Onderzoeksverordening gemeenteraad Amersfoort

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op2 oktober 2026
Gepubliceerd doorGemeente Amersfoort

Onderzoeksverordening gemeenteraad Amersfoort De raad van de gemeente Amersfoort; Gelezen het voorstel van het presidium d.d. 15 juli 2026, [438285]; Gelet op de artikelen 84, 149, 155 en 155a achtste lid Gemeentewet; b e s l u i t: Vast te stellen de volgende verordening: Onderzoeksverordening gemeenteraad Amersfoort Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: 1.College: college van burgemeester en wethouders. 2.Onderzoekscommissie: een commissie ingesteld op grond van artikel 84 Gemeentewet, die regulier onderzoek doet naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur zoals beschreven in artikel 2 van deze verordening. 3.Regulier raadsonderzoek: onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur of het handelen van de gemeenteraad. 4.Enquêtecommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet. 5.Raadsenquête: onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet. 6.Voorbereidingscommissie: een commissie ingesteld op grond van artikel 84 Gemeentewet die tot doel heeft te onderzoeken of het enquêterecht van de raad gebruikt moet worden en/of het besluit tot het houden van een raadsenquête voorbereid. Hoofdstuk 2: Regulier raadsonderzoek Artikel 2. Regulier raadsonderzoek 1.De gemeenteraad kan op voorstel van een of meer van zijn leden besluiten een regulier raadsonderzoek in te stellen.2.Het besluit tot het instellen van een regulier raadsonderzoek bevat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek, toelichting en regels over samenstelling van de commissie. De omschrijving kan tijdens het onderzoek door de gemeenteraad worden gewijzigd.3.De raad besluit over het beschikbaar stellen van budget voor het onderzoek.4.Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoekscommissie ex. artikel 84 Gemeentewet.5.Met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 169 en 180 Gemeentewet is niemand verplicht medewerking te verlenen aan een regulier raadsonderzoek.6.Het onderzoek kan door de raad indien nodig gaandeweg het onderzoek worden gewijzigd, al dan niet op voorstel van de onderzoekscommissie, naar een onderzoek op grond van artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet.7.Alvorens te besluiten een regulier raadsonderzoek te houden kan de raad besluiten tot het (laten) verrichten van een voorbereidend onderzoek. Op voorbereidend onderzoek zijn lid 1 tot en met 4 van dit artikel overeenkomstig van toepassing. Hoofdstuk 3: Raadsenquête (artikel 155a, eerste lid Gemeentewet) Voorbereidingscommissie Artikel 3: Voorbereidingscommissie 1.Alvorens te besluiten een raadsenquête te houden op grond van artikel 155a, eerste lid Gemeentewet kan de gemeenteraad besluiten tot het (laten) verrichten van een voorbereidend onderzoek.2.Het besluit tot het instellen van een voorbereidingscommissie bevat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek, een toelichting en regels over samenstelling van de commissie.3.De gemeenteraad draagt een voorbereidend onderzoek op aan een voorbereidingscommissie ex. artikel 84 Gemeentewet. 4.De voorbereidingscommissie is gericht op de vraag of een raadsenquête gehouden moet gaan worden en/of op het voorbereiden van het formele besluit een raadsenquête te houden. 5.De voorbereidingscommissie beschikt niet over de bevoegdheden als vermeld in de artikelen 155b, 155c en 155d van de Gemeentewet.6.De voorbereidingscommissie legt haar bevindingen voor aan de gemeenteraad. Enquêtecommissie Artikel 4: Instellen enquêtecommissie 1.De gemeenteraad kan op voorstel van een of meer van zijn leden besluiten een raadsenquête in te stellen.2.Het besluit tot het instellen van een raadsenquête bevat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek en toelichting. Deze omschrijving kan tijdens de enquête door de gemeenteraad worden gewijzigd.3.De raad besluit over het beschikbaar stellen van budget voor de raadsenquête.4.Het onderzoek