Activanota Gemeente Opmeer 2026
Activanota Gemeente Opmeer 2026 1. INLEIDING Voor u ligt de activanota 2026. In deze beleidsnota worden de uitgangspunten van het activabeleid in de gemeente Opmeer gepresenteerd. De gemeente is eigenaar van tal van bezittingen, zoals gebouwen, gronden, machines, infrastructuur, etc. Bedrijfsmatig worden bezittingen activa genoemd. Aan de hand van deze nota kan zowel voor het bestuur als de ambtelijke organisatie een transparant en adequaat activabeleid worden uitgevoerd. Afwijkingen zijn alleen toegestaan indien er expliciete besluitvorming van de gemeenteraad aan ten grondslag ligt. 1.1 Aanleiding In artikel 14 van de financiële verordening gemeente Opmeer 2025 is opgenomen dat het College eens in de 6 jaar een (geactualiseerde) activanota aan de raad aanbiedt en dat deze nota door de raad wordt vastgesteld. De huidige activanota 2019 is op bepaalde onderwerpen aan herziening toe. Voorliggende nota sluit aan bij het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en de financiële verordening gemeente Opmeer 2025. 1.2 Doelstelling De doelstellingen van deze nota zijn het formuleren van beleid en vastlegging van uniforme kaders voor het activeren, waarderen, afschrijven van investeringen. 1.3 Wettelijk kader De activanota is bedoeld als instrument voor de kaderstellende rol van de raad. Deze nota vormt daarvoor het formele kader waarbinnen het college en de ambtelijke organisatie met investeringen en afschrijvingen dienen om te gaan. Het wettelijk kader bestaat uit de Gemeentewet (artikel 212), het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en de notitie ‘Materiele vaste activa 2020’ van de commissie BBV. Een substantieel deel van het investeringsbeleid is vastgelegd in deze wet- en regelgeving. Echter op bepaalde punten is sprake van beleidsvrijheid voor gemeenten. Indien hiervan sprake is dan zijn in deze nota aanvullende spelregels/afspraken opgenomen. 1.4 Leeswijzer Na deze inleiding worden in de hoofdstukken 2 t/m 4 respectievelijk het activeren, waarderen en afschrijven van investeringen beschreven. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de kapitaallasten in de begroting en rekening. In hoofdstuk 6 zijn de procedures m.b.t. investeringskredieten vermeld. Hoofdstuk 7 heeft betrekking op de slotbepalingen. In bijlage I is een afschrijvingstabel met afschrijvingstermijnen weergegeven en in bijlage II is een begrippenlijst vermeld. 2. ACTIVEREN 2.1 Soorten activa Het BBV onderscheidt de volgende soorten vaste activa: 1.de immateriële vaste activa; 2.de materiële vaste activa; 3.de financiële vaste activa. 2.1.1 Immateriële vaste activa Onder de immateriële vaste activa worden de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio, de kosten van onderzoek en ontwikkeling en bijdragen aan activa in eigendom van derden opgenomen (artikel 34 BBV). Het BBV staat slechts in zeer beperkte mate de activering van immateriële vaste activa toe. Bovendien is de activering van immateriële vaste activa niet verplicht. Kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief Het BBV biedt de mogelijkheid om kosten van onderzoek en ontwikkeling, indien aan de voorwaarden van artikel 60 BBV wordt voldaan, voor een bepaald actief te activeren. Uitgangspunt 1: De kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief worden in beginsel geactiveerd, behalve als het van te voren vaststaat dat het onderzoek niet gaat leiden tot een actief. Daarbij geldt een maximale afschrijvingstermijn van 5 jaar (artikel 64 lid 5 BBV). Bijdragen aan activa in eigendom van derden Over de bijdragen aan activa in eigendom van derden heeft het BBV nadere voorwaarden opgesteld om deze bijdragen te kunnen activeren (artikel 61 BBV). Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien: •er sprake is van een investering door een derde; •de investering bijdraagt aan de publieke taak; •de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen; •de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Uitgangspunt 2: Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd als aan de voorwaarden uit artikel 61 van het BBV wordt voldaan. 