Verordening Systematische Toezichtinformatie Limburg 2026
Verordening Systematische Toezichtinformatie Limburg 2026 Provinciale Staten van Limburg; Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 7 juli 2026; Gelet op artikel 124h van de Gemeentewet; Gelet op artikel 2, tweede lid, van het Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie; Gelet op artikelen 38 en 40 van de Archiefwet 1995; Gelet op artikel 2.36 van de Omgevingswet; Overwegende dat Gedeputeerde Staten in het kader van de uitoefening van interbestuurlijk toezicht systematische informatie nodig hebben, waarbij de regelmaat en omvang vooraf wordt bepaald; Overwegende dat de wet bepaalde toezichtstaken bij Gedeputeerde Staten legt en dat in diverse wetten is aangegeven dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de verstrekking van informatie ten aanzien van de uitvoering van die toezichtstaken; Overwegende dat voor gemeenten de basis hiervoor ligt in de Gemeentewet en dat voor waterschappen ten aanzien van archiefzaken de basis hiervoor ligt in de Archiefwet 1995 en ten aanzien van de uitoefening van de uitvoerings- en handhavingstaken (zogeheten VTH-taken) de basis hiervoor ligt in de Omgevingswet en de Waterschapswet; Besluiten Vast te stellen de Verordening systematische toezichtinformatie Limburg 2026. Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaand onder: a. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van gemeenten in de provincie Limburg; b. dagelijks bestuur: de dagelijkse besturen van gemeenschappelijke regelingen of het waterschap in Limburg; c. toezichtinformatie: informatie als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie; d. systematische toezichtinformatie: toezichtinformatie als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie. Artikel 2 Archiefwet 1995 1.Burgemeester en wethouders verstrekken systematische toezichtinformatie aan Gedeputeerde Staten, ten aanzien van de uitvoering van de Archiefwet 1995 en op deze wet gebaseerde uitvoeringsbesluiten: a.Elk jaar wordt een KPI audit rapportage of een verbeterplan aangeleverd. De aan te leveren documenten wisselen zich telkens af. Het ene jaar wordt een KPI audit rapportage aangeleverd, het volgende jaar een verbeterplan. b.Bij adequate uitvoering door de toezichtontvanger kan de onder a genoemde frequentie per individuele organisatie worden aangepast middels maatwerkafspraken. 2.De gegevens als bedoeld in het eerste lid worden jaarlijks voor 15 juli aan Gedeputeerde Staten verstrekt.3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het dagelijkse bestuur van het waterschap Limburg en op het dagelijks bestuur van gemeenschappelijke regelingen in Limburg. Artikel 3 Omgevingsrecht 1.Burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg verstrekken systematische toezichtinformatie aan Gedeputeerde Staten over de naleving van de bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels in het belang van een doelmatige uitoefening van de uitvoerings- en handhavingstaak als bedoeld in hoofdstuk 5, 16 en 18 van de Omgevingswet. Hiervoor worden de volgende gegevens verstrekt: a.de actuele uitvoerings- en handhavingsstrategie, welke niet ouder is als vier jaar, als bedoeld in artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit en de besluiten tot vaststelling of wijziging daarvan; b.het uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 13.8 van het Omgevingsbesluit en de besluiten tot vaststelling of wijziging daarvan; c.de evaluatierapportage over het afgelopen jaar als bedoeld in artikel 13.11 van het Omgevingsbesluit en de besluiten tot vaststelling of wijziging daarvan; d.de probleem-, risico- en / of omgevingsanalyse als bedoeld in artikel 13.5, vierde lid, van het Omgevingsbesluit en de besluiten tot vaststelling of wijziging daarvan; e.De regionale uitvoerings- en handhavingsstrategie inclusief risicoanalyse, het werkprogramma en het jaarverslag van de omgevingsdienst over de namens burgemeester en wethouders opgedragen taken en de besluiten tot vaststelling of wijziging daarvan; f.informatie waaruit blijkt dat burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling doen aan de gemeenteraad over de naleving van de kwaliteitscriteria als bedoeld in artikel 18.23 van de Omgevingswet. Dit geldt tevens voor zover deze van toepassing zijn verklaard op de thuistaken. Indien deze niet van toepassing zijn verklaard op de thuistaken dienen burgemeester en wethouders aan te geven hoe zij de kwaliteit van de uitvoering van de thuistaken borgen als bedoeld in artikel 18.20 van de Omgevingswet. 