Beleidsregels briefadressen Rotterdam 2026

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op6 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Rotterdam

Beleidsregels briefadressen Rotterdam 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van de concerndirecteur Dienstverlening van 7 september 2026 met kenmerk M2607-2238; gelet op de artikelen 4:5, 4:13 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 1.1, 2.23, 2.38 tot en met 2.42, 2.45, 2.47 en 2.52 van de Wet basisregistratie personen en artikel 29 van het Besluit basisregistratie personen; overwegende, dat het gewenst is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de registratie van briefadressen in de basisregistratie personen, zodat deze op een rechtmatige manier kunnen worden toegekend en te voorkomen dat personen niet zijn geregistreerd als ingezetene in de basisregistratie personen; besluit: Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: -aangifte: aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet basisregistratie personen, dan wel aangifte van adreswijziging als bedoeld in artikel 2.39 van de Wet basisregistratie personen, waarbij een briefadres wordt gekozen; -aanvrager: persoon die aangifte doet; -briefadres: briefadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel p, van de Wet basisregistratie personen; -briefadresgever: briefadresgever als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van de Wet basisregistratie personen; -briefadresnemer: ingezetene in de basisregistratie personen die een briefadres houdt; -BRP: basisregistratie personen; -rechtspersoon: door het college aangewezen Nederlandse rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.42 van de Wet basisregistratie personen; -wet: Wet basisregistratie personen; -woonadres: woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel o, van de Wet basisregistratie personen. Artikel 2 Redenen briefadres 1.Een briefadres kan uitsluitend worden toegekend bij: a.het ontbreken van een woonadres vanwege: 1°.dak- of thuisloosheid; 2°. de uitoefening van een ambulant beroep; 3°.een verblijf gedurende een jaar, waarbij minder dan twee derde van de tijd zal worden verbleven in het buitenland en er niet zal worden teruggekeerd naar het laatste in de BRP geregistreerde adres; 4°.korter dan twee jaar verblijf in het buitenland en beroepshalve varend op een schip dat de thuishaven in Nederland heeft als bedoeld in artikel 29 van het Besluit basisregistratie personen; 5°. overbrugging tussen twee woonadressen van maximaal zes maanden; 6°. ontruiming van de woning op het adres waarop betrokkene in de BRP is ingeschreven; 7°. verblijf in een tijdelijk onderkomen zonder vaste stand- of ligplaats; 8°. een langdurig vermist persoon. b.het voorkomen van schrijnende situaties, waarbij inzet of voortzetting van een hulpverleningstraject noodzakelijk is, onder de voorwaarden dat: 1°.er sprake is van ten minste één sociaal-maatschappelijk probleem; 2°.het briefadres erop gericht is om de persoon de kans te geven zijn leven weer op de rit te krijgen; en 3°. de persoon instemt met de voorwaarden van het hulpverleningstraject dan wel hier reeds aan voldoet, dan wel een traject doorloopt bij een BIG-geregistreerde zorgverlener. 2.Onder een langdurig vermist persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 8°, wordt verstaan een persoon die: a.tegen redelijke verwachting in afwezig is uit zijn gebruikelijke of veilig geachte omgeving; b.waarvan de verblijfplaats onbekend is; en c.waarvan het in diens belang is dat de verblijfplaats wordt vastgesteld Artikel 3 Voorwaarden 1.De aangifte wordt in Rotterdam gedaan als het briefadres in Rotterdam wordt gekozen.2.Bij de aangifte wordt in ieder geval overgelegd: a.een geldig identiteitsbewijs van de aanvrager; b.een ingevulde en ondertekende aangifte met daarbij de reden voor de keuze van een briefadres en de te verwachte periode dat het briefadres noodzakelijk is; c.een volledig ingevulde vragenlijst met betrekking tot het briefadres met inbegrip van op die lijst genoemde bewijsstukken; d.een schriftelijke instemmingsverklaring van de briefadresgever; e.een