevoerd. Daarbij wordt gekeken naar de wijze waarop het beleid zich verhoudt tot de praktijk van uitvoering en waar aanpassingen nodig zijn ten behoeve van de effectiviteit van de uitvoering. Uitgangspunten hierbij zijn de hoofdtekst en bijlagen bij het Natuurbeheerplan en de ingediende gebiedsplannen. Indien op basis van de gesprekken het onvoldoende mogelijk is om beleid en praktijk beter bij elkaar te laten aansluiten, behoudt de provincie zich de mogelijkheid voor om (op basis van o.a. de doelen en criteria zoals opgenomen omschreven in 4.3, de bijlagen en het gebiedsplan), meetbare criteria op te nemen in paragraaf 4.5. Hierbij valt o.a. te denken aan een percentage plas-dras, zwaar beheer of wintervoedsel. 4.6 Aanvullende vereisten voor de aanleg van beboste gronden SNL2016 Bij de aanleg van nieuw bos binnen het kader van de SNL2016 gelden de volgende voorschriften, gebaseerd op punt 504 van de Staatssteunrichtsnoeren voor de Land- en Bosbouwsector: a) Selectie van soorten, arealen en methoden •Bij de aanleg van nieuw bos moet worden voorkomen: oeen niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, zoals veengebieden en wetlands; onegatieve effecten op gebieden met een hoge ecologische waarde, waaronder landbouwgebieden gericht op hoge natuurwaarden. •In Natura 2000-gebieden is bebossing alleen toegestaan als deze volledig in overeenstemming is met de beheerdoelstellingen van het gebied en hierover overeenstemming is bereikt met de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van Natura 2000. •Bebossing in gebieden met ecologische waarden wordt zorgvuldig afgewogen om negatieve milieueffecten te voorkomen. b) Weerbaarheid, soortenkeuze en bosbeheer •Bij de keuze van boomsoorten, rassen, ecotypen en herkomst wordt rekening gehouden met: oDe weerbaarheid tegen klimaatverandering en natuurrampen. oDe bodem- en hydrologische gesteldheid van het betrokken gebied. oHet toepassen van inheemse boom- en struiksoorten. oHet voorkomen van het gebruik van potentieel invasieve soorten. •Begunstigden zijn verplicht het nieuw aangelegde bos gedurende de periode waarin premies voor gederfde landbouwinkomsten en onderhoud worden verstrekt, te beschermen en beheren. Deze zorg omvat: oVerzorging, uitdunning of beweiding voor de toekomstige ontwikkeling van het bos. oRegulering van de concurrentie met kruidachtige vegetatie en het voorkomen van een ophoping van brandgevoelig materiaal. •Voor snelgroeiende soorten geldt een minimumperiode van 8 jaar en een maximumperiode van 20 jaar voordat deze soorten mogen worden gekapt. c) Alternatieven bij moeilijke omstandigheden •Wanneer vanwege ongunstige bodem-, klimatologische of milieuomstandigheden (inclusief aantasting van het milieu) geen bosbedekking volgens de nationale wetgeving kan worden gerealiseerd, mag alternatieve houtige vegetatie worden aangeplant, zoals struiken of heesters die geschikt zijn voor de lokale omstandigheden. •Deze alternatieve vegetatie wordt beheerd en beschermd op een vergelijkbaar niveau als voor bossen geldt. Overeenkomstig punt 507 van de Staatssteunrichtsnoeren voor de Land- en Bosbouwsector, wordt geen steun verleend voor: •de aanplant van bomen voor hakhout met korte omlooptijd, kerstbomen of snelgroeiende bomen voor de energieproductie; investeringen in bebossing die niet stroken met de klimaat- en milieudoelstellingen of met de beginselen van duurzaam bosbeheer, zoals vastgelegd in de pan-Europese richtsnoeren voor bebossing en herbebossing. 5. Subsidiemogelijkheden De doelen uit het Natuurbeheerplan zullen via uitvoerend beheer door natuurbeheerders (natuurorganisaties, natuurcollectieven, particuliere natuurbeheerders, agrarische collectieven) worden gerealiseerd. Bij het beheren en uitvoeren van beheeractiviteiten zijn er verschillende subsidiemogelijkheden. 5.1 Subsidies voor natuur en landschap In het SNL is subsidie mogelijk voor natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer, landschapsbeheer en water- en klimaatdoelen. Natuurbeheerders en agrarische collectieven kunnen subsidie aanvragen voor een beheertype met een looptijd van zes jaar. Dit wordt ook wel een subsidieperiode genoemd. 5.2 Natuur- en landschapsbeheer Beheersubsidie is een vergoeding voor het beheer van een beheertype. De Index beschrijft per beheertype aan welke terreinkenmerken het terrein moet voldoen. Beheertypen mogen elkaar niet overlappen. Op een oppervlakte kan één natuurbeheertype worden aangevraagd. Bij de subsidie voor natuurbeheer moet de beheerder zijn terrein openstellen. Het natuurterrein is opengesteld als het minimaal 358 dagen per jaar gratis fysiek bereikbaar en toegankelijk is. De beheersubsidie is gebaseerd op de standaardkostprijs (SKP) referentie 2025. De standaardkostprijs is een landelijke gemiddelde van de beheerkosten per beheertype. De beheersubsidie bedraagt 84% van de standaardkostprijs. Voor meer informatie zie: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/tarieven/standaardkostprijzen/. Sinds 2017 kunnen beheerders onder de 200 hectare alleen nog via een collectief subsidie krijgen voor natuur- en landschapsbeheer. Een collectief is een (coöperatieve) vereniging/ een samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) samenstelling die bestaat uit particuliere natuurbeheerders en andere beheerders met eigendomsrecht. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie. Beheerders met een beheeroppervlakte boven de ondergrens kunnen deelnemen aan een collectief maar kunnen ook nog individueel subsidie aanvragen. Daarnaast moeten beheerders gecertificeerd zijn om in aanmerking te komen voor subsidie. Dit kan door individueel een certificaat aan te vragen of door een aanvraag te doen via een gecertificeerd collectief. Naast beheervergoeding zijn er ook een aantal bijdragen mogelijk. Dit zijn: Schapenbeheer In de SNL2016 is een vergoeding mogelijk voor de inzet van gescheperde schaapskuddes ten behoeve van het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen. Vergoeding is mogelijk voor een aantal specifieke beheertypen en is qua oppervlakte naar verhouding verdeeld over de verschillende beheerders. Vaarvergoeding Sommige beheereenheden kunnen uitsluitend via het water worden bereikt. De beheerkosten voor dit ‘vaarland’ zijn vanwege de moeilijke bereikbaarheid hoger dan voor natuurterreinen die normaal bereikbaar zijn. Voor deze gebieden kan een vergoeding voor transportkosten in verband met het beheer van een natuurterrein worden aangevraagd. In Brabant betreft dit alleen de Biesbosch. Voorzieningenbijdrage De voorzieningenbijdrage is een vergoeding voor het voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein door middel van het onderhoud van voorzieningen. De voorzieningenbijdrage is alleen aan te vragen in combinatie met een aanvraag voor beheersubsidie. Om de voorzieningenbijdrage te krijgen moet het gebied in principe jaarrond vrij toegankelijk zijn. Er is een mogelijkheid tot uitzondering in het geval van tijdelijke afsluiting ter bescherming van natuurwaarden. Toezichtbijdrage Deze bijdrage is in Noord-Brabant niet beschikbaar via de SNL. De provincie heeft besloten hierop in te zetten via de eerder opgezette organisatie Samen Sterk in Brabant (SSIB). Dit zorgt voor een efficiënte en gecoördineerde inzet van de middelen en voorkomt versnippering van geld en mankracht. Tegelijk is besloten dat dit niet ten laste van de begroting van het natuurbeheer komt. Achtergrond hiervan is het besef dat zowel de oorzaken als de aanpak van toezicht en handhaving in het buitengebied niet ligt, laat staan zich beperkt tot, de natuurterreinen waar beheersubsidie wordt verleend. Sinds 2017 is er voor een subsidieaanvraag voor natuur- en landschapsbeheer een ondergrens van 200 ha. Beheerders met minder eigendom kunnen subsidie aanvragen via een collectief. Een collectief is een (coöperatieve) vereniging/een samenwerkingsverband die veelal bestaat uit particuliere natuurbeheerders en andere beheerders met eigendomsrecht. De aanvraag en uitbetaling van de subsidie verloopt via het collectief. Beheerders met een beheeroppervlakte boven de ondergrens kunnen deelnemen aan een collectief of individueel subsidie aanvragen. Daarnaast moeten beheerders gecertificeerd zijn om in aanmerking te komen voor subsidie. Dit kan door individueel een certificaat aan te vragen of door een aanvraag te doen via een gecertificeerd collectief. Meer informatie over certificering is hier te vinden. Ook worden daar de laatste ontwikkelingen weergegeven. 5.3 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer en blauwe diensten Alleen gecertificeerde agrarische collectieven kunnen subsidie krijgen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Een agrarisch collectief is een (coöperatieve) vereniging/een samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) begrensd gebied die bestaat uit agrariërs en andere beheerders met gebruiksrecht van landbouwgrond in een gebied. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie. Voor het verkrijgen van subsidie is een samenhangende gebiedsaanvraag vereist. Dit is een in nauwe afstemming met gebiedspartners tot stand gekomen, samenhangend ecologisch effectief en economisch efficiënt plan van een agrarisch collectief voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer in een bepaald gebied. Het aanvragen van subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer door een individuele agrariër is dus niet mogelijk. Per Regio wordt er 1 aanvraag gehonoreerd. De eisen die gesteld worden aan de gebiedsaanvraag staan in de provinciale subsidieverordening. 5.4 Kwaliteitsimpuls: investeringen en functieverandering De subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant is voor grondgebruikers die grond geschikt willen maken voor natuurbeheer en voor natuurbeheerders die de kwaliteit van de natuur verder willen ontwikkelen en verhogen. Deze subsidieregeling wordt namens Provincie Noord-Brabant door het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) uitgevoerd. Voor een kwaliteitsimpuls natuur en landschap zijn twee subsidiemogelijkheden: investeringssubsidie en subsidie functieverandering. Een combinatie hiervan is ook mogelijk. Investeringssubsidie Dit is subsidie voor maatregelen die het gebied geschikt maken voor natuurbeheer of voor een kwaliteitsverbetering van de natuur. Bij de kwaliteitsverbetering wordt de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype verhoogd of wordt een bestaand beheertype omgezet naar een ander type. Subsidie functieverandering Dit is subsidie voor de waardedaling van de grond door het veranderen van landbouwgrond in bos of andere natuur. Het gebied waar het om gaat moet met het beheertype N00.01 nog om te vormen naar natuur, zijn opgenomen op de ambitietypenkaart van het Natuurbeheerplan. 