2.De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden jaarlijks voor 15 juli verstrekt aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4 Erfgoed 1.Burgemeester en wethouders verstrekken systematische toezichtinformatie aan gedeputeerde staten over de uitvoering van gemeentelijke medebewindstaken op het gebied van cultureel erfgoed. Deze toezichtinformatie heeft betrekking op gebouwde rijksmonumenten, groene rijksmonumenten, rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten en archeologische rijksmonumenten, waaronder in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden, als bedoeld in de Erfgoedwet en de bij of krachtens de Omgevingswet gestelde regels.De te verstrekken toezichtinformatie heeft betrekking op beleid, onderzoek en uitvoering, implementatie Omgevingswet, vergunningverlening, toezicht en handhaving, capaciteit en deskundigheid en de Erfgoedmonitor van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. a.Ten aanzien van beleid, onderzoek en uitvoering wordt om het jaar informatie verstrekt over het archeologiebeleid, beleid gebouwde en / of groene monumenten, erfgoedkaarten, borging van archeologie in het omgevingsplan, borging van monumenten, cultuurhistorie en beschermde gezichten in het omgevingsplan en programma's van eisen voor archeologisch onderzoek; b.Ten aanzien van Implementatie Omgevingswet wordt om het jaar informatie verstrekt over de procesmatige stand van verwerking van erfgoedregels in het omgevingsplan en de omgevingsvisie en jaarlijks informatie over de adviescommissie en het afwijken van adviezen van de adviescommissie; c.Ten aanzien van Vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt jaarlijks informatie verstrekt over de VTH-prioritering van erfgoed, vergunningen inzake rijksmonumentenactiviteiten, vergunningen met een archeologische component, toezicht- en handhavingsacties en meldingen, signalen en handhavingsverzoeken inzake erfgoed; d.Ten aanzien van capaciteit en deskundigheid wordt om het jaar informatie verstrekt over de FTE-inzet met betrekking tot archeologie, de FTE-inzet met betrekking tot monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten, aantallen beschermde monumenten en gezichten en deskundigheid en knelpunten. e.Ten aanzien van de Erfgoedmonitor van de Inspectie Overheidsinformatie dient deze om het jaar ingevuld te worden, bestuurlijk te worden vastgesteld en dient de ingevulde erfgoedmonitor inclusief het besluit tot vaststelling daarvan verstrekt te worden aan gedeputeerde staten. 2.De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, b ten aan zien van de Omgevingswet en Omgevingsvisie, d en e worden om het jaar voor 15 juli verstrekt aan Gedeputeerde Staten. De eerste aanlevering van deze informatie vindt plaats in 2028.3.De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b ten aan zien van de adviescommissie, en c worden jaarlijks voor 15 juli verstrekt aan Gedeputeerde Staten. De eerste aanlevering van deze informatie vindt plaats in 2027. Artikel 5 Wijze van verstrekking 1.Gedeputeerde Staten kunnen voor een deel of alle in deze verordening opgenomen aan te leveren gegevens een model of format vaststellen waarvan gebruik moet worden gemaakt om deze informatie aan te leveren.2.De te verstrekken gegevens worden digitaal, in PDF of Word formaat, aan Gedeputeerde Staten verstrekt, via het e-mail adres ibt@prvlimburg.nl. Artikel 6 Delegatiebepaling Gedeputeerde Staten kunnen regels vaststellen ter uitvoering van deze verordening. Artikel 7 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst. Artikel 8 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Verordening systematische toezichtinformatie Limburg 2026. Artikel 9 Intrekking De Verordening op systematische toezichtinformatie Limburg (Provinciaal Blad 2014, 097) wordt ingetrokken per de datum waarop dit besluit in werking treedt. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van provinciale staten van Limburg van 25 september 2026 Maastricht, d.d. 25 september 2026 Provinciale Staten voornoemd de voorzitter,de heer E.G.M. Roemer de griffier,de heer mr. A.O.J. Pregled De secretaris van Gedeputeerde Staten van Limburg, De heer D.F. Timmer Bijlage 1 Toelichting Huisvesting vergunninghouders In de provinciale verordening is geen verplichting opgenomen voor alle systematische informatie die de provincie als toezichthouder nodig heeft. Omdat we deze informatie van andere partijen krijgen, in dit geval COA, hoeven de gemeenten dit niet aan te leveren. In artikel 4 lid 2 van het Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie is geregeld dat het bestuursorgaan dient na te gaan of de voor het toezicht noodzakelijke informatie op een doelmatige wijze is te verkrijgen zonder de verplichting tot verstrekking op te leggen aan het onder toezicht staande bestuursorgaan. Daarom is geen verplichting tot systematische informatieverstrekking opgenomen op basis van de Huisvestingswet voor het domein Huisvesting vergunninghouders. Het Rijk en het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers verstrekken deze gegevens maandelijks aan de provincies: a.taakstelling huisvesting vergunninghouders voor het afgelopen half jaar; b.taakstelling huisvesting vergunninghouders voor het komende half jaar; c.eventuele achterstand uit voorgaande periodes; d.daadwerkelijk aantal gehuisveste vergunninghouders. Deze informatie is toereikend. Bij het niet-voldoen aan de taakstelling kan de provincie nadere informatie opvragen en zo nodig overgaan tot indeplaatsstelling. Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 Archiefwet 1995 Toegankelijke en betrouwbare overheidsinformatie is essentieel voor goed bestuur. Het op orde zijn van de digitale en papieren informatiehuishouding en archivering bij de overheid is een voorwaarde om alle andere taken goed te kunnen uitoefenen. Wanneer dit niet in orde is, schaadt het de bedrijfsvoering van een overheid en staat het een deugdelijke verantwoording naar de samenleving in de weg. De uitvoering van de Archiefwet, en zeker de overgang van papier naar digitaal, is aanleiding geweest voor het IPO om, in samenspraak met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen (OC&W) om een aanvullend beleidskader op te stellen voor het interbestuurlijk archieftoezicht. Als bijlage bij dit kader is ook een informatie-arrangement opgenomen, waarin de toezichtcriteria zijn benoemd alsmede de informatie die de provincie op systematische basis nodig heeft. De aan te leveren toezichtinformatie is conform dit beleidskader. Op haar beurt heeft de VNG kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) vastgesteld op het terrein van de Archiefwet- en regelgeving. De KPI’s zijn weer afgestemd met het IPO en de ministeries van BZK en OC&W en corresponderen met de toezichtscriteria van de provincies. Wanneer de KPI’s dus jaarlijks worden ingevuld en aan de gemeenteraden en provincies worden toegezonden, wordt tevens voldaan aan de informatiebehoefte van de provincies. De informatie kan ook, al dan niet aanvullend, in een andere vorm aan de provincie worden toegezonden. Bijvoorbeeld in het verslag van de gemeentearchivaris dat op grond van de gemeentelijke Archiefverordening (twee)jaarlijks wordt opgemaakt. Enkele specifieke verplichtingen in de Archiefwet blijven bestaan. Deze zijn daarom niet opgenomen in deze verordening. Het gaat om: a.de verplichting om de Archiefverordening toe te zenden aan Gedeputeerde Staten (Archiefwet artt. 30.1, 32.2, 35.1, 37.2 en 40); b.de verplichting om vervreemding van archieven om machtiging aan de minister van OC&W voor te leggen (Archiefwet artikel 8, lid 1); c.de verplichting om opschorting van de overbrenging van archieven ouder dan twintig jaar om machtiging aan Gedeputeerde Staten voor te leggen (Archiefwet, artikel 13, lid 3); d.de verplichting om beperking van de openbaarheid van archieven langer dan 75 jaar om machtiging aan Gedeputeerde Staten voor te leggen (Archiefwet artikel 15, lid 4). Artikel 3 Omgevingsrecht Lid 1 De toezichtinformatie ziet in hoofdzaak op de procescriteria die met de wijziging van het Bor (oud) in 2016 in werking zijn getreden. Deze procescriteria maken ook deel uit van de BIG-8 beleidscyclus onder de Omgevingswet. Daarom moeten deze taken ook opgenomen worden in het