kopie van het geldige identiteitsbewijs van de briefadresgever indien deze een natuurlijk persoon betreft. Artikel 4 Ontbrekende gegevens bij aangifte 1.De aangifte is volledig indien de benodigde gegevens, bedoeld in artikel 3, tweede lid, zijn ingeleverd.2.Als gegevens ontbreken, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen de aangifte aan te vullen met de ontbrekende gegevens.3.Indien de aangifte niet binnen deze termijn kan worden aangevuld, kan op verzoek van de aanvrager de termijn eenmalig verlengd worden met veertien dagen.4.Indien de aangifte niet binnen veertien dagen wordt aangevuld dan wel binnen deze termijn niet eenmalig om uitstel wordt gevraagd, kan de aangifte buiten behandeling worden gesteld. Artikel 5 Weigeringsgronden Bij de beoordeling van een aangifte hanteert het college als uitgangspunt dat de aangifte in beginsel wordt afgewezen indien: a.er een onderzoek loopt naar de verblijfplaats van de briefadresgever; b.het briefadres wordt gevraagd op een niet-bewoond adres of een postbus; c.de aanvrager geen of onvoldoende inlichtingen verstrekt over zijn verblijfplaats; d.uit onderzoek blijkt dat de aanvrager geen recht heeft op een briefadres. Artikel 6 Aanwijzing instelling (rechtspersoon) als briefadresgever: 1.Het college kan op grond van artikel 2.42, onderdeel b, van de wet een instelling als rechtspersoon aanwijzen om als briefadresgever op te treden.2.Het college maakt uitsluitend van deze bevoegdheid gebruik als de betreffende instelling een contractuele of subsidierelatie heeft met de gemeente Rotterdam. 3.Het college kan op grond van artikel 2.42, onderdeel b, van de wet tevens een instelling als bedoeld in artikel 2.40, vierde lid, van de wet aanwijzen om als briefadresgever op te treden.4.Het college maakt uitsluitend van deze bevoegdheid gebruik als de instelling als bedoeld in artikel 2.40, vierde lid, van de wet: a.geen kosten in rekening brengt voor het optreden als briefadresgever en dit uitsluitend doet voor personen die door de instelling worden begeleid of bij de instelling worden opgevangen; en b.meewerkt aan een bestandsvergelijking, teneinde te kunnen controleren of het aantal inschrijvingen op het adres van de instelling juist is en of de betreffende briefadresnemer nog voldoet aan de voorwaarden voor inschrijving met een briefadres. c.indien deze instelling is aangewezen, kan het adres van de locatie van de instelling waar de betrokkene verblijft of ondersteuning ontvangt, worden opgenomen als briefadres. 5.Het college kan met een aangewezen instelling sluitende afspraken maken over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het zijn van briefadresgever.6.Indien de aangewezen instelling gemaakte afspraken niet naleeft, kan het college besluiten de aanwijzing in te trekken. Artikel 7 Aanwijzing bedrijven (rechtspersoon) als briefadresgever: 1.Het college kan op grond van artikel 2.42, onderdeel b, van de wet een bedrijf als rechtspersoon aanwijzen om als briefadresgever op te treden.2.Het college maakt uitsluitend van deze bevoegdheid gebruik als het bedrijf is opgenomen in het register Arbeid Regulier Kennismigranten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het bedrijf uitsluitend optreedt als briefadresgever voor kennismigranten die bij het bedrijf werkzaam zijn.3.Indien een bedrijf is aangewezen, kan het adres van de locatie van het bedrijf waar de kennismigrant werkzaam is, worden opgenomen als briefadres voor ten hoogste drie maanden. 4.Het college kan met een aangewezen rechtspersoon sluitende afspraken maken over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het zijn van briefadresgever.5.Indien het aangewezen bedrijf de gemaakte afspraken niet naleeft, kan het college besluiten de aanwijzing in te trekken. Artikel 8 Gemeentelijk briefadres 1.Inschrijving op een gemeentelijk briefadres is uitsluitend mogelijk voor personen die verblijf houden binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam.2.Bij inschrijving op een gemeentelijk briefadres houdt de briefadresnemer zich aan de door het college opgelegde verplichtingen. Artikel 9 Beheer briefadres Het college controleert periodiek of de briefadresnemer nog voldoet aan de voorwaarden voor inschrijving met een briefadres. Artikel 10 Uitzonderingsbepaling 1.Bij de beoordeling van de aangifte voor een briefadres kan, in afwijking van artikel 2, maatwerk worden toegepast indien er sprake is van een schrijnende situatie, waarin het tijdelijk toestaan van een briefadres aantoonbaar noodzakelijk is om te voorkomen dat aanvrager verder in maatschappelijke problemen raakt. 