BELEIDSREGELS MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE DONGEN 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op29 september 2026
Gepubliceerd doorGemeente Dongen

BELEIDSREGELS MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE DONGEN 2026 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen; gelet op artikel 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen over de wijze waarop het een hem toekomende bevoegdheid uitoefent; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024, waarin de kaders voor de uitvoering door het college zijn vastgelegd; overwegende dat: •het wenselijk is om transparant en voorspelbaar vast te leggen op welke wijze het college de hem toekomende bevoegdheden op grond van de Wmo 2015 toepast; •deze beleidsregel algemene regels bevat, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften bij de uitvoering van de Wmo 2015; •het college overeenkomstig deze beleidsregel zal handelen, tenzij toepassing voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Awb); BESLUIT Vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2026. Hoofdstuk 1 Inleiding Deze beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2026 geven uitvoering aan de wettelijke taken van de gemeente op grond van de Wmo 2015. Zij beschrijven hoe de gemeente inwoners ondersteunt bij het zo lang mogelijk zelfstandig functioneren en participeren in de samenleving. De beleidsregels bieden duidelijkheid over de uitgangspunten, afwegingskaders en procedures die worden gehanteerd bij het beoordelen van hulpvragen en het verstrekken van maatwerkvoorzieningen. Daarbij staat een zorgvuldige, integrale en op de persoonlijke situatie afgestemde ondersteuning centraal. Hoofdstuk 2 Algemene Bepalingen Om een eenduidige en consistente toepassing van deze beleidsregels maatschappelijke ondersteuning te waarborgen, zijn in dit hoofdstuk algemene bepalingen opgenomen. Deze bepalingen bevatten onder andere definities van gebruikte begrippen en algemene uitgangspunten die richting geven aan de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Deze bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle daaropvolgende hoofdstukken, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. 2.1 Eigen kracht Onder eigen kracht verstaat de gemeente Dongen de feitelijke mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en zijn sociale netwerk om bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Eigen kracht heeft geen betrekking op het inkomen of vermogen van de inwoner. De gemeente gaat uit van de eigen kracht en verantwoordelijkheid van de inwoners. Niet iedere beperking of tegenslag vraagt om directe ondersteuning door de gemeente. In eerste instantie wordt onderzocht welke mogelijkheden de inwoner zelf heeft om met zijn ondersteuningsvraag om te gaan. Eventueel met hulp van gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk, algemene voorzieningen en de gemeenschap. Gemeentelijke ondersteuning is aan de orde wanneer deze eigen mogelijkheden, inclusief die van het netwerk, onvoldoende zijn om de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie weg te nemen. De beoordeling vindt integraal plaats op basis van de persoonlijke situatie, behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner. 2.2 Leefeenheid Onder een leefeenheid wordt verstaan: een eenheid van personen die duurzaam samen een huishouden voert en gezamenlijk verantwoordelijkheid draagt voor het functioneren daarvan. In beginsel worden alle personen die op hetzelfde adres wonen en een huishouden delen tot de leefeenheid gerekend. Of personen tot dezelfde leefeenheid behoren, wordt steeds beoordeeld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. 2.3 Gebruikelijke voorzieningen en hulp De gemeente gaat bij de beoordeling van een ondersteuningsvraag eerst na of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening of van gebruikelijke hulp. Indien dat het geval is bestaat in beginsel geen aanspraak op een maatwerkvoorziening. 2.3.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening is een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel die: •Niet specifiek is bedoeld voor personen met een beperking; •Daadwerkelijk beschikbaar is; •Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en •Financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Bij de financiële draagbaarheid wordt objectief beoordeeld of de voorziening voor iemand met een inkomen op minimumniveau als financieel gangbaar kan worden beschouwd. De beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is, vindt objectief plaats op het niveau van het type voorziening en is niet afhankelijk van de individuele (financiële) situatie van de cliënt. De gemeente toetst of de voorziening financieel draagbaar is voor iemand met een inkomen op minimumniveau, ongeacht het daadwerkelijke inkomen van de cliënt. 2.3.2 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de inwonende echtgenoot, ouders, kinderen of andere huisgenoten van de cliënt (artikel 1.1.1. Wmo 2015). Gebruikelijke hulp betreft de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de personen die volgens de Verordening tot de leefeenheid behoren. De concrete beoordeling vindt plaats overeenkomstig deze beleidsregels en bijlage 1. Van huisgenoten wordt, binnen redelijke grenzen, verwacht dat zij bijdragen aan het functioneren van het huishouden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar sekse, cultuur, religie, gezinssamenstelling, werk, opleiding of persoonlijke opvattingen. Werk of studie vormt op zich geen reden om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Gebruikelijke hulp is niet aan de orde als uit individueel onderzoek blijkt dat een huisgenoot wegens (medische) beperkingen, (dreigende) overbelasting, fysieke afwezigheid of andere objectieve belemmeringen niet in staat is de taken uit te voeren. Dit wordt in hoofdstuk 4 verder toegelicht. 2.3.3 Overbelasting van huisgenoten bij gebruikelijke hulp Het college onderzoekt bij iedere melding of aanvraag in hoeverre huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen bieden, rekening houdend met hun beschikbaarheid en draagkracht, waaronder (dreigende) overbelasting. Het college verzamelt de voor de beoordeling noodzakelijke gegevens en kan zo nodig medisch of anderszins deskundig advies inwinnen, overeenkomstig artikel 6 van de Verordening. Indien uit dat onderzoek blijkt dat van één of meer huisgenoten vanwege (dreigende) overbelasting in redelijkheid geen (verdere) gebruikelijke hulp kan worden verwacht, wordt deze hulp niet (meer) aan hen toegerekend bij de beoordeling of cliënt zijn beperkingen kan oplossen met gebruikelijke hulp. Het college legt de beoordeling van de (dreigende) overbelasting en de consequenties daarvan voor de inzet van gebruikelijk hulp gemotiveerd vast in het onderzoeksverslag en in de beschikking. 2.4 Voorliggende voorzieningen en aanpalende wetgeving Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 wordt afgestemd op andere wettelijke regelingen, zoals de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet, de Wet forensische zorg en de Wet langdurige zorg. Het college beoordeelt voorliggende aanspraken overeenkomstig de Wmo 2015, de Verordening en de toepasselijke andere wettelijke regeling. Indien een andere wettelijke regeling voor de betreffende problematiek een passende voorziening biedt, wordt geen Wmo-maatwerkvoorziening verstrekt, behoudens de wettelijke uitzonderingen. Voor jeugdigen geldt dat ondersteuning die onder het begrip jeugdhulp valt, in beginsel via de Jeugdwet wordt geboden. Hulpmiddelen, woningaanpassingen en noodzakelijke vervoersvoorzieningen voor jeugdigen vallen echter onder de Wmo 2015. Inwoners met een Wlz-indicatie kunnen hun zorg ontvangen in een instelling of thuis (VPT, MPT of pgb). Voor inwoners met een Wlz-indicatie die thuis wonen, blijft de gemeente verantwoordelijk voor hulpmiddelen en woningaanpassingen op grond van artikel 8.6a van de Wmo 2015. Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als de inwoner aanspraak heeft op zorg met verblijf op grond van de Wlz of daar vermoedelijk recht op heeft en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een Wlz-besluit (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Indien ondersteuning onder de Zorgverzekeringswet valt (zoals wijkverpleging), wordt deze niet via de Wmo verstrekt. Wel kan Wmo-ondersteuning aanvullend worden ingezet voor zover deze niet samenvalt met aanspraken op grond van de Zorgverzekeringswet. 2.5 Hoofdverblijf en ingezetenschap De gemeente Dongen verstrekt Wmo-maatwerkvoorzieningen aan personen die ingezetene zijn van de gemeente, conform artikel 1.2.1, onder a van de Wmo 2015. Ingezetenen is degene die zijn feitelijke hoofdverblijf in de gemeente Dongen heeft. Het begrip ‘ingezetene’ wordt in dit beleid verbonden aan het feitelijk hoofdverblijf van de inwoner: de woning waar iemand daadwerkelijk woont en waar het centrum van zijn of haar maatschappelijk leven zich bevindt. Dit omvat werk of dagbesteding, huisarts, school van kinderen, sociale contacten en andere maatschappelijke activiteiten. De inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) is een belangrijke aanwijzing, maar niet doorslaggevend; bepalend is de feitelijke situatie, op basis van een integrale weging van alle relevante omstandigheden. Het college stelt het hoofdverblijf vast op basis van een integrale weging van feiten en omstandigheden, waaronder: •Feitelijk verblijf: aantal nachten per week, logeerperiodes versus daadwerkelijke bewoning. •Centrum van het maatschappelijk leven: werk, dagbesteding, school en sociale contacten. •Feitelijk gebruik van meerdere woningen: bijvoorbeeld inrichting en gebruik van de woning. Bijzondere situaties •Twee woningen/LAT-relatie: het hoofdverblijf wordt bepaald op basis van feitelijk gebruik. Het is mogelijk dat ondanks een tweede woning slechts één hoofdverblijf wordt aangenomen. •Tijdelijk verblijf (logeren, crisisopvang, kortdurend verblijf): leidt niet automatisch tot een hoofdverblijf in Dongen. Het college beoordeelt per geval of het tijdelijke karakter nog aanwezig is. •Kamerhuurders: zij kunnen het hoofdverblijf in dezelfde woning als de eigenaar of hoofdbewoner hebben, maar dit zegt niets over een gezamenlijke huishouding of partnerstatus. Als een belanghebbende aantoont dat hij binnen korte termijn naar de gemeente Dongen verhuist, kan het college vóór de daadwerkelijke verhuizing al een oriënterend onderzoek starten en voorbereidingen treffen. De formele melding en aanvraag als bedoeld in de Wmo 2015 kunnen echter pas worden gedaan vanaf het moment dat betrokkenen zijn feitelijke hoofdverblijf in Dongen heeft (en in de BRP van Dongen is ingeschreven). Het college kan met betrokkene een redelijke termijn afspreken waarbinnen de inschrijving in de BRP moet zijn geregeld. Het college is bij de toepassing van deze criteria gebonden aan de beleidsregels. Afwijking is mogelijk bij bijzondere omstandigheden, in lijn met artikel 4.84 Awb. 2.6 Goedkoopst passend Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg, hulp, een hulpmiddel, woning- of vervoersvoorziening of een financiële tegemoetkoming, die een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, conform artikel 2.3.5 van de Wmo 2015. Indien meerdere voorzieningen of oplossingen beschikbaar zijn die ieder een passende bijdrage leveren, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening, overeenkomstig artikel 9 lid 1 van de Verordening. Dat wil zeggen de goedkoopste voorziening die in de individuele situatie van de cliënt de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie in voldoende mate compenseert, zodat wordt voldaan aan de compensatieplicht van de Wmo 2015. Bij de beoordeling of sprake is van meerdere passende voorzieningen, beoordeelt het college eerst of de voorziening compenserend is. Pas als er meer dan één compenserende voorziening is, wordt de goedkoopste daarvan toegekend. Bij de beoordeling van ‘goedkoop’ kan het college naast de aanschafkosten ook rekening houden met de totale kosten over de te verwachtend gebruiksduur, waaronder onderhoud, keuring, reparatie en (indien aan de orde) verzekering. Hoofdstuk 3 Toegang en afwegingskader 3.1 Spoedeisende gevallen Het college