5.5 Overige subsidies De provincie Noord-Brabant heeft meerdere provinciale subsidie instrumenten naast de SNL2016, die elkaar wat betreft uitvoering, maatregelen en doelen aanvullen, maar gedeeltelijk ook vergelijkbaar zijn. Het betreft: Subsidieregeling Stimulering Landschap Noord-Brabant 2.0 (StiLa 2.0) Dit instrument richt zich op groene en blauwe diensten buiten het NNN. Vrijwel alle gemeenten en waterschappen in Brabant participeren in de Subsidieregeling waarmee agrariërs én particulieren een bijdrage kunnen aanvragen voor aanleg en beheer van groene en blauwe elementen, waarbij ze ondersteund worden door veldcoördinatoren. Subsidieregeling realisering natuurnetwerk Noord-Brabant Deze subsidieregeling bevat meerdere paragrafen die elk een andere subsidieregeling omvatten. Zo worden met paragraaf 1 projecten op het gebied van verwerving, functieverandering en inrichting van nieuwe natuur gesubsidieerd. Met paragraaf 2 wordt de verwerving, functieverandering en inrichting van terreinen voor Ecologische Verbindings Zones (EVZ’s) en zogenaamde stapstenen gesubsidieerd. En met paragraaf 5 wordt het versneld herstel van N-2000 gebieden gestimuleerd. Ecologische Verbindingszones De ecologische verbindingszones (EVZ’s) verbinden de grote natuurgebieden van het natuurnetwerk. De EVZ’s kennen een aparte financiering. De provincie stelt subsidie beschikbaar via het Groen Ontwikkelfonds Brabant. De EVZ’s zijn, zolang deze nog niet zijn gerealiseerd, ruimtelijk geborgd als zoekgebied met een breedte van 25 of 50 meter (stedelijk gebied) in de Omgevingsverordening. Ook is het aanleggen van 'stapstenen’ mogelijk. Na realisatie vervalt het zoekgebied en krijgen de concreet begrensde EVZ’s de functie NNB-EVZ. Dit betekent dat de EVZ’s dezelfde planologische bescherming hebben als het NNB, en er staat geen beheervergoeding voor open. Subsidie Boscompensatie buiten Natuurnetwerk Brabant Met deze regeling kunnen projecten gericht op boscompensatie worden gesubsidieerd, in de vorm van inrichting van natuurbos of inrichting van natuurbos in combinatie met functiewijziging. Meer informatie Meer informatie over het (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer vindt u op: www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/ Dit portaal is de verzamelplaats van alle (beleids)informatie over Natuur en Landschap in Nederland. Op https://www.groenontwikkelfondsbrabant.nl/ is meer informatie te vinden over het realiseren van nieuwe natuur in Brabant. Bijlage 1 Doelsoorten Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer De soorten zijn overgenomen van de landelijke lijsten (https://www.bij12.nl/kennisbank/kennis-over-inhoud/). Waar extra soorten die prioritair zijn voor Brabant zijn toegevoegd, staat dit aangegeven. A11 Open grasland De volgende soorten zijn soorten die voorkomen in het natuurtype open grasland, welke door agrarisch natuurbeheer worden ondersteund en waarvoor Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft. Niet alle soorten zijn (vaak) voorkomend in Brabant, zoals rotgans, noordse woelmuis, kwartelkoning en kemphaan. •Watersnip •Grutto •Kievit •Scholekster •Slobeend •Wulp •Tureluur •Zomertaling • Kemphaan •Gele kwikstaart •Graspieper •Veldleeuwerik • Kwartelkoning •Roek •Torenvalk •Houtduif •Kramsvogel •Spreeuw •Kleine zwaan • Rotgans • Noordse woelmuis •Rietgans (Brabant) •Blauwe kiekendief (Brabant) A12 Open akkerland De volgende soorten zijn soorten die voorkomen in het natuurtype open akker, welke door agrarisch natuurbeheer worden ondersteund en waarvoor Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft. Niet alle soorten zijn (vaak) voorkomend in Brabant, zoals de grauwe kiekendief, ruigpootbuizerd, grauwe gors, kwartelkoning en hamster. • Grauwe kiekendief •Blauwe kiekendief • Ruigpootbuizerd •Velduil •Kievit •Gele kwikstaart •Veldleeuwerik •Graspieper •Geelgors •Ringmus •Kneu • Grauwe gors •Patrijs • Kwartelkoning • Hamster A15 Dooradering De volgende soorten zijn soorten die voorkomen in het natuurtype dooradering, welke door agrarisch natuurbeheer worden ondersteund en waarvoor Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft. Niet alle soorten zijn (vaak) voorkomend in Brabant, zoals vroedmeesterpad, geelbuikvuurpad, grote vuurvlinder, grauwe gors, vliegend hert en hazelmuis. De soorten Patrijs t/m Steenuil worden vaak gekoppeld aan dooradering in drogere biotopen, de soorten Watersnip t/m Heikikker aan dooradering in nattere biotopen. •Patrijs •Grauwe klauwier • Grauwe gors •Geelgors •Kneu • Vliegend hert •Gekraagde roodstaart •Grote lijster •Ransuil •Spotvogel •Grijze grootoorvleermuis •Tweekleurige vleermuis • Hazelmuis • Vroedmeesterpad •Kamsalamander •Boomkikker •Knoflookpad •Ingekorven vleermuis •Ringmus •Steenuil •Watersnip •Grote modderkruiper •Bittervoorn •Slobeend •Tureluur •Zomertaling •Rugstreeppad •Groene glazenmaker •Zwarte stern •Noordse woelmuis • Geelbuikvuurpad •Beekprik •Gevlekte witsnuitlibel •Grote vuurvlinder •Zeggekorfslak •Poelkikker • Vroedmeesterpad •Heikikker •Gulden boterbloem (Brabant) •Slanke sleutelbloem (Brabant) •Hermelijn (Brabant) •Bunzing (Brabant) •Wezel (Brabant) •Otter (Brabant) •Kleine modderkruiper (Brabant) •Zomertortel (Brabant) •Sleedoornpage (Brabant) Botanisch beheer Achillea soorten, Blauw glidkruid, Blauwe knoop, Boerenwormkruid, Bosanemoon, boterbloemsoorten m.u.v. blaartrekkende boterbloem. Brunel, Campanulasoorten, Cichorei, Dopheide, Dotterbloem, Echte koekoeksbloem, Echte valeriaan, Ereprijssoorten, Gagel, Gele lis, Gele morgenster, Gewone engelwortel, Gewone margriet, Gewone reigersbek, Gewoon biggenkruid, Grasmuur, Grote kattenstaart, Hertshooisoorten, Hondsdraf, Hoornbloemsoorten, Hopklaver, Kale jonker, Karwij, Kervel, Klaversoorten, Klein vogelpootje, Knikkende distel, Knoopkruid, Koninginnekruid, Kruipwilg, Kruisdistel, Leeuwentandsoorten, Lidrus, Madeliefje, Moerasandoorn, Moerasspirea, Muizenoor, Ooievaarsbeksoorten, Orchissoorten, Paardenbloem, Pijptorkruid, Pinksterbloem, Poelruit, Potentilla soorten, primula-soorten, Ratelaarsoorten, Rolklaversoorten, Silenesoorten, Slangenkruid, Smalle weegbree, Streepzaadsoorten, Varkenskarwij, Veenwortel, Veldlathyrus, Veldsalie, Vergeet-mij-nietje soorten, Vleugeltjesbloem, Walstrosoorten, Watermunt, Wederiksoorten, Wikkesoorten, m.u.v voederwikke, Wilde marjolein, Wilde peen, Wilde tijm, Zandblauwtje, zuring soorten m.u.v. ridderzuring Bijlage 2 De bepaling van agrarische zoekgebieden Aan de hand van het voorkomen van soorten en/of dichtheden van soorten zijn de Brabantse leefgebieden bepaald. Voor heel Brabant is vervolgens een opdeling in Regio’s gemaakt. De Regio’s zijn afgebakende gebieden die op een of meerdere vlakken samenhang hebben (ecologisch, geologisch, landschappelijk, historisch). Voor de verschillende onderdelen is ingevuld welke beheerfuncties de provincie nastreeft, zie paragraaf 4.5. Tabel - Selectiecriteria agrarische zoekgebieden Agrarisch zoekgebied Selectiecriteria (één van onderstaande criteria) Onderbouwing Leefgebied Open grasland •3 p/100 ha grutto •3 p/100 ha tureluur, watersnip, zomertaling en slobeend •10 p/100 ha grutto, kievit, wulp, scholekster, graspieper en gele kwikstaart •3 p/100 ha veldleeuwerik •5 p/100Ha roodborsttapuit •2 p/100 ha patrijs •2 individuen /500 ha blauwe kiekendief •>50 individuen /500 ha rotganzen •>50 individuen /500 ha kleine zwanen •>100 individuen /500 ha rietganzen De Brabantse selectiecriteria wijken af van de landelijke criteria. Er is gekozen voor meer (combinaties van) soorten en meer situaties waarin grasland geschikt wordt geacht. Dit komt mede door veranderende omstandigheden (bijvoorbeeld verdroging), waardoor er een verschuiving is in het soort vogels dat probeert te broeden op het grasland. Daarnaast zijn het aantal boerenlandvogels sterk teruggelopen waardoor de landelijke criteria niet realistisch zijn. Aanwezigheid van of potentie voor grasland, en voldoende omvang. Leefgebied Open akker •3 p/100ha veldleeuwerik •5 p/100ha roodborsttapuit •7 p/100ha gele kwikstaart, veldleeuwerik, roodborsttapuit •2 p/100ha patrijs •2 individuen /500ha blauwe kiekendief •3 p/100ha geelgors De selectie is met een bredere range aan soorten gemaakt dan voorheen. Door de afname van de akkervogels geeft dit een betere indicatie van kansrijke gebieden dan de landelijke criteria. Doorade-ring Aanwezigheid van: Planten: •Gulden boterbloem •Slanke sleutelbloem Zoogdieren •Hermelijn •Bunzing •Wezel •Otter Vissen •Bittervoorn •Grote modderkruiper •Kleine modderkruiper Amfibieën •Kamsalamander •Boomkikker •Knoflookpad •Rugstreeppad •Poelkikker Broedvogels •Gekraagde roodstaart •Grauwe klauwier •Ransuil •Spotvogel •Zomertortel Landelijk zijn geen harde criteria gesteld aan het voorkomen van bepaalde soorten. In Brabant is daarom gekeken naar het verspreidingsgebied van de genoemde soorten, omdat deze soorten sterk profiteren van dooradering. Dooradering betreft zowel droge als natte gebieden. Er kan synergie worden gevonden met ecologische verbindingszones, waar een zone van 100 meter rondom is gelegd. Categorie Water (W01) Brabant breed inzetbaar. Synergie kan worden gezocht met andere doelen. Zoals natuurdoelen van agrarisch gebied en natuurgebieden, ecologische verbindingszones etc. Categorie Klimaat (K01) Brabant breed inzetbaar. Synergie kan worden gezocht met andere doelen. Zoals natuurdoelen van agrarisch gebied en natuurgebieden, ecologische verbindingszones etc. Bijlage 3 Regio’s, instapcriteria en overige criteria voor effectiviteit De provincie heeft Regio’s samengesteld aan de hand van de ‘gebiedspaspoorten’ en de input uit het rapport ‘Naar effectief gebiedsgericht agrarisch natuurbeheer in Noord-Brabant’ (Alterra, 2014). Per Regio wordt een algemene omschrijving gegeven en worden doelsoorten en doel beschreven. Tevens zijn de verschillende ecotopen uitgewerkt. Regio Zeekleigebied Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen Het zeekleigebied ligt op de overgang van het dekzandplateau naar de RijnScheldedelta. De ondergrond bestaat uit zeeklei. Het bevat behalve de zeekleigronden van west Brabant ook het gebied van de Biesbosch. In het zuiden komen pleistocene dekzanden aan de oppervlakte. Op de overgang van zand naar klei is sprake van een hoge kweldruk. Het zeekleigebied wordt doorsneden door kreeklopen van Mark, Dintel en Vliet en meerdere kleinere kreken. Buitendijks liggen onbedijkte slikken en schorren. Het zeekleigebied is een open en rationeel ingericht landschap. Kenmerkend zijn de door dijken omgeven grootschalige polders. De dijken zijn stijl, hoog en beplant, waardoor ze manifest in het landschap aanwezig zijn. De buitendijkse slikken, schorren en de kreken zijn typerend voor de ligging in de Rijn-Schelde-delta. Dit deltalandschap is