2.Het college betrekt bij de beoordeling of een tijdelijk briefadres wordt toegestaan alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval.3.Indien het college besluit om op grond van dit artikel een tijdelijk briefadres toe te kennen, wordt dit briefadres toegekend voor ten hoogste negen maanden en onder de voorwaarde dat de aanvrager meewerkt aan het verkrijgen van een duurzaam woonadres.4.Indien aanvrager vóór afloop van de periode, bedoeld in het derde lid geen aangifte van adreswijziging heeft gedaan, wordt de inschrijving op het tijdelijk briefadres vanaf de datum van afloop in onderzoek genomen. Artikel 11 Inwerkingtreding en overgangsbepaling 1.Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de dagtekening van het gemeenteblad waarin zij worden gepubliceerd.2.De Regeling briefadres gemeente Rotterdam 2015 wordt ingetrokken met dien verstande dat deze van toepassing blijft op aangiften van verblijf en adres, dan wel van adreswijziging, waarbij een briefadres wordt opgegeven, die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels. Artikel 12 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels briefadres gemeente Rotterdam 2026. Aldus vastgesteld in de vergadering van 29 september 2026. De secretaris, J.H. Meijer, l.s. De burgemeester,C.J. Schouten Toelichting op de Beleidsregels briefadres gemeente Rotterdam 2026 Algemeen De BRP is de basisregistratie voor persoonsgegevens voor instanties met een publiekrechtelijke taak en is van essentieel belang voor het functioneren van de overheid. Uitgangspunt van de Wet BRP is dat personen zoveel mogelijk worden ingeschreven op het feitelijke woonadres. Het college is als beheerder van de BRP verplicht om aan gebruikers van de BRP juiste en actuele gegevens door te geven, zodat de gebruikers bij het nemen van beslissingen over de persoon uit kunnen gaan van de juistheid van het adres. Beschikt een persoon niet over een woonadres, dan kan hij in aanmerking komen voor een briefadres. Een natuurlijk persoon of een aangewezen rechtspersoon kan als briefadresgever optreden. Afnemers en gebruikers van de gegevens uit de BRP zijn voor hun bedrijfsvoering in belangrijke mate afhankelijk van de persoonsgegevens in de BRP. Het is daarom van belang dat deze gegevens in de BRP actueel en van hoge kwaliteit zijn. Een hoge kwaliteit van de adresgegevens is ook voor de gemeente van belang. Denk hierbij aan het bieden van voorzieningen afgestemd op de woonsituatie, handhaving bij brandveiligheid, een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van sociale woonruimten en het tegengaan van woonfraude. Vanuit de samenleving en de politiek is er blijvende aandacht voor de aanpak van woonfraude. Inschrijving op een verkeerd adres in de BRP kan fraude mogelijk maken. Dit kan fraude zijn met uitkeringen en toeslagen of fraude door onvindbaar te zijn om geen belastingen en/of schulden (terug) te betalen en opsporing te ontwijken. Dat kost de overheid veel geld en ondermijnt de maatschappelijke moraal. Vanwege het maatschappelijk belang ten aanzien van inschrijvingen in de BRP en het belang dat burgers hebben bij een inschrijving in de BRP is het nodig dat er duidelijkheid is wanneer een persoon in de gemeente Rotterdam ingeschreven kan worden op een briefadres. Daarnaast is er vanuit maatschappelijk oogpunt behoefte ontstaan om maatwerk toe te passen. Van belang is dat personen de juiste informatie verstrekken over hun feitelijke verblijfplaats(en), zodat vastgesteld kan worden of een aanvrager voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een briefadres. Weigeren aanvragers van een briefadres om informatie te verstrekken over hun feitelijke verblijfplaats, dan wordt