2.1.2 Materiële vaste activa Onder materiële vaste activa worden investeringen verstaan waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. In artikel 35 van het BBV wordt onderscheid gemaakt in de volgende soorten activa: -investeringen met een economisch nut; -investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; -investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. In artikel 59 lid 1 BBV is opgenomen dat alle investeringen moeten worden geactiveerd. Een uitzondering hierop vormen, conform artikel 59 lid 2 BBV, de kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde. Deze worden niet geactiveerd. De investeringen kunnen ook onderverdeeld worden naar de volgende categorieën: -nieuwe- of uitbreidingsinvesteringen: dit zijn investeringen ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe activiteiten of expansie van de huidige activiteiten; -vervangingsinvesteringen: dit zijn investeringen ten behoeve van de vervanging van een oud (bestaand) actief als gevolg van economische veroudering of slijtage; -levensduurverlengende investeringen: dit zijn investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en leiden tot een substantiële levensduurverlenging van het betreffende actief. 2.1.3 Financiële vaste activa In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen (artikel 36 BBV): 1.Kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen, deelnemingen en overige verbonden partijen; 2.Leningen aan woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen; 3.Overige verstrekte langlopende geldleningen; 4.Overige uitzettingen met een looptijd van één jaar of langer. 2.2 Ondergrens Het is echter niet praktisch om alle investeringen te activeren. De Commissie BBV doet in haar notitie rondom materiële vaste activa vanuit efficiency oogpunt de aanbeveling om een minimale omvang voor het activeren van vaste activa te hanteren. De uitgaven die voldoen aan alle voorwaarden om als investering te worden behandeld, maar van een relatief geringe omvang zijn, worden direct in het jaar van aanschaf of vervaardiging ten laste van de exploitatie gebracht. Als gelijksoortige activa in één keer aangeschaft worden en hiermee de ondergrens wordt overschreden dan wordt de investering geactiveerd. Een uitzondering op de ondergrens vormen investeringen in gronden en terreinen. Deze worden, conform het BBV, altijd geactiveerd. Uitgangspunt 3: Activa met een aanschafwaarde van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, maar worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. Dit geldt voor nieuwe investeringen vanaf 1 januari 2026. 2.3 Onderhoud Onderhoud is het uitvoeren van preventieve dan wel correctieve maatregelen om een object in goede staat te houden of te brengen (op een vooraf door de raad vastgesteld kwaliteitsniveau). Door de Commissie BBV wordt de volgende uitspraak over onderhoud gedaan: “De kosten van (klein en groot) onderhoud zijn niet levensduurverlengend en mogen niet worden geactiveerd”. Hieronder wordt de indeling in klein onderhoud, groot onderhoud en levensduurverlengende investeringen nader toegelicht: • Klein onderhoud Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede, werkende en veilige staat te houden tegen een van tevoren vastgesteld kwaliteitsniveau zoals bijvoorbeeld het maaien van bermen. Deze kosten worden gedekt uit de jaarlijkse budgetten die in de begroting zijn opgenomen. • Groot onderhoud Groot onderhoud is meestal gepland onderhoud dat ontstaat na een lange periode van gebruik van een object als gevolg van slijtage. Groot onderhoud moet één keer in de zoveel jaar gebeuren bijvoorbeeld het (buiten)schilderwerk van een gebouw. Groot onderhoud vindt plaats op basis van een geactualiseerd onderhoudsplan. Deze kosten worden gedekt uit de hiervoor gevormde onderhoudsvoorzieningen. • Levensduurverlengende investeringen Voor levensduurverlengende investeringen geldt expliciet dat ze bijdragen aan een verlenging van de levensduur van het betreffende actief zoals het renoveren van een gebouw, een nieuw dak of milieu investeringen. Deze investeringen kunnen worden geactiveerd. Uitgangspunt 4: Investeringen die leiden tot een significante kwaliteitsverbetering of die nodig zijn om te voldoen aan wet- en regelgeving (bijvoorbeeld investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften of investeringen in duurzaamheidsmaatregelen) worden geactiveerd. 