past deze beleidsregel toe in situaties als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015, waarin sprake is van een spoedeisend geval waarvoor onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening moet worden getroffen na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Van een spoedeisend geval is sprake als de cliënt zich in een situatie bevindt waarin uitstel van maatregelen niet mogelijk is en er direct dreigende onaanvaardbare risico’s zijn voor veiligheid, gezondheid of het zich kunnen handhaven in de samenleving. Of er sprake is van een spoedeisend geval wordt steeds individueel beoordeeld. Ook voor een spoedvoorziening is een melding vereist; deze is vormvrij. Het college beoordeelt onmiddellijk na de melding of sprake is van een spoedeisend geval en beslist onverwijld over een tijdelijke maatwerkvoorziening. De tijdelijke voorziening hoeft niet precies passend te zijn, maar sluit zoveel mogelijk aan bij de ondersteuningsbehoefte. Na het treffen van de tijdelijke maatwerkvoorziening voert het college alsnog het volledige onderzoek uit als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en wordt, indien nodig, een reguliere aanvraag ingediend. De beslissing op die aanvraag ziet op de structurele ondersteuning; de tijdelijke maatwerkvoorziening vervalt zodra daarop is beslist. Indien de cliënt in een spoedeisende situatie als bedoeld in deze beleidsregel, vóór of direct na de melding op eigen initiatief een voorziening heeft getrokken of bekostigd, beoordeelt het college of: a.Ten tijde van die beslissing sprake was van een spoedeisend geval als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015; en b.Het voor de cliënt redelijkerwijs niet mogelijk was de uitkomst van een beslissing van het college af te wachten. Indien aan beide voorwaarden is voldaan en de noodzaak en passendheid van de getroffen voorziening of de gemaakte kosten achteraf nog objectief kan worden vastgesteld, kan het college besluiten de getroffen voorziening (gedeeltelijk) aan te merken als tijdelijke maatwerkvoorziening en de daarmee gemoeide noodzakelijke kosten te vergoeden. Voorzieningen die vóór de melding zijn gerealiseerd, worden beoordeeld overeenkomstig artikel 9 lid 3, onderdeel b, van de Verordening. Indien sprake is van een acute noodsituatie en de noodzaak, passendheid en kosten achteraf objectief kunnen worden beoordeeld, kan van de hoofdregel worden afgeweken. Indien de cliënt de voorziening na de melding en vóór de datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, wordt artikel 9 lid 3, onderdeel c, van de Verordening toegepast. 3.2 Revalideren Het college verricht altijd een individueel onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, waarin de beperkingen, de ondersteuningsbehoefte en de eigen mogelijkheden van de cliënt worden vastgesteld. Indien uit dit onderzoek en eventueel medisch advies blijkt dat de beperkingen (mede) samenhangen met een aandoening waarvoor naar het oordeel van de behandelend sector of de medisch adviseur nog reële behandel- of revalidatiemogelijkheden bestaan, beoordeelt het college of de gevraagde of te verstrekken maatwerkvoorziening veilig is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt of beperkt toegekend, indien het college gemotiveerd vaststelt dat de voorziening het herstel of het (opnieuw) aanleren van vaardigheden belemmert en daardoor niet langer een passende bijdrage levert als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015. . Indien ondersteuning tijdelijk noodzakelijk is om een behandel- of revalidatieproces mogelijk te maken of te ondersteunen, kan het college een maatwerkvoorziening voor beperkte duur verstrekken. De duur en omvang worden afgestemd op het doel en de looptijd van het behandel- of revalidatietraject, met de mogelijkheid tot bijstelling op basis van het resultaat. Aan de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt niet de voorwaarde verbonden dat cliënt zich laat behandelen. Wel kan het college bij (her)beoordeling betrekken of behandeling of revalidatie (heeft) plaatsgevonden en wat het effect is op de resterende beperkingen. 3.3 Voortzetten hulp bij opname of overlijden Wanneer een inwoner die een maatwerkvoorziening ontvangt overlijdt of wordt opgenomen in een ziekenhuis of een andere vergelijkbare instelling, eindigt de aanspraak van deze cliënt op de voorziening. Het college kan in dat geval besluiten de eerder toegekende hulp tijdelijk voort te zetten ten behoeve van de achterblijvende huisgenoot. Deze voortzetting heeft het karakter van overbruggingshulp en is bedoeld om de achterblijver in staat te stellen zich aan te passen aan de gewijzigde situatie. De hulp wordt voortgezet voor een maximale periode van zes weken, gerekend vanaf het moment van overlijden of opname, en wordt in die periode verleend op naam van de achterblijver. Tijdens deze periode onderzoekt het college in hoeverre de achterblijver (weer) zelf kan voorzien, al dan niet met gebruikelijke hulp, eigen kracht, mantelzorg, andere personen uit het sociale netwerk of algemene voorzieningen. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de achterblijver na afloop van deze periode, ondanks eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen, niet in voldoende mate zelfredzaam is of kan participeren en ondersteuning noodzakelijk blijft, kan het college op aanvraag een nieuwe maatwerkvoorziening toekennen die aansluit bij de nieuwe persoonlijke situatie van de achterblijver. 3.4 Fysieke afwezigheid Indien een cliënt gedurende een aaneengesloten periode feitelijk niet in de woning verblijft, bijvoorbeeld vanwege verblijf elders binnen of buiten de gemeente of in het buitenland, onderzoekt het college of de toegekende maatwerkvoorziening nog passend en noodzakelijk is. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de voorziening tijdens de afwezigheid kan worden gebruikt en of de cliënt nog aangewezen is op deze voorziening. Indien uit onderzoek blijkt dat de voorziening tijdens de afwezigheid niet of niet doelmatig kan worden benut, kan het college op grond van artikel 2.3.9 en 2.3.10 van de Wmo 2015 besluiten de maatwerkvoorziening tijdelijk op te schorten, aan te passen of te beëindigen, na een zorgvuldige belangenafweging. Na terugkeer van de cliënt beoordeelt het college desgevraagd opnieuw of, en in welke vorm, ondersteuning noodzakelijk is. 3.5 Terminaal ziektebeeld en Wmo Onder een terminaal ziektebeeld wordt verstaan: een medisch vastgestelde situatie waarin sprake is van een beperkte levensverwachting waarbij de zorg gericht is op comfort en kwaliteit van leven. Het college doorloopt bij cliënten met een terminaal ziektebeeld hetzelfde onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Er is geen afwijkende of beperkte compensatieplicht vanwege het terminale karakter van de aandoening. Het criterium dat een maatwerkvoorziening ‘langdurig noodzakelijk’ moet zijn, wordt bij terminale cliënten zo uitgelegd dat een voorziening die naar verwachting gedurende de resterende levensduur nodig is, in beginsel als langdurig noodzakelijk wordt beschouwd. Een aanvraag wordt niet afgewezen uitsluitend op grond van een beperkte of onzekere levensverwachting, indien de voorziening noodzakelijk is om de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie te compenseren. Palliatief-terminale verpleging en verzorging vallen in beginsel onder Zorgverzekeringswet of, bij een Wlz-indicatie, onder de Wlz. De Wmo kan aanvullend ondersteuning bieden, bijvoorbeeld met hulp bij het huishouden en (zo nodig) woningaanpassingen of hulpmiddelen, voor zover deze niet onder de Zvw of Wlz vallen. Bij de keuze van de voorziening wordt rekening gehouden met de te verwachten gebruiksduur. Waar passend wordt gekozen voor een tijdelijk inzetbare of eenvoudig verwijderbare voorziening. Het college streeft bij terminale cliënten naar een zo snel en licht mogelijk proces, door zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande medische informatie en, waar verantwoord, beperkte heronderzoeken en verkorte doorlooptijden. 3.6 Voorzienbaarheid De Wmo 2015 benadrukt dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Daaronder valt ook dat iemand bij een (voorgenomen) verhuizing rekening houdt met reeds bestaande beperkingen en de verwachte ontwikkeling daarvan. Als een cliënt bij het betrekken van een woning al bekend is met beperkingen die het normale gebruik van die woning belemmeren, en hij desondanks verhuist naar een voor zijn beperkingen niet of minder geschikte woning terwijl een meer geschikte woning beschikbaar was, kan het college een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing weigeren op grond van de verordening. 3.7 Regresrecht Vanaf 1 januari 2015 kan de gemeente de kosten van krachtens de Wmo 2015 verstrekte maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten verhalen op degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de voorziening (regresrecht, artikel 2.4.3 Wmo 2015). Voor de jaren 2015 tot en met 2018 heeft VNG met het Verbond van Verzekeraars convenanten gesloten op grond van artikel 2.4.4. van de Wmo 2015, waarin het regresrecht voor schadeveroorzakende gebeurtenissen tot en met 2018 is afgekocht. Vanaf 1 januari 2019 geldt geen convenant meer. Voor schadeveroorzakende gebeurtenissen op of na 1 januari 2019 kan het college op grond van de Wmo 2015 gemaakte kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s zelf verhalen op de aansprakelijke derde of diens verzekeraar. 3.8 Afwegingskader per resultaatgebied Deze beleidsregel beschrijft per resultaatgebied het afwegingskader dat het college hanteert bij de beoordeling van ondersteuningsvragen. Het werken met resultaatgebieden in deze beleidsregel heeft tot doel om inzichtelijk te maken hoe het college per type ondersteuningsvraag tot een afweging komt. Door het afwegingskader per resultaatgebied uit te werken, wordt concreet gemaakt op welke wijze het college beoordeelt of ondersteuning noodzakelijk is en welke vormen van ondersteuning passend kunnen zijn om het beoogde resultaat te bereiken. Hiermee wordt geborgd dat ondersteuningsvragen op een consistente, transparante en toetsbare wijze worden beoordeeld, met oog voor de individuele situatie van de inwoner. De beschrijving van het afwegingskader per resultaatgebied is nadrukkelijk voorzieningsoverstijgend. Deze beleidsregel beschrijft niet de inhoud of vorm van concrete maatwerkvoorzieningen, maar richt zich op de afweging die het college hanteert bij het bepalen van de noodzaak van ondersteuning. De uitwerking van de maatwerkvoorzieningen zelf is opgenomen in hoofdstuk 4. 