Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Eindhoven
Wijzigingsbesluit Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Eindhoven 2e halfjaar 2026 Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven, mede gelet op het bepaalde in artikel 231 Gemeentewet, artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de Invorderingswet 1990 besluit: Artikel I De geldende Leidraad invordering gemeentelijke belastingen, wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 14.4.14 komt te luiden: Als derdenbeslag onder de Belastingdienst wordt gelegd op een voorlopige teruggaaf, dan wordt rekening gehouden met de regeling van de beslagvrije voet. Het bedrag dat ingevolge het gelegde beslag moet worden voldaan, wordt berekend uitgaande van het termijnbedrag van de voorlopige teruggaaf. B In artikel 25.1.3, onderdeel i, wordt onder vervanging van de puntkomma aan het einde door een punt, een zin toegevoegd, luidende: Er wordt in ieder geval vermoed sprake te zijn van structurele betalingsproblemen in het geval een eerder ingediend verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen, de schulden waar dat eerdere verzoek betrekking op had (gedeeltelijk) nog openstaan en er geen sprake is van andere feiten of veranderde omstandigheden zoals vermeld in artikel 25.7.5 van deze leidraad; C Na artikel 25.4.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende: 25.4.6 Verzoek voegen nieuwe schuld gedurende de behandeling van een verzoek Wanneer de belastingschuldige gedurende de behandeling van een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient dat betrekking heeft op nieuw opgekomen of op te komen fiscale verplichtingen, voegt de ontvanger dit verzoek samen met het eerdere verzoek en behandelt hij de verzoeken gezamenlijk. D Artikel 25.7.5 wordt als volgt gewijzigd: 1. Na de tweede alinea wordt een alinea ingevoegd, luidende: Als gedurende de behandeling van het administratief beroep tegen de afwijzende beschikking op het eerdere verzoek om uitstel van betaling de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient voor dezelfde belastingschuld, merkt de ontvanger het nieuwe verzoek om uitstel van betaling aan als aanvulling op het lopende beroep. Het college zal met inachtneming van het nieuwe verzoek om uitstel van betaling beslissen op het administratief beroep. 2. In de derde alinea (oud) wordt na ‘belastingschuldige’ ingevoegd ‘, behoudens de situatie als bedoeld in de vorige alinea,’. 3. Na de laatste alinea wordt een alinea toegevoegd, luidende: Voor de toepassing van dit artikel is slechts sprake van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ indien: – de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of – de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het uitstelverzoek. E Artikel 26.3.4 wijzigt als volgt: 1. Aan de eerste alinea wordt een zin toegevoegd, luidende: De materiële belastingschuld mag ook worden betrokken in het akkoord, indien de belastingschuld in omvang bepaalbaar is en ziet op een tijdvak dat reeds is geëindigd ten tijde van indiening van het verzoek. 2. Aan het einde van het artikel wordt een alinea toegevoegd, luidende: Het voldoen van schulden aan andere handelscrediteuren met een factuurdatum die ligt ná de datum van indiening van het verzoek om kwijtschelding vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het saneringsakkoord. F De tweede en derde zin in artikel 26.3.7 vervallen. G In artikel 26.3.8 wordt na laatste gedachtestreepje een nieuw gedachtestreepje toegevoegd, luidende: – Kleine crediteuren. Onder kleine crediteuren worden verstaan: crediteuren met een zogenoemde kleine vordering. Van een kleine vordering is sprake wanneer de inspanningen om die crediteuren individueel te betrekken bij het akkoord niet in verhouding staan tot het belang van de ontvanger. Er wordt vermoed sprake te zijn van een kleine vordering als de totale vordering van de betreffende crediteur ten hoogste € 500 bedraagt. Ook hogere vorderingen kunnen door de ontvanger onder omstandigheden als klein worden aangemerkt. Daarvan kan sprake zijn wanneer de ontvanger een redelijke grond aanwezig acht als bedoeld in artikel 384, vierde lid, onderdeel b, FW. H Artikel 26.4.2 wordt als volgt gewijzigd: 1. Na de tweede alinea wordt een alinea ingevoegd, luidende: Als gedurende de behandeling van het administratief beroep tegen de afwijzende beschikking op het eerdere verzoek om kwijtschelding de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld, merkt de ontvanger het nieuwe verzoek om kwijtschelding aan als aanvulling op het lopende beroep. Het college zal met inachtneming van het nieuwe verzoek om kwijtschelding beslissen op het administratief beroep. 2. In de derde alinea (oud) wordt na ‘belastingschuldige’ ingevoegd ‘, behoudens de situatie alsbedoeld in de vorige alinea,’. 