3. WAARDEREN 3.1 Waarderingsgrondslagen De waardering van activa is van belang omdat het de basis vormt voor het vaststellen van de financiële consequenties van activa, vooral door waardevermindering. Anders geformuleerd: de gekozen systematiek voor de waardering van activa en de waardevermindering in het stelsel van baten en lasten is van invloed op de exploitatie van de gemeente en daarmee op de financiële resultaten die behaald worden. Hiervoor zijn in het BBV bepalingen opgenomen voor de waardering van activa. Hiermee wordt enerzijds voorkomen dat organisaties met de waardering van activa hun financiële resultaten kunnen beïnvloeden en anderzijds wordt bereikt dat de financiële gegevens van organisaties in de loop van de tijd vergelijkbaar blijven. In artikel 63 lid 1 van het BBV is bepaald dat in beginsel één waarderingsgrondslag wordt gehanteerd, namelijk de historische kostprijs (verkrijgings- of vervaardigingprijs). In het BBV is expliciet aangegeven dat voorraden en deelnemingen tegen markwaarde gewaardeerd worden indien de markwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Wat onder verkrijgingprijs en vervaardigingprijs wordt verstaan wordt beschreven in artikel 63 lid 2 en 3 van het BBV. Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen. Een uitzondering wordt gemaakt voor bestemmingswijziging van activa van gronden in erfpacht. Wanneer de bestemming van activa verandert, wordt de activa gewaardeerd tegen de actuele marktwaarde. Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde. 3.2 Bruto-waardering De BBV schrijft voor dat alleen de bruto-waardering is toegestaan bij activering. Dit geldt voor alle categorieën investeringen (economisch nut, economisch nut met heffingen én maatschappelijk nut). De bruto-waardering geeft een beter inzicht in de financiële positie van de gemeente (integraal inzicht in baten en lasten). Bij de bruto-waardering worden de afzonderlijke vermogensbestanddelen die betrokken kunnen zijn bij een actief op de balans gepresenteerd. Bij de activa gaat het om de werkelijke investeringslasten en de bijdragen van derden (subsidieverstrekkers) en/of onttrekkingen uit de reserves. De bijdragen van derden moeten in mindering gebracht worden op de investering (bijvoorbeeld ontvangen subsidies van derden). De onttrekking uit de bestemmingsreserves moeten bruto verantwoord worden en mogen niet in mindering gebracht worden. 3.3 Afwaardering activa In het derde lid BBV artikel 65 wordt voorgeschreven dat een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd als de restwaarde lager is dan de boekwaarde. Bij een volledige buitengebruikstelling wordt het actief afgewaardeerd tot nul, dan wel tot de restwaarde, als deze redelijkerwijs verwacht kan worden. Wanneer een actief gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld, dient het actief proportioneel te worden afgewaardeerd. Waardeverminderingen van activa worden op het actief zelf in mindering gebracht. Duurzame waardevermindering van vaste activa is onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. 3.4 Waardering Woningbedrijf De activa van de gemeente worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De woningen van het Woningbedrijf worden op dezelfde wijze gewaardeerd als de activa van de gemeente, dus ook tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. 