Verordening reclamebelasting leisurepark West-R Roosendaal 2026-2028

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op5 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Roosendaal

Wijzigingsverordening reclamebelasting Leisurepark West-R Roosendaal 2026–2028 De raad van de gemeente Roosendaal; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 219 en 227 van de Gemeentewet; BESLUIT: vast te stellen de navolgende wijzigingsverordening: Artikel I - Wijziging van de verordening De Verordening reclamebelasting Leisurepark West-R Roosendaal 2026–2028 wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 1 wordt gewijzigd en luidt als volgt: Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a.exploitant: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van openbare aankondigingen op, aan of in door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten, gevels, toonkasten, uitstalkasten, vitrines, lichtkranten, lichtbakken en dergelijke. b.jaar: een kalenderjaar. c.openbare aankondiging: elke tot het publiek gerichte mededeling die erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd, waaronder mede moet worden begrepen reclamevoorwerpen, van commerciële dan wel ideële aard, onder meer doch niet uitsluitend vervat in letters, symbolen, logo, kleuren, of een combinatie daarvan. d.voorziening: specifiek hulpmiddel bestemd voor het aanbrengen, tonen of vertonen van één of meer (al dan niet wisselende) openbare aankondigingen. e.vestiging: 1. De onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, of een deel daarvan indien dat deel voor de vestiging afzonderlijk wordt gebruikt; 2. Twee of meer onroerende zaken, als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, of delen daarvan, die direct naast of boven elkaar gelegen zijn en die tezamen door één organisatie of bedrijf voor één doel worden gebruikt. f.outletcentrum of winkelcomplex: een op één aaneengesloten terrein gelegen en als één geheel geëxploiteerd of beheerd samenstel van onroerende zaken, waarin meerdere afzonderlijk verhuurde of in gebruik gegeven ruimten voor detailhandel zijn ondergebracht, en dat als één commercieel gebied naar buiten optreedt. g.waarde: de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor het kalenderjaar, als bedoeld in artikel 8, voor de onroerende zaak vastgestelde waarde. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ is vastgesteld, is de waarde de met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet WOZ vastgestelde waarde. h.Wet WOZ: de Wet waardering onroerende zaken B. Artikel 4 wordt gewijzigd en luidt als volgt: Artikel 4 Belastingplicht 1.De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de vestiging waarop, waaraan, waarin of waarbij één of meer openbare aankondigingen zijn aangetroffen. 2.Indien de vestiging door meerdere organisaties en/of bedrijven wordt gebruikt, wordt de organisatie of het bedrijf dat, naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld, als hoofdgebruiker is aan te merken, aangemerkt als gebruiker van de vestiging. 3.In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden wordt de reclamebelasting van een openbare aankondiging die door tussenkomst van een exploitant is aangebracht geheven van die exploitant. 4.In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid wordt de reclamebelasting voor een openbare aankondiging geheven van de eigenaar van een vestiging waar de openbare aankondiging zich bevindt indien er geen sprake is van gebruik van die vestiging dan wel het gebruik is beëindigd. 5.Indien sprake is van een outletcentrum of winkelcomplex in de zin van artikel 1, sub f, wordt de exploitant of, bij gebreke daarvan, de beheerder van het outletcentrum of winkelcomplex aangemerkt als belastingplichtige. C. Artikel 6, wordt gewijzigd en luidt als volgt: Artikel 6 Belastingobject 1.De reclamebelasting wordt geheven per vestiging waarop, waaraan, waarin of waarbij één of meerdere openbare aankondigingen zijn aangetroffen. 2.In afwijking van het eerste lid wordt een outletcentrum of winkelcomplex als bedoeld in artikel 1, sub f, aangemerkt als één vestiging, indien: a.het geheel onder centrale exploitatie of centraal beheer staat; b.het gebied functioneel en organisatorisch als één samenhangend geheel wordt gebruikt; c.de openbare aankondigingen in of aan het complex mede strekken tot commerciële uitstraling van het complex als geheel. D. Artikel 7 wordt gewijzigd en luidt als volgt: Artikel 7 Berekening van de hoogte van de reclamebelasting 1.De heffingsmaatstaf bestaat uit een vast bedrag per vestiging, vermeerderd met een bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde van de vestiging. 