Verordening bedrijveninvesteringszone Wageningen Campus West 2027 – 2031
Verordening bedrijveninvesteringszone Wageningen Campus West 2027 – 2031 De raad van de gemeente Wageningen, Gelezen: het raadsvoorstel van 7 juli 2026; gelet op: Wet op de bedrijveninvesteringszones, art 1. BESLUIT 1.De Verordening Bedrijveninvesteringszone Wageningen Campus West (BSPW) 2027 – 2031 is vastgesteld Verordening bedrijveninvesteringszone Wageningen Campus West 2027 – 2031 Hoofdstuk I Algemene Bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -bedrijveninvesteringszone: het op de bij deze verordening behorende kaart aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven; -BIZ-bijdrage: hetgeen daaronder in de Wet wordt verstaan; -BIZ-gebied: het aangewezen en gearceerde gebied op de van deze verordening deel uit makende, en als bijlage 1 toegevoegde kaart waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven; -college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen; -Stichting: Stichting BIZ Wageningen Campus West; -Uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Wageningen en de Stichting gesloten overeenkomst op 3 september 2026, als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Wet; -wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones. Hoofdstuk II Belastingbepalingen Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de belasting 1.Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.2.De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1.Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.2.Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4. Belastingplicht 1.De BIZ-bijdrage wordt geheven van: a.de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak gebruikt; b.de eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak. 2.Voor toepassing van dit artikel wordt: a.gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b.het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie de onroerende zaak ter beschikking is gesteld; c.als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3.Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar. Artikel 5. Maatstaf van heffing 1.De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2026 (peildatum 1-1-2025).2.Indien met betrekking tot de onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 6. Vrijstellingen 1.In afwijking van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b.glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c.onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d.één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f.openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g.waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h.werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i.werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j.onroerende zaken die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende goederen die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k.straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l.plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m.begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n.onroerende zaken die voor zover bestemd zijn en in gebruik zijn voor levering van energie, water en telecommunicatie. 2.In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZ-bijdrage van de gebruiker buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 7. Tarief BIZ-bijdrage 1.Het tarief van de BIZ-bijdrage bedraagt: a.Voor de gebruiker, bij een waarde van: WOZ-klasse WOZ-waarde per 1-1-2025 Tarief per jaar 1 < € 250.000 € 85 2 € 250.001 – 500.000 € 165 3 € 500.001 – 1.000.000 € 290 4 € 1.000.001 – 1.500.000 € 415 5 > € 1.500.001 € 549 b.Voor de eigenaar, bij een waarde van: WOZ-klasse WOZ-waarde per 1-1-2025 Tarief per jaar 1 < € 250.000 € 200 2 € 250.001 – 500.000 € 385 3 € 500.001 – 1.000.000 € 675 4 € 1.000.001 – 1.500.000 € 970 5 > € 1.500.001 € 1.279 2.De BIZ-tarieven worden jaarlijks met 2% geïndexeerd ingaande per 1-1-2028. Artikel 8. Wijze van heffing De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven. Artikel 9. Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.2.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel 10. Looptijd belastingheffing De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar. Hoofdstuk III Subsidiebepalingen Artikel 11. Buiten toepassing algemene subsidieverordening Op de subsidie op grond van deze Verordening is de Algemene subsidieverordening Wageningen 2012 niet van toepassing. Artikel 12. Aanwijzing Stichting BIZ Wageningen Campus West Stichting BIZ Wageningen Campus West wordt aangewezen als Stichting bedoeld in artikel 7 van de Wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht. Artikel 13. Subsidieverlening 1.De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de Stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe conform de uitvoeringsovereenkomst gedane aanvraag. Deze aanvraag moet vergezeld gaan van de in de Uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken. 2.De subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen verminderd met de perceptiekosten van 2,5% voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen zoals opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst. Artikel 14. Subsidieverplichtingen Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de Stichting ook andere doelgebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de Stichting gesloten Uitvoeringsovereenkomst. Artikel 15. Subsidievaststelling 1.De Stichting is verplicht om uiterlijk 1 mei na afloop van het subsidiejaar de in de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken te overleggen.2.De subsidie wordt vastgesteld uiterlijk zes weken na ontvangst van de genoemde stukken in het eerste lid. Artikel 16. Melding van relevante wijzigingen De Stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van: -meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie; -een wijziging van de statuten en eventuele reglementen; -verandering of beëindiging van activiteiten. Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 17. Inwerkingtreding 1.Deze Verordening treedt in werking nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de Wet is gebleken.2.De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2027. Artikel 18. Citeerregel Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening bedrijveninvesteringszone Wageningen Campus West 2027 – 2031. Aldus besloten in de openbare vergadering van 17 september 2026, de griffier, de voorzitter, Bijlage behorende bij de Verordening bedrijveninvesteringszone Wageningen Campus West 2027 – 2031 Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 1 van de Verordening bedrijveninvesteringszone Wageningen Campus West 2027 – 2031 geldt het op onderstaande kaart gearceerde gedeelte.
Meer informatie