3.5 Desinvesteren Op het moment dat een desinvestering (verkoop van het actief) plaatsvindt wordt de boekwinst of het boekverlies incidenteel ten gunste of ten laste van het resultaat van het betreffende jaar gebracht. De mogelijke boekwinst mag, conform de notitie verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen van de commissie BBV, niet in mindering gebracht worden op een nieuwe investering. Het verrekenen is niet toegestaan op grond van het BBV. 4. AFSCHRIJVEN 4.1 Inleiding Als een investering is geactiveerd dient op grond van artikel 64 lid 3 BBV daarop te worden afgeschreven. Het gebruik van vaste activa strekt zich uit over meerdere jaren. Door technische slijtage of economische veroudering daalt de waarde. Het zichtbaar maken van de waardevermindering in de jaarlijkse exploitatie wordt afschrijven genoemd. De hoogte van de afschrijving wordt bepaald door de economische gebruiksduur en de methode van afschrijven. 4.2 Afschrijvingsmethode De meest voorkomende afschrijvingsmethoden bij gemeenten zijn de lineaire afschrijvingsmethode en de annuïtaire afschrijvingsmethode. Het BBV laat de gemeenten vrij in de keuze van afschrijvingsmethodiek. Hieronder worden deze twee afschrijvingsmethoden nader toegelicht: •Lineaire afschrijving: Hiermee wordt bedoeld dat er wordt afgeschreven op basis van een vast bedrag per jaar. Bij deze methode blijven de afschrijvingslasten gelijk, terwijl de rentelasten en daardoor ook de totale kapitaallasten in de loop van de gebruiksperiode geleidelijk afnemen. Hierdoor levert de lineaire afschrijvingsmethode op de lange termijn voordelen op. Door jaarlijks aflopende rentelasten, ontstaat er budget om stijgende onderhoudslasten bij ouder wordende activa op te vangen. •Annuïtaire afschrijving: Bij deze methode blijft de jaarlijkse last van rente en afschrijving gelijk. Daarbij daalt de rentelast van jaar tot jaar sneller in de loop van de gebruiksperiode, terwijl de afschrijving omgekeerd evenredig toeneemt. De keuze voor deze methode is veelal gelegen in de wenselijkheid de jaarlijkse lasten zoveel mogelijk gelijk te houden. Uitgangspunt 5: Voor het afschrijven van activa wordt de lineaire afschrijvingsmethode gehanteerd. 4.3 Afschrijvingstermijnen De afschrijvingstermijnen van vaste activa welke een beperkte levensduur hebben, moeten gebaseerd worden op de verwachte toekomstige gebruiksduur van een activum. Bij het vaststellen van de gebruiksduur speelt zowel de economische als de technische levensduur een rol. De economische levensduur van een activum is verstreken wanneer het financieel voordeliger is om het bestaande activum te vervangen door een nieuwe. De technische levensduur van een activum wordt bepaald door de technische slijtage. Op grond wordt niet afgeschreven. Gronden zijn normaliter niet aan slijtage onderhevig en daarom is er geen sprake van waardevermindering. Derhalve is het niet nodig deze af te schrijven. In bijlage I bij deze nota is de afschrijvingstabel bijgevoegd. Voor de vaste activa worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd zoals opgenomen is in deze tabel. Uitgangspunt 6: De afschrijvingstermijn wordt bepaald aan de hand van de economische levensduur en de afschrijvingstermijnen die zijn weergegeven in bijlage I van deze nota. 4.4 Startmoment van afschrijven Het is van belang om vast te leggen vanaf welk moment wordt begonnen met het afschrijven op een actief. Het is ongewenst om daarmee te beginnen vanaf het moment dat een krediet is gevoteerd door de gemeenteraad. Het kan immers nog enige tijd duren voordat de desbetreffende investering is gerealiseerd. Daarom start de afschrijving in het jaar na realisering of aanschaf van het actief. Gebruik is bepalend In praktijk kan de situatie zich voordoen dat een investering technisch gezien in gebruik is genomen, maar waarvan de werkelijke (financiële) afwikkeling afhangt van een juridisch of procedureel geschil. Ook kan sprake zijn van het in gebruik nemen van een actief (bv. gebouw) waarvan de eindafrekening nog wordt opgesteld. In die gevallen vindt de eerste afschrijving plaats in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname. Gebruik is dan bepalend. Een argument hiervoor is dat anders de balans en de waardevermindering van het actief geen betrouwbaar beeld geven. Uitgangspunt 7: De afschrijvingen starten in het jaar volgend op het jaar van gereedmelding van het actief. 