3. Na de laatste alinea wordt een alinea toegevoegd, luidende: Voor de toepassing van dit artikel is slechts sprake van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ indien: – de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of – de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het kwijtscheldingsverzoek. I Artikel 28.8 vervalt. Artikel II 1.Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli 2026.2.Dit besluit kan worden aangehaald als: Wijzigingsbesluit leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2e halfjaar 2026. Eindhoven, 8 september 2026Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven, , secretaris, TOELICHTING De hieronder genoemde artikelnummers corresponderen met en zijn een toelichting op de artikelen in het Wijzigingsbesluit Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Eindhoven 2e halfjaar 2026. Artikel I, onderdeel A, betreft een redactionele wijziging van artikel 14.4.14. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Artikel 14.4.14 ziet op de situatie dat een derdenbeslag wordt gelegd onder de Belastingdienst op een voorlopige teruggaaf. In die situatie wordt rekening gehouden met de regeling van de beslagvrije voet. Omdat de uitzondering van artikel 9, zesde en zevende lid, van de Invorderingswet 1990 (in één keer uitbetalen van een voorlopige teruggaaf wanneer het maandelijks termijnbedrag niet groter is dan € 491 per maand) niet van toepassing is wanneer een derde beslag legt op een voorlopige teruggaaf2, is de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag niet relevant. De tweede zin van artikel 14.4.14 is daarom komen te vervallen. Artikel I, onderdeel B, verduidelijkt de huidige afwijzingsgrond van artikel 25.1.3, onderdeel i, van deze leidraad, in die zin dat wordt aangegeven in welke situatie er vanuit het perspectief van de ontvanger in ieder geval wordt vermoed sprake te zijn van structurele betalingsproblemen. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient, terwijl een eerder ingediend verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen en de schulden waar dat eerdere verzoek betrekking op had (gedeeltelijk) nog openstaan, en er geen sprake is van andere feiten of veranderde omstandigheden. Het komt voor dat een belastingschuldige, nadat een eerder verzoek om uitstel van betaling is afgewezen, een nieuw verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen indient, zonder dat hij hierbij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermeldt. Wanneer het nieuwe verzoek ziet op dezelfde belastingschuld dan is er sprake van een herhaald verzoek en handelt de ontvanger conform artikel 25.7.5 van deze leidraad. Maar wanneer er niet voor dezelfde belastingschuld uitstel van betaling wordt gevraagd, is er geen sprake van een herhaald verzoek, maar van een nieuw verzoek. Dit geldt ook wanneer in het nieuwe verzoek uitstel van betaling wordt gevraagd voor zowel de oude onbetaald gelaten belastingaanslagen als voor de belastingschulden die nadien zijn ontstaan. Wanneer een eerder verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen en de schulden waarop dat verzoek betrekking had nog geheel of gedeeltelijk openstaan, terwijl inmiddels opnieuw belastingschulden zijn ontstaan, vormt dit een aanwijzing dat geen sprake is van een tijdelijk liquiditeitstekort, maar van betalingsproblemen met een meer structureel karakter. In die gevallen bestaat onvoldoende perspectief dat met het verlenen van uitstel van de betaling de openstaande belastingschulden binnen afzienbare tijd alsnog kunnen worden voldaan en een oplossing wordt geboden voor de belastingschuldige. Met het verduidelijken van deze afwijzingsgrond wordt beoogd te voorkomen dat bij herhaling wordt verzocht om uitstel van betaling in gevallen dat er onvoldoende perspectief bestaat op voldoening van de schuld. Deze verduidelijking draagt bij aan het voorkomen van onnodige herbeoordelingen en waarborgt dat uitstel van betaling zijn karakter behoudt als instrument voor het overbruggen van tijdelijke betalingsproblemen. Een absolute afwijzingsgrond kan onevenredig uitpakken. Om die reden zijn er twee waarborgen ingebouwd. Ten eerste gaat het hier om een vermoeden van structurele betalingsproblemen. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, zal de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid stellen dit vermoeden te weerleggen. Ten tweede geldt dat wanneer er sprake is van nieuwe of veranderde omstandigheden dit vermoeden van structurele betalingsproblemen zich niet voordoet. Er is dan immers niet per definitie sprake van een structureel betalingsprobleem. Artikel I, onderdeel C, betreft de invoering van een nieuw artikel 25.4.6. Dit artikel bepaalt dat wanneer er gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen een nieuw verzoek om uitstel van betaling wordt ingediend dat ziet op de nieuw opgekomen dan wel op te komen fiscale verplichtingen, de ontvanger dit verzoek bij het eerdere verzoek voegt en hij de verzoeken