wordt uitgevoerd door een enquêtecommissie als bedoeld in art. 155a, derde lid Gemeentewet.5.De enquêtecommissie bestaat uit een even aantal leden met evenveel leden van coalitie- als oppositiepartijen, tenzij er voor de gemeenteraad zwaarwegende redenen zijn de commissie op andere wijze samen te stellen. Artikel 5: Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter en secretaris 1.De leden van de enquêtecommissie kiezen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.2.De voorzitter is belast met: a.het leiden van de beraadslaging en zitting; b.het handhaven van de orde; c.het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde regels; d.dat wat deze verordening de voorzitter verder opdraagt. 3.De griffier wijst een secretaris aan ter ondersteuning van de enquêtecommissie. Artikel 6: Beëindiging van het lidmaatschap 1.Het lidmaatschap van een lid van de enquêtecommissie eindigt indien: a.Het lid ontslag neemt; b.De enquêtecommissie besluit het lid van zijn commissie te horen; c.De gemeenteraad besluit tot beëindiging van het lidmaatschap; d.Het lid ophoudt lid te zijn van de raad. 2.Een lid van de enquêtecommissie kan op elk moment ontslag nemen. Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de enquêtecommissie zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.3.In de openstaande vacature wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Artikel 7: Beraadslagingen 1.De enquêtecommissie beraadslaagt als een lid dat nodig acht.2.De voorzitter nodigt de leden van de enquêtecommissie uit voor de beraadslagingen en vermeldt daarbij de datum, het tijdstip en de locatie.3.De enquêtecommissie beraadslaagt achter gesloten deuren. Artikel 8: Bijstand 1.De bepalingen over ambtelijke bijstand, zoals genoemd in de Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad 2020 zijn niet van toepassing.2.De gemeentesecretaris wijst op verzoek van de enquêtecommissie een ambtelijk contactpersoon aan voor verzoeken om informatie van de commissie.3.De secretaris van de enquêtecommissie treedt met de ambtelijk contactpersoon in overleg over informatieverzoeken van de commissie.4.De enquêtecommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht en de uitoefening van haar taak nodig acht. De onderzoekbevoegdheden Artikel 9: Uitoefenen bevoegdheden 1.De enquêtecommissie kan de haar toekomende bevoegdheden uitoefenen met ingang van de dag waarop het besluit tot het instellen van de enquêtecommissie door de raad is genomen, totdat de enquêtecommissie door de raad dan wel op grond van artikel 17, vijfde lid van deze verordening wordt ontbonden.2.De enquêtecommissie oefent haar bevoegdheden slechts uit voor zover dat naar het redelijk oordeel van de enquêtecommissie voor de vervulling van haar taak nodig is. Artikel 10: Voorgesprekken 1.De enquêtecommissie kan besluiten voorgesprekken te houden met personen, bijvoorbeeld genoemd in artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet. Deze voorgesprekken vinden plaats achter gesloten deuren.2.Een getuige of deskundige met wie de enquêtecommissie een voorgesprek voert is niet ook lid van de enquêtecommissie.3.Niemand is verplicht tot medewerking aan een voorgesprek.4.De voorgesprekken worden gevoerd in een besloten vergadering van de enquêtecommissie. Dit betekent dat de leden van de enquêtecommissie en andere aanwezigen geheimhouding bewaren over dat wat hun tijdens het voorgesprek ter kennis komt, tenzij uitdrukkelijk anders wordt overeengekomen met betrokkenen.5.Van het voorgesprek kan een geluidsregistratie en een verslag worden gemaakt. Het vierde lid is hierop mede van toepassing. Artikel 11: Vorderen van schriftelijke informatie 1.Voordat de enquêtecommissie overgaat tot een vordering, als bedoeld in artikel 155b Gemeentewet, kan zij aan de personen, zoals genoemd in artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet, een verzoek doen tot het verschaffen van informatie.2.Een vordering zal schriftelijk worden gedaan en aangetekend worden verzonden of tegen een gedagtekend ontvangstbewijs