4.5 Restwaarde Aan het einde van de afschrijfperiode kan een boekwaarde overblijven ter grootte van de geschatte restwaarde. Aangezien activa worden gebruikt en gedurende de afschrijfperiode technisch en economisch verouderen en slijten zal de praktijk meestal zijn dat naar een boekwaarde van nul moet worden afgeschreven. Dit veronderstelt dat het voornemen bestaat om het actief tot het einde van de mogelijke gebruiksduur dus conform de verwachte economische levensduur te benutten. Activa worden afgeschreven in de periode van de economische levensduur, hetgeen betekent dat er wordt afgeschreven naar een boekwaarde nul. Uitgangspunt 8: Bij het bepalen van de afschrijving van een investering wordt géén rekening gehouden met een restwaarde. 4.6 Componentenbenadering De componentenbenadering is een afschrijvingsmethode voor vaste activa die uit meerdere eenheden zijn samengesteld. De samenstellende delen gaan niet allemaal even lang mee. Daarom staat het BBV toe een actief onder te verdelen in componenten, waarbij elke component een andere afschrijvingstermijn krijgt. Bij componenten die apart geactiveerd worden is van belang dat elke component een afschrijvingstermijn krijgt die overeenkomt met zijn economische levensduur. De toepassing van de componentenbenadering kan worden geïllustreerd aan de hand van het verkrijgen van een gebouw: -Grond -> niet afschrijven; -Gebouw -> afschrijving in 40 jaar; -Installaties (bijvoorbeeld verwarming) -> afschrijving in 15 jaar; -Inventaris -> afschrijving in 10 jaar. Uitgangspunt 9: De componentenbenadering wordt gehanteerd conform de afschrijvingstabel in bijlage I. 4.7 Extra afschrijvingen In het BBV is onderscheid gemaakt tussen materiële vaste activa met een economisch, materiële vaste activa met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven én materiële vaste activa met een maatschappelijk nut. Alle drie soorten investeringen moeten conform het BBV geactiveerd worden. Investeringen mogen niet resultaatafhankelijk worden afgeschreven (artikel 64 BBV). 4.8 Het beginsel van toerekening Op basis van het toerekeningbeginsel worden afschrijvingen ten laste van de exploitatie gebracht. Het toerekeningbeginsel houdt in dat gezocht wordt naar het juiste moment om kosten te verantwoorden in de exploitatie. In het verlengde van het baten- en lastenstelsel betekent dit dat kosten worden toegerekend aan de periode waar ze betrekking op hebben. Voor activa betekent dit dat niet de gehele investeringslast in één jaar tot uitdrukking wordt gebracht, maar dat gedurende de hele periode dat de activa haar nut afgeven, de lasten tot uitdrukking komen in de exploitatie. Door activa af te schrijven over de jaren waaraan zij haar nut afstaat, wordt aan dit beginsel invulling gegeven. 4.9 Afschrijven op grond Onder de duurzame productiemiddelen wordt in de bedrijfseconomie aan grond een bijzondere plaats toegekend. Grond is normaliter niet aan slijtage onderhevig en ondergaat daarom geen waardevermindering. Er bestaat geen noodzaak tot afschrijving. Uitzondering zijn gronden waaruit delfstoffen e.d. worden gewonnen of indien grond vervuild is. Op grond wordt conform BBV in beginsel dan ook niet afgeschreven. 4.10 Handhaving afgeschreven eigendommen Van belang voor het administratieve beheer van activa is dat alle activa geregistreerd worden. Activa die afgeschreven zijn en niet worden verkocht, dienen op de activastaat gehandhaafd te blijven. De redenen zijn inzicht in de bezittingen en het kunnen bepalen van aanwezigheid van stille reserves. Daarnaast spelen er aspecten als verzekering en aansprakelijkheid. Dit beleid zal worden voortgezet. 