rijk aan flora en fauna van open akker- en graslandgebieden, kreken, sloten, dijken en wegbermen. Daarnaast is typerende deltanatuur te vinden in de moerassen, brakke graslanden en grienden met oud hakhout van de buitendijkse gebieden. De vruchtbare bodem maakt het tot het belangrijkste akkergebied in Noord-Brabant. Grote rationele percelen en veel slapersdijken die voor een deel beplant zijn met bomen of anders bloemdijken zijn, meestal begraasd met schapen. Er lopen enkele riviertjes vanaf het zandgebied naar de Deltawateren. Oorspronkelijk waren de kreken omgeven door graslandzones maar deze zijn vrijwel verdwenen. Het gebied wordt relatief weinig doorsneden door infrastructuur en er zijn weinig dorpen of andere bebouwing. Hier en daar zijn windmolenparken, die een negatief effect hebben op het voorkomen van (akker-)vogels. De waterhuishouding is optimaal voor de landbouw. Doelsoorten De doelsoorten per leefgebied staan in bijlage 1. Voor de regio worden benadrukt: Open akker: blauwe kiekendief, veldleeuwerik, gele kwikstaart Dooradering Biesbosch: kleine modderkruiper, grote modderkruiper, bittervoorn, wezel Dooradering: bunzing, spotvogel Doel Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en het versterken van populaties. De oude dijken en kreken zijn hotspots in de omgeving die robuuster moeten worden. De komende jaren wordt gekeken naar de mogelijkheden om het tegengaan van verzilting te koppelen aan ecologische opgaven in het gebied met name voor watervogels en flora. Ecotopen Sloten Het Brabantse zeeklei-akkergebied is doorsneden door kreken en riviertjes die evenwel buiten de begrenzing vallen en behoren tot de ecologische hoofdstructuur. Binnen de begrenzing zijn de akkers doorsneden door functionele sloten, waarin lokaal wel doelsoorten als grote modderkruiper en de rugstreeppad voorkomen. De waterspitsmuis komt voor op de overgang naar hogere gronden, waar een wisselend waterpeil is, en bij kwel een rijke en gevarieerde oevervegetatie te bereiken is met een natuurvriendelijke oever. De grote modderkruiper zit in smallere, dichtbegroeide sloten, die rijk zijn aan veel soorten waterplanten. Ook de oevers van dit type sloten zijn sterk begroeid met oeverplanten (helofyten). De rugstreeppad is een pionier soort en kan zich vestigen in pas geschoonde, ondiepe, snel opwarmende sloten met een zanderige bodem en niet te voedselrijk water, b.v. door kwel. Dit soort sloten kan worden voorzien van een (ondiepe)natuurvriendelijke oever. Daar waar deze soorten voorkomen en aansluitend op verspreidingskernen zijn doelgerichte maatregelen gewenst. Voor graspieper en gele kwikstaart is het gunstig wanneer slootoevers niet jaarlijks worden gemaaid en zich ruigte kan ontwikkelen. Optimale ontwikkeling van biodiversiteit gaat niet samen met een jaarlijkse maaien maar vereisen cyclisch beheer over liefst een jaar of vier. Afstemming van het maai- en baggerbeheer met het waterschap is noodzakelijk. Akkers op klei De Brabantse akkergebieden behoren niet meer tot het verspreidingsgebied van de meest kritische akkersoorten als grauwe kiekendief en de grauwe gors. Mochten meer fundamentele veranderingen zich voordoen, dan kan daar op ingesprongen worden, tot die tijd is perceelsgewijs beheer ecologisch en financieel niet efficiënt. Akkerranden op klei Graskruidenranden en graanranden zorgen voor soortenrijkdom aan broedende (akker)vogels. Graanranden blijken ook bijzonder effectief in de winter. De inzet wordt geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen voor de doelsoorten. Er wordt op gebiedsniveau samengewerkt en de inspanningen worden gecoördineerd. Ten behoeve van akkerflora kunnen akkerflora-randen aangelegd worden. Om effectief te zijn voor het voorbestaan van soorten moet dit op tenminste vijfhonderd meter rand per 100 ha plaatsvinden. Rustgebieden voor wintergasten Lokaal komen de kleine zwaan en rotgans voor. De kleine zwanen maar ook ganzen foerageren op oogstresten en hebben vooral behoefte aan een zone waar het rustig is en waar niet gejaagd wordt. Doelgericht lokaal extra oogstresten achterlaten op het land is een goed hulpmiddel om de vogels te concentreren en van voedsel te voorzien. Landschapselementen (Dijken & kreken) De oude zeedijken, en kreken die vroeger in verbinding stonden met de zee, zijn nog altijd herkenbaar in het landschap en de hotspots in het zeekleigebied. Criteria zoekgebieden Zie bijlage 2. Criteria voor effectiviteit Algemeen Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt; •In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. •In dit landbouw intensieve gebied is het maken van keuzes belangrijk, zodat het beheer strategisch en goed afgestemd op elkaar wordt ingezet. Mogelijk dat zinvolle combinaties kunnen worden gezocht met de ecoregelingen en vernieuwde basis conditionaliteiten van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open akkerland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10% aan het einde van de zesjarige beheerperiode. Het is mogelijk om in beheerjaar 2023 maximaal 2% af te wijken van de norm voor oppervlakte beheer. Deze mogelijkheid wordt geboden in verband met de vertraging bij de implementatie van het Nationaal Strategisch Plan; - Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer • Maximaal 15% van het grondgebruik bestaat uit grasland of maïsteelt, met een streven naar 10%; •Bij akkerfloraranden minimaal 500 meter rand per 100 ha kerngebied en beheer afstemmen op akkerflora; •De gecontracteerde randen passen in een effectief beheerplan waarin de specificaties en afmetingen en het beheer zijn afgestemd op de lokale behoeften en waarvan de uitvoering wordt gecoördineerd •Het rustgebied voor de kleine zwaan is tenminste 100 ha groot, er verblijven minstens 50 exemplaren en er bevinden zich geen verstorende elementen (opgaande begroeiing, infrastructuur) binnen een straal van 150 meter van beheerde gebieden; •Er is voldoende voedsel aanwezig in de vorm van oogstresten of anderszins Criteria voor effectiviteit Leefgebied Dooradering Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; •Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een aaneengesloten netwerk van sloten binnen een gebied van 100 ha; • Voor zover maatregelen voor natte dooradering niet genomen worden in het kader van een beheerplan voor een gebied met kritische weidevogels wordt een apart beheerplan gemaakt; •(Doodlopende) watergangen ten behoeve van de grote modderkruiper zijn voorzien van: -Randen om inspoelen van meststoffen te voorkomen. -Een dichte gevarieerde waterplanten- en oeverplanten (helofyten)vegetatie. -Kleinschalig in ruimte en tijd gefaseerd onderhoud, waarbij steeds slootvakken afgesloten blijven voor ander vissoorten die jonge grote modderkruipers eten. -Een zo natuurlijk mogelijk waterpeil. •Sloten met natuurvriendelijke oevers zijn schoon en helder door maatregelen om instroom van meststoffen te beperken en worden uitgerasterd bij begrazing; •Sloten met natuurvriendelijke oevers hoeven niet jaarlijks te worden gemaaid maar worden planmatig, cyclisch en gefaseerd in ruimte en tijd onderhouden. Indien de vegetatiegroei dit toelaat niet vaker dan eens in de ongeveer vier jaren; •In sloten waarin de bittervoorn voorkomt worden bij het baggeren grote zwanenmossels teruggezet in de sloot. In de sloot houdt in dat dit op dezelfde hoogte is als waar de betreffende zoetwatermossel langs de sloot is gevonden. De zoetwatermossels mogen niet worden verzameld om vervolgens op het eind van de sloot te worden teruggegooid. Dit om te voorkomen dat de zoetwatermossels in een keer gepredeerd worden en er toch te weinig grote mossels overblijven. Criteria voor effectiviteit Categorie Water (W01) Categorie Klimaat (K01) In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Regio Land van Altena Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen Het Land Altena ligt in het rivierengebied en maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap met hogere meer zandige oeverwallen langs de rivieren en lagergelegen open rivierkommen in het binnenland. Het buitendijkse uiterwaardengebied overstroomt jaarlijks. Het gebied valt binnen het Waterschap Rivierenland en wordt aan drie zijden begrensd door rivieren; Nieuwe Merwede, Bergsche Maas en Afgedamde Maas. Het Land van Altena is voor een belangrijk deel een landschap met rationeel ingerichte grootschalige en open rivierkleipolders en langgerekte meer besloten oeverwallen. De natte moerassige komgronden werden na de Tweede Wereldoorlog ontwaterd en ingericht voor de landbouw. Kenmerkende landschapselementen zijn grienden en eendenkooien. De oeverwallen waren van oudsher geschikte plekken voor landbouw en bebouwing. Het rivierenlandschap is rijk aan plant- en diersoorten van open weide- en akkergebieden, het halfopen oeverwallenlandschap, sloten, dijken, wegbermen en uiterwaarden. De rivierkleipolders vormen een rationeel ingericht accentgebied agrarische ontwikkeling. Kenmerkend is de grondgebonden landbouw, ten dienste waarvan ruilverkaveling en ontwatering plaatsvindt en waardoor grasland in een deel van het gebied over is gegaan in akkerbouw. Hierdoor komen de agrarische natuurwaarden onder druk te staan. Een belangrijk kenmerk is de openheid in de oostwest gerichte polders. De graslanden zijn in wezen komkleigronden van de Maas. Het is zaak in het graslandgebied, in verband met de predatiedruk op weidevogels, zoveel mogelijk de openheid te bewaren en de opgaande begroeiing niet toe te laten nemen. Een ander kenmerk van het landschap is dat het sterk is doorsneden door weteringen en andere watergangen. De gebieden hebben zich ontwikkeld tot intensief gebruikte landbouwbouwgebieden. De weidevogels konden zich slechts deels handhaven, mede dankzijn het stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Doelsoorten De doelsoorten per leefgebied staan in bijlage 1. Voor de regio worden benadrukt: Open grasland – broedvogels: patrijs, veldleeuwerik, grutto Open grasland – overwinteraars: rietganzen; Open akker: kievit, scholekster Dooradering: kleine modderkruiper, grote modderkruiper, bittervoorn, spotvogel Doel Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten versterken. Met de focus om de kwaliteit van het huidige weidevogelgebied en waterkwaliteit te verbeteren door in te zetten op een toename in zwaar beheer. Hierbij wordt er gekeken naar mogelijkheden voor plasdras voor weidevogels en/of inundatiezones voor de grote modderkruiper waarmee tevens wordt aangesloten bij het doel om water langer vast te houden. Ecotopen Dijken Aan de buitenrand liggen rivierdijken. Deze dijken hebben over het algemeen geen interessante vegetatie. In de winter verblijven er kleine zwanen en ganzen in het gebied. Graslanden voor kritische weidevogels Graslanden met