worden uitgereikt.3.Als niet wordt voldaan aan de vordering zal de enquêtecommissie aangifte doen op grond van artikel 192 Wetboek van Strafrecht. Voordat de enquêtecommissie hiertoe overgaat, wordt degene aan wie de vordering is gericht in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na dagtekening alsnog aan de vordering te voldoen. Hierbij wordt vermeld dat de enquêtecommissie overgaat tot het doen van aangifte als niet wordt voldaan aan de vordering. Artikel 12: Het oproepen van getuigen en deskundigen voor verhoor 1.De voorzitter van de enquêtecommissie roept een persoon die zij als getuige of deskundige wil horen bij aangetekende brief op, hetzij in persoon, hetzij op de woonplaats, hetzij op het werkadres van de persoon.2.De oproep maakt melding van dag, uur en plaats van het verhoor, van de feiten waarover informatie wordt verlangd en van de gevolgen, verbonden aan het niet verschijnen op het verhoor.3.De oproep wordt ten minste veertien kalenderdagen voor de datum van het verhoor aan de getuigen en deskundigen toegezonden.4.Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van het verhoor te wijzigen.5.De beslissing van de voorzitter op het verzoek van getuigen of deskundigen het tijdstip van het verhoor te wijzigen wordt uiterlijk acht kalenderdagen voor het definitieve tijdstip van het verhoor aan de betrokken getuige of deskundige medegedeeld.6.In afwijking van het derde lid kan de enquêtecommissie bepalen dat het verhoor eerder plaats vindt als: a.naar het oordeel van de enquêtecommissie in het belang van de raadsenquête een verhoor op een kortere termijn nodig is; of b.de betrokken getuige of deskundige met een kortere termijn instemt. 7.Als een getuige of deskundige geen gehoor geeft aan de oproep zal de enquêtecommissie aangifte doen op grond van artikel 192 Wetboek van Strafrecht. Voordat de enquêtecommissie hiertoe overgaat, wordt degene aan wie de oproep is gericht in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na dagtekening alsnog aan de oproep te voldoen. Hierbij wordt vermeld dat de enquêtecommissie overgaat tot het doen van aangifte als niet wordt voldaan aan de oproep. Artikel 13: Horen onder ede 1.De enquêtecommissie besluit, alvorens het eerste getuigenverhoor plaatsvindt, of alle getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van de eed of belofte.2.Voorafgaande aan het verhoor leggen getuigen en deskundigen, mits zo bepaald door de enquêtecommissie, in handen van de voorzitter de eed of de belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.3.Als de enquêtecommissie het vermoeden heeft dat getuigen na het afleggen van de eed niet de waarheid spreken tijdens verhoren dan doet de enquêtecommissie aangifte op grond van artikel 207 Wetboek van Strafrecht. Voordat de enquêtecommissie hiertoe overgaat, wordt degene die wordt verhoord op de hoogte gebracht van de vermoedens van de enquêtecommissie en in de gelegenheid gesteld alsnog aan de verplichtingen te voldoen door naar waarheid te antwoorden. Artikel 14: Toehoorders en de pers bij openbare verhoren 1.Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde van de verhoren is verboden.2.De voorzitter is bevoegd toehoorders die op enigerlei wijze de orde van de verhoren verstoren te doen vertrekken.3.De enquêtecommissie kan, in afwijking van wat in het eerste lid is bepaald, besluiten dat in het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van getuigen er geen toehoorders en pers worden toegelaten tijdens de verhoren. Artikel 15: Geluid-, film- en beeldregistraties 1.De enquêtecommissie bepaalt op welke manier de verhoren openbaar zijn of worden gemaakt.2.Degenen die, na toestemming van de voorzitter, tijdens de verhoren geluid-, film-, of beeldmateriaal willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar de aanwijzingen van de voorzitter.3.De enquêtecommissie kan, in afwijking van wat in het eerste is bepaald, besluiten dat in het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van getuigen er door toehoorders en pers geen of maar beperkt geluid-, film-, of beeldmateriaal mag worden gemaakt tijdens de verhoren. Artikel 16: Verslaglegging verhoor 1.De enquêtecommissie bepaalt op welke manier verslag wordt gemaakt van de verhoren.2.Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor zover van belang.3.Als de enquêtecommissie een schriftelijk verslag maakt van de verhoren dan wordt dat verslag vastgesteld in een volgende vergadering van de enquêtecommissie. De enquêtecommissie kan bepalen het schriftelijke verslag ter verificatie voor te leggen aan de gehoorde getuige of deskundige. Onderzoeksbevindingen Artikel 17: Afronding onderzoek 1.De enquêtecommissie legt haar bevindingen vast in een openbaar rapport dat zij aan de raad voorlegt.2.Voordat de enquêtecommissie het rapport aanbiedt aan de raad, biedt zij de ambtelijke organisatie de gelegenheid voor technisch wederhoor, waarbij feitelijke onjuistheden kunnen worden gemeld. Hiervoor wordt een termijn in acht genomen van twee weken.3.Na het verwerken van het technisch wederhoor legt de enquêtecommissie het rapport voor aan de raad. Gelijktijdig legt de enquêtecommissie het rapport voor aan het college met het verzoek om een bestuurlijke reactie. De bestuurlijke reactie legt het college uiterlijk twee weken na het ontvangen van het rapport voor aan de raad. De raad agendeert het rapport niet eerder dan vijf dagen nadat hij de bestuurlijke reactie heeft ontvangen.4.De enquêtecommissie neemt bij afronding van het onderzoek een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op -onderdelen- van stukken van het onderzoeksdossier, zoals genoemd in lid 6 van dit artikel.5.Nadat de bevindingen van het onderzoek aan de raad zijn voorgelegd, neemt de raad een besluit tot ontbinding van de enquêtecommissie.6.Met ingang van de dag dat de enquêtecommissie wordt ontbonden, gaan over op de gemeenteraad: a.de bescheiden die op verzoek of vordering aan de enquêtecommissie zijn verstrekt; b.de beeld- of geluidsregistratie en verslagen van de voorgesprekken en (openbare) verhoren; c.de documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad; en d.andere documenten die de enquêtecommissie van belang acht. 7.De griffie draagt zorg voor archivering van de bescheiden van het onderzoek in overeenstemming met de geldende voorschriften voor het bewaren van geheime en openbare stukken. Artikel 18: intrekken oude verordening De “Kaderverordening voor de onderzoekscommissie” wordt ingetrokken. Artikel 19: Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 20: Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Onderzoeksverordening gemeenteraad Amersfoort. Toelichting op de Onderzoeksverordening gemeenteraad Amersfoort Hoofdstuk 2: Regulier raadsonderzoek Artikel 2: Regulier raadsonderzoek Algemeen Dit artikel biedt de mogelijkheid voor het houden van een regulier raadsonderzoek, niet zijnde een enquête. Niet nader is aangeduid waar het raadsonderzoek op gericht kan zijn. Dit betekent dat de gemeenteraad onderzoek kan doen naar bijvoorbeeld het door het college gevoerde bestuur én het eigen handelen van de gemeenteraad, anders dan bij het gemeentelijke enquêterecht waar het eigen handelen van de raad niet onderwerp van onderzoek mag zijn. Dat laatste betekent dat het onderzoek niet kan worden veranderd in een raadsenquête als het onderzoek is gericht op het eigen handelen van de raad. Lid 3 De onderzoekscommissie kan het budget gebruiken voor het inhuren van derden, bijvoorbeeld een onderzoeksbureau. Lid 4 Het uitvoeren van het raadsonderzoek door een commissie ex. artikel 84 Gemeentewet heeft als voordeel dat de onderzoekscommissie bevoegdheden heeft zoals het kunnen opleggen van geheimhouding, wat wenselijk kan zijn tijdens het onderzoek. De gemeenteraad kan bij het instellen van de onderzoekscommissie bepalen wat de specifieke taken van de onderzoekscommissie zijn tijdens het onderzoek. Hoofdstuk 3: Raadsenquête 3.1. De enquêtecommissie Artikel 4: Leden enquêtecommissie Algemeen Om zwaarwegende redenen kan worden afgeweken van de