2.Indien de vestiging gelijk is aan de onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, is de heffingsmaatstaf een vast bedrag vermeerderd met een bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde van die vestiging. 3.Indien de vestiging deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, is de heffingsmaatstaf een vast bedrag vermeerderd met een bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van het deel van de waarde dat aan die vestiging kan worden toegerekend. De toerekening geschiedt door de waarde van deze onroerende zaak te delen door het aantal vestigingen in deze onroerende zaak. 4.Voor een vestiging als bedoeld in artikel 1, sub e, onderdeel 2, is de heffingsmaatstaf een vast bedrag vermeerderd met een bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarden of de delen van de waarden die aan die vestiging kunnen worden toegerekend. 5.Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van delen van de vestiging die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden 6.Indien artikel 1, sub f van toepassing is, bestaat de heffingsmaatstaf uit de som van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ vastgestelde waarden van de onroerende zaken die deel uitmaken van het outletcentrum of winkelcomplex. Artikel II - Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Artikel III Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Wijzigingsverordening reclamebelasting Leisurepark West-R Roosendaal 2026–2028. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 september 2026. De griffier,De voorzitter, 2. Toelichting bij de wijziging van de verordening Algemeen Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat een outletcentrum of winkelcomplex onder voorwaarden als één vestiging kan worden aangemerkt voor de heffing van reclamebelasting. De wijziging sluit aan bij de bestaande systematiek van de verordening, waarin reeds wordt gewerkt met het begrip vestiging en met belastingplicht die is gekoppeld aan de feitelijke gebruiker of exploitant. Door het complex als één vestiging aan te merken, wordt voorkomen dat de heffing versnipperd raakt over een aantal afzonderlijke huurders of ondernemers die reclame maken, terwijl de commerciële uitstraling en exploitatie in de praktijk op het niveau van het gehele gebied samenkomen. Motivering De gemeente beoogt met deze wijziging een belastingregeling die aansluit bij de feitelijke en economische realiteit van een outletcentrum als samenhangend commercieel gebied. Omdat niet alle afzonderlijke ondernemers van de outlet eigen reclame-uitingen hebben die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn, maar wel profiteren van de voorzieningen die worden betaald vanuit de reclamebelasting, is een benadering per individuele huurder in de outlet minder passend en uitvoerbaar. Door het complex als één vestiging te definiëren, wordt de heffing eenvoudiger en daardoor beter handhaafbaar. Artikelsgewijs Artikel I, onderdeel A In dit onderdeel wordt een afzonderlijke definitie toegevoegd voor het begrip outletcentrum of winkelcomplex. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat het moet gaan om een geografisch en functioneel samenhangend geheel dat centraal wordt beheerd of geëxploiteerd. Deze omschrijving voorkomt dat de regeling te ruim of te onbepaald wordt toegepast. Artikel I, onderdeel B Dit onderdeel wijst de exploitant of, als dat niet mogelijk is, de beheerder aan als belastingplichtige. Daarmee wordt duidelijk wie de aanslag ontvangt en wie aanspreekbaar is voor de heffing en invordering. Dat vergemakkelijkt de uitvoeringspraktijk en voorkomt onduidelijkheid over de vraag welke afzonderlijke ondernemer moet worden aangeslagen. Artikel I, onderdeel C Hier wordt vastgelegd onder welke voorwaarden het complex als één vestiging geldt. De drie criteria centrale exploitatie, functionele samenhang en een gezamenlijke commerciële uitstraling zijn bedoeld om de toepassing objectief toetsbaar te maken. Daarmee wordt aangesloten bij de feitelijke situatie van een outletcentrum zonder dat een toevallige indeling in losse huurcontracten doorslaggevend wordt. Artikel I, onderdeel D Voor de heffingsmaatstaf wordt aangesloten bij de som van de WOZ-waarden van de objecten die deel uitmaken van het outletcentrum. Daardoor blijft de systematiek van de verordening consistent met de bestaande tariefstructuur. De keuze voor één gezamenlijke maatstaf past bij de gedachte dat het complex als één vestiging wordt behandeld. Door de systematiek van de tarievenstructuur zal in de praktijk het maximumtarief gaan gelden voor een groot outletcentrum.

Meer informatie