gebundeld behandelt. Hiermee wordt voorkomen dat de ontvanger afzonderlijke beschikkingen moet afgeven en er hierdoor meerdere procedures naast elkaar kunnen ontstaan. Voorts zorgt dit voor een integrale beoordeling van de totale schuldpositie. Deze werkwijze zorgt voor een efficiënte behandeling doordat de verzoeken worden gebundeld. Artikel I, onderdelen D en H, betreffen de wijzigingen van artikel 25.7.5 en 26.4.2. De eerste wijziging van de artikelen bewerkstelligt dat wanneer er gedurende de behandeling van het administratieve beroep tegen de beschikking op een eerder verzoek om uitstel van betaling respectievelijk kwijtschelding, een nieuw verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding wordt ingediend voor dezelfde belastingschuld de ontvanger dit verzoek aanmerkt als aanvulling op het lopende administratieve beroep. Hiermee wordt net als bij de wijziging van artikel 25.4.7 voorkomen dat de ontvanger afzonderlijke beschikkingen afgeeft en er daardoor meerdere procedures naast elkaar kunnen ontstaan. Deze wijziging strekt uitsluitend tot een doelmatige bundeling van samenhangende verzoeken en doet geen afbreuk aan de rechtsbescherming. De belastingschuldige behoudt de mogelijkheid om alle aangevoerde gronden en omstandigheden in het kader van het lopende administratieve beroep aan de orde te stellen, zodat materieel geen afbreuk wordt gedaan aan zijn rechtspositie. De tweede wijziging, hangt samen met de eerste wijziging. In de derde alinea (oud) van de artikelen 25.7.5 en 26.4.2 stond tot deze wijziging vermeld dat wanneer de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, de ontvanger op dat verzoek dan bij voor administratief beroep vatbare beschikking beslist. Hiervoor is aangegeven dat bij een nieuw verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding gedurende de behandeling van het administratieve beroep, het nieuwe verzoek zal aanmerken als een aanvulling op het lopende administratieve beroep. In die gevallen zal de ontvanger de verzoeken bundelen en dus niet op het nieuwe verzoek afzonderlijk beslissen bij een voor administratief beroep vatbare beschikking. De derde wijziging betreft een verduidelijking van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’. In beide artikelen wordt meermaals ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ genoemd, maar tot op heden ontbrak hiervoor een helder kader. Met deze wijziging wordt daaraan invulling gegeven door in de artikelen op te nemen dat er slechts sprake is van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ wanneer (1) de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of (2) de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek. Voorbeelden van andere feiten of veranderde omstandigheden bij een verzoek om uitstel zijn een aantoonbare wijziging van de financiële positie van de belastingschuldige of de mogelijkheid om een zekerheid te bieden die eerder niet kon worden geboden. Een voorbeeld van andere feiten of veranderde omstandigheden bij een verzoek om kwijtschelding is wanneer er een wijziging in het vermogen of in de betalingscapaciteit heeft plaatsgevonden. Van andere feiten of veranderde omstandigheden is geen sprake wanneer bijvoorbeeld een belastingschuldige telkens hetzelfde verzoek opnieuw indient zonder nadere onderbouwing. Artikel I, onderdeel E, betreft een aantal wijzigingen van artikel 26.3.4. De wijziging van de eerste alinea betreft een verduidelijking van welke aanslagen kunnen worden meegenomen bij een saneringsakkoord. In artikel 26.3.4 stond dat de formele belastingschuld ten tijde van het verzoek om sanering als uitgangspunt gold voor het bepalen welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken. In artikel 26.3.4 is nu opgenomen dat de geformaliseerde belastingschuld weliswaar het uitgangspunt vormt voor het saneringsakkoord, maar dat ook de materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslagen die zien op een tijdvak dat reeds is geëindigd ten tijde van de indiening van het saneringsverzoek, kunnen worden meegenomen in het saneringsakkoord. Voorwaarde is wel dat het bedrag van de materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslag in omvang bepaalbaar is. Dit houdt in dat de belastingschuldige reeds de benodigde aangifte heeft ingediend en er geen verschil van inzicht bestaat over de hoogte van de belastingaanslag met de inspecteur. Door deze aanvulling wordt de werkwijze verduidelijkt. Ook zorgt het meenemen van deze materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslagen ervoor dat de ontvanger niet achteraf belastingaanslagen moet toevoegen aan de eerder afgegeven beschikking. Het toevoegen van een vierde alinea aan artikel 26.3.4 betreft eveneens een verduidelijking, namelijk dat het voldoen van schulden aan handelscrediteuren met een factuurdatum die ligt ná de datum van indiening van het verzoek om sanering geen belemmering vormt voor de