voorgeschreven samenstelling van de enquêtecommissie. Zwaarwegende redenen zijn bijvoorbeeld: het vertrek van een commissielid op het moment dat het onderzoek al ver gevorderd is of bijna wordt afgerond waardoor een nieuw commissielid niet veel waarde meer toevoegt, het voor een nieuw commissielid te lang duurt zich in te lezen in het tot zover verrichte onderzoek of wanneer er geen gegadigden zijn voor de positie en de gemeenteraad akkoord gaat met het niet opvullen van de plek van het vertrekkende commissielid. Artikel 7: Beraadslaging Lid 1 en 2 Dit artikel regelt wanneer de enquêtecommissie beraadslaagt. Dat niet over vergaderen wordt gesproken heeft te maken met de wettelijk term die hier wordt gehanteerd. De wet maakt namelijk een onderscheid tussen beraadslaging (waar vergaderingen van de enquêtecommissie onder vallen) en de verhoren, die niet vallen onder de beraadslaging van de enquêtecommissie. Dit is relevant voor de vraag of mensen vallen onder de reikwijdte van immuniteit op de grond van artikel 22 Gemeentewet. De wetgever heeft getuigen die verhoord worden en de commissieleden zelf namelijk uitgezonderd van deze immuniteit, door de verhoren niet te laten vallen onder de beraadslaging van de enquêtecommissie. Lid 3 Bepaald is dat de enquêtecommissie achter gesloten deuren vergadert. Het is tijdens het onderzoek van groot belang dat de enquêtecommissie ongestoord haar werk kan doen. Dit komt de objectiviteit van het onderzoek ten goede, doordat wordt voorkomen dat derden zich mengen in het werk van de enquêtecommissie. Bij besloten vergaderingen geldt van rechtswege geheimhouding voor alles wat in de besloten vergaderingen wordt besproken, op grond van artikel 155a, vierde lid jo. artikel 23, vierde lid Gemeentewet. Bij schriftelijke informatie moet de enquêtecommissie nog wel beslissen of geheimhouding wordt opgelegd. Ook de opgelegde geheimhouding draagt bij aan het ongestoord en objectief verrichten van het onderzoek door de enquêtecommissie. Conform artikel 17, lid 4 van deze verordening neemt de enquêtecommissie bij afronding van het onderzoek een besluit over het al dan niet (gedeeltelijk) opheffen van de geheimhouding. Artikel 8: Ambtelijke bijstand Lid 1 De wet bepaalt enkel dat de ambtelijke ondersteuning van de enquêtecommissie bij verordening moet worden geregeld. Het gaat dan om ambtelijke ondersteuning anders dan door de griffie, die op grond van de Gemeentewet de raadscommissies al ondersteund. Uit onderzoek naar het lokale enquêterecht is gebleken dat het niet wenselijk is de enquêtecommissie te laten ondersteunen door ambtenaren vanuit de ambtelijke organisatie, anders dan de griffie. Ambtenaren worden dan gedwongen in een loyaliteitsconflict tussen het werken voor het college en het ondersteunen van het onderzoek naar datzelfde college, hun leidinggevenden en hun collega’s. Dit is de reden dat de bepalingen over ambtelijke bijstand, zoals genoemd in de Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad 2020, buiten toepassing worden verklaard. Artikel 9: Uitoefenen bevoegdheden Lid 2 Het tweede lid legt de enquêtecommissie de verplichting op haar bevoegdheden evenredig te gebruiken. Bij het evenredigheidsbeginsel gaat het erom dat het gebruik van de bevoegdheden zo min mogelijk negatieve of nadelige gevolgen heeft voor getuigen. Soms moeten de belangen van een getuige worden geschaad om het algemeen belang te dienen. Die nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk worden beperkt en evenredig zijn aan dat wat het gebruik van de bevoegdheden oplevert. Deze bepaling dient het belang van het proportioneel gebruiken van het gemeentelijke enquêterecht. Artikel 10: Voorgesprekken Lid 1 en 2 Wettelijk is niet vastgelegd dat de enquêtecommissie voorgesprekken kan voeren. Voorgesprekken kunnen van grote waarde zijn voor het onderzoek. Het staat de enquêtecommissie juridisch vrij vrijblijvend gesprekken te voeren met iedereen die daaraan vrijwillig wil meewerken. Hiervoor is formeel geen juridische grondslag nodig. Het voeren van