voldoende dekking, rust en foerageermogelijkheden geven kansen aan kritische weidevogels. Kleine zwanen en ganzen foerageren op de rijkste graslanden en hebben vooral behoefte aan een zone waar geen verstoring door recreatie of bejaging plaatsvindt. Sloten De graslandgebieden in dit leefgebied zijn polders met een peil beneden NAP, dat optimaal op de landbouwkundige functie wordt afgestemd. Lokaal is in overleg met het waterschap door het oppompen van water in afgesloten peilvakken een hoger slootpeil mogelijk, bijvoorbeeld ten behoeve van plasdras voor weidevogels. Ook kunnen door het graven van watergangen of plassen, eenheden met water- en moerasvegetatie aangelegd worden die tevens dienst kunnen doen als waterberging. Wat betreft natte dooradering kan met natuuroevers en sloten gewerkt worden aan bijvoorbeeld het biotoop voor de kleine – en grote modderkruiper. Kijk naar aansluiting bij ecologische verbindingszones. Open akker In de drogere delen vindt akkerbeheer plaats. In dit leefgebied gaat het niet om echte akkersoorten. Zo kan tijdelijke braak worden ingezet om de overleving van weidevogelkuikens op akkers, vooral kievit en scholekster te bevorderen. Mogelijke beheervormen zijn vogelakker, kruidenrijke akkerrand en braakstrook. Landschapselementen Verspreid in het gebied liggen er bosjes en voormalige eendenkooien. Het halfopen oeverwallenlandschap en biotopen als sloten, dijken, wegbermen kunnen een biodiverse dooradering opleveren. Indien er geïnvesteerd zou worden in houtwallen, hoogstam fruitbomen, lanen en bosjes dan kan het mogelijk agrarisch beheerd worden. Denk bij droge dooradering bijvoorbeeld aan de steenuil. Op dijken met een door deskundigen beoordeelde rijke vegetatie binnen dit leefgebied en in beheer bij agrariërs kunnen overeenkomsten voor botanisch beheer worden afgesloten. Hier zal ook de argusvlinder van profiteren. Criteria zoekgebieden Zie bijlage 2. Criteria voor effectiviteit Algemeen Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt. •In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open grasland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een kerngebied van 100 ha in een zeer open landschap waar geen onnodige verstoring is; • Het aandeel golfplatenplasdras of greppelplasdras is tenminste 3%, op te voeren naar 10% binnen de beheerperiode van zes jaar van de totale oppervlakte beheer in het werkgebied minus de oppervlakte legselbeheer; Uitzondering hierop zijn de Heesbeense Uiterwaarden, aangezien plasdras hier natuurlijk voorkomt. • Tenminste 20% van de totale oppervlakte beheer in het werkgebied minus de oppervlakte legselbeheer, of 1,4 ha per broedpaar van de kritische weidevogels, bestaat uit ‘zwaar beheer’ dat ‘kuikenland’ oplevert in de kuikenperiode: - Golfplatenplasdras. - Kruidenrijk grasland. - Grasland met een rustperiode tenminste tot 1 juni. - Rust na voorweide, tot tenminste 15 juni. - Extensief bouwland. • Het aandeel kruidenrijk grasland binnen de totale oppervlakte beheer in het werkgebied minus de oppervlakte legselbeheer is niet kleiner dan 10% met een streven naar 20%; •In de kerngebieden wordt eventueel aanwezige opgaande begroeiing verwijderd, elders is het niet nodig het landschap nog opener te maken; •Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen; •De weidevogeldichtheid is tenminste 10 paren kritische weidevogels of 50 paren per 100 ha voor alle weidevogels samen; •De bemesting van de beheerpercelen gebeurt met ruige mest, zodanig dat in de kuikenperiode voldoende voedsel en een open structuur voor weidevogelkuikens aanwezig is; •De percelen met beheerovereenkomsten zijn, naar het inzicht van de gezamenlijke beheerders, meestal onder leiding van een coördinator, optimaal verspreid in een mozaïek, afgewisseld met legselbeheer, waarbij zwaar beheer in eenheden van 2-5 ha voorkomt met een niet te grote onderlinge afstand (< 200 m) en spreiding in maaidata; •In het gehele mozaïek wordt een zo hoog mogelijke nest- en kuikenoverleving nagestreefd door nestbescherming, lastminute beheer op percelen waar nog gezinnen aanwezig zijn of het plaatsen van verjaagstokken; •Op bouwlandpercelen binnen het kerngebied worden randen (al dan niet ingezaaid) aangelegd om de overleving van aanwezige kuikens te verhogen (zie ecotoop akkerranden). •Het rustgebied voor de kleine zwaan is tenminste 100 ha groot, er verblijven minstens 50 exemplaren en er bevinden zich geen verstorende elementen (opgaande begroeiing, infrastructuur) binnen een straal van 150 meter van beheerde gebieden; •Er is genoeg voedselrijk gras aanwezig. Indien de ‘weidevogelrustzoneregeling’ (www.brabantslandschap.nl) actief is kan deze een nuttige extra toepassing zijn om kritische weidevogels te helpen overleven en opgroeien. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open akkerland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een kerngebied van 200 ha in een min of meer open landschap; Voor de Grote Struikwaard geldt een uitzondering, omdat de doelsoorten van het ANLb hier goed aansluiten op het natuurgebied De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10% binnen de zesjarige beheerperiode; •De braak(strook) wordt alleen ingezet op percelen waar echt weidevogels nestelen en bij clusters (cirkelstraal 200 meter) van tenminste vijf broedparen of vijf per perceel; •Kruidenrijke graslandranden worden alleen ingezet als onderdeel van een kerngebied voor kritische weidevogelsoorten. •Het werkgebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere werkgebieden; •Binnen het werkgebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn; •De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; •De totale oppervlakte aan randen inclusief extensief beheerde ruige bermen en ruigtes is tenminste 5% van het beheerde areaal. Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Dooradering Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; •Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een aaneengesloten netwerk van sloten binnen een gebied van 100 ha; •Voor zover maatregelen voor natte dooradering niet genomen worden in het kader van een beheerplan voor een gebied met kritische weidevogels wordt een apart beheerplan gemaakt; •(Doodlopende) watergangen ten behoeve van de grote modderkruiper zijn voorzien van: -Randen om inspoelen van meststoffen te voorkomen. -Een dichte gevarieerde waterplanten- en oeverplanten (helofyten)vegetatie. -Kleinschalig in ruimte en tijd gefaseerd onderhoud waarbij steeds slootvakken afgesloten blijven voor ander vissoorten die jonge grote modderkruipers eten. -Een zo natuurlijk mogelijk waterpeil. • Binnen een kerngebied voor kritische weidevogels, wordt 10% van de brede (> 2 m) sloten, van tenminste 50 cm diep, voorzien van natuurvriendelijke oevers, bijvoorbeeld: eenzijdig maximaal 6 meter breed, alternerend aangelegd. Tweezijdig maximaal 3 meter breed en dan niet alternerend, maar doorlopend langs de sloot; •Sloten met natuurvriendelijke oevers zijn schoon en helder door maatregelen om instroom van meststoffen te beperken en worden uitgerasterd bij begrazing; •Sloten met natuurvriendelijke oevers hoeven niet jaarlijks te worden gemaaid maar worden planmatig, cyclisch en gefaseerd in ruimte en tijd onderhouden. Indien de vegetatiegroei dit toelaat niet vaker dan eens in de ongeveer vier jaren; •In sloten waarin de bittervoorn voorkomt worden bij het baggeren grote zwanenmossels teruggezet in de sloot. In de sloot houdt in dat dit op dezelfde hoogte is als waar de betreffende zoetwatermossel langs de sloot is gevonden. De zoetwatermossels mogen niet worden verzameld om vervolgens op het eind van de sloot te worden teruggegooid. Dit om te voorkomen dat de zoetwatermossels in een keer gepredeerd worden en er toch te weinig grote mossels overblijven. Criteria voor effectiviteit Categorie Water (W01) Categorie Klimaat (K01) In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Regio Brabantse Wal & De Baronie Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen De Brabantse Wal, de West-Brabantse venen en de Baronie maken onderdeel uit van deze Regio. Dit gebied bestaat vooral uit heide-, veen- en broekontginningen op deels sterk doorlatende zandbodems. Het is een vrij open landschap maar overal zijn in meer of mindere mate bosjes, bomenrijen en wegbeplantingen aanwezig. De hoeveelheid bebouwing wisselt. Het grondgebruik is intensief met op de akkers overwegend maïs, maar ook aardappels en bieten. Overal zijn afvoersloten gegraven die ook allemaal gestuwd zijn. Er is een goede drooglegging voor de landbouw en in droge periodes vindt beregening plaats. Boomkwekerijcomplexen zijn ook buiten dit leefgebied gevallen. Naast verharde wegen liggen er nog behoorlijk wat zandwegen met laanbeplanting. Het zoekgebied voor open akkerlandschap op zandgronden ligt verspreid over de zandregio. De Brabantse Wal is geomorfologisch zeer bijzonder vanwege het macroreliëf, vooral aan de westzijde met een hoogteverschil van ca. 20 m tussen de wal en het ernaast gelegen kleigebied. De overgang naar het landschap ten oosten van de wal is meer geleidelijk. De landbouw op de Brabantse Wal is kleinschalig en versnipperd, waardoor het in landbouwkundig opzicht geen belangrijk gebied is. Er zijn enkele intensief gebruikte graslandgebieden in kwelzones met rundveebedrijven en akkerbouw. Het nog aanwezige kleinschalige besloten landschap is van belang voor de natuurwaarden. De West-Brabantse venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in Oost-Brabant waren hier geen beeklopen, waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-Brabantse veen weggeslagen. Plaatselijk zijn er kleine glastuinbouwcomplexen te vinden. Kenmerkende natuur wordt binnen de West-Brabantse venen gevonden in halfopen cultuurlandschappen (ten zuiden van Etten-Leur) en besloten cultuurlandschappen (rondom de Rucphense bossen en de strook Kievitpolder/ Pannenhoef). De Baronie bestaat uit een afwisselend zandlandschap met een grofmazig mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn de akkercomplexen met aan- en omliggende buurtschappen en bijhorende groenstructuren. De besloten jonge zandontginningen worden gekenmerkt door bebouwing langs oude wegen, kleinschaligheid door de afwisseling van akkers en weiden met bosjes en losstaande bomen. Op de overgang van bos naar beekdal is een coulisselandschap ontstaan met transparante bomenrijen, gericht op de beek. Verder is een onregelmatig verkavelingspatroon met weinig bebouwing kenmerkend. De open jonge ontginningen hebben een meer open, rationeel en rechtlijnig karakter. De enkele strakke opgaande beplantingselementen in de vorm van wegbeplanting zijn verschillend gericht. Het is een van de belangrijkste gebieden voor amfibieën in Brabant. Een focus bij de Brabantse Wal ligt op de ontsnippering van natuurgebieden en het realiseren van natte natuur. Voor de West Brabantse Venen ligt de focus op de bescherming en ontwikkeling van bestaande landschapselementen en het verbinden van de natuur van zand en klei. De focus binnen de Baronie ligt op het versterken van het contrast tussen beken- en boslandschap en het robuuster maken van de groenstructuur van het landschap. Doelsoorten Open akker – broedvogel: patrijs, roodborsttapuit Dooradering: gulden boterbloem, knoflookpad, poelkikker, boomkikker, bunzing, slanke sleutelbloem, zomertaling, ransuil grauwe klauwier Doel Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten te versterken. Voor het bevorderen van infiltratie wordt gekeken naar mogelijkheden om water in een gebied langer vast te houden. De mogelijkheid om hierbij ecologische doelen te realiseren zit in de realisatie van poelen. Daarnaast wordt er gekeken of het mogelijk is om, bij voorkeur op gebiedsniveau, veengronden te vernatten. Ecotopen Akker- en graslandranden Patrijs, kneu en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van randen, ruigtes en in het geval van de geelgors van opgaande begroeiing. Aan opgaande begroeiing is in dit leefgebied geen gebrek. Wel aan rustig gelegen extensief gebruikte bloemrijke randen, overhoekjes en ruigtes met voedsel in de vorm van insecten en zaden. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en voedselveldjes ideaal en in het huidige landschap is kunstmatig aanbod van wintervoedsel ook noodzakelijk. Het is niet mogelijk het hele leefgebied te voorzien van randenbeheer en ruigtes voor de doelsoorten. De inzet wordt daarom geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen in een integraal beheerplan. Ruigte Een groot deel van de Nederlandse roodborsttapuiten bewoont het Brabantse agrarische gebied. In het verleden vooral aansluitend op natuurgebieden met heide, tegenwoordig overal in het boerenland waar voldoende ruige bermen en greppels en andere ruigtes aanwezig zijn. Landschapselementen Het versterken van de ecologische waarden van het landschap door te sturen op te behouden of te ontwikkelen kenmerken van het landschap, waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van het kleinschalig besloten landschap (bijv. alpenwatersalamander), sloot- en greppelkanten (bijv. heikikker, roodborsttapuit), perceelranden en kleine wateren (poelkikker) goede indicatoren zijn. Het versterken van de grote verscheidenheid aan bossen bij de verdere ontwikkeling en beheer van de boscomplexen van de Brabantse Wal. Dit kan door in te zetten op ontwikkeling van de natuur- en recreatiewaarde van de bossen in samenhang met het versterken van het eigen karakter van het betreffende boscomplex. Graslandflora percelen Maasheggen Graslanden specifiek gericht op graslandflora. Poelen Poelen dienen als leefgebied voor verschillende soorten amfibieën. In het algemeen dienen de poelen gelegen te zijn op een plek met een zonnig en vochtige microklimaat in de nabijheid van moerasruigte, breed bramenstruweel en kleinschalig door opgaande begroeiing. Deze poelen mogen periodiek droogvallen om kolonisatie door vis tegen te gaan. Criteria zoekgebieden Zie bijlage 2 Criteria voor effectiviteit Algemeen Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt; •In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open akkerland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10% binnen de zesjarige beheerperiode. Het is mogelijk om in beheerjaar 2023 maximaal 2% af te wijken van de norm voor oppervlakte beheer. Deze mogelijkheid wordt geboden in verband met de vertraging bij de implementatie van het Nationaal Strategisch Plan; Tevens geldt voor Alphen Chaam dat afgeweken mag worden van het beschreven dekkingspercentage aangezien het beheer bijdraagt aan de natuurwaarden in de Blekerheide. • Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer • De totale oppervlakte aan kruidenrijke randen inclusief extensief beheerde ruige bermen en ruigtes is tenminste 5% van het afgesloten akkerbeheer in een werkgebied. •Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden; • Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn; •De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; •Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Dooradering Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies - Het werkgebied waar de maatregelen worden ingezet is tenminste 50 ha groot Vlakdekkend botanisch beheer is alleen mogelijk op percelen waar minimaal 8 plantensoorten uit de indicatorsoortenlijst (bijlage 1) voorkomen. Bij het beheer wordt tijdens de 1e maaibeurt aan de randen een zone van minimaal 4 meter niet gemaaid. • De dichtheid aan zo min mogelijk onderbroken, ecologisch beheerde lijnvormige opgaande begroeiing en bosranden is minimaal 2 kilometer per 100 ha of tenminste 4% van de oppervlakte in waarbij voor bosranden een breedte van 10 meter wordt gehanteerd; De totale oppervlakte kruidenrijke randen is minimaal 5% van het afgesloten akkerbeheer in een werkgebied Tenminste 25% van de lijnvormige landschapselementen is tenminste aan één kant, liefst aan de zuidkant, voorzien van randenbeheer om vermesting te voorkomen en de ontwikkeling van mantel en bloemrijke zoomvegetaties te bevorderen. • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden; •Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen; •Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN; •Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat); •Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak; •Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten; •Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is; •Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s) -Planmatig beheerde eenheden zijn minimaal 50 ha groot en binnen het zoekgebied samen tenminste 1000 ha met een streven naar 2500 ha; -Indien geen andere biotopen worden beheerd in de eenheid wordt een apart beheerplan gemaakt; •De totale oppervlakte akkerflorabeheer, graanranden en wintervoedselveldjes is minimaal 2% van de akkers in het kerngebied; •Akkerfloraranden, graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter •Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt voor botanisch hooilandbeheer; •De graslandranden in combinatie met de opgaande landschapselementen zijn tenminste 3 meter, overige graslandranden minimaal zes meter breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens. Criteria voor effectiviteit Categorie Water (W01) Categorie Klimaat (K01) In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Regio’s Maaskant West resp. Maaskant Oost Algemene omschrijving, gebiedseigenschappen Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met hogere meer zandige oeverwallen en lagergelegen open komgronden. Het betreft hier het rivierengebied. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een brede dekzandrug ten hoogte van Heeseind, die de overgang met het Brabant van het zand markeert. Vanaf de middeleeuwen zijn de rivierkleigronden systematisch bedijkt. Door de aanleg van dijken resteerde minder ruimte voor het water van de Maas en is een complex stelsel van overlaten ontwikkeld. Zo kon het water ook ten tijde van hoge piekafvoeren in goede banen worden geleid. Cultuurhistorisch karakteristiek zijn de Beerse en Baardwijkse Overlaat. De komgronden waren vanwege de slechte ontwatering en de functie als overlaat lang als extensieve weidegronden in gebruik. In de kommen zijn meerdere eendenkooien ontstaan. Na de Tweede Wereldoorlog werden de komgebieden goed ontwaterd en ingericht voor de landbouw. Kenmerkend voor de ontwatering van de oostelijke Maaskant is het stelsel van oostwest lopende weteringen. De Hertogswetering is een ecologische verbindingszone, waar ruimte is voor moerasnatuur. Doelsoorten De doelsoorten per leefgebied staan in bijlage 1. Voor deze regio’s worden benadrukt: Open grasland – broedvogels: Grutto, blauwe kiekendiefOpen grasland - overwinteraars: Rietganzen en kleine zwanenOpen akkerland: Veldleeuwerik, roodborsttapuit, blauwe kiekendiefDooradering: poelkikker, kleine modderkruiper, grote modderkruiper, wezel en hermelijn Doel Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten te versterken en te doen groeien. In het graslandgebied de openheid bewaren (tegen predatie). Zoveel mogelijk inzetten op zwaar beheer en vernatting, voor zowel de ecologische- als de klimaatopgaven, waarbij ook in open akkergebied wordt gezocht naar mogelijkheden. Ecotopen Dijken In de Beerse overlaat liggen nog enkele dijken met interessante vegetatie. Graslanden voor kritische weidevogels Graslanden met voldoende, rust en foerageermogelijkheden geven kansen aan kritische weidevogels. Kleine zwanen en ganzen foerageren op de rijkste graslanden en hebben vooral behoefte aan een zone waar geen verstoring door recreatie of bejaging plaatsvindt. Open akker In de drogere delen vindt akkerbeheer plaats. In dit leefgebied gaat het niet sec om echte akkersoorten. Zo kan tijdelijke braak worden ingezet om de overleving van weidevogelkuikens op akkers, vooral kievit en scholekster te bevorderen. Mogelijke beheervormen zijn vogelakker, kruidenrijke akkerrand en braakstrook. Landschapselementen Verspreid in het gebied liggen er bosjes en voormalige eendenkooien. Het halfopen oeverwallenlandschap en biotopen als sloten, dijken, wegbermen kunnen een biodiverse dooradering opleveren. Indien er geïnvesteerd zou worden in houtwallen, hoogstam fruitbomen, lanen en bosjes dan kan het mogelijk agrarisch beheerd worden. Denk bij droge dooradering bijvoorbeeld aan de steenuil. Op dijken met een door deskundigen beoordeelde rijke vegetatie binnen dit leefgebied en in beheer bij agrariërs kunnen overeenkomsten voor botanisch beheer worden afgesloten. Hier kunnen ook insecten van profiteren. Sloten en weteringen Wat betreft natte dooradering kan met natuurvriendelijke oevers en sloten gewerkt worden aan bijvoorbeeld het biotoop voor grote en/of kleine modderkruiper. Kijk naar aansluiting bij ecologische verbindingszones. Criteria zoekgebieden Zie bijlage 2. Criteria voor effectiviteit Algemeen Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt; •In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open grasland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een kerngebied van 100 ha in een zeer open landschap waar geen onnodige verstoring is; • Het aandeel golfplatenplasdras of greppelplasdras is tenminste 3%, op te voeren naar 10% van de totale oppervlakte beheer in het werkgebied minus de oppervlakte legselbeheer; • Tenminste 20% van de totale oppervlakte beheer in het werkgebied minus de oppervlakte legselbeheer, of 1,4 ha per broedpaar van de kritische weidevogels, bestaat uit ‘zwaar beheer’ dat ‘kuikenland’ oplevert in de