totstandkoming van het saneringsakkoord. De ontvanger verleent onder meer ingevolge artikel 22 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 slechts medewerking aan een saneringsakkoord indien fiscale verplichtingen die opkomen tijdens de behandeling van het verzoek om kwijtschelding tijdig en volledig worden nagekomen. Dit houdt in dat de belastingschulden die na de indiening van het saneringsverzoek zijn geformaliseerd en niet onder het akkoord vallen, tijdig en volledig dienen te worden voldaan. Het is reëel te veronderstellen dat de andere handelscrediteuren die medewerking verlenen aan het saneringsakkoord bereid zijn een deel kwijt te schelden eveneens onder de voorwaarde dat de nieuw opkomende verplichtingen worden voldaan. Het past dus niet om dit als belemmering voor deelname aan een saneringsakkoord op te werpen. Artikel I, onderdeel F, betreft de wijziging van artikel 26.3.7. Dit naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst ‘Hoe wordt invorderingsrente betrokken in een saneringsakkoord?’3. Ingevolge artikel 7 van de Invorderingswet 1990 geschiedt de toerekening van de betalingen achtereenvolgens aan de kosten, de rente, en de belastingaanslag. In artikel 26.3.7 stond echter dat het bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, in afwijking van artikel 7 van de wet op de hoofdsom wordt afgeboekt. In het standpunt van de kennisgroep komt naar voren dat de afboekingsregels van artikel 7 van de wet dwingendrechtelijk van aard zijn, dat er geen goede reden is om hiervan af te wijken voor wat betreft de betaling van het bedrag van het saneringsakkoord. Artikel I, onderdeel G, betreft een aanvulling van de speciale crediteuren in artikel 26.3.8 van deze leidraad met de zogenoemde kleine crediteuren. In artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is bepaald dat kwijtschelding uitsluitend wordt verleend wanneer dit geschiedt in het kader van een akkoord met alle schuldeisers. De toepassing van deze regeling kan in de praktijk soms tot praktische bezwaren leiden. Het kan bijvoorbeeld niet opportuun zijn om van een schuldeiser te verlangen alle schuldeisers mee te krijgen in het akkoord, met name wanneer het gaat om een bedrijf met veel schuldeisers en het bij een deel van deze schuldeisers bovendien gaat om relatief kleine vorderingen. Als er in de praktijk op basis van het evenredigheidsbeginsel al wel voor werd gekozen om een deel van de schuldeisers vanwege hun relatief lage vordering buiten het akkoord te houden, was er geen eenduidigheid over wat dan een relatief lage vordering was. Om deze reden bestaat de wens om in beleid een regeling op te nemen die het mogelijk maakt dat kleine crediteuren buiten het akkoord worden gehouden en die duidelijk maakt wat moet worden verstaan onder een kleine crediteur. De regeling bestaat uit meerdere lagen. Uitgangspunt is dat de inspanningen die worden geleverd, waaronder het aanschrijven van de crediteuren en hen bewegen medewerking te verlenen aan het akkoord, niet in verhouding staan tot het belang van de ontvanger. Wanneer het voorgaande het geval is wordt vermoed sprake te zijn van een kleine vordering wanneer de totale vordering van de crediteur ten hoogste € 500 bedraagt. Er is hier gekozen voor ‘een vermoeden’ van een ‘kleine crediteur’ in plaats van de kwalificatie van een ‘kleine crediteur’, omdat bij een bedrijf dat slechts enkele crediteuren heeft, niet zonder meer gezegd kan worden dat de inspanningen die moeten worden geleverd niet in verhouding staan tot het belang van de ontvanger. Anderzijds kan de ontvanger ook hogere vorderingen onder omstandigheden als klein aanmerken. Daarvan kan sprake zijn wanneer de ontvanger een redelijke grond aanwezig acht als bedoeld in artikel 384, vierde lid, onderdeel b, FW. Dit laat ruimte voor de ontvanger om maatwerk te leveren, wanneer dat nodig is. Artikel I, onderdeel I betreft het vervallen van artikel 28.8. Artikel 28.8 regelt het drempelbedrag dat niet in rekening wordt gebracht bij een slotbetaling op een belastingaanslag. In de VNG Model Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen zijn in artikel 5, eerste lid het percentage (van de Belastingdienst) van de invorderingsrente en het bedrag van de invorderingsrente dat niet in rekening wordt gebracht van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarnaast staat in artikel 5, tweede lid van de VNG Model Uitvoeringsregeling een facultatieve bepaling om af te wijken van het bedrag dat door de Belastingdienst niet in rekening wordt gebracht. Het óók opnemen in de Leidraad invordering van het drempelbedrag is overbodig en kan leiden tot tegenstrijdige regelingen. Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingen. De wijzigingen treden met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2026 in werking. Dit besluit is na de inwerkingtreding terstond uitgewerkt en bevat daarom geen vervalbepaling.
Meer informatie