voorgesprekken kan echter verwarring opleveren, doordat betrokkenen niet goed weten wat het verschil is met de openbare verhoren, wat gebeurt met de gegeven informatie en wat hun rechten en plichten zijn. Lid 3 en 4 Bepaald is dat voorgesprekken achter gesloten deuren plaatsvinden. Door deze bepaling rust van rechtswege geheimhouding op de gevoerde voorgesprekken. Met betrokkenen kan uitdrukkelijk worden overeengekomen dat de gegeven informatie in het onderzoek mag worden gebruikt. Getuigen zijn vaak eerder bereid mee te werken als ook wordt afgesproken dat de informatie die ze hebben gegeven op zo’n manier gebruikt wordt dat het wel openbaar mag worden, maar op zo’n manier dat het niet tot de persoon te herleiden is. Vaak kan dit ervoor zorgen dat het openbaar horen van die getuigen niet meer noodzakelijk is voor het verkrijgen van de benodigde informatie. Op die manier wordt de persoonlijke levenssfeer van getuigen beschermd zonder dat het afbreuk doet aan de inhoud van de onderzoeksuitkomsten. Ook dergelijke afspraken moeten uitdrukkelijk overeen worden gekomen. Uitdrukkelijk overeenkomen wil zeggen dat getuigen bijvoorbeeld een verklaring ondertekenen waarin zij toestemming geven voor het gebruik van de gegeven informatie binnen het onderzoek. Artikel 11: Vorderen van schriftelijke bescheiden Lid 1 In het kader van het proportioneel gebruik van de onderzoeksbevoegdheden is het van belang dat eerst om schriftelijke informatie wordt verzocht en informatie pas formeel wordt gevorderd als de verzochte informatie niet wordt verkregen. Een vordering legt de medewerkingsplicht op aan de in de wet genoemde personen en dus ook de mogelijkheid hen strafrechtelijk te vervolgen als zij niet aan de verplichting voldoen. Lid 2 Het is van belang dat aan getuigen duidelijk wordt gemaakt dat informatie gevorderd wordt en welke gevolgen daaraan verbonden zijn, om te voorkomen dat daar misverstanden over bestaan. Het tweede lid bepaalt in welke vorm informatie moet worden gevorderd. Als de vordering ziet op stukken waarop het college geheimhouding heeft opgelegd, dan moeten ook de geheime stukken aan de enquêtecommissie worden overlegd. De geheimhouding onttrekt het college niet aan de plicht aan de vordering te voldoen. Het is vervolgens aan de enquêtecommissie om te bepalen of zij de geheimhouding handhaven. Als geheime stukken van het college worden overlegd aan de enquêtecommissie dan hoeven deze stukken niet ook ter inzage gelegd worden voor de rest van de gemeenteraad. Na afronding van het onderzoek kan de gemeenteraad alle onderliggende stukken, dus ook de geheime stukken, inzien. Lid 3 Het opleggen van verplichtingen heeft alleen nut als het nakomen van die verplichtingen kan worden afgedwongen. Zijn er geen dwangmiddelen of worden die niet gebruikt, dan heeft het opleggen van een verplichting minder nut. Door in de verordening op te nemen dat bij het niet voldoen aan de medewerkingsplicht de enquêtecommissie aangifte zal doen, wordt de plicht mee te werken geeffectueerd. Voor deze bevoegdheid geldt, net als alle andere bevoegdheden, de evenredigheidseis uit artikel 9, tweede lid van deze verordening. Dat wil zeggen dat de enquêtecommissie een belangenafweging moet maken. Voordat de enquêtecommissie overgaat tot het doen van aangifte worden getuigen eerst in de gelegenheid gesteld strafrechtelijke stappen te voorkomen door alsnog te voldoen aan de verplichtingen. Het is wettelijk verplicht getuigen die mogelijkheid te bieden en wordt hier ter verduidelijking opgenomen in de verordening. Artikel 12: Het oproepen van getuigen voor verhoor Algemeen Bij het horen van ambtenaren houdt de enquêtecommissie rekening met hun positie als werknemer van de gemeente. Ambtenaren worden vooraf geïnformeerd over doel, aard en juridische status van het verhoor. Ambtenaren krijgen desgewenst gelegenheid zich te laten begeleiden door een vertrouwenspersoon of juridisch adviseur. Deze wordt beschikbaar gesteld door de ambtelijke organisatie. Lid 7 Ook hier geldt dat het opleggen van