beleid (Uitvoerings- en handhavingsstrategie), in het uitvoeringsprogramma, en in de jaarlijkse (beleids)evaluatie. De procescriteria zijn eisen die worden gesteld aan de beleidscyclus bij de taken van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Daarnaast moeten de criteria worden gebruikt bij het inrichten van de organisatie. De procescriteria staan in het Omgevingsbesluit, artikelen 13.5 tot en met 13.12. Sub a, b, c en d Hierin worden de bescheiden genoemd die gemeenten en het waterschap dienen toe te zenden aan de toezichthouder. Het gaat om bescheiden die zij op basis van hoofdstuk 13 Omgevingsbesluit verplicht moeten opstellen om aan de wet te voldoen. Ingevolge de BIG-8 moet een uitvoerings- en handhavingsstrategie zijn gebaseerd op een analyse van problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van wet- en regelgeving op het gebied van het omgevingsrecht. Dit wordt ook wel de risicoanalyse genoemd. Daarnaast dienen ten gevolge van de uitgevoerde risicoanalyse prioriteiten gesteld te worden ten aanzien van de aanpak van deze problemen. Met het in werking treden van de Wet revitalisering generiek toezicht, hebben de provincies de taken van de voormalige VROM-Inspectie van het Rijk overgedragen gekregen. De toenmalige VROM inspectie heeft een aantal risicothema’s benoemd. Deze dienen extra aandacht te krijgen en onderdeel te zijn van de uit te voeren risicoanalyse vanwege de grote milieu-, gezondheids- en maatschappelijke risico’s die ontstaan wanneer de taakuitvoering op deze gebieden niet adequaat is. Indien deze thema’s terugkomen in de prioritering worden de thema’s ook besproken in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma en de evaluatie. Het gaat om de volgende risicothema’s: a.asbest (toezicht bij asbestverwijdering en bij asbestbrand); b.bodem (Besluit bodemkwaliteit 2022 en Besluit activiteiten leefomgeving); c.brandveiligheid bij de opslag van gevaarlijke stoffen (PGS 15 en PGS 29); d.constructieve veiligheid en brandveiligheid van bouwwerken; e.risicovolle milieubelastende activiteiten (mba’s zoals genoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving en Besluit activiteiten leefomgeving; voorheen onder de Wet milieubeheer: risicovolle inrichtingen); f.handhaving vanwege gebruik in strijd met het omgevingsplan. Sub e Het college van burgemeester en wethouders blijft bevoegd gezag, ook wanneer zij taken heeft opgedragen aan een omgevingsdienst. Bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst moeten conform artikel 13.5, lid 2 Omgevingsbesluit zorgdragen voor één uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de omgevingsdienst. Tevens stelt de omgevingsdienst jaarlijks een werkprogramma op en rapporteert zij over de uitgevoerde werkzaamheden. Sub f Er gelden kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). De kwaliteitscriteria voor de kritische massa (deskundigheid en ervaring) zijn verplicht voor VTH-taken van het basistakenpakket van de omgevingsdiensten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) hebben hiertoe een modelverordening opgesteld. Voor de overige VTH-taken geldt er een zorgplicht. De invulling hiervan is vrij. Wanneer gemeenten een verordening hebben vastgesteld voor zowel het basistakenpakket van de omgevingsdiensten als voor de VTH-taken die door de gemeente worden uitgevoerd, dient ook de uitvoering van de thuistaken aan de kwaliteitscriteria te voldoen. Indien deze niet van toepassing zijn verklaard op de thuistaken geldt alsnog de zorgplicht en dienen burgemeester en wethouders aan te geven hoe zij de kwaliteit van de uitvoering van de thuistaken borgt als bedoeld in artikel 18.20 van de Omgevingswet. Artikel 4 Erfgoed Het belangrijkste risico van inadequate uitvoering of borging van de wettelijke taken op erfgoedgebied is het verloren gaan van onroerend cultureel erfgoed: cultuurhistorie, archeologie en monumenten. Een goede taakuitoefening op dit beleidsveld is gebaat bij adequate vergunningverlening en handhaving, het opnemen van erfgoed in het omgevingsplan en het goed functioneren van de monumentencommissie. De toezichtinformatie genoemd in dit artikel heeft de toezichthouder nodig om de toezichttaak uit te voeren ten aanzien van erfgoed (rijksmonumenten en archeologie).
Meer informatie