kuikenperiode: - Golfplatenplasdras. - Kruidenrijk grasland. - Grasland met een rustperiode tenminste tot 1 juni. - Rust na voorweide, tot tenminste 15 juni. - Extensief bouwland. • Het aandeel kruidenrijk grasland binnen de totale oppervlakte beheer in het werkgebied minus de oppervlakte legselbeheer is niet kleiner dan 10% met een streven naar 20%; •In de kerngebieden wordt eventueel aanwezige opgaande begroeiing verwijderd, elders is het niet nodig het landschap nog opener te maken; •De bemesting van de beheerpercelen gebeurt met ruige mest, zodanig dat in de kuikenperiode voldoende voedsel en een open structuur voor weidevogelkuikens aanwezig is; •De percelen met beheerovereenkomsten zijn, naar het inzicht van de gezamenlijke beheerders, meestal onder leiding van een coördinator, optimaal verspreid in een mozaïek, afgewisseld met legselbeheer, waarbij zwaar beheer bij voorkeur in eenheden van 2-5 ha voorkomt met een niet te grote onderlinge afstand (< 200 m) en spreiding in maaidata; •In het gehele mozaïek wordt een zo hoog mogelijke nest- en kuikenoverleving nagestreefd door nestbescherming, lastminute beheer op percelen waar nog gezinnen aanwezig zijn of het plaatsen van verjaagstokken; •Op bouwlandpercelen binnen het kerngebied worden randen (al dan niet ingezaaid) aangelegd om de overleving van aanwezige kuikens te verhogen (zie ecotoop akkerranden). •Het rustgebied voor de kleine zwaan is tenminste 100 ha groot, er verblijven minstens 50 exemplaren en er bevinden zich geen verstorende elementen (opgaande begroeiing, infrastructuur) binnen een straal van 150 meter van beheerde gebieden; •Er is genoeg voedselrijk gras aanwezig. Indien de ‘weidevogelrustzoneregeling’ (www.brabantslandschap.nl) actief is kan deze een nuttige extra toepassing zijn om kritische weidevogels te helpen overleven en opgroeien. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open akkerland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een kerngebied van 100 ha in een zeer open landschap waar geen onnodige verstoring is; De maatregelen voor akkervogels dragen bij aan het weidevogelbeheer en worden specifiek beschreven in het integrale beheerplan; De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10% binnen de zesjarige beheerperiode; • Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden; •Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn; •De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; •De totale oppervlakte aan randen inclusief extensief beheerde ruige bermen en ruigtes is tenminste 5% van het beheerde areaal. •Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied. •De braak(strook) wordt alleen ingezet op percelen waar echt weidevogels nestelen en bij clusters (cirkelstraal 200 meter) van tenminste vijf broedparen of vijf per perceel; •Kruidenrijke graslandranden worden alleen ingezet als onderdeel van een kerngebied voor kritische weidevogelsoorten. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Dooradering Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; •Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een aaneengesloten netwerk van sloten binnen een gebied van 100 ha; •Voor zover maatregelen voor natte dooradering niet genomen worden in het kader van een beheerplan voor een gebied met kritische weidevogels wordt een apart beheerplan gemaakt; •Maatregelen voor de grote modderkruiper worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op natuurgebieden of EVZ’s voor deze soort; •(Doodlopende) watergangen ten behoeve van de grote modderkruiper zijn voorzien van: -Randen om inspoelen van meststoffen te voorkomen. -Een dichte gevarieerde waterplanten- en oeverplanten (helofyten)vegetatie. -Kleinschalig in ruimte en tijd gefaseerd onderhoud waarbij steeds slootvakken afgesloten blijven voor ander vissoorten die jonge grote modderkruipers eten. -Een zo natuurlijk mogelijk waterpeil. • Binnen een kerngebied voor kritische weidevogels, wordt 10% van de brede (> 2 m) sloten, van tenminste 50 cm diep, voorzien van natuurvriendelijke oevers, bijvoorbeeld: eenzijdig maximaal 6 meter breed, alternerend aangelegd. Tweezijdig maximaal 3 meter breed en dan niet alternerend, maar doorlopend langs de sloot;• Sloten met natuurvriendelijke oevers zijn schoon en helder door maatregelen om instroom van meststoffen te beperken en worden uitgerasterd bij begrazing; • Sloten met natuurvriendelijke oevers hoeven niet jaarlijks te worden gemaaid maar worden planmatig, cyclisch en gefaseerd in ruimte en tijd onderhouden. Indien de vegetatiegroei dit toelaat niet vaker dan eens in de ongeveer vier jaren; •In sloten waarin de bittervoorn voorkomt worden bij het baggeren grote zwanenmossels teruggezet in de sloot. In de sloot houdt in dat dit op dezelfde hoogte is als waar de betreffende zoetwatermossel langs de sloot is gevonden. De zoetwatermossels mogen niet worden verzameld om vervolgens op het eind van de sloot te worden teruggegooid. Dit om te voorkomen dat de zoetwatermossels in een keer gepredeerd worden en er toch te weinig grote mossels overblijven. Regio Meijerij en Kempen Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen De Meijerij en de Kempen vormen de identiteit van deze Regio. Het gebied valt samen met de begrenzing van Waterschap de Dommel. De Meierij maakt onderdeel uit van het dekzandplateau en bestaat uit verschillende dekzandruggen, afgewisseld door dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oostwest lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. In het centrale lage deel van het gebied (omgeving Oisterwijk) zijn in het verleden laagten ontstaan waar water op de lemige ondergrond stagneerde en vennen zich vormden die volgroeide met veen. De ontwatering was hier een probleem. Beken stroomden vanuit zuid naar het noordoosten richting de laagten van het huidige Dommeldal. In het oosten ligt het dal van de rivier de Aa. Door de grote variatie in het landschap kent het gebied ook een grote biodiversiteit. Zo komen er door de afwisseling van vochtige bossen, heiden, vennen en beekdalen veel amfibieën voor in de Meierij. De Kempen maakt onderdeel uit van het zwak golvende dekzandplateau dat doorsneden wordt door de bovenlopen van de beeksystemen Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. Het plateau bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. De dekzandruggen hebben een grofzandige en arme bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Op plaatsen met leem in de ondergrond stagneert regenwater en lagen destijds kleinere veenkussens. Daar zijn veelal vennen ontstaan. Van noordwest naar zuidoost ligt een breuklijn die de westgrens vormt van de Centrale Slenk. Hierdoor maakt het noorden en oosten van de Kempen deel uit van de Centrale Slenk. Belangrijke identiteitsdragers van het agrarische cultuurlandschap zijn de akkercomplexen met aanliggende buurtschappen en groenstructuren. Doelsoorten Open akker – overwinteraars: rietganzen, blauwe kiekendief Open akker – broedvogels: geelgors, roodborsttapuit Dooradering: gulden boterbloem, knoflookpad, rugstreeppad, kleine modderkruiper Doel Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten te versterken en te doen groeien. Meerwaarde ligt in het verbinden van natuurgebieden en in te zetten op de ontwikkeling van robuuste beeksystemen van de Dommel, de Aa en de Essche Stroom. Waarbij naast duurzame waterhuishouding (bijv. door inundatiezones) ook de landschappelijke kwaliteit van het watersysteem versterkt wordt. Dit kan mede gedaan worden door jonge ontginningslandschappen robuuster te maken met meer beplantingsstructuur. Voor het bevorderen van infiltratie wordt gekeken naar mogelijkheden om water in een gebied langer vast te houden. Bijvoorbeeld via natte dooradering, waarbij het mogelijk is om ecologische doelen mee te koppelen. Ecotopen Poelen In dit leefgebied zijn verder vooral de aan poelen gebonden amfibieën belangrijk. Binnen de ecologische hoofdstructuur zijn al veel poelen aanwezig en de populaties van de daar aanwezige soorten kunnen aanzienlijk worden versterkt door aansluitend in het agrarisch gebied poelen doelgericht te beheren en aan te leggen. De poelen binnen en buiten het NNB kunnen een netwerk vormen dat als één geheel kan worden beheerd. Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud is gewenst om de kans op uitsterven door calamiteiten en gelijktijdig onderhoud van een groot aantal poelen te voorkomen. Poelen liggen het best in groepjes van drie of meer dicht bijeen zodat het uitsterfrisico kan worden beperkt. Clusters van poelen liggen maximaal 400 meter uiteen, dan wel verwijderd van bestaande bezette poelen. In het algemeen zijn er wel kenmerken te geven van voor afzonderlijke soorten geschikte poelen, maar het is beter te streven naar diversiteit en lokaal maatwerk. Opgaande begroeiing In dit leefgebied gaat het ook om vogels van bosjes, houtwallen, struikgewas en ruigten. Langs bosranden wordt indien mogelijk een mantel een bloemrijke zoomvegetatie ontwikkeld. Singels en houtwallen worden zodanig beheerd dat er in uitgegroeide vorm meerdere vegetatielagen aanwezig zijn: kruid-, struik- en boomlaag. Hakhoutwallen worden planmatig cyclisch beheerd. Gezien het belang van struwelen en opgaande begroeiing voor boomkikker en kamsalamander kan beheer van poelen en opgaande begroeiing vaak gecombineerd worden evenals opgaande begroeiing met akkerranden en graslandbeheer. Akkers en akkerranden Binnen dit leefgebied zijn op drogere plekken akkers aanwezig met potenties voor akkervegetaties. Voor die plekken is akkerflorabeheer een optie, indien mogelijk als rand. Lokaal zijn ook populaties van de geelgors aanwezig. Daar is akkerrandenbeheer beheer gewenst met een deel graanranden zodat er ook in de winter voedsel beschikbaar is. Grasland en graslandranden Het Groene Woud is een bekende locatie van de slanke sleutelbloem. Hier niet alleen gebonden aan beken maar aan botanisch grasland(randen) beheer. Deze botanische hooigraslanden zijn ook de biotoop van het bont dikkopje die ook opgaande begroeiing nodig heeft. Akker- en graslandranden Patrijs, kneu en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van randen, ruigtes en in het geval van de geelgors van opgaande begroeiing. Aan opgaande begroeiing is in dit leefgebied geen gebrek. Wel aan rustig gelegen extensief gebruikte bloemrijke randen, overhoekjes en ruigtes met voedsel in de vorm van insecten en zaden. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en voedselveldjes ideaal en in het huidige landschap is kunstmatig aanbod van wintervoedsel ook noodzakelijk. Het is niet mogelijk het hele leefgebied te voorzien van randenbeheer en ruigtes voor de doelsoorten. De inzet wordt daarom geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen in een integraal beheerplan Ruigte Een groot deel van de Nederlandse roodborsttapuiten bewoont het Brabantse agrarische gebied. In het verleden vooral aansluitend op natuurgebieden met heide, tegenwoordig overal in het boerenland waar voldoende ruige bermen en greppels en andere ruigtes aanwezig zijn. Criteria zoekgebieden Zie bijlage 2 Criteria voor effectiviteit Algemeen Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt; •In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open akkerland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10%. Het is mogelijk om in beheerjaar 2023 maximaal 2% af te wijken van de norm voor oppervlakte beheer. Deze mogelijkheid wordt geboden in verband met de vertraging bij de implementatie van het Nationaal Strategisch Plan; - Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer •Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden; •Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen; •Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn; •De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; • Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Dooradering Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies - Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 50 ha groot Vlakdekkend botanisch beheer is alleen mogelijk op percelen waar minimaal 8 plantensoorten uit de indicatorsoortenlijst (bijlage 1) voorkomen. Bij het beheer wordt tijdens de 1e maaibeurt aan de randen een zone van minimaal 4 meter niet gemaaid. • De dichtheid aan zo min mogelijk onderbroken, ecologisch beheerde lijnvormige opgaande begroeiing en bosranden is minimaal 2 kilometer per 100 ha of tenminste 4% van de oppervlakte in waarbij voor bosranden een breedte van 10 meter wordt gehanteerd; De totale oppervlakte kruidenrijke randen is minimaal 5% van het afgesloten akkerbeheer in een werkgebied Tenminste 25% van de lijnvormige landschapselementen is tenminste aan één kant, liefst aan de zuidkant, voorzien van randenbeheer om vermesting te voorkomen en de ontwikkeling van mantel en bloemrijke zoomvegetaties te bevorderen. • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; •Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden; •Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen; •Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN; •Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat); •Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak; •Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten; • Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is; •Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s). -Planmatig beheerde eenheden zijn minimaal 50 ha groot en binnen het zoekgebied samen tenminste 1000 ha met een streven naar 2500 ha; -Indien geen andere biotopen worden beheerd in de eenheid wordt een apart beheerplan gemaakt; •De totale oppervlakte akkerflorabeheer, graanranden en wintervoedselveldjes is minimaal 2% van de akkers in het kerngebied; •Akkerfloraranden, graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter • Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt voor botanisch hooilandbeheer; •De graslandranden in combinatie met de opgaande landschapselementen zijn tenminste 3 meter, overige graslandranden minimaal zes meter breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens. •Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een aaneengesloten netwerk van sloten binnen een gebied van 100 ha; •(Doodlopende) watergangen ten behoeve van de grote modderkruiper zijn voorzien van: -Randen om inspoelen van meststoffen te voorkomen. -Een dichte gevarieerde waterplanten- en oeverplanten (helofyten)vegetatie. -Kleinschalig in ruimte en tijd gefaseerd onderhoud waarbij steeds slootvakken afgesloten blijven voor ander vissoorten die jonge grote modderkruipers eten. -Een zo natuurlijk mogelijk waterpeil. •Sloten met natuurvriendelijke oevers zijn schoon en helder door maatregelen om instroom van meststoffen te beperken en worden uitgerasterd bij begrazing; •Sloten met natuurvriendelijke oevers hoeven niet jaarlijks te worden gemaaid maar worden planmatig, cyclisch en gefaseerd in ruimte en tijd onderhouden. Indien de vegetatiegroei dit toelaat niet vaker dan eens in de ongeveer vier jaren; •In sloten waarin de bittervoorn voorkomt worden bij het baggeren grote zwanenmossels teruggezet in de sloot. In de sloot houdt in dat dit op dezelfde hoogte is als waar de betreffende zoetwatermossel langs de sloot is gevonden. De zoetwatermossels mogen niet worden verzameld om vervolgens op het eind van de sloot te worden teruggegooid. Dit om te voorkomen dat de zoetwatermossels in een keer gepredeerd worden en er toch te weinig grote mossels overblijven. Criteria voor effectiviteit Categorie Water (W01) Categorie Klimaat (K01) In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Regio De Peel Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen Regio De Peel wordt gevormd door de landschappelijke eenheden Peelrand en Peelkern. Aan de oostzijde grenst de Maasvallei en westelijk is de begrenzing van Waterschap Aa en Maas met Waterschap de Dommel de afbakening. De Peelrand maakt onderdeel uit van het dekzandplateau en vormt de flanken van de Peelhorst. De Maas heeft hier in het verleden grove zanden afgezet. Door het westelijk gedeelte van de Peelrand loopt van noordwest naar zuidoost de Peelrandbreuk. Langs de Peelrandbreuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak leidt dit tot een hoogteverschil van enkele meters, zodat de breuklijn plaatselijk in het landschap te volgen is. Door vergravingen en dekzandafzettingen is het hoogteverschil veelal gemaskeerd. Langs deze breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Het bijzondere van wijst is dat de hoger gelegen kant van de breuk (de horst) nat is en het lagergelegen deel (de slenk) droog. De Peelkern is het centrale gedeelte van het dekzandplateau van de Peelhorst. De Peelhorst tekent zich als een verhoging van enkele meters in het landschap. De slenken aan weerszijden van de horst liggen lager. Het voormalige uitgestrekte hoogveenmoerasgebied op de Horst werkte als een grote spons voor het neerslagwater. Na de ontginning resteerde een zandplateau dat grotendeels een inzijgingsgebied is dat afwatert via beekjes op de Maas. Alleen het zuidelijk deel rond de Groote Peel watert af op de Aa. De Peelkern is grootschalig en primair landbouwgebied. Er is een afwisseling van uitgestrekte akkers met bebouwing (ontginningsdorpen) en grootschalige bebossingen. Doelsoorten Open akker – overwinteraars: blauwe kiekendief, Open akker – broedvogels: geelgors, roodborsttapuit, Dooradering: geelgors, knoflookpad, kamsalamander, bittervoorn, hermelijn, slanke sleutelbloem Doel Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten te versterken en te doen groeien De focus ligt op de zandgronden, die liggen verspreid over de hele zandregio. Door ontwatering en verkaveling zijn de agrarische natuurwaarden zwaar onder druk gezet. Het doel is om via randenbeheer en dooradering, zowel in droge als natte omstandigheden doelsoorten van het gebied terug te winnen en waar nog aanwezig te versterken. Voor het bevorderen van infiltratie wordt gekeken naar mogelijkheden om water in een gebied langer vast te houden. Door middel van natte dooradering waarbij het mogelijk is om ecologische doelen mee te koppelen. Ecotopen Akker- en graslandranden Patrijs, kneu en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van randen, ruigtes en in het geval van de geelgors van opgaande begroeiing. Aan opgaande begroeiing is in dit leefgebied geen gebrek. Wel aan rustig gelegen extensief gebruikte bloemrijke randen, overhoekjes en ruigtes met voedsel in de vorm van insecten en zaden. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en voedselveldjes ideaal en in het huidige landschap is kunstmatig aanbod van wintervoedsel ook noodzakelijk. Het is niet mogelijk het hele leefgebied te voorzien van randenbeheer en ruigtes voor de doelsoorten. De inzet wordt daarom geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen in een integraal beheerplan Ruigte Een groot deel van de Nederlandse roodborsttapuiten bewoont het Brabantse agrarische gebied. In het verleden vooral aansluitend op natuurgebieden met heide, tegenwoordig overal in het boerenland waar voldoende ruige bermen en greppels en andere ruigtes aanwezig zijn. Poelen Vooral de aan poelen gebonden amfibieën zijn belangrijk. Binnen de ecologische hoofdstructuur zijn al veel poelen aanwezig en de populaties van de daar aanwezige soorten kunnen aanzienlijk worden versterkt door aansluitend in het agrarisch gebied poelen doelgericht te beheren en aan te leggen. Opgaande begroeiing Het gaat ook om vogels van bosjes, houtwallen, struikgewas en ruigten. Langs bosranden wordt indien mogelijk een mantel een bloemrijke zoomvegetatie ontwikkeld. Singels en houtwallen worden zodanig beheerd dat er in uitgegroeide vorm meerdere vegetatielagen aanwezig zijn: kruid-, struik- en boomlaag. Hakhoutwallen worden planmatig cyclisch beheerd. Gezien het belang van struwelen en opgaande begroeiing voor boomkikker en kamsalamander kan beheer van poelen en opgaande begroeiing vaak gecombineerd worden evenals opgaande begroeiing met akkerranden en graslandbeheer Grasland (percelen) en graslandranden Het Groene Woud is een bekende locatie van de slanke sleutelbloem. Hier niet alleen gebonden aan beken maar aan botanisch grasland(randen) beheer. Deze botanische hooigraslanden zijn ook de biotoop van het bont dikkopje die ook opgaande begroeiing nodig heeft. Criteria zoekgebieden Zie bijlage 2. Criteria voor effectiviteit Algemeen Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt; •In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open akkerland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Het werkgebied waar de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10%. Het is mogelijk om in beheerjaar 2023 maximaal 2% af te wijken van de norm voor oppervlakte beheer. Deze mogelijkheid wordt geboden in verband met de vertraging bij de implementatie van het Nationaal Strategisch Plan; Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer •Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden; •Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn; •De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; • Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Dooradering Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; •Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden; •Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen; •Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN; •Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat); •Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak; •Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten; •Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is; •Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s).Voor