verplichtingen alleen nut heeft als het nakomen van die verplichtingen kan worden afgedwongen. Zijn er geen dwangmiddelen of worden die niet gebruikt, dan heeft het opleggen van een verplichting minder nut. Door in de verordening op te nemen dat bij het niet voldoen aan de medewerkingsplicht de enquêtecommissie aangifte zal doen, wordt de plicht mee te werken geeffectueerd. Voor deze bevoegdheid geldt, net als alle andere bevoegdheden, de evenredigheidseis uit artikel 9, tweede lid van deze verordening. Dat wil zeggen dat de enquêtecommissie een belangenafweging moet maken. Voordat de enquêtecommissie overgaat tot het doen van aangifte worden getuigen eerst in de gelegenheid gesteld strafrechtelijke stappen te voorkomen door alsnog te voldoen aan de verplichtingen. Het is wettelijk verplicht getuigen die mogelijkheid te bieden en wordt hier ter verduidelijking opgenomen in de verordening. Artikel 13: Horen onder ede Lid 1 Volgens de wet en de parlementaire geschiedenis mag de enquêtecommissie alleen kiezen of alle getuigen onder ede worden gehoord of niet. Er mag in het besluit of getuigen de eed moeten afleggen geen onderscheid gemaakt worden tussen getuigen. Als de enquêtecommissie van tevoren bepaalt of getuigen onder ede worden gehoord dan schept dat duidelijkheid voor alle getuigen voordat ze gehoord worden. Lid 3 Ook hier geldt dat het opleggen van verplichtingen alleen nut heeft als het nakomen van die verplichtingen kan worden afgedwongen. Zijn er geen dwangmiddelen of worden die niet gebruikt, dan heeft het opleggen van een verplichting minder nut. Door in de verordening op te nemen dat de enquêtecommissie aangifte zal doen bij het vermoeden dat een getuigen na de afgelegde eed niet de waarheid spreekt, wordt de plicht mee te werken geeffectueerd. Voor deze bevoegdheid geldt, net als alle andere bevoegdheden, de evenredigheidseis uit artikel 9, tweede lid van deze verordening. Dat wil zeggen dat de enquêtecommissie een belangenafweging moet maken. Voordat de enquêtecommissie overgaat tot het doen van aangifte worden getuigen eerst in de gelegenheid gesteld strafrechtelijke stappen te voorkomen door alsnog te voldoen aan de verplichtingen. Het is wettelijk verplicht getuigen die mogelijkheid te bieden en wordt hier ter verduidelijking opgenomen in de verordening. Artikel 14: Toehoorders en pers bij openbare verhoren Lid 3 De persoonlijke levenssfeer van getuigen en deskundigen moet zoveel mogelijk beschermd worden om te voorkomen dat daaraan schade wordt toegebracht of om die schade tot een minimum te beperken. Ook het weren van toehoorders en pers kan de persoonlijke levenssfeer van getuigen beschermen. Dit artikel geeft de mogelijkheid pers en toehoorders te weigeren bij een verhoor als daardoor de getuige beter wordt beschermd. Per verhoor mag de enquêtecommissie bepalen in hoeverre toehoorders en pers geweigerd worden. Bij de keuze al dan niet toehoorders en pers toe te laten zal de enquêtecommissie per verhoor een belangenafweging moeten maken tussen het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van getuigen en het belang van de aanwezigheid van pers en toehoorders. Artikel 15: Geluid-, film- en beeld registratie Lid 3 De persoonlijke levenssfeer van getuigen moet zoveel mogelijk beschermd worden om te voorkomen dat daaraan schade wordt toegebracht of om die schade tot een minimum te beperken. De persoonlijke levenssfeer van getuigen kan erbij gebaat zijn dat verhinderd wordt dat de getuigenis op beeld wordt opgenomen, daarmee wordt voorkomen dat iemands beeltenis nog lange tijd openbaar is. Bij de keuze al dan niet geluid-, film-, of beeldmateriaal toe te staan en op welke manier zal de enquêtecommissie per verhoor een belangenafweging moeten maken tussen het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van getuigen en het belang van geluid-, film- of beeldmateriaal. Artikel 17: Afronding van het onderzoek Lid 2 Met dit lid wordt invulling gegeven aan het ambtelijke gedeelte van de hoor- en wederhoorprocedure van raadsenquêtes. Deze