5 RENTE De gemeente Opmeer heeft weinig leningen en betaald daarom relatief weinig rente. De leningen die de gemeente nog heeft zijn direct toe te schrijven aan het Woningbedrijf waarna zo goed als geen rentelasten resteren om in de vorm van een renteomslag toe te rekenen aan de andere taakvelden. De renteomslag bedraagt daardoor feitelijk 0% en daarom bestaan de kapitaallasten bij de gemeente Opmeer alleen uit afschrijvingslasten en niet uit rente (omslag). Gemeenten hebben de vrijheid om te kiezen voor projectfinanciering. Hierbij worden externe financieringsmiddelen specifiek aangetrokken voor een bepaald project/investering. In het geval van projectfinanciering wordt de voor die aangetrokken lening geldende rente toegerekend aan het betreffende project. Dit kan een ander percentage zijn dan aan andere projecten wordt toegerekend op basis van de omslagrente. Uitgangspunt 10: De gemeente Opmeer hanteert projectfinanciering. Er wordt geen rente in de vorm van een renteomslag toegerekend aan de taakvelden. Een uitzondering hierop is het Woningbedrijf, want daaraan wordt wel rente toegerekend. 6. Kapitaallasten in de begroting en rekening 6.1 Begroten van kapitaallasten Op begrotingsbasis wordt een raming gemaakt van de verwachte kapitaallasten in het begrotingsjaar. Aangezien bij de gemeente Opmeer sinds de begroting 2017 een renteomslag van 0% geldt, leidt de afschrijving tot een raming van de kapitaallasten. Voor het bepalen van het moment waarop in de begroting rekening wordt gehouden met de kapitaallasten zijn er drie keuzes mogelijk als het gaat om het moment van starten met afschrijvingen: 1.afschrijven (en eventuele rente) vanaf het begin van het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving) of; 2.medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een half jaar afschrijving en eventuele rente) of; 3.vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving en eventuele rente). De BBV laat de gemeente vrij in haar keuze, maar de gekozen methode van het moment van beginnen met afschrijven moet wel worden toegepast op alle (sub)categorieën van de kapitaalgoederen. Uitgangspunt 11: De kapitaallasten worden begroot vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed naar verwachting gereed komt/verworven wordt. Het voordeel van deze werkwijze is dat de beheersbaarheid en de voorspellende waarde van de kapitaallasten beter tot uiting komen. 7. PROCEDURES INVESTERINGSKREDIETEN 7.1 Aanvragen en autorisatie van investeringen De bevoegdheid tot het toekennen van investeringskredieten ligt bij de raad. Bij de begrotingsbehandeling stelt de raad tevens het investeringsprogramma vast. Voor categorie A (vervangingsinvesteringen) autoriseert de raad het college tot het doen van uitgaven. Voor categorie B (nieuwe en/of uitbreidingsinvesteringen) legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Investeringen die niet in de begroting zijn opgenomen dienen gedurende het jaar via een separaat raadsvoorstel te worden voorgelegd aan de raad. Zodra besluitvorming heeft plaatsgevonden kan worden gestart met uitvoering van de investering. 7.2 Onderbouwing aangevraagde investeringen De raad zal alleen in staat zijn investeringen te accorderen die in voldoende mate zijn onderbouwd en gespecificeerd. Investeringsaanvragen dienen dan ook de volgende onderwerpen te omvatten: •aangeven of het om een vervangings- of uitbreidingsinvestering gaat; •jaarlijkse kapitaallasten; •eventuele subsidies; en •planning. 7.3 Termijn beschikbaarheid investeringskredieten Uitgangspunt bij het uitvoeren van investeringskredieten is dat deze binnen 2 jaar na autorisatie gestart moeten zijn. Indien een beschikbaar gesteld investeringskrediet na maximaal 2 jaar niet is gestart, wordt beoordeeld of het (restant) investeringskrediet bij de jaarrekening afgesloten kan worden. Een investeringskrediet kan telkens, indien nut en noodzaak via een collegebesluit daartoe is beargumenteerd, met 1 jaar extra bovenop de termijn van 2 jaar open blijven staan. Uitgangspunt 12: Investeringskredieten die 2 jaar na de ingangsdatum nog niet hebben geleid tot uitgaven of aantoonbare verplichtingen worden bij de jaarrekening beoordeeld of deze kredieten afgesloten kunnen worden. Als de reeds afgesloten investeringen in de toekomst alsnog uitgevoerd moet worden dan moet deze opnieuw aangevraagd worden bij de Kadernota of met een apart raadsvoorstel. 