op grond van de wet- en regelgeving in deze gevallen een briefadres geweigerd om misbruik te voorkomen. De beleidsregels briefadres hebben als doel om briefadressen in de BRP mogelijk te maken voor personen zonder woonadres en voor kwetsbare personen. Met de beleidsregels worden aanvullende regels gesteld en geformaliseerd, zodat duidelijk is wie in aanmerking komt voor een inschrijving met een briefadres. De beleidsregels zijn ook bedoeld om personen te informeren over de rechten en plichten die verbonden zijn aan een briefadres en het oneigenlijk gebruik van een briefadres tegen te gaan. Artikelsgewijs Artikel 2 Redenen briefadres Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°: Personen die niet beschikken over een woonadres en gebruik maken van de maatschappelijke opvang (passantenverblijven en dag- en nachtopvang) kunnen tijdelijk met een briefadres worden ingeschreven op het adres van een door de gemeente aangewezen rechtspersoon. Personen die niet beschikken over een woonadres, maar niet zijn aangewezen op opvang, zijn verplicht om elders een briefadres te kiezen. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°: Personen die vallen onder de categorie ‘ambulant beroep’ zijn bijvoorbeeld binnenvaartschippers die (met hun gezin) aan boord van een schip wonen en kermismedewerkers die (met hun gezin) met de kermisattractie meereizen. Personen die tot deze categorie behoren, komen in aanmerking voor een briefadres, mits zij geen woonadres hebben. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3°: Bij vertrek naar het buitenland voor een periode korter dan acht maanden in de periode van een jaar, kan een persoon kiezen voor inschrijving op een briefadres. De persoon is verplicht om vertrekaangifte te doen bij een verblijf in het buitenland van langer dan acht maanden in de periode van een jaar. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 4°: Als een persoon beroepshalve gaat varen aan boord van een schip dat in Nederland de thuishaven heeft en is er bij vertrek de redelijke verwachting dat de persoon niet langer dan twee jaar buiten Nederland zal verblijven, dan hoeft er geen aangifte van vertrek te worden gedaan (artikel 29 van het Besluit BRP). Een voorwaarde hierbij is wel dat de persoon gedurende het verblijf buiten Nederland beschikt over een adres in Nederland. Veelal zal dit een briefadres zijn. Het is wel toegestaan om aangifte van vertrek naar het buitenland te doen in deze situatie. Een verplichting daartoe bestaat echter niet. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 5°: Van een overbrugging tussen twee woonadressen is bijvoorbeeld sprake als de oude woning is verkocht, is overgedragen aan de nieuwe eigenaar en de nieuwe woning nog niet is opgeleverd. Ook bij een scheiding tussen samenwonenden, waarbij de ene persoon op het oude adres blijft wonen en de andere persoon geen woonadres heeft, kan deze laatste persoon kiezen voor inschrijving op een briefadres. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 6°: Een persoon die niet langer woonachtig is op het adres waarop hij in de BRP staat ingeschreven, als gevolg van ontruiming of opzegging van de huurovereenkomst door de verhuurder, en geen ander woonadres heeft, kan worden ingeschreven op een briefadres. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 7°: Op grond van de Wet BRP valt het adres van een woning dat zich in een voertuig of vaartuig bevindt en een vaste stand- of ligplaats heeft onder het begrip woonadres. Dit geldt ook voor een recreatiewoning. Of een woonadres als ‘niet adresseerbaar object’ in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is opgenomen of een woning in strijd met het Omgevingsplan wordt bewoond, is niet relevant voor de vraag of er sprake is van een woonadres als bedoeld in de Wet BRP. In dit verband wordt ook verwezen naar de Circulaire BRP en briefadres van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 november 2016. Indien het voertuig, vaartuig of de recreatiewoning geen gebruikelijke adresaanduiding heeft, dan kan de persoon worden ingeschreven met een briefadres. Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 8°: In het landelijke Protocol voor Ondersteuning door Burgerzaken aan achterblijvers (vastgesteld door de Nederlandse vereniging voor burgerzaken) staat vermeld dat in geval van vermissing van een persoon, in overleg de vermiste persoon tijdelijk kan worden geregistreerd met een briefadres op het adres van de melder. Artikel 2, eerste lid, onderdeel b: Een persoon die niet feitelijk dakloos is, maar niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt, bijvoorbeeld omdat hij in een opvangsituatie verblijft of geen stabiele huisvesting heeft, kan een beroep doen op ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Om deze ondersteuning te kunnen bieden, kan deze persoon tijdelijk worden ingeschreven op een door de gemeente aangewezen briefadres. Het gaat hierbij om een aanvrager van een briefadres die, conform de Wet BRP, wel (tijdelijk) over een woonadres beschikt, maar daarnaast te maken heeft met meerdere sociaal-maatschappelijke problemen. Artikel 2, tweede lid: De definitie van ‘langdurig vermist persoon’ is conform de definitie zoals opgenomen in het landelijke Protocol voor Ondersteuning door Burgerzaken aan achterblijvers (vastgesteld door de Nederlandse vereniging voor burgerzaken). Artikel 3 Voorwaarden Artikel 3, eerste lid: De aangifte wordt gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt. In het geval dat een persoon ingevolge artikel 8 van de regeling wordt ingeschreven op een gemeentelijk briefadres, moet deze persoon verblijf houden binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam. Artikel 3, tweede lid: Bij de aangifte van een briefadres dient een volledig ingevulde vragenlijst met bewijsstukken te worden overgelegd. In de aangifte van adreswijziging (aanvraag briefadres) is per reden aanvraag opgesomd welke bewijsstukken benodigd zijn. De vragenlijst is nodig om tot een beoordeling te komen of inschrijving op een briefadres gerechtvaardigd is. Als blijkt dat een aangever toch de beschikking heeft over een woonadres, dan kan inschrijving op een briefadres niet plaatsvinden. Artikel 5 Weigeringsgronden Het betreft hier een niet-limitatieve opsomming van weigeringsgronden voor de aanvraag van een briefadres. Met deze weigeringsgronden geeft het college nadere invulling aan de bepalingen uit de Wet BRP en het Besluit BRP. Een essentieel kenmerk van een briefadres is dat er een waarborg is dat voor de briefadresnemer bestemde geschriften of inlichtingen daarover daadwerkelijk worden doorgegeven of medegedeeld aan de briefadresnemer en daar is in de onderdelen a tot en met d geen sprake van. Onderdeel a. Lopend onderzoek naar verblijfplaats briefadresgever: Het college hanteert als uitgangspunt dat de aangifte in ieder geval wordt afgewezen als er een onderzoek loopt naar de verblijfplaats van de briefadresgever. Artikel 2.39 van de Wet BRP verplicht de ingezetene om correcte gegevens aan te leveren, terwijl artikel 2.20 van deze wet het college opdraagt pas gegevens in te schrijven wanneer de juistheid is vastgesteld. Artikel 2.23 (van de Wet en het Besluit BRP) regelt dat een briefadres alleen kan worden gebruikt wanneer een woonadres ontbreekt en de briefadresgever verifieerbaar is. Een lopend onderzoek betekent dat niet kan worden vastgesteld of de briefadresgever daadwerkelijk voldoet aan deze voorwaarden. Zolang onduidelijk is of de briefadresgever daadwerkelijk op het adres woont of daar post kan ontvangen, kan niet worden gewaarborgd dat aan de briefadresnemer bestemde geschriften of inlichtingen daarover daadwerkelijk worden doorgegeven of medegedeeld aan de briefadresnemer. Indien de ingezetene recht heeft op een briefadres krijgt hij de gelegenheid om een andere briefadresgever te kiezen, maakt hij daar geen gebruik van dan wordt het verzoek geweigerd. Onderdeel b. Onbewoond adres of postbus: Een briefadres kan niet worden gevestigd op een adres dat feitelijk niet bewoond is of een postbus betreft. Dit volgt uit de artikelen 2.23, eerste lid, van de Wet BRP en artikel 2.40, eerste lid, van de Wet BRP in samenhang gelezen met artikel 2.38, eerste lid, van de Wet BRP. De Wet BRP definieert in artikel 1.1 en