opgaande begroeiing: -Planmatig beheerde eenheden zijn minimaal 50 ha groot en binnen het zoekgebied samen tenminste 1000 ha met een streven naar 2500 ha; -Indien geen andere biotopen worden beheerd in de eenheid wordt een apart beheerplan gemaakt; -De dichtheid aan zo min mogelijk onderbroken, ecologisch beheerde lijnvormige opgaande begroeiing en bosranden is minimaal 2 kilometer per 100 ha of neemt tenminste 4% van de oppervlakte in; -Tenminste 25% van de lijnvormige landschapselementen is tenminste aan één kant, liefst aan de zuidkant, voorzien van randenbeheer om vermesting te voorkomen en de ontwikkeling van mantel en bloemrijke zoomvegetaties te bevorderen. •De totale oppervlakte akkerflorabeheer, graanranden en wintervoedselveldjes is minimaal 2% van de akkers in het kerngebied; •Akkerfloraranden, graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter •Op maximaal vijf locaties per deelgebied vlakdekkend hooilandbeheer voor flora met in totaal maximaal 5 ha per deelgebied; •Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt voor botanisch hooilandbeheer; •De graslandranden in combinatie met de opgaande landschapselementen zijn tenminste 3 meter, overige graslandranden minimaal zes meter breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens. Criteria voor effectiviteit Categorie Water (W01) Categorie Klimaat (K01) In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Regio Maasheggen Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen Kenmerkende landschapselementen voor de Maasvallei zijn: de open akkercomplexen met aanliggende buurtschappen en groen, de Maasheggen, de oude geulen en steilranden. De akkers vormen doorgaans een vrij open landschap, maar overal zijn in meer of mindere mate bosjes, bomenrijen en wegbeplantingen aanwezig. Oude stroomgeulen van de Maas, zoals de Vilt, zijn als geomorfologische relicten nog duidelijk herkenbaar in het landschap. Langs de oostgrens van Brabant heeft de Maas zich ingesneden in het landschap. Van oost naar west liggen in dit deelgebied; rivierdal, maasterrasruggen, maasterrasvlakte. De Maasheggen zijn kenmerkend voor het rivierdal. De Maasheggen nemen in Noord-Brabant een unieke plek in door de schaal waarop het zich voordoet. Eeuwenoude hagen omzomen kleine landbouwpercelen. Het leefgebied Maasheggen is gelegen op de Brabantse oever van de Maas van Maashees tot Cuijk. Het is en langgerekt smal leefgebied. Het is in wezen het onbedijkte overstromingsgebied van de Maas. ‘s Winters kan het bij hoogwater onder lopen. Vroeger was de afzetting van slib door de rivier een belangrijke bron van bodemvruchtbaarheid. In het gebied zijn rivierduintjes aanwezig die echter bijna allemaal in natuurgebieden liggen. De bodem is verder vrij kleiig hoewel lokaal ook zand wordt afgezet. Het landschapsaspect wordt bepaald door de aanwezigheid van een dicht netwerk van struweelhagen met hier en daar bomen en bosjes. Bij het gangbare beheer worden veel hagen smal en laag gehouden door ze vaak te klepelen. Ze nemen daardoor weinig ruimte in beslag maar hebben een geringe waarde voor behoud van biodiversiteit. Verspreid in de hagen of op de hoeken van percelen staan vaak bomen, soms zijn dat knotbomen. Het grondgebruik bestaat zowel uit akkers als grasland. Vroeger domineerden graslanden. Bebouwing en boomgaarden zijn heel beperkt aanwezig. Er lopen een paar beekjes dwars door het gebied richting Maas. Er waren poelen geschikt voor amfibieën, waaronder zelfs boomkikkers, maar die zijn verdwenen. Het deelgebied is begrensd op basis van de aanwezigheid van netwerken van de cultuurhistorisch bijzondere ‘maasheggen’ waaraan specifieke fauna gebonden is. Door de aanwezigheid van het microreliëf en de afwisseling tussen bosschages en open akkers is de Maasvallei een leefgebied voor de das. Karakteristiek voor de Maasterrasrug zijn de oude bebouwingslinten van afzonderlijke dorpen, afgewisseld door open akkercomplexen. Het versterken van de ecologische waarden van de Maasvallei is mogelijk door te sturen op te behouden of te ontwikkelen kenmerken van het landschap. Waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van heggen en houtwallen (bijv. de nachtegaal, grasmus, patrijs en das), het kleinschalig besloten landschap (bijv. steenuil, grote lijster), het halfopen landschap en akkerranden (bijv. geelgors en akkerandoorn), perceelranden, wegbermen en waterlopen (bijv. roodborsttapuit, rapunzelklokje en drijvende waterweegbree) indicatoren zijn. Het behoud van het leefgebied voor de das is als een schakel tussen de leefgebieden in Brabant, Gelderland en Limburg. Doelsoorten De doelsoorten per leefgebied staan in bijlage 1. Voor de Regio worden benadrukt: Open akkerland: roodborsttapuit, blauwe kiekendiefDooradering: bunzing, wezel, boomkikker, kamsalamander, zomertortel, spotvogel, gekraagde roodstaart, gulden boterbloem, sleedoornpage Doel Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten, zoals de sleedoornpage, te versterken en te doen groeien. De landschapskwaliteit van de Maasheggen zelf is een belangrijk doel, samen met de brede biodiversiteit die daarmee samenhangt. Op de zandgronden is het doel om waardevolle extensieve en rustige plekken te vinden/creëren. Het tegengaan van verdroging is zowel voor biodiversiteit, als water en klimaat een doel. Ecotopen Struweel Maasheggen De struweelhagen met verspreid bomen vormen de belangrijkste biotoop van dit leefgebied. Voor behoud van biodiversiteit is het belangrijk dat het merendeel kan uitgroeien tot echte struweelhagen door een lange beheercyclus van liefst vijf jaar of meer. Akkerflora percelen Maasheggen Akkers specifiek gericht op akkerflora. Graslandflora percelen Maasheggen Graslanden specifiek gericht op graslandflora. Akker- en graslandranden Maasheggen Patrijs en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van struwelen. Ideaal voor de rust en voedselbeschikbaarheid is wanneer de struwelen grenzen aan randenbeheer. Dat kunnen graskruidenranden zijn of iets minder ambitieuze randentypes (Maasheggenpakket) voor grasland, maar e moeten in ieder geval bloemrijk zijn. Akkerflora randen zijn een optie, bij geschiktheid van de locatie hiervoor. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en wintervoedselveldjes ideaal. Poelen In het verleden kwamen boomkikkers voor in de Maasheggen. Mochten zich in de toekomst in de nabijheid van bestaande populaties kansen voordoen voor deze soort, dan is het nemen van maatregelen het overwegen waard. Op hoofdlijnen dienen poelen voor boomkikkers groot en ondiep te zijn, gelegen op een plek met een zonnig en vochtige microklimaat in de nabijheid van moerasruigte, breed bramenstruweel en kleinschalig door opgaande begroeiing. Deze poelen mogen periodiek droogvallen, mits dit gebeurt nadat de larven gemetamorfoseerd zijn en als kleine boomkikkers het land op kruipen. Het nemen van soort specifieke maatregelen is ook aan de orde voor de kamsalamander, maar dan is periodiek droogvallen niet gewenst. Maatwerk is dus van toepassing. Van maatregelen voor boomkikker en kamsalamander profiteert ook de poelkikker. Criteria zoekgebieden Zie bijlage 2. Criteria voor effectiviteit Algemeen • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt; •In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones Criteria voor effectiviteit Leefgebied Open akkerland Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een kerngebied van 200 ha in een min of meer open landschap of het leefgebied Open akker wordt ingezet ter versterking van het Leefgebied Dooradering waarbij het volledige beheer grenst aan beheer onder het Leefgebied Dooradering; • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10%. Het is mogelijk om in beheerjaar 2023 maximaal 2% af te wijken van de norm voor oppervlakte beheer. Deze mogelijkheid wordt geboden in verband met de vertraging bij de implementatie van het Nationaal Strategisch Plan; - Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer • Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden; •Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn; •De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; •De totale oppervlakte aan randen inclusief extensief beheerde ruige bermen en ruigtes is tenminste 5% van het beheerde areaal. •Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied. Criteria voor effectiviteit Leefgebied Dooradering Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; Struweel Maasheggen •Minimum schaal van de maatregelen is een aaneengesloten gebied van 50 ha; •Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen; • De dichtheid aan ecologisch goed beheerde struwelen is tenminste 2 kilometer met een streven naar 4 kilometer per 100 ha; • Tenminste 75% van de met een vergoeding beheerde hagen wordt voorzien van onderhoud met een beheercyclus van tenminste vijf jaren, bij voorkeur veel langer (12-18 jaar); • Jaarlijks wordt slechts een deel van de hagen afgezet volgens het beheerplan, zodat niet periodiek een grote kaalslag plaatsvindt; • Van de hagen met een vergoeding mag het aandeel knip- en scheerhagen (niet klepelen) met een cyclus van twee of drie jaar maximaal 10% zijn. •Tenminste 50% van de struwelen met beheer is tenminste eenzijdig, liefst aan de zuidkant (>75%), voorzien van een bloemrijke rand, of akkerrand. Akkerflora-percelen Maasheggen • Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt. Deze zijn bij voorkeur droog en zandig Graslandflora Maasheggen • Tenminste vijf locaties met een hooilandbeheer met in totaal maximaal 5 ha in dit leefgebied; •Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt Akker- en graslandranden Maasheggen • Tenminste 75% van randen ligt langs een struweel; •30% van de randen is een graanrand; •Graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter; • De randen in combinatie met maasheggen zijn tenminste 3 m, maar bij voorkeur 6 m, akkerfloraranden tenminste 12 m en andere randen 6 m breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens. Poelen Maasheggen • Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden; • Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen; •Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN; •Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat); •Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak; •Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten; •Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is; • Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s). Criteria voor effectiviteit Categorie Water (W01) Categorie Klimaat (K01) In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Beheertypenkaart Ambitiekaart
Meer informatie