8. SLOTBEPALINGEN 8.1 Intrekken oude nota De “Activanota Gemeente Opmeer 2019” wordt ingetrokken. 8.2 Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze nota treedt in werking per 1 januari 2026; 2.Deze nota wordt aangehaald als: Activanota gemeente Opmeer 2026. Bijlage I: Afschrijvingstabel Activasoort Onderwerp Soort investering Afschrijvingstermijn (in aantal jaar) Immateriële vaste activa Kosten van onderzoek en ontwikkeling Kosten van onderzoek en ontwikkeling * 5 Bijdragen aan activa in eigendom van derden Bijdragen aan activa in eigendom van derden Afhankelijk van de aard van de investering Materiële vaste activa Grond (in erfpacht uitgegeven) Grond (in erfpacht uitgegeven) n.v.t. Terreinen Aanleg/inrichting recreatieterrein 40 Renovatie recreatieterrein 25 Recreatie en speelvoorzieningen * 12 Aanleg voetbalveld 40 Renovatie voetbalveld 25 Aanleg handbalveld 25 Renovatie handbalveld 10 Kunstgrasveld onderlaag 40 Kunstgrasveld toplaag 10 Renovatie kunstgrasveld 15 Hekwerk/ballenvanger 10 Aanleg groenvoorziening 20 Begraafplaats 25 Terreinverlichting: armaturen 15 Terreinverlichting: masten 40 Woonruimten en bedrijfsgebouwen Nieuwbouw woning (incl. HAT) * 40 Overige gebouwen (sporthal e.d.) * 40 Renovatie woning/gebouwen 25 Tijdelijk/noodgebouwen (semipermanente units) * 20 Tijdelijk/noodgebouwen (lichtere noodbouw) * 15 Aanbouw/aanpassing Restantduur hoofdgebouw, minimaal 10 jaar (Her) inrichting inventaris/meubilair 15 Bureaustoelen 10 Schoolgebouwen Nieuwbouw schoolgebouw * 50 Renovatie schoolgebouw * 25 Eerste inrichting, meubilair * 15 Onderwijsleerpakket (OLP) 8 (her) inrichting van schoolpleinen 15 Weg- en waterbouwkundige werken Aanleg wegen, vaarwegen en waterpartijen 40 Aanleg fietspaden, trottoirs en parkeerplaatsen 25 Herinrichting en reconstructie wegen, fietspaden, voetpaden, trottoirs parkeerplaatsen en waterpartijen 25 Bewegwijzering, straatmeubilair, verkeersvoorzieningen en - maatregelen 10 Openbare verlichting: armaturen 20 Openbare verlichting: lichtmasten 40 Openbare verlichting: OV kasten * 40 Betonconstructie van bruggen 40 Kunststof constructie van bruggen * 40 Houtenconstructie van bruggen 25 Beschoeiingen 20 (Her) planten van bomen langs wegen * 33 Brandkranen 20 Riolering Riolen en putten 55 (m.u.v. investeringen waar een doeluitkering tegenover staat) Kolken 30 Persleidingen 45 Technische installaties 15 Bouwkundige voorzieningen (bergbezinkbassin/gemaalputten) 45 Individuele behandeling van afvalwater (IBA-systeem) 20 Vervoersmiddelen Aanschaf nieuwe auto’s 10 Aanschaf nieuwe tractoren 15 Aanschaf nieuwe brandweerauto’s 15 Aanhangwagens 15 Machines en apparaten Maaimachines 8 Houtversnipperaar * 12 Hogedrukreiniger (RIOR) 7 Sneeuwschuiver 15 Robotmaaier * 5 Overige machines en apparatuur 10 Technische installaties Centrale verwarming ketel 15 Centrale verwarming leidingen 20 Klimaatbeheersingssysteem (afhankelijk van type systeem) * 15-20 Warmwater voorzieningen 20 Liftinstallatie 20 Beveiliging & bekabeling * 15 Energiebesparende maatregelen (afhankelijk van type maatregel) 10-15 PV panelen * 20 Warmtepomp * 15 Laadpalen (afhankelijk van gebruiksintensiteit) * 10-15 Stroomaggregaat en kasten 10 Overige installaties 15 Automatisering Hardware (PC’s, beeldschermen) 7 Laptops * 4 Mobiele telefoons 3 *Nieuwe categorie of gewijzigde afschrijvingstermijn t.o.v. de activanota 2019. Bijlage II: Begrippenlijst Activa De bezittingen van de gemeente zoals gronden, gebouwen, voertuigen en infrastructuur. Deze worden ingedeeld in vlottende activa en vaste activa. Activeren Het opnemen van investeringen op de balans. De jaarlijkse kosten (kapitaallasten) worden