artikel 2.38 het begrip ‘adres’ als een feitelijke woonplaats. Artikel 2.23 van de Wet BRP bepaalt dat alleen wanneer een woonadres ontbreekt, een briefadres kan worden geregistreerd. Een postbus of niet-bewoond adres voldoet niet aan de wettelijke definitie van ‘adres’. Artikel 2.40, eerste lid, van de Wet BRP verduidelijkt dat een briefadres alleen mag worden gekozen in specifieke situaties (zoals verblijf in een instelling of bij dakloosheid). Het is wel mogelijk om een briefadres bij een aangewezen rechtspersoon te houden. Hierbij geldt dan wel, dat een natuurlijk persoon, die namens de rechtspersoon optreedt, als briefadresgever de toestemming moet geven. Onderdeel c. Onvoldoende inlichtingen verstrekt door aanvrager: Wanneer de aanvrager niet de benodigde gegevens verstrekt om de verblijfplaats te kunnen vaststellen, wordt de aangifte afgewezen. Dit volgt uit de artikelen 2.39, tweede lid en 2.45, van de Wet BRP. Artikel 2.39, tweede lid, verplicht de aanvrager om alle noodzakelijke gegevens te verstrekken. Daarnaast bepaalt artikel 2.45 dat de briefadresgever -en nemer verplicht zijn inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de uitvoering van de wet. Wanneer onvoldoende informatie wordt gegeven, kan het college niet voldoen aan de verificatieplicht van artikel 2.20 van de Wet BRP. Met de afwijzing op deze grond geeft het college nadere invulling aan het bepaalde in de wet. Onderdeel d. Geen recht op een briefadres Indien uit onderzoek blijkt dat de aanvrager niet behoort tot de categorieën genoemd in artikel 2.40, eerste lid, van de Wet BRP, wordt de aangifte afgewezen. Artikel 2.40, eerste lid, geeft de situaties waarin een briefadres mag worden gekozen (bijvoorbeeld bij verblijf in een instelling). Artikel 2.23, eerste lid, van de Wet BRP bepaalt dat een briefadres slechts kan worden opgegeven als een woonadres ontbreekt, en artikel 2.38, eerste lid, regelt dat iedere ingezetene normaliter een woonadres moet hebben. Samen vormen deze bepalingen het toetsingskader voor het recht op een briefadres. Indien de aanvrager niet onder een van de wettelijke categorieën valt, bestaat geen recht op een briefadres, en mag het college na onderzoek de aangifte weigeren. Artikel 6 Aanwijzing instelling (rechtspersoon) als briefadresgever Het college kan een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang aanwijzen als briefadresgever. De instelling wordt als briefadresgever aangewezen omdat ze regelmatig contact heeft met de persoon en kan zorgdragen dat post van de overheid de persoon bereikt. Om de kwaliteit van de BRP te waarborgen en om misbruik met briefadressen te voorkomen, moet een aangewezen instelling voldoen aan de wettelijke verplichtingen die gelden voor briefadresgevers. Daarnaast mag de instelling alleen als briefadresgever optreden voor een persoon die bij de instelling opvang heeft. De instelling mag hiervoor geen kosten in rekening brengen bij de briefadresnemer. De instelling moet tevens meewerken aan een bestandsvergelijking zodat gecontroleerd kan worden of het aantal inschrijvingen op het adres van de instelling juist is en of de briefadresnemer nog voldoet aan de voorwaarden voor inschrijving met een briefadres. Artikel 7 Aanwijzing bedrijven (rechtspersoon) als briefadresgever: Het college kan onder voorwaarden een bedrijf (rechtspersoon) aanwijzen als briefadresgever voor kennismigranten. Deze bepaling biedt een juridische basis om onder strikte voorwaarden een tijdelijk briefadres toe te kennen via een werkgever, met als doel administratieve inschrijving in de BRP mogelijk te maken wanneer een kennismigrant (nog) geen woonadres heeft. Het gebruik van het briefadres bij een bedrijf is nadrukkelijk tijdelijk van aard. De inschrijving op het briefadres is mogelijk voor een maximale duur van 3 maanden. Deze periode wordt geacht voldoende te zijn om de kennismigrant in staat te stellen passende woonruimte te vinden en over te gaan tot inschrijving op een regulier woonadres. Uitsluitend bedrijven die zijn opgenomen in het IND-register Arbeid Regulier Kennismigranten worden aangewezen. Deze bedrijven zijn erkend als betrouwbare