procedure is een belangrijke voorwaarde voor het zorgvuldig uitvoeren van een raadsenquête en voorkomt dat onjuistheden in het definitieve rapport belanden. Lid 3 Met dit lid wordt invulling gegeven aan het bestuurlijke gedeelte van de hoor- en wederhoorprocedure van raadsenquêtes. Deze procedure is een belangrijke voorwaarde voor het zorgvuldig uitvoeren van een raadsenquête en stelt de raad in staat om zich direct een volledig beeld te vormen van het onderzoek en de onderzoeksresultaten zodra het rapport verschijnt. Daarbij is het van belang dat de raad en het college het rapport gelijktijdig ontvangen. Ook is het belangrijk dat de gemeenteraad kennis kan nemen van de bestuurlijke reactie, voordat het rapport en/of de bestuurlijke reactie geagendeerd worden in de gemeenteraad. Hiervoor dient de gemeenteraad een redelijke termijn aan te houden tussen het ontvangen van de bestuurlijke reactie, en de agendering in de raad. Lid 5 Het vijfde lid zorgt ervoor dat de enquêtecommissie wordt ontbonden, nadat de bevindingen van het onderzoek aan de gemeenteraad zijn voorgelegd. Er is hierdoor geen apart besluit nodig van de gemeenteraad. Wel is het aan te raden dat het formele moment wordt (h)erkend en ook wordt uitgesproken door de enquêtecommissie, bijvoorbeeld bij het presenteren van het rapport en de bevindingen aan de raad, zodat er geen misverstand kan ontstaan over de vraag of de enquêtecommissie is ontbonden. Extra toelichting op geheimhouding De Gemeentewet regelt de geheimhouding. Uit onderzoek is gebleken dat enquêtecommissies desondanks vaak worstelen met de vragen over het al dan niet opleggen van geheimhouding. In deze verordening is die geheimhouding verder geregeld. Zo is bijvoorbeeld bepaald dat de voorgesprekken besloten zijn en er daardoor van rechtswege geheimhouding rust op de informatie uit de voorgesprekken, tenzij uitdrukkelijk met de getuige anders overeen wordt gekomen. Ter voorkoming van onduidelijkheden wordt hier een extra samenvattende toelichting gegeven op de regels die gelden voor geheimhouding. Op de enquêtecommissie zijn in artikel 155a, vierde lid Gemeentewet de artikelen, 23, vierde lid, 87 en 89 Gemeentewet van toepassing verklaard. Die artikelen gaan over de geheimhouding. Dat betekent dat de enquêtecommissie op grond van de belangen die zijn genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid van de WOO geheimhouding kan opleggen op de informatie die bij de enquêtecommissie rust. Een van die belangen is bijvoorbeeld het beschermen van de persoonlijke levenssfeer. Ook betekent het dat als de enquêtecommissie met gesloten deuren vergadert er van rechtswege, dus automatisch, geheimhouding rust op de informatie die tijdens die vergadering ter kennis komt van de aanwezigen. Dit geldt voor de gesproken informatie. Voor schriftelijke informatie die tijdens besloten vergaderingen wordt gegeven, of op een andere manier aan de enquêtecommissie wordt verstrekt, geldt dat de enquêtecommissie een apart besluit moet nemen als zij daar geheimhouding op wil leggen. Als geheimhouding wordt opgelegd dan moet dat vermeld worden op het betreffende stuk. Als het gaat om mondelinge informatie dan moet de geheimhouding op andere passende manier bekend worden gemaakt. Die bekendmaking kan bijvoorbeeld door het mondeling te vermelden en/of op te nemen in de notulen van de vergadering. De geheimhouding op de mondelinge en schriftelijke informatie geldt totdat de enquêtecommissie of de gemeenteraad die opheft, nadat de stukken na afronding van het onderzoek overgaan op de gemeenteraad. Artikel 88 Gemeentewet is niét van toepassing op de enquêtecommissie. Dat betekent dat de enquêtecommissie is uitgezonderd van deze geheimhoudingsregels. Dit heeft tot gevolg dat geheime informatie die het college aan de enquêtecommissie overlegt niet ook naar de gemeenteraad hoeft te worden gestuurd. Die informatie gaat naar de raad na afronding van het onderzoek. Op die manier kan de enquêtecommissie ongestoord haar onderzoekswerk doen.

Meer informatie