ten laste van de exploitatie gebracht. Afschrijven Een boekhoudkundige weergave van de waardevermindering van activa wegens technische slijtage en economische veroudering. De gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de afschrijvingslasten. Agio/Disagio Agio en Disagio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het hogere c.q. lagere bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. Agio en Disagio kan ook betrekking hebben op aandelen Annuïtaire afschrijving Een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks gelijk zijn gedurende de gehele afschrijvingstermijn van de investering. In de beginjaren is de afschrijvingscomponent laag en de rentecomponent hoog. Aan het eind ligt deze verhouding andersom. Boekwaarde Waarde van de activa op de balans. Dit is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen. Componentenbenadering De componentenbenadering houdt in dat een investering wordt opgedeeld in verschillende onderdelen. Deze onderdelen kennen een ander verloop van de waarde. Per onderdeel verschilt hierdoor de economische levensduur. Desinvesteren activa De definitieve buiten gebruikstelling van duurzame (materiële) productiemiddelen (bv. verkoop of sluiting). Economische levensduur De economische levensduur wordt bepaald door rationeel en doelmatig gebruik rekening houdend met technologische ontwikkelingen. Met andere woorden, slijtage van activa door veroudering. Financiële vaste activa Activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen (bijvoorbeeld deelnemingen en aandelen). Immateriële vaste activa Investeringsuitgaven waar geen bezit tegenover staat (bijvoorbeeld kosten sluiten geldlening) Investeringen Uitgaven ter verwerving van een goed of ter bereiking van een doel waaraan een meerjarig nut kan worden toegekend. Investeringskrediet Het bedrag dat door de gemeenteraad beschikbaar is gesteld voor het doen van een investering Investering met economisch nut Activa die verhandelbaar zijn (waar markt voor is zoals bijvoorbeeld gebouwen) of die kunnen bijdragen aan het genereren van middelen, bijvoorbeeld door het vragen van rechten, heffingen, leges of prijzen. Deze investeringen moeten worden geactiveerd. Investering met maatschappelijk nut Activa waarmee geen middelen gegenereerd kunnen worden maar wel duidelijk een publieke taak vervullen zoals wegen, groenvoorziening, bruggen e.d. Op basis van geactualiseerde BBV-voorschriften moeten ook deze investeringen geactiveerd worden. Kapitaallasten Kapitaallasten zijn de jaarlijks terugkerende lasten die samenhangen met de investeringen. De kapitaallasten bestaan uit afschrijvingen en rente. Lineaire afschrijving Een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks dalen. De afschrijvingscomponent is jaarlijks gelijk. Als gevolg van een daling van de boekwaarde neemt de jaarlijkse rentelast af Materiële vaste activa Activa waar een bezit tegenover staat en waaraan een meerjarig nut kan worden toegekend Rente Een vergoeding voor het beslag dat de boekwaarde van een investering legt op de financieringsmiddelen van de gemeente. De rente is onderdeel van de kapitaallasten Restwaarde De restwaarde vertegenwoordigt de schatting van de opbrengstwaarde tegen het huidige prijspeil, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief Vaste activa Bezittingen waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan 1 jaar is vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn gronden, gebouwen en inventaris. De vaste activa worden verder verdeeld in: immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële vaste activa Verkrijgingsprijs Het bedrag dat betaald is om activa aan te schaffen (de inkoopprijs en de bijkomende kosten) Vervaardigingsprijs De kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het intern vervaardigen van een actief. Waarderen De waarde die toegekend wordt aan het geactiveerde kapitaalgoed c.q. de investering op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs
Meer informatie