referenten en hebben ervaring met het begeleiden van kennismigranten. Door dit criterium te hanteren, wordt geborgd dat alleen gecontroleerde en toegankelijke bedrijven als briefadresgever optreden. Artikel 8 Gemeentelijk briefadres Op 1 januari 2022 is artikel 2.23 van de Wet BRP gewijzigd. De wijziging houdt in dat er voor het college een verplichting bestaat om een persoon ambtshalve in de BRP in te schrijven als deze persoon wordt aangetroffen in de gemeente en nog niet is ingeschreven in de BRP. Inschrijving op een woonadres staat daarbij voorop. Heeft de persoon geen woonadres en kan geen inschrijving plaatsvinden op een particulier briefadres of een briefadres van een aangewezen rechtspersoon, dan wordt de briefadresnemer ingeschreven op het gemeentelijk briefadres. Bij inschrijving op het gemeentelijk briefadres is de briefadresnemer gehouden aan de voorwaarden die voor het gemeentelijk briefadres gelden. Dit houdt onder andere in dat de persoon zich eenmaal per twee weken in persoon moet melden om zijn poststukken op te halen. Daarnaast is deze meldplicht noodzakelijk om vast te stellen of de persoon nog in aanmerking komt voor inschrijving in de BRP. De persoon kan geen derde machtigen om de poststukken namens hem op te halen. Door dit constante persoonlijke contact kan het college continu vaststellen of de persoon nog in aanmerking komt voor inschrijving in de BRP. Artikel 9 Beheer briefadres Om te voorkomen dat een briefadresnemer ten onrechte ingeschreven blijft met een briefadres als deze een woonadres heeft, vindt regelmatig een herbeoordeling op het geregistreerde briefadres plaats. Hiertoe wordt in de gemeente een administratie bijgehouden en wordt aan de hand hiervan periodieke controle uitgevoerd. De herbeoordeling geldt tevens voor de inschrijvingen op het gemeentelijk briefadres. De briefadresnemer en briefadresgever zijn verplicht om inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de bijhouding van het briefadres in de BRP. Als de briefadresnemer verzuimt om de gevraagde informatie over het briefadres te verstrekken, kan het college een adresonderzoek starten. Als in de fase van het adresonderzoek geen gegevens kunnen worden achterhaald over het briefadres of een ander adres waarop de briefadresnemer kan worden ingeschreven in de BRP, kan de briefadresnemer op basis van artikel 2.22 van de Wet BRP worden uitgeschreven uit de BRP. Als de briefadresnemer een ander woon- of briefadres heeft dan het van hem in de BRP opgenomen briefadres, moet hij binnen de in artikel 2.39 van de Wet BRP gestelde termijn hiervan verhuisaangifte doen bij de gemeente waar het nieuwe adres zich bevindt. Artikel 10 Uitzonderingsbepaling Vanuit maatschappelijk oogpunt kan het nodig zijn om maatwerk te leveren. De mogelijkheid om maatwerk te kunnen toepassen in de vorm van buitenwettelijk begunstigend beleid is opgenomen in artikel 10 van deze beleidsregels. Hierbij gaat het om een aanvrager van een briefadres, die wel (tijdelijk) beschikt over een woonadres op grond van de Wet BRP en daarnaast te maken heeft met meerdere sociaal-maatschappelijke problemen. In dergelijke situaties kan het gewenst zijn om maatwerk te kunnen toepassen. Door op grond van dit artikel een tijdelijk briefadres toe te kennen wordt aan aanvragers de ruimte geboden om verdere maatschappelijke problematiek te voorkomen en stappen te zetten in de richting van een duurzame oplossing. Om die reden is de duur van het toe te kennen tijdelijk briefadres begrensd en kunnen er voorwaarden worden verbonden aan de medewerking van de aanvrager aan passende ondersteuning. Het tijdelijk briefadres wordt eenmalig en voor negen maanden toegekend en wordt niet verlengd noch opnieuw toegekend op grond van dezelfde omstandigheden. Bij de beoordeling kan er, indien de complexiteit van het specifieke geval daartoe aanleiding geeft, binnengemeentelijk overleg worden gevoerd of binnengemeentelijk advies worden ingewonnen, met in achtneming van de geldende regelgeving. Het doel hiervan is te komen tot een oplossing voor deze specifieke gevallen Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

Meer informatie