3.9.1 Het sociaal en persoonlijk functioneren Omschrijving resultaatgebied Dit resultaatgebied ziet op het kunnen aangaan, onderhouden en herstellen van sociale relaties en het persoonlijk functioneren in het dagelijks leven. Het gaat om het beperken of voorkomen van sociaal isolement, het bevorderen van sociale vaardigheden en het omgaan met psychische of psychosociale problemen voor zover deze leiden tot beperkingen in zelfredzaamheid of participatie in het maatschappelijk verkeer (artikel 1.1.1 en 2.1.1 Wmo 2015). Afweging eigen kracht In het onderzoek wordt vastgesteld: •In hoeverre cliënt zelf in staat is sociale contacten aan te gaan en te onderhouden, activiteiten buitenshuis te ondernemen en zijn emoties te reguleren; •Welke behandelmogelijkheden aanwezig zijn en eerst benut moeten worden, voor zover deze de beperkingen in participatie kunnen verminderen; •Welke eigen oplossingen mogelijk zijn (andere dagindeling, gebruik van hulpmiddelen of digitale middelen). Eigen financiële draagkracht wordt hierbij niet als afwijzingsgrond gebruikt. Afweging sociaal netwerk Het college onderzoekt welke steun het sociaal netwerk feitelijk kan bieden, bijvoorbeeld meegaan naar activiteiten, stimuleren tot contact, samen ondernemen van activiteiten, laagdrempelig toezicht en ondersteuning bij spanningsmomenten. Hulp uit het netwerk is niet afdwingbaar. Alleen daadwerkelijk beschikbare en haalbare ondersteuning weegt mee. Afweging algemene voorzieningen Per cliënt wordt beoordeeld of algemene voorzieningen toereikend zijn, zoals: inloopvoorzieningen, buurtactiviteiten, vrijwilligersinitiatieven tegen eenzaamheid, maatschappelijk werk, lotgenotengroepen of laagdrempelige dagactiviteiten. Deze gaan alleen voor als zij feitelijk beschikbaar zijn en de beperkingen in het sociaal en persoonlijk functioneren voldoende compenseren. Afweging maatwerkvoorzieningen Als na inzet van eigen kracht, sociaal netwerk en algemene voorzieningen nog beperkingen in zelfredzaamheid of participatie resteren, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 3.9.2 Het op orde hebben van financiën of administratie Omschrijving resultaatgebied Dit resultaatgebied ziet op het kunnen voeren van een zodanig gestructureerd huishouden dat de privé-financiën en (persoonlijke) administratie op orde zijn. Het gaat om het kunnen openen, begrijpen en afhandelen van post, basaal budgetteren, het tijdig betalen van rekeningen en het regelen van noodzakelijke contracten, zodat schulden en huisuitzetting worden voorkomen en cliënt zich kan handhaven in de samenleving. Afweging eigen kracht In het onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 wordt vastgesteld: •Welke administratieve en financiële taken cliënt (nog) zelfstandig kan uitvoeren; •Of met hulpmiddelen (bijv. automatische incasso, digitaal bankieren, budgetcoach via andere wetgeving) eigen kracht kan worden vergroot; •Of behandeling/training (bijv. via Zvw of schuldhulpverlening) beperkingen kan verminderen. Afweging sociaal netwerk Het college onderzoekt welke ondersteuning feitelijk en duurzaam uit het sociaal netwerk beschikbaar is, zoals samen post openen, meekijken bij betalingen of herinneren aan termijnen. Hulp uit het netwerk is niet afdwingbaar. Alleen concrete haalbare inzet telt mee bij de beoordeling of nog een maatwerkvoorziening nodig is. Afweging algemene voorzieningen Per cliënt wordt beoordeeld welke algemene voorzieningen passend zijn, bijvoorbeeld: •Algemeen maatschappelijk werk; •Schuldhulpverlening en budgetadvies. Deze gaan alleen voor als zij daadwerkelijk beschikbaar zijn én de problemen met administratie en financiën voldoende compenseren. Afweging maatwerkvoorzieningen Als na bovenstaande afweging restbehoefte blijft, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt, zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 3.9.3 De zelfzorg en gezondheid Omschrijving resultaatgebied Dit resultaatgebied ziet op het kunnen uitvoeren van noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), zoals wassen, aankleden, eten/drinken, medicatie(beheer), dag- en nachtritme en het opvolgen van medische leefregels, zodat cliënt zich kan handhaven in de eigen leefomgeving. Afweging eigen kracht In het onderzoek wordt vastgesteld: •Welke ADL-taken cliënt zelfstandig kan uitvoeren; •Of met hulpmiddelen, aanpassingen, training of behandeling (bijv. Zvw, Wlz) de eigen mogelijkheden kunnen worden vergroot; •In hoeverre cliënt in staat is regie te voeren over medicatie, afspraken en leefregels. De financiële draagkracht van de cliënt is geen zelfstandige weigeringsgrond voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Pas als blijkt dat de cliënt ondanks deze mogelijkheden ADL en gezondheidsregie niet toereikend kan uitvoeren, resteert een te compenseren behoefte. Afweging sociaal netwerk Het college onderzoekt welke feitelijke en duurzame hulp vanuit het sociaal netwerk beschikbaar is bij bijvoorbeeld toezicht bij douchen, hulp bij aankleden, herinneren aan medicatie of meekijken met medische afspraken. Hulp uit het netwerk is niet afdwingbaar. Alleen daadwerkelijk beschikbare en aanvaardbare inzet telt mee. Afweging algemene voorzieningen Per cliënt wordt beoordeeld welke algemene voorzieningen passend zijn, zoals: •Algemene cursus valpreventie of leefstijl; •Voorlichting of groepsaanbod via welzijnsorganisatie. Deze gaan alleen voor als zij daadwerkelijk beschikbaar zijn, toegankelijk en de beperkingen in zelfzorg of gezondheid voldoende compenseren. Afweging maatwerkvoorzieningen Blijft na inzet van eigen kracht, sociaal netwerk en algemene voorzieningen een beperking in zelfredzaamheid over, dan kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt, zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 3.9.4 Het kunnen organiseren en uitvoeren van activiteiten in het dagelijks leven Omschrijving resultaatgebied Dit resultaatgebied ziet op het kunnen plannen, organiseren en uitvoeren van dagelijkse activiteiten binnens- en buitenshuis (zoals boodschappen doen, afspraken nakomen, dagindeling, eenvoudige huishoudelijke taken), zodanig dat cliënt zich kan handhaven in de eigen leefomgeving en kan participeren. Het gaat om regie en structuur in het dagelijks handelen. Afweging eigen kracht In het onderzoek wordt vastgesteld: •Welke dagelijkse activiteiten cliënt zelfstandig kan plannen en uitvoeren; •Of met hulpmiddelen, routines, apps, herinneringssystemen of aanpassingen van de leefomgeving de eigen mogelijkheden kunnen worden vergroot; •Welke behandelmogelijkheden (bijv. via Zvw of arbeidsre-integratie) beschikbaar zijn. Pas als blijkt dat cliënt ondanks deze mogelijkheden de dagelijkse activiteiten niet zelfstandig kan organiseren en uitvoeren, resteert een te compenseren behoefte. Afweging sociaal netwerk Het college onderzoekt welke structurele ondersteuning uit het sociaal netwerk beschikbaar is, zoals: •Meedenken met het plannen van de week; •Meegaan of begeleiden bij bepaalde activiteiten; •Herinneren aan afspraken of helpen bij het aanleren van routine. Alleen feitelijk beschikbare, aanvaardbare en duurzame inzet telt mee. Hulp uit het netwerk is niet afdwingbaar. Afweging algemene voorzieningen Per cliënt wordt beoordeeld of algemene voorzieningen toereikend zijn, zoals: •Buurt- en vrijwilligersinitiatieven; •Inloop- en activiteitenaanbod via welzijnsorganisaties; •(groeps)trainingen. Dit zijn algemene voorzieningen als zij vrij toegankelijk zijn en de beperkingen voldoende compenseren. Afweging maatwerkvoorzieningen Blijft na inzet van eigen kracht, sociaal netwerk en algemene voorzieningen een beperking in zelfredzaamheid over, dan kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt, zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 3.9.5 Het hebben van een zinvolle daginvulling Omschrijving resultaatgebied Dit resultaatgebied ziet op het kunnen deelnemen aan activiteiten die structuur geven aan de dag en bijdragen aan maatschappelijke participatie, het voorkomen of verminderen van eenzaamheid en het behouden van vaardigheden. Het gaat om deelname aan het maatschappelijk verkeer (ontmoeten, activiteiten ondernemen) ondanks beperkingen in zelfredzaamheid of psychische/psychosociale problemen. Afweging eigen kracht In het onderzoek wordt vastgesteld: •Of cliënt zelf activiteiten kan organiseren en ondernemen (hobby’s, verenigingen, vrijwilligerswerk, werk); •Of behandeling, re-integratie, onderwijs of andere regelingen de participatie kunnen verbeteren; •Welke eigen oplossingen mogelijk zijn in de dagstructuur thuis. Pas als blijkt dat cliënt, ondanks deze mogelijkheden, niet in redelijke mate kan participeren en dreigt te vereenzamen, resteert een te compenseren behoefte. Afweging sociaal netwerk Het college onderzoekt welke ondersteuning het sociaal netwerk feitelijk kan bieden, zoals samen activiteiten ondernemen of cliënt meenemen naar verenigingen of familiebezoek. Alleen daadwerkelijke, duurzame inzet telt mee. Hulp is niet afdwingbaar. Afweging algemene voorzieningen Per cliënt wordt beoordeeld of algemene voorzieningen passend zijn, zoals: •Wijk- en buurtactiviteiten; •Inlooplocaties; •Vrijwilligersprojecten; •Laagdrempelige dagactiviteiten via welzijnswerk. Deze gaan alleen voor als zij daadwerkelijk beschikbaar zijn, en de participatieproblemen voldoende compenseren. Afweging maatwerkvoorzieningen Als na voorgaande stappen nog beperkingen in participatie en dreigen isolement bestaan, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt, zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 3.9.6 Het netwerk is ondersteund en/of ontlast Omschrijving resultaatgebied Dit resultaatgebied ziet op ondersteuning die erop is gericht dat mantelzorgers en andere personen uit het sociaal netwerk van de cliënt hun zorgtaken op een verantwoorde wijze kunnen (blijven) uitvoeren. Het gaat onder meer om respijtzorg, het voorkomen of verminderen van (dreigende) overbelasting en het versterken van vaardigheden en draagkracht van het netwerk. Afweging eigen kracht In het onderzoek wordt vastgesteld: •Welke zorgtaken het netwerk nu verricht; •In hoeverre deze taken, zonder (over)belasting, op eigen kracht kunnen worden voortgezet; •Of aanpassing van de zorgorganisatie of taakverdeling binnen het netwerk mogelijk is. Pas als blijkt dat het netwerk zonder aanvullende ondersteuning overbelast is of dreigt te raken, ontstaat een te compenseren ondersteuningsbehoefte. Afweging sociaal netwerk Het college brengt in kaart wie tot het sociaal netwerk behoort en welke inzet reëel en voor de betrokkenen aanvaardbaar is. Ondersteuning kan worden gericht op: •Het verminderen van de zwaarte of frequentie van zorgtaken; •Het versterken van vaardigheden van mantelzorgers (voorlichting, coaching). Inzet van netwerk blijft vrijwillig en is niet afdwingbaar. Afweging algemene voorzieningen Het college beoordeelt eerst welke algemene voorzieningen voor mantelzorgers passend zijn, zoals: •Mantelzorgondersteuning; •Lotgenotencontact; •Scholing; •Informatie en advies; of •Inloopactiviteiten. Deze gaan voor, indien zij feitelijk beschikbaar zijn en de (dreigende) overbelasting voldoende verminderen. Afweging maatwerkvoorzieningen Als na inzet van eigen kracht, netwerk en algemene voorzieningen nog (dreigende) overbelasting bestaat, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt, zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 4 De maatwerkvoorzieningen 4.1 Hulp bij het huishouden 4.1.1 Inleiding Hulp bij het huishouden is in de gemeente Dongen een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 en is bedoeld voor inwoners die door beperkingen niet in staat zijn om zelfstandig te zorgen voor een schoon en leefbaar huis. Uitgangspunt is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en diens leefeenheid. Van hen wordt verwacht dat zij, binnen redelijke grenzen, zelf bijdragen aan het huishouden, onder meer door het inzetten van gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Indien deze mogelijkheden onvoldoende zijn, kan de gemeente Dongen hulp bij het huishouden inzetten als aanvulling, afgestemd op de individuele situatie en conform het maatwerkbeginsel. 4.1.2 Begrippen en afbakening Begrip hulp bij het huishouden De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) bevat geen afzonderlijke definitie van hulp bij het huishouden. Onder hulp bij het huishouden wordt verstaan: ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd huishouden, gericht op het realiseren en behouden van een schoon en leefbaar huis. Onder het voeren van een gestructureerd huishouden wordt in ieder geval begrepen: •het schoon en op orde houden van de woning; •het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding. Tot de huishoudelijke werkzaamheden die in beginsel onder hulp bij het huishouden vallen, behoren het schoonmaken van de woning, wasverzorging (wassen, drogen, vouwen), het opmaken en verschonen van bedden, het opruimen van woonruimten, het verzorgen van huishoudelijk afval en eenvoudige maaltijdverzorging. Onder eenvoudige maaltijdverzorging wordt verstaan: het ondersteunen van cliënten bij het bereiden, opwarmen en klaarzetten van maaltijden. De volgende activiteiten vallen in beginsel niet onder het overnemen van huishoudelijke taken: •tuinonderhoud; •incidentele of eenmalige klussen (zoals een grote schoonmaak), voor zover hiervoor passende, algemeen gebruikelijke of andere voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn; •werkzaamheden die geen verband houden met de noodzakelijke schoon- en leefbaarheid van de woning of het beschikken over schoon beddengoed en kleding, zoals intensieve verzorging van huisdieren en kamerplanten; •strijkenwerkzaamheden, voor zover dit niet noodzakelijk is voor zelfredzaamheid of participatie; •administratieve, organiserende of begeleidende ondersteuning (zoals hulp bij geldbeheer, administratie, aanbrengen van dagstructuur); deze behoren – indien nodig – tot begeleiding en niet tot hulp bij het huishouden. Kindzorg binnen hulp bij het huishouden Onder kindzorg in het kader van de Wmo 2015 wordt verstaan: het overnemen van praktische, niet‑pedagogische zorgtaken voor minderjarige, gezonde kinderen in het huishouden, voor zover deze taken noodzakelijk zijn om een gestructureerd huishouden te kunnen voeren en de ouder door beperkingen niet in staat is deze zelf te verrichten, terwijl gebruikelijke hulp en het sociaal netwerk ontoereikend zijn. Kindzorg in de zin van deze beleidsregels omvat uitsluitend praktische ondersteuning, zoals: •hulp bij basale dagelijkse verzorging (zoals aankleden, broodmaaltijd verzorgen, naar bed brengen); •toezicht passend bij de leeftijd; •brengen en halen binnen de persoonlijke levenssfeer (bijvoorbeeld naar school of sport), voor zover dit niet door gebruikelijke hulp of algemene/kinderopvangvoorzieningen kan worden overgenomen. Kindzorg op grond van de Wmo 2015 betreft geen jeugdhulp. Pedagogische ondersteuning, behandeling, begeleiding van jeugdigen en opvoedondersteuning vallen onder de Jeugdwet of, bij intensieve kindzorg, de Zorgverzekeringswet. Indien uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van bovengebruikelijke zorg voor een kind met beperkingen, wordt beoordeeld of deze zorg (overwegend) onder de Jeugdwet, de Zvw of de Wlz valt. De Wmo‑kindzorg kan dan uitsluitend worden ingezet voor het huishoudelijke deel van de ondersteuning. Het college stemt de inzet van kindzorg op grond van de Wmo 2015 af met voorzieningen op grond van andere wetten conform artikel 2.3.5, vijfde lid, Wmo 2015. Afbakening Hulp bij het huishouden – hospice Indien een cliënt zonder Wlz‑indicatie palliatief terminale zorg ontvangt in een hospice of in de thuissituatie, kan het college, indien voldaan is aan de voorwaarden van de Wmo 2015, een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden verstrekken. Het feit dat de zorgvraag naar verwachting kortdurend is, vormt geen afwijzingsgrond. Ontvangt de cliënt palliatief terminale zorg in een hospice dat (deels) wordt bekostigd uit algemene middelen (bijvoorbeeld giften) en worden huishoudelijke werkzaamheden reeds door of via het hospice aangeboden, dan kan het college de aanvraag om hulp bij het huishouden afwijzen voor zover deze ondersteuning al door het hospice wordt geboden. Indien de cliënt beschikt over een Wlz‑indicatie en palliatief terminale zorg ontvangt in een hospice of andere Wlz‑zorgsetting, valt hulp bij het huishouden onder de Wlz. Het college kan een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden weigeren op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015. Algemene uitgangspunten Eigen verantwoordelijkheid leefeenheid De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het voeren van het huishouden. Hieronder wordt mede verstaan het verrichten van huishoudelijke taken die in redelijkheid van de leden van de leefeenheid mogen worden verwacht, alsmede het bevorderen en in stand houden van een verantwoorde en hygiënische huishouding. De inzet van huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is uitsluitend bedoeld als aanvulling op de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de leefeenheid. Gebruikelijke hulp Huishoudelijke werkzaamheden die naar algemeen aanvaarde normen kunnen worden verricht door andere leden van de leefeenheid worden aangemerkt als gebruikelijke hulp. Voor deze werkzaamheden wordt in beginsel geen maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning toegekend; het college onderzoekt in elk individueel geval of cliënten ondanks deze gebruikelijke hulp nog beperkingen ondervinden die een maatwerkvoorziening noodzakelijk maken. In bepaalde situaties kan worden afgeweken van wat als gebruikelijke hulp van huisgenoten wordt verwacht. In die gevallen kan (tijdelijk) hulp bij het huishouden worden ingezet. Indien aanwezige huisgenoten niet (meer) leerbaar zijn om huishoudelijke taken (verder) aan te leren. Dit wordt per individueel geval beoordeeld. Ter voorkoming van crisis of ontwrichting in de verzorging en opvang van gezonde kinderen. Indien opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is, wordt eerst een beroep gedaan op voorliggende voorzieningen (zoals kinderopvang, buitenschoolse opvang of het sociaal netwerk). Deze voorliggende voorzieningen hebben in beginsel een verplichtend karakter. Als dergelijke voorzieningen feitelijk niet beschikbaar of niet toegankelijk zijn, hetgeen de gemeente moet onderzoeken, kan tijdelijke inzet van hulp bij het huishouden noodzakelijk zijn. Indien een huisgenoot van de zorgvrager vanwege werk fysiek afwezig is, kan dit invloed hebben op de vraag in hoeverre gebruikelijke hulp kan worden geleverd. Wanneer een huisgenoot gedurende aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen afwezig is en deze afwezigheid een verplichtend karakter heeft en inherent is aan het werk (bijvoorbeeld offshore-werk, internationaal vrachtverkeer of werkzaamheden in het buitenland), wordt die periode in beginsel beoordeeld als een éénpersoonshuishouden. In die periode kan geen gebruikelijke hulp door de afwezige huisgenoot worden geleverd. Bij afwezigheid van kortere duur of met een andere frequentie wordt steeds onderzocht in hoeverre de huisgenoot, gelet op de aard en planning van de werkzaamheden, feitelijk in staat is gebruikelijke hulp te bieden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen uitstelbare en niet‑uitstelbare taken, zoals nader uitgewerkt in deze beleidsregels. Redenen als ‘niet gewend zijn om huishoudelijk werk te doen’ of ‘geen huishoudelijk werk willen verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Alleen objectieve beperkingen waardoor het huishouden niet (meer) kan worden gevoerd, kunnen aanleiding geven tot ondersteuning. Wel kan er een tijdelijke indicatie worden gesteld voor maximaal 6 weken voor het aanleren van taken. Wanneer in redelijkheid kan worden verondersteld dat de huishoudelijke taken niet (meer) aan te leren zijn in verband met een gebrek aan leerbaarheid, dan kan huishoudelijke ondersteuning worden geïndiceerd voor huishoudelijke taken die anders tot de hulp zouden worden gerekend. Gebruikelijke hulp en dreigende overbelasting Gebruikelijke hulp is niet aan de orde indien bij de partner of andere huisgenoot sprake is van aantoonbare beperkingen of (dreigende) overbelasting waardoor de betreffende persoon redelijkerwijs de gebruikelijke taken niet (meer) kan verrichten. Bij het vaststellen van (dreigende) overbelasting onderzoekt het college de verhouding tussen draagkracht en draaglast van ieder afzonderlijk lid van de leefeenheid. Daarbij betrekt het college in ieder geval: •de lichamelijke en geestelijke conditie; •de aard en omvang van zorgtaken (Wmo, Jeugdwet, Zvw, Wlz); •de combinatie met betaalde arbeid of opleiding; •overige relevante sociale, emotionele en relationele factoren.-ndien (dreigende) overbelasting wordt gesteld of vermoed, vraagt het college – indien nodig – onafhankelijk medisch advies ter objectivering. Indien uit het onderzoek blijkt dat van een huisgenoot geen of minder gebruikelijke hulp kan worden verwacht wegens (dreigende) overbelasting, houdt het college hier rekening mee bij de beoordeling van de noodzaak en omvang van hulp bij het huishouden. Zo nodig worden ook taken overgenomen die normaal tot de gebruikelijke hulp behoren. Een indicatie die enkel is gericht op het voorkomen of verminderen van overbelasting wordt in beginsel voor kortdurende duur (3–6 maanden) afgegeven, met een herbeoordelingsmoment. Gebruikelijke hulp en bijdrage kinderen Het college onderzoekt of en in hoeverre van inwonende kinderen gebruikelijke hulp bij het huishouden kan worden verwacht, rekening houdend met leeftijd, ontwikkelingsfase, onderwijsbelasting en psychosociaal functioneren. Uitgangspunt is dat: •van kinderen jonger dan 5 jaar geen bijdrage wordt verwacht; •van kinderen van 5 tot en met 12 jaar lichte, eenvoudige taken worden verwacht (zoals opruimen, tafel dekken/afruimen, kleine boodschappen, was in de wasmand doen); •van kinderen van 13 tot en met 17 jaar daarnaast ook zwaardere taken worden verwacht, passend bij hun mogelijkheden (zoals stofzuigen, bedden verschonen, volledige boodschappen doen); •van alle huisgenoten van 18 jaar en ouder mag worden verwacht dat zij alle gebruikelijke huishoudelijke werkzaamheden kunnen uitvoeren, tenzij sprake is van aantoonbare beperkingen of (dreigende) overbelasting. De bijdrage van kinderen wordt zo vormgegeven dat deze niet leidt tot overbelasting of een onevenredige belemmering van hun opleiding en gezonde ontwikkeling. Indien uit het onderzoek blijkt dat van een kind (gedeeltelijk) niet kan worden verwacht dat het gebruikelijke hulp levert, wordt hiermee rekening gehouden bij de vaststelling van de benodigde maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Regie/organisatie, advies/instructie/voorlichting Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor extra tijd geïndiceerd worden. Advies-instructie-voorlichting heeft betrekking op het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Soms is het dan handig om de huishoudelijke hulp, die al langer bekend is, tijdelijk extra uren te geven. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van Wmo-begeleiding. Algemeen gebruikelijke voorzieningen In het hoofdstuk 2.2.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen wordt een toelichting gegeven. Het college beschouwt het (structureel) inkopen van hulp bij het huishouden niet als algemeen gebruikelijke voorziening. De kosten en het structurele karakter daarvan passen naar geldende maatschappelijke opvattingen niet in een normaal bestedingspatroon, ook niet voor een persoon met een inkomen op minimumniveau. Bij de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte in het huishouden beschouwt het college in de regel onder meer de volgende voorzieningen als algemeen gebruikelijk, voor zover zij voldoen aan de vier genoemde criteria: boodschappendienst, maaltijdservice, klussendienst, tuinonderhoud, glazenwasser, kreuk-/strijkvrije kleding, hondenuitlaatservice, gastouderopvang en kinderopvang (incl. BSO). Het college toetst per type voorziening periodiek of deze naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen financieel gangbaar is. Gemeenschappelijke ruimten Indien personen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimten gebruiken, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van deze ruimten bij uitval van één van de leden wordt overgenomen door de overige leden van de leefeenheid, voor zover dit redelijkerwijs van hen kan worden verwacht gelet op hun leeftijd, gezondheid en belastbaarheid. Maatwerk en individuele beoordeling Bij de beoordeling van de aanvraag wordt steeds uitgegaan van een individuele situatie, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden, beperkingen en mogelijkheden van de zorgvrager en de overige leden van de leefeenheid, conform het maatwerkbeginsel zoals bedoeld in de Wmo 2015. 4.1.3. Omvang van de huishoudelijke ondersteuning Omvang en ruimtes in de woning Bij de vaststelling van de omvang van hulp bij het huishouden gaat het college uit van het realiseren en behouden van een schoon en leefbaar huis. De grootte van de woning is op zichzelf geen reden voor meer of minder uren. Het college bepaalt de benodigde tijd op basis van: •de bewoningsgraad van het huishouden en •de aard van de woning (bijvoorbeeld appartement/seniorenwoning of eengezinswoning). Het college sluit geen ruimten of taken op voorhand uit. Per individueel geval wordt beoordeeld welke ruimten en werkzaamheden noodzakelijk zijn om te komen tot een schoon en leefbaar huis. Voor vakantiewoningen, tweede woningen en andere niet als hoofdverblijf gebruikte verblijven wordt in beginsel geen hulp bij het huishouden verstrekt. Normenkader Het college bepaalt per cliënt welke indicatie (in minuten per week) noodzakelijk is om de resultaten te bereiken. Het college past het meest actuele Normenkader huishoudelijke ondersteuning van bureau HHM toe om de omvang van de huishoudelijke ondersteuning te bepalen. Dat normenkader maakt integraal deel uit van deze beleidsregels. Het normenkader wordt als uitgangspunt gehanteerd. Indien toepassing van het normenkader, gelet op de individuele situatie en beperkingen van de cliënt, niet leidt tot een passende bijdrage in de zin van artikel 2.3.5 Wmo 2015, wijkt het college hiervan gemotiveerd af. Het normenkader dat op dit moment actueel is, is te vinden op: Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 - bureau HHM 4.2 Vervoer 4.2.1 Inleiding De gemeente Dongen ondersteunt inwoners met een beperking bij het zich verplaatsen binnen de directe leefomgeving, zodat zij kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Vervoer is daarbij een middel en geen doel op zich. Bij een vervoersvraag beoordeelt het college eerst in hoeverre de inwoner in de vervoersbehoefte kan voorzien op eigen kracht, met hulp van het sociale netwerk of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen en andere wettelijke voorzieningen (zoals Zvw, Wlz of Participatiewet). Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende zijn om deelname aan het maatschappelijk leven te realiseren, kan een passende maatwerkvoorziening vervoer worden verstrekt. De ondersteuning richt zich op noodzakelijke verplaatsingen binnen de lokale leefomgeving die in redelijkheid nodig zijn voor zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. De omvang van de voorziening is niet onbeperkt, maar afgestemd op de individuele vervoersbehoefte. 4.2.2 Afbakening andere wetten Vervoer van en naar een zorgverlener of zorginstelling dat onder het ziekenvervoer van de Zorgverzekeringswet valt, wordt vergoed door de zorgverzekeraar. Als de cliënt aanspraak kan maken op zittend ziekenvervoer, wordt geen maatwerkvoorziening vervoer op grond van de Wmo verstrekt voor die ritten. Bij cliënten met een Wlz‑indicatie kan het college een Wmo‑maatwerkvoorziening weigeren, omdat vervoer dan in beginsel onder de Wlz valt. Uitzonderingen voor hulpmiddelen en collectief vervoer worden beoordeeld conform de landelijke afbakeningskaders. Vervoer van en naar jeugdhulp valt onder de Jeugdwet. Vervoer van en naar school valt – indien aan de voorwaarden is voldaan – onder het leerlingenvervoer op grond van de Verordening leerlingenvervoer. Voor deze vervoersdoelen wordt geen Wmo‑voorziening verstrekt. Voor bovenregionaal sociaal‑recreatief vervoer is het landelijk systeem Valys aangewezen. Hiervoor bestaat geen Wmo‑compensatieplicht. Het college verwijst de cliënt naar Valys; lokaal/regiovervoer blijft een verantwoordelijkheid van de gemeente. Voor vervoer dat samenhangt met werk, reintegratie, inburgering of scholing kan (mede) een beroep worden gedaan op voorzieningen vanuit werk en inkomen (Participatiewet/werkgever). Het college onderzoekt deze mogelijkheden en stemt de Wmo‑ondersteuning daarop af. 4.2.3 Specifieke vervoersdoelen Een maatwerkvoorziening voor vervoer heeft tot doel de cliënt zodanig te ondersteunen dat hij, ondanks zijn beperkingen, in redelijke mate kan deelnemen aan het leven van alledag. Daaronder wordt verstaan dat de cliënt mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen (aanvaardbare maatschappelijke participatie). Bij het bepalen van de omvang van de vervoersvoorziening wordt uitgegaan van verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving tot maximaal 25 kilometer vanaf de woning, met een bandbreedte van 1.500 kilometer per jaar. 4.2.4 Collectief vervoer Het collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi) is een maatwerkvoorziening voor inwoners met beperkingen die zich niet zelfstandig met het reguliere openbaar vervoer of eigen middelen kunnen verplaatsen binnen de lokale en regionale leefomgeving. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om cliënten met deze voorziening in aanvaardbare mate te laten participeren (1.500 km per jaar, binnen een straal van 25 km vanaf de woning). In aanvulling op de geldende regels rondom collectief vervoer hanteert het college een versneld beleid voor inwoners vanaf 80 jaar. Bij een melding van een inwoner die de leeftijd van 80 jaar heeft bereikt en woonachtig is in de gemeente Dongen, vindt door een medewerker van Team Toegang een verkort onderzoek plaats naar de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en de mogelijkheden om zich zelfstandig te verplaatsen. Daarbij wordt beoordeeld of het gebruik van collectief vervoer, gelet op de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van de inwoner, als passende ondersteuning noodzakelijk is. Een uitgebreid onderzoek door een Wmo-consulent is hierbij in beginsel niet noodzakelijk. Indien uit het verkorte onderzoek blijkt dat de inwoner niet in aanmerking komt voor collectief vervoer, kan de melding (op verzoek van inwoner) worden geregistreerd op de wachtlijst voor een nader onderzoek door een Wmo-consulent. Deze 80+‑regeling laat onverlet dat: •inwoners jonger dan 80 jaar in aanmerking kunnen komen voor collectief vervoer op grond van hun beperkingen; en •het college het recht behoudt om in individuele gevallen af te wijken van de 80+‑regeling, indien uit onderzoek blijkt dat collectief vervoer geen passende of noodzakelijke bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie van de betrokkene. De gebruiksvoorwaarden, het vervoersgebied en de overige bepalingen uit de Verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen blijven onverkort van toepassing op gebruikers die op grond van deze paragraaf toegang krijgen tot het collectief vervoer. 4.2.5 Individuele vervoersvoorzieningen Een cliënt kan voor een individuele vervoersvoorziening in aanmerking komen indien: •hij beperkingen heeft waardoor hij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen (waaronder collectief vervoer) voldoende kan participeren; •uit het onderzoek blijkt dat collectief vervoer (regiotaxi) voor deze cliënt geen passende of toereikende oplossing is. Een individuele vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt als gemotiveerd is dat collectief vervoer, al dan niet in combinatie met andere voorzieningen, de vervoersbehoefte niet voldoende compenseert. Scootmobiel Een scootmobiel is een gehandicaptenvoertuig bedoeld voor verplaatsingen over de korte en middellange afstand. De voorziening is gericht op het mogelijk maken van lokaal en regionaal vervoer, als aanvulling op andere vervoersmogelijkheden, zodat de cliënt in aanvaardbare mate kan participeren. Een scootmobiel kan als maatwerkvoorziening worden verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat: •de cliënt vanwege beperkingen niet (meer) in staat is zich over korte/middellange afstanden zelfstandig te verplaatsen; •het openbaar vervoer, lopen, fiets of andere (algemene of algemene gebruikelijke) voorzieningen onvoldoende zijn; en •collectief vervoer (regiotaxi) alleen niet toereikend of niet passend is om de vervoersbehoefte te compenseren. Bij de beoordeling van de noodzaak van een scootmobiel hanteert het college als indicator dat de cliënt niet in staat is om, al dan niet met loophulpmiddel, ongeveer 100 meter aaneengesloten te lopen. De genoemde loopafstand geldt niet als absolute voorwaarde. Het college beoordeelt steeds de individuele omstandigheden van de cliënt, waaronder de medische belastbaarheid, de frequentie van het noodzakelijke vervoer en de aard van de maatschappelijke participatie. Het college kan, indien dit voor een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie noodzakelijk is, van de genoemde loopafstand afwijken. Bij de beoordeling wordt tevens betrokken of het gebruik van een scootmobiel geen anti‑revaliderend effect heeft. De medische noodzaak wordt vastgesteld op basis van objectieve medische informatie. De cliënt moet in staat zijn de scootmobiel veilig te bedienen. Bij risico’s (bijvoorbeeld door alcohol- of medicijngebruik) wordt beoordeeld of veilig gebruik mogelijk is, eventueel met aanvullende voorwaarden (zoals training) Voor verstrekking is vereist dat een geschikte stallingsruimte beschikbaar is of kan worden gerealiseerd, die overdekt en afsluitbaar is, voldoende geventileerd (bij natte accu’s) en beschikt over een veilige oplaadmogelijkheid. Het college onderzoekt eerst of in of bij de woning van cliënt een bruikbare stalling aanwezig is of met eenvoudige middelen kan worden gerealiseerd (eigen kracht/herinrichting). Indien dat niet mogelijk is en de scootmobiel de goedkoopst compenserende voorziening is, zorgt het college voor een passende stallingsvoorziening (bouw/aanpassing/huur), voor zover dat de goedkoopst compenserende oplossing is. Brandveiligheid en regels van verhuurder/VvE worden altijd meegewogen. De gemeente verstrekt in beginsel een scootmobiel met een standaard accu/actieradius die past binnen gebruikelijke marktstandaarden (bijvoorbeeld 25–35 km). Een grotere accu is in beginsel een wens en geen recht, tenzij de noodzaak objectief wordt aangetoond. Een grotere accu of extra grote actieradius wordt alleen verstrekt als uit zorgvuldig onderzoek (incl. medische en praktische onderbouwing) blijkt dat: de cliënt met de standaardactieradius niet voldoende kan deelnemen aan het leven van alledag, én deze behoefte niet op een andere, goedkoper compenserende manier kan worden opgelost (bijvoorbeeld combinatie met regiotaxi/andere vervoersvoorzieningen). Driewielfiets Het college kan een driewielfiets als individuele vervoersvoorziening verstrekken aan cliënten die door hun lichamelijke beperking niet (meer) veilig kunnen fietsen op een reguliere fiets, maar voor wie fietsen in de directe woonomgeving een passende bijdrage levert aan hun zelfredzaamheid en participatie. Een inwoner komt alleen in aanmerking voor een driewielfiets indien: sprake is van aantoonbare balans- of andere fysieke problemen waardoor een gewone (al dan niet elektrische) fiets niet (meer) veilig of verantwoord gebruikt kan worden; en het gebruik van de driewielfiets gericht is op lokaal vervoer in de leefomgeving (bijvoorbeeld boodschappen doen, bezoek aan familie/vrienden, verenigings‑ of andere maatschappelijke activiteiten). Een driewielfiets wordt niet verstrekt als deze uitsluitend nodig is voor een therapeutisch/medisch trainingsdoel, omdat daarmee de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie niet worden gecompenseerd. De driewielfiets wordt beoordeeld in samenhang met andere vervoersvoorzieningen. Indien collectief vervoer of andere, goedkopere voorzieningen de vervoersbeperkingen al voldoende compenseren, wordt geen driewielfiets verstrekt. De cliënt is in beginsel zelf verantwoordelijk voor het (doen) realiseren van geschikte stallingsmogelijkheden voor de driewielfiets. Stalling van een (driewiel)fiets wordt in het algemeen als een voor cliënten gebruikelijke voorziening beschouwd. -Autoaanpassing Een auto‑aanpassing is een maatwerkvoorziening in de vorm van specifieke, niet‑algemeen gebruikelijke voorzieningen aan een (eigen) auto, die noodzakelijk zijn zodat de cliënt de auto kan gebruiken voor lokaal en regionaal vervoer ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie. Autoaanpassingen kunnen worden verstrekt als uit het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015 blijkt dat: •de cliënt zonder aanpassingen geen of onvoldoende gebruik kan maken van de auto; en •het collectief vervoer en andere (algemene of algemeen gebruikelijke) vervoersvoorzieningen, al dan niet in combinatie, geen passende en goedkoopst compenserende oplossing bieden. Bij auto‑aanpassingen gaat het uitsluitend om voorzieningen die specifiek bestemd zijn voor personen met een beperking en die de gebruikelijke uitvoering van een auto overstijgen (bijvoorbeeld handbediening, aangepaste stoel, oprijvoorziening). Voorzieningen als stuurbekrachtiging, automatische versnellingsbak of cruise control worden als algemeen gebruikelijk aangemerkt en komen niet voor vergoeding in aanmerking. Bij de beoordeling wordt betrokken: •de technische staat en leeftijd van de auto; •de verwachting dat de auto na aanpassing nog minimaal 5 jaar veilig kan worden gebruikt (redelijke levensduurtermijn). Het is redelijk dat de cliënt aantoont dat de auto de investering waard is (bijvoorbeeld via recente APK/waardebepaling). Ook kan als richtlijn worden gebruikt: •Leeftijd van de auto; •Kilometerstand; •Onderhoudstoestand en -historie De gemeente Dongen gaat uit van een afschrijvingstermijn van 5 jaar voor autoaanpassingen. Wanneer er sprake is van uitval van de auto binnen 5 jaar, vindt er altijd een nieuw Wmo‑onderzoek plaats (artikel 2.3.2 Wmo 2015; onderzoek naar vervoersbehoefte, alternatieven en goedkoopst passende voorziening). In beginsel wordt een hernieuwde verstrekking van autoaanpassingen binnen 5 jaar geweigerd als: •de eerdere aanpassing nog niet is afgeschreven én •het verlies van de auto aan de cliënt is toe te rekenen of de aanpassing nog bruikbaar/verplaatsbaar is; •dat het college kan afwijken bij onvoorziene, niet‑verwijtbare omstandigheden. 4.2.6 Weigeringsgronden en uitzonderingen Het college past de bestaande in de verordening en Wmo 2015 genoemde weigeringsgronden toe op de vervoersvoorzieningen. 4.5. Hulpmiddelen 4.5.1 Rolstoelvoorzieningen -Begripsbepaling Een rolstoelvoorziening is een maatwerkvoorziening in de zin van de Wmo 2015, gericht op het zittend of liggend verplaatsen in en om de woning, teneinde beperkingen in de algemeen dagelijkse levensverrichtingen en/of het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer te compenseren. Een rolstoel wordt slechts overwogen indien het verplaatsingsprobleem niet kan worden opgelost met loophulpmiddelen of andere hulpmiddelen uit de Zorgverzekeringswet. -Categorieën Het college onderscheidt de volgende rolstoelvoorzieningen: •handmatig voortbewogen rolstoel; •elektrisch voortbewogen rolstoel; •aanpassingen aan een rolstoel. De keuze voor type voorziening volgt steeds uit het individuele onderzoek naar de beperkingen en mogelijkheden van de cliënt. a. handmatig voortbewogen rolstoel Een handbewogen rolstoel is een rolstoelvoorziening in de zin van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024 en wordt onderscheiden van de elektrisch voortbewogen rolstoel en van vervoersvoorzieningen. De handbewogen rolstoel is in beginsel bedoeld voor dagelijks gebruik in en om de woning; voor incidenteel of kortdurend gebruik kan de cliënt gebruikmaken van de uitleenservice. Bij de keuze van de goedkoopst compenserende handbewogen rolstoel betrekt het college ten minste: het beoogde gebruik (frequentie, duur en omgeving), de voortbewegingsmogelijkheden van de cliënt (arm-/handfunctie, rompbalans, uithoudingsvermogen), de zithouding, lichaamsmaten en de noodzakelijke aanpassingen. • elektrisch voortbewogen rolstoel Een elektrische rolstoel is een rolstoelvoorziening in de zin van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024 en wordt onderscheiden van vervoersvoorzieningen zoals de scootmobiel. Het college kan een elektrische rolstoel verstrekken aan een cliënt voor wie een handbewogen rolstoel of trippelstoel, gelet op kracht, uithoudingsvermogen en functiebeperkingen, geen adequate oplossing biedt om zich in en om de woning te verplaatsen. Elektrische rolstoelen worden onderscheiden in: •elektrische rolstoel voor binnengebruik; •elektrische rolstoel voor binnen‑ en buitengebruik; •elektrische rolstoel voor buitengebruik. De keuze sluit aan bij het gebruiksgebied en de activiteiten van de cliënt. Bij de selectie van de goedkoopst compenserende elektrische rolstoel wordt ten minste gekeken naar: gebruik (frequentie, duur en doel), gebruiksgebied, aandrijving en besturing, zithouding, meeneembaarheid en lichaamsmaten. Individueel noodzakelijke aanpassingen (adaptaties) aan de elektrische rolstoel maken onderdeel uit van de maatwerkvoorziening, voor zover deze nodig zijn om de voorziening adequaat te laten zijn. c. aanpassingen aan een rolstoel Onder aanpassingen worden verstaan extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar die noodzakelijk zijn voor een adequate, veilige en doelmatige ondersteuning. Accessoires die alleen comfort of gemak verhogen, worden in beginsel niet vergoed. -Kortdurend gebruik en Wlz Bij kortdurend of incidenteel gebruik wordt in beginsel verwezen naar de uitleenservice via de Zorgverzekeringswet. De afbakening met de Wlz wordt beoordeeld conform artikel 2.3.5 lid 6 en artikel 8.6a Wmo 2015 (rolstoelen voor bepaalde Wlz‑gerechtigden). -Verwijtbare schade aan hulpmiddelen 1.Het college verbindt aan besluiten tot verstrekking van hulpmiddelen in natura de voorwaarde dat de cliënt: a.het hulpmiddel gebruikt overeenkomstig de bestemming en de gebruiksaanwijzing; b.zorgvuldig omgaat met het hulpmiddel; c.beschadiging, verlies of diefstal onverwijld aan het college of de leverancier meldt. 2.Schade aan een hulpmiddel die het gevolg is van opzet, grove nalatigheid of oneigenlijk gebruik door de cliënt of diens huisgenoten wordt door het college aangemerkt als: a.het niet voldoen aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel d, Wmo 2015 en artikel 18, derde lid, onderdeel 5, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024; en/of b.het niet of voor een ander doel gebruiken van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel e, Wmo 2015 en artikel 18, derde lid, onderdeel 6, van die Verordening. In deze gevallen kan het college besluiten de maatwerkvoorziening te herzien of in te trekken, met inachtneming van artikel 2.3.10 Wmo 2015 en artikel 18 van de Verordening. 4.5.2 Sportvoorziening -Begripsbepaling Onder een sportvoorziening wordt verstaan: een hulpmiddel of aanpassing, niet zijnde een algemeen gebruikelijke voorziening, dat noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen een sport te beoefenen, waarmee hij kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. -Voorwaarden Het college kan een sportvoorziening als maatwerkvoorziening verstrekken indien: a.de cliënt beperkingen ondervindt bij participatie als bedoeld in art. 2.3.5 Wmo 2015; b.de cliënt zonder sportvoorziening niet of niet in aanvaardbare mate kan deelnemen aan sportbeoefening die bijdraagt aan maatschappelijke participatie; c.de sportvoorziening niet algemeen gebruikelijk is en de cliënt het participatieprobleem niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan oplossen; d.de kosten van de sportvoorziening aanzienlijk hoger zijn dan de kosten die een persoon zonder beperking voor dezelfde of vergelijkbare sport heeft; e.de cliënt aannemelijk maakt dat sprake is van actieve sportbeoefening. -Afbakening Geen voorziening wordt verstrekt: a.voor sporten op (sub)topniveau; b.indien de voorziening uitsluitend een therapeutisch doel dient (bijvoorbeeld “meer bewegen” op advies fysiotherapeut); c.indien met een algemeen gebruikelijke of eenvoudiger voorziening (bijvoorbeeld reguliere e‑bike) of met inzet van vrijwilligers/aanwezig personeel bij de sportaanbieder een passende bijdrage kan worden geleverd. 4.6. Woonvoorzieningen 4.6.1 Inleiding De woonvoorzieningen binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn erop gericht om inwoners met beperkingen in staat te stellen hun woning op een veilige en functionele wijze te gebruiken, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en participeren in de samenleving. Een woonvoorziening kan bestaan uit een roerende voorziening of een woningaanpassing en wordt uitsluitend verstrekt indien deze noodzakelijk is ter compensatie van beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij wordt uitgegaan van de elementaire woonfuncties die voor het dagelijks leven noodzakelijk zijn. 4.6.2 Afbakening Onder normaal gebruik van de woning wordt verstaan: het kunnen slapen, zich kunnen wassen, gebruik kunnen maken van het toilet, het bereiden en gebruiken van maaltijden en zich kunnen verplaatsen in de woning; voor kinderen komt daar veilig kunnen spelen bij. Hobby-, studie- en therapieruimten vallen hier niet onder. De cliënt moet zijn hoofdverblijf hebben of gaan hebben in de woning; voor andere woonruimten kunnen alleen in uitzonderingsgevallen voorzieningen voor ‘bezoekbaar maken’ worden verstrekt. 4.6.3 Bouw- en veiligheidsregels bij woonvoorzieningen •Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening uitsluitend indien de beoogde voorziening bouwkundig en technisch realiseerbaar is in de betreffende woning. •Woonvoorzieningen worden slechts gerealiseerd indien zij voldoen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de algemene bouw- en veiligheidsvoorschriften (zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving en eventueel vereiste omgevingsvergunningen), brandveiligheidsvoorschriften en de geldende eisen van constructieve veiligheid en toegankelijkheid. •Het college beoordeelt vooraf of de voorgestelde woonvoorziening veilig, doeltreffend en geschikt is voor het beoogde gebruik. Indien nodig wint het college deskundig (bouwkundig) advies in. •Voor woonvoorzieningen die worden gerealiseerd met een persoonsgebonden budget geldt dat de cliënt verplicht is een voorziening te (laten) realiseren die voldoet aan de in dit artikel genoemde eisen. Het college kan het pgb weigeren of aanpassen indien de beoogde voorziening naar het oordeel van het college niet veilig, niet doelmatig of niet geschikt is. •Voor technische voorzieningen zoals trapliften en woonhuisliften geldt dat deze moeten worden geleverd, geplaatst en onderhouden door ter zake kundige en (indien vereist) gecertificeerde leveranciers. Het college draagt bij voorzieningen in natura zorg voor noodzakelijk onderhoud, reparatie en periodieke keuring. •De kosten van voor de woonvoorziening noodzakelijke omgevingsvergunning(en) en de bijbehorende leges worden tot de maatwerkvoorziening gerekend. 4.6.4 Voorzieningen in algemene ruimten van wooncomplexen Deze beleidsregel ziet op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen die betrekking hebben op de algemene ruimten van wooncomplexen, zoals entrees, portieken, galerijen, gezamenlijke hallen en gangen. Het college verstrekt uitsluitend individuele maatwerkvoorzieningen aan de cliënt. Aanvragen door verhuurders, VvE’s of andere rechtspersonen worden niet in behandeling genomen. Een voorziening in een algemene ruimte wordt alleen verstrekt als: •Deze noodzakelijk is voor het bereiken of gebruiken van de woning, en •Geen passende algemeen gebruikelijke of andere oplossing beschikbaar is, en •Verhuizen naar een geschikte woning geen reëel of geen goedkoopst compenserend alternatief is. Dat andere bewoners de voorziening mede kunnen gebruiken, doet niet af aan het individuele karakter van de maatwerkvoorziening. Voorzieningen die naar hun aard tot de basisuitrusting van een (doelgroep)gebouw behoren (bijvoorbeeld een goed toegankelijke entree, lift, voldoende brede doorgangen) worden in beginsel als verantwoordelijkheid van de eigenaar beschouwd. Het college kan deze voorzieningen in beginsel weigeren, mits in het individuele geval nog steeds sprake is van adequate compensatie (bijvoorbeeld via verhuizing of een andere maatwerkvoorziening). Voordat een voorziening in of aan een algemene ruimte wordt getroffen, hoort het college de eigenaar/VvE. In het besluit legt het college vast wie verantwoordelijk is voor beheer, onderhoud, vervanging en eventuele verwijdering van de voorziening. 4.6.5 Weigeringsgronden •Geen woonvoorziening wordt verstrekt als en voor zover de beperking kan worden gecompenseerd via de Wlz (verblijf), Zvw of Jeugdwet; voor thuiswonende Wlz-gerechtigden blijft de gemeente wél verantwoordelijk voor hulpmiddelen en woningaanpassingen (art. 8.6a Wmo 2015). •Als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; •Ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; •Als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. •Voor woningen die speciaal bedoeld zijn voor een bepaalde doelgroep, is de eigenaar er verantwoordelijk voor dat de ruimten geschiktheid zijn voor de doelgroep. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; •Als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; •Als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; •Indien de woning zodanig gebrekkig is of zodanig niet voldoet aan de geldende bouw- of veiligheidsvoorschriften, dat het treffen van een woonvoorziening niet doelmatig is. •Als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Het college onderzoekt feitelijk welke meerkosten dit zijn; 4.6.6 Alternatieve compensatie bij weigeringsgrond Indien het college een aanvraag voor een woonvoorziening afwijst op grond van artikel 9 lid 5 van de Verordening, onderzoekt het college steeds of met een andere maatwerkvoorziening alsnog een passende bijdrage kan worden geleverd aan het realiseren van een situatie waarin cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Als mogelijke alternatieven onderzoekt het college in ieder geval: a.een voorziening voor verhuizing en inrichting (verhuiskostenvergoeding); b.het (doen) betrekken van een meer geschikte woning; c.andere, minder ingrijpende woonvoorzieningen die wel toegestaan zijn (bijvoorbeeld binnen de woning in plaats van in de gemeenschappelijke ruimte). Indien geen alternatieve maatwerkvoorziening wordt verstrekt, motiveert het college in het besluit uitdrukkelijk waarom geen andere voorziening een passende bijdrage kan leveren en waarom toepassing van de hardheidsclausule niet aan de orde is. 4.6.7 Duur Materiële woonvoorzieningen die in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden in beginsel toegekend voor een periode van zeven jaar. Deze periode sluit aan bij de gebruikelijke economische afschrijvingstermijn en wordt in de beschikking vastgelegd. Indien uit objectieve gegevens (zoals informatie van leverancier/fabrikant of branchegegevens) blijkt dat een specifieke woonvoorziening een langere economische afschrijvingstermijn heeft, kan het college, na individueel onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, een langere duur vaststellen. Het college onderbouwt in het besluit de gekozen duur aan de hand van: a.de technische/ economische levensduur van de voorziening; en b.de naar verwachting langdurige noodzakelijkheid voor de cliënt. Het feit dat de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken sluit een nieuwe voorziening in beginsel uit, tenzij: a.de eerdere voorziening buiten toedoen van de cliënt verloren is gegaan, of b.uit heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo 2015 blijkt dat de voorziening niet meer passend of toereikend is. In dat geval beoordeelt het college opnieuw de noodzaak van een (nieuwe) voorziening. 4.6.8 Eigendom en toestemming •Indien het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing verstrekt in een woning waarvan de cliënt niet de eigenaar is, is het college of de cliënt bevoegd de woningaanpassing zonder toestemming van de eigenaar aan te (doen) brengen, conform artikel 2.3.7 Wmo 2015. •Bij woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten van koopappartementen is toestemming van de VvE vereist. Indien de VvE geen toestemming geeft, wijst het college de cliënt op de mogelijkheid om vervangende toestemming te vragen bij de kantonrechter (artikel 5:121 BW). •Roerende woonvoorzieningen in natura, zoals trapliften in bruikleen en losse tilliften, blijven in eigendom van of namens de gemeente. Het college draagt zorg voor noodzakelijk onderhoud, keuring en reparatie. •Bouwkundige woningaanpassingen worden onderdeel van de woning en zijn in eigendom van de woningeigenaar. Bij beëindiging van het gebruik van de woning is het college niet gehouden de aanpassing te verwijderen, tenzij in de beschikking uitdrukkelijk anders is bepaald. 4.6.9 Bezoekbaar maken van een woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het treffen van voorzieningen waardoor de cliënt toegang heeft tot de woning, gebruik kan maken van één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en van het toilet. Er worden geen voorzieningen verstrekt die zijn gericht op logeren of op het realiseren van elementaire woonfuncties buiten de eigen hoofdverblijfwoning. Indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz‑instelling, kan het college één woning binnen de gemeente Dongen waar de cliënt regelmatig op bezoek komt, bezoekbaar maken. Indien een kind met een beperking thuis woont in een (reeds) aangepaste woning en de ouders gescheiden zijn, kan het college de woning van de ouder waar het kind op bezoek komt, bezoekbaar maken. Het college onderzoekt steeds of het bezoekbaar maken noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te participeren, mede in het licht van eventuele mogelijkheden dat naasten de cliënt bezoeken of elders ontmoeten. 4.6.10 Primaat van verhuizen Het college hanteert bij grote woningaanpassingen het primaat van verhuizen. Dit betekent dat een voorziening voor verhuizing en inrichting (verhuiskostenvergoeding) voorrang heeft op het aanpassen van de huidige woning, als verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is en een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Bij de toepassing van het primaat van verhuizen verricht het college een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015. Dit onderzoek omvat in ieder geval: •de beperkingen van cliënt; •de bouw- en woontechnische kenmerken van de huidige woning; •de aanwezigheid en beschikbaarheid van passende of eenvoudig aanpasbare woningen binnen medisch aanvaardbare termijn; •een integrale kostenvergelijking tussen woningaanpassing en verhuizen (inclusief eventuele aanpassing nieuwe woning en huurderving); •de relevante individuele omstandigheden, waaronder sociale omstandigheden, mantelzorg, werksituatie, woonlasten, wooncomfort, de huurder/ eigenaarssituatie en de bereidheid van cliënt om te verhuizen. Van een grote woningaanpassing is sprake als de geraamde aanpassingskosten de in het Besluit vastgestelde primaatgrens overschrijden. Het college kan op grond van artikel 4:84 Awb afwijken van dit uitgangspunt als dit, gelet op de individuele omstandigheden, tot onevenredige gevolgen zou leiden (zwaarwegende omstandigheden zoals zeer hoge woonlastenstijging, verlies van essentieel mantelzorgnetwerk, medische/psychische contra‑indicatie, geringe kostenverschillen). 4.7. Begeleiding en dagopvang Onder begeleiding wordt verstaan: ondersteuning bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur en regie in het persoonlijk leven. Onder dagopvang wordt verstaan: het bieden van een zinvolle en/of prettige daginvulling in groepsverband aan inwoners die wegens een ziekte, beperking of hoge leeftijd aangewezen zijn op professionele dagopvang en die deze ondersteuning op andere wijze kunnen verkrijgen. Als uitzondering op artikel 3.2, 3.3 en 3.4 wanneer de maatwerkvoorziening Wmo begeleiding of dagopvang betreft en de inwoner kiest voor ZiN: •Stelt de consulent/toegangsmedewerker/dorpsteam na het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 vast of eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk, algemene en andere voorzieningen ontoereikend zijn en een maatwerkvoorziening noodzakelijk is; •Legt de consulent/toegangsmedewerker deze beslissing vast in een besluit van het college (DAT-besluit) waarin wordt bepaald dat de cliënt in aanmerking komt voor begeleiding en/of dagopvang en wordt verwezen naar het samenwerkingsverband. Na het DAT-besluit vindt een gesprek plaats tussen cliënt en een contactpersoon van het samenwerkingsverband. In een ondersteuningsplan worden per relevant leefdomein de huidige situatie, de doelen en de te behalen resultaten beschreven. Op basis van deze doelen en resultaten bepaalt het samenwerkingsverband, namens het college en binnen het mandaat als bedoeld in artikel 2.6.3 van de Wmo 2015, de aard en omvang van de ondersteuning. Het door het samenwerkingsverband en de cliënt ondertekende ondersteuningsplan geldt als beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb en artikel 2.3.5 van de Wmo 2015. 4.8. Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding, in het vervolg genoemd OAD, zijn trajecten die gericht zijn op het realiseren van een maximale ontwikkeling op het gebied van participatie. Het gaat om participatie in de breedste zin; van een opleiding tot activering, en (vrijwilligers) werk. De trajecten kennen de volgende onderdelen: •Een integraal, op maat, plan van aanpak, op basis van een goede oriëntatie op wat de inwoner kan en wil; •Gerichte trajectbegeleiding om te sturen op de met de inwoner geformuleerde doelen. De trajectbegeleider volgt de inwoner gedurende het proces en regisseert de stappen; •Inzet op een passende dagbestedingsplek om of te kunnen groeien in de ontwikkeling of de ontwikkeling te stabiliseren en langdurig te ondersteunen Als uitzondering op artikel 3.2, 3.3 en 3.4 wanneer de maatwerkvoorziening OAD betreft en de inwoner kiest voor ZiN, dan geldt dat: •De consulent of toegangsmedewerker bepaalt dat voorliggende voorzieningen onvoldoende zijn en een Wmo voorziening ingezet kan worden. De consulent of toegangsmedewerker verstrekt hiervoor een zogenaamd ‘DAT-besluit’, waarmee de inwoner verwezen wordt naar het samenwerkingsverband Wmo; •Als vastgesteld is dat er een maatwerkwerkvoorziening nodig is er een gesprek plaatsvindt met een contactpersoon van het samenwerkingsverband Wmo. In het ondersteuningsplan wordt per leefdomein in kaart gebracht wat de bestaande situatie van de inwoner is en wat de gewenste doelen en resultaten zijn; •Op basis van de gewenste doelen en resultaten wordt vastgesteld welke ondersteuning wordt ingezet en wat de aard en omvang hiervan is; •Het college het samenwerkingsverband Wmo heeft gemandateerd om vast te stellen welke omvang van de ondersteuning er noodzakelijk is om de gewenste doelen en resultaten te bereiken. Het door samenwerkingsverband en cliënt ondertekende ondersteuningsplan geldt als beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb en artikel 2.3.5 Wmo 2015. 4.9. Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg. Het is de tijdelijke en volledige overname van de zorg voor de cliënt met als doel de mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten en overbelasting te voorkomen of te verminderen. Kortdurend verblijf kan bijvoorbeeld worden vormgegeven via dagbesteding of logeeropvang. Bij een melding onderzoekt het college samen met de cliënt en de mantelzorger welke problemen worden ervaren, welke ondersteuning nodig is en in hoeverre eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk, vrijwilligers en algemene voorzieningen de problemen kunnen oplossen. Van cliënt en mantelzorger mag worden verwacht dat zij hierbij actief meedenken en, zo nodig met ondersteuning, meewerken aan het verkennen van deze mogelijkheden. Wanneer er sprake is van (dreigende) overbelasting van de mantelzorger kan het college een onafhankelijk (medisch) advies vragen ter onderbouwing van de besluitvorming. Respijtzorg (waaronder kortdurend verblijf) wordt onderscheiden van: •Maatregelen die nodig zijn om de mantelzorger zijn zorgtaken goed te laten uitvoeren (bijvoorbeeld informatie, advies, scholing of ondersteuning vanuit algemene voorzieningen); en •Maatschappelijke ondersteuning (al dan niet als maatwerkvoorziening) die de mantelzorger zelf nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid of participatie. In dat laatste geval is de mantelzorger zelf cliënt en wordt een afzonderlijke melding en Wmo-onderzoek uitgevoerd. Kortdurend verblijf op grond van de Wmo 2015 is alleen aan de orde voor cliënten zonder Wlz-indicatie. Is er een Wlz-indicatie, dan valt logeeropvang ter ontlasting van de mantelzorger onder Wlz. Gaat het om medisch noodzakelijk verblijf in verband met geneeskundige zorg (zoals eerstelijnsverblijf), dan valt het verblijf onder de Zorgverzekeringswet. Sommige zorgverzekeraars bieden (aanvullende) aanspraken op respijtzorg of kortdurend verblijf. Het college onderzoekt of een inwoner hiervan gebruik kan maken. Indien de verzekering een toereikende voorziening biedt, kan dat worden aangemerkt als eigen kracht en kan een Wmo-voorziening achterwege blijven. De inzet van kortdurend verblijf is afhankelijk van de individuele situatie van de inwoner en de mantelzorger en wordt altijd beoordeeld als maatwerkvoorziening. 4.10. Beschermd wonen Beschermd wonen is bedoeld voor inwoners met psychische of psychosociale problemen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en een beschermde woonomgeving met toezicht en begeleiding nodig hebben. Beschermd wonen is wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie en het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of gevaar. De gemeente Tilburg is als centrumgemeente, namens de gemeenten in de regio Hart van Brabant, verantwoordelijk voor de uitvoering van beschermd wonen. Het regionaal toegangsteam beschermd wonen voert de toegang tot en plaatsing in beschermd wonen uit. Hoofdstuk 5 Duur en evaluatie van de beschikking Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor een bepaalde duur die is afgestemd op de aard en de (verwachte) ontwikkeling van de beperkingen en de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Indien uit het onderzoek blijkt dat de beperkingen en ondersteuningsbehoefte naar verwachting niet of nauwelijks meer zullen wijzigen (medisch stabiele of progressieve situatie zonder reële kans op herstel), kan het college de maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden voor onbepaalde tijd verstrekken. Dit geldt in het bijzonder als de voorziening langdurig noodzakelijk is. Van langdurig noodzakelijk is sprake als de voorziening: •Noodzakelijk is om de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie te compenseren; en •Naar verwachting gedurende langere tijd, in elk geval langer dan de duur waarvoor op grond van de zorgverzekeringswet hulpmiddelen pleegden te worden uitgeleend (ten minste circa 26 weken), is aangewezen. In de beschikking wordt in ieder geval de ingangsdatum en de duur van de verstrekking opgenomen. Bij een voorziening voor onbepaalde tijd wordt dit in de beschikking expliciet vermeld. Het college onderzoekt op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 periodiek of er aanleiding is de beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb te heroverwegen. Daarbij wordt opnieuw onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 doorlopen. Indien uit periodiek onderzoek of anderszins blijkt dat de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen, de voorziening niet meer toereikend is of de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden, kan het college de beslissing herzien of intrekken op grond van artikel 2.3.10 van de Wmo 2015. De cliënt wordt in de beschikking gewezen op zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 om relevante wijzigingen in zijn situatie onverwijld aan het college door te geven. Hoofdstuk 6 Slotbepalingen 1.De beleidsregels hulp bij het huishouden 2021 worden ingetrokken. 2.De beleidsregels Wmo/jeugdwet gemeente Dongen 2016 worden ingetrokken. 3.De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2012 worden ingetrokken. 4.Het indicatieprotocol voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (versie november 2012) wordt ingetrokken. 5.De beleidsregels bijzondere bijstand voor kosten hulp bij het huishouden worden ingetrokken. 6.Aanvragen die voor inwerkingtreding zijn ingediend en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze beleidsregels, worden afgehandeld krachtens de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2026 en toepasselijke verordening. 7.Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking. 8.Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2026. Aldus besloten op 15 september 2026,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongende gemeentesecretarisde burgemeester Bijlage 1 Gebruikelijke zorg in relatie tot begeleiding Gebruikelijke hulp in relatie tot Begeleiding In het kader van de Wmo wordt onderzocht wat de partner, ouders, inwonende kinderen, inwonende ouders of andere huisgenoten van de inwoner kunnen bijdragen aan het wegnemen of verminderen van het participatie- of zelfredzaamheidsprobleem. Dit sluit aan bij wat in de samenleving gebruikelijk is, namelijk dat mensen die als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren, elkaar in voorkomend geval helpen. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van genoemde personen. Vanwege het feit dat voor gebruikelijke hulp in de regel geen ondersteuning wordt verleend, kan dit betekenen dat genoemde personen gehouden zijn de hulp te verstrekken. Het bieden van de hulp is niet vrijblijvend. In deze bijlage wordt een aantal afwegingen gemaakt voor wat betreft de afbakening van gebruikelijke hulp. Dat laat onverlet dat in iedere individuele situatie een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de inwoner en diens huisgenoten. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp behoort wordt niet sec een vergelijking gemaakt tussen een ondersteuningsbehoeftige inwoner en een vergelijkbaar persoon zonder beperking. Om te beoordelen wat tot gebruikelijke hulp behoort wordt een redelijkheidstoets gedaan en dat gaat verder dan alleen de vraag of de geboden ondersteuning als ‘normaal’ of ‘gangbaar’ betiteld kan worden. Aard van de relatie Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het is gebruikelijk dat mensen die een woning delen elkaar helpen en ondersteuning bieden. Wel moet er rekening gehouden worden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de inwoner. Ook de verstandhouding tussen de huisgenoten speelt een belangrijke rol. Indien sprake is van een verstoorde relatie kan het afdwingen van gebruikelijke hulp onwenselijk en ondoelmatig zijn. Ouders aan jongvolwassenen In Nederland loopt het ouderlijk gezag over kinderen door tot de leeftijd van 18 jaar. Ondanks dat de jongeren na hun 18e juridisch meerderjarig zijn is hun emotionele- en hersenontwikkeling vaak nog lang niet voltooid. Een ‘harde knip’ vanaf het 18e levensjaar ten aanzien van het ouderschap is dan ook niet wenselijk. Er bestaan verschillen tussen jongeren in dezelfde leeftijdscategorie. Daar waar het ene kind vanaf het 18e levensjaar in staat is zelfstandig te wonen en financieel onafhankelijk is, wordt het andere kind tot na het 23ste levensjaar begeleid door de ouders. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen behoort, past een zekere marge. Ook bij jongeren zonder beperking kan de hulp die de ene jongere nodig heeft nu eenmaal meer of minder zijn dan de hulp die de andere jongere nodig heeft. De aard van de begeleiding kan gericht zijn op het aanleren van vaardigheden of op de overname van taken en activiteiten. Bij de opvoeding hoort het zelfstandig maken van de jongere. Dat betekent dat taken die een ouder voor de jongere uitvoert, uiteindelijk geleerd moeten worden aan de jongere. De snelheid waarmee dit gebeurt is afhankelijk van de leerbaarheid van de jongere en van de didactische vaardigheden van de ouder. Als blijkt dat het aanleren van vaardigheden niet tot de mogelijkheden behoort dan is het blijvend overnemen van deze taken door de ouder voorliggend en wordt (voor een groot deel) aangemerkt als gebruikelijke hulp. De verstandhouding tussen de jongere en de ouder kan tijdens de puberteit veranderen. De zoektocht naar autonomie van de jongere kan leiden tot conflicten met ouders. De rollen binnen het gezin veranderen. Indien de relatie op gespannen voet staat kan het afdwingen van gebruikelijke hulp onwenselijk en ondoelmatig zijn. Het inschakelen van professionele ondersteuning kan dan een goede mogelijkheid en alternatief zijn. Partners Als uitgangspunt geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer; de onderhoudsplicht. Bij een verstoorde relatie kan het afdwingen van gebruikelijke hulp echter onwenselijk zijn. Belastende factoren De aanwezigheid van zogenaamde belastende factoren kan maken dat de geboden ondersteuning niet meer gebruikelijk te noemen is. Factoren die hierop van invloed zijn, zijn de aard van de ondersteuning, de totale omvang van de ondersteuning, de frequentie waarop deze ondersteuning geboden moet worden, de mogelijkheid om deze ondersteuning al dan niet te plannen, de mate van uitstelbaarheid en of sprake is van een kortdurende of langdurende ondersteuningsbehoefte. Ook de mate waarin de ondersteuningsbehoefte samenhangt met de beperking van de inwoner is van belang voor het bepalen van de gebruikelijke hulp. Bijvoorbeeld het ondersteunen bij de toiletgang van een gezinslid met een gebroken been is gebruikelijke hulp. Maar de persoonlijke verzorging van een volwassen gezinslid met blijvende zware incontinentieproblemen is niet gebruikelijk. Dit kan echter wel onder mantelzorg vallen. Indien de ondersteuningshandeling op zich niet gebruikelijk is, maar deze vervangt een andere vorm van ondersteuning die wel gebruikelijk is binnen de leefeenheid, dan wordt dit gezien als gebruikelijke ondersteuning. Een voorbeeld is het klaarmaken van sondevoeding. Het bereiden van sondevoeding is niet gebruikelijk maar het bereiden van de maaltijd voor het de hele leefeenheid wel. Omdat de ene taak/activiteit de andere vervangt, wordt deze gezien als gebruikelijk. De aard van de ondersteuning kan op verschillende niveaus plaatsvinden. Het niveau is van invloed op het al dan niet gebruikelijk zijn van de geboden ondersteuning. Denk hierbij aan: •Het overnemen van taken/activiteiten; •Het aanleren van vaardigheden voor het uitvoeren van taken/activiteiten; •Hulp/ondersteuning bij het uitvoeren van taken/activiteiten; •Aansturen/initiëren op het uitvoeren van taken/activiteiten; •Controleren/toezicht of de taken/activiteiten zijn uitgevoerd. Zo zal het aanleren van vaardigheden aan een jongvolwassene eerder gezien worden als gebruikelijk, dan het aanleren van dezelfde vaardigheden aan een dementerende oudere. In een kortdurende situatie wordt van alle huisgenoten verwacht dat zij elkaar naar vermogen hulp bieden. Deze hulp is in vrijwel alle gevallen gebruikelijk. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel van de zelfredzaamheid binnen een periode van drie maanden. Geen gebruikelijke hulp Voor zover een huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft of de kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de inwoner te bieden en deze vaardigheden kunnen niet worden aangeleerd, dan wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. Ook als de beperking van de ondersteuningsbehoeftige complex is, kan het voorkomen dat de huisgenoot niet de geschikte partij is om de ondersteuning te bieden. In die gevallen is gebruikelijke hulp niet doelmatig/gewenst en kan het inschakelen van een professional effectiever zijn. Gebruikelijke hulp bij overbelasting Indien degene die gebruikelijke hulp biedt fysiek of mentaal overbelast is, kan er sprake zijn van een uitzondering op grond waarvan toch taken of activiteiten moeten worden overgenomen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Wanneer er bij de huisgenoot, eigen mogelijkheden zijn om de dreigende overbelasting op te heffen dienen deze te worden aangewend. Gebruikelijke hulp bij mantelzorg Binnen de leefeenheid spreken we over mantelzorg als de geboden hulp de gebruikelijke hulp overstijgt. In geval van dreigende overbelasting kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet, als het een persoonsgebonden budget betreft, door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Denk hierbij aan dagbesteding voor een dementerende oudere ter ontlasting van de partner of het aanbieden van respijtzorg voor een verstandelijk beperkte jongvolwassene ter ontlasting van de ouders. Resultaat : Sociaal en persoonlijk functioneren Het is gebruikelijk dat huisgenoten elkaar helpen bij de bevordering of het behoud van het sociaal netwerk en (tot op zekere hoogte) samen activiteiten ondernemen. Wat er aan gebruikelijke hulp verwacht mag worden is per situatie verschillend. Ouders aan jongvolwassenen Opvoedkundige taken worden gezien als gebruikelijke hulp. Het is gebruikelijk dat de ouder ook na het 18e levensjaar randvoorwaarden schept voor een veilige en normale sociaal-emotionele ontwikkeling van de jongere. Indien de jongere problemen of moeilijkheden ervaart in de omgang met leeftijdsgenoten kan de ouder de jongere advies geven en ondersteuning bieden. De ouder stelt leeftijdsadequate grenzen en toont interesse in relaties tussen de jongere en leeftijdsgenoten. Het is gebruikelijk dat ouders hun kinderen de noodzakelijke steun bieden om te kunnen functioneren in de omgeving en deelname aan maatschappelijke, gestructureerde activiteiten en organisaties stimuleren. Daarnaast is het gebruikelijk dat ouders hun kinderen vaardigheden aanleren zodat zij om kunnen gaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur onderbreken en hulp bieden bij het plannen van activiteiten. Hulp bij bezoek aan familie, vrienden en bijvoorbeeld de sportclub of vereniging wordt tot op zekere hoogte gezien als gebruikelijke hulp. Zo zal de ene jongere zich zelfstandig naar de sportclub kunnen verplaatsen terwijl de een andere jongere van dezelfde leeftijd nog wordt afgezet door zijn ouders. Ook hulp aan derden in het omgaan met de beperkingen van de jongere wordt gezien als gebruikelijk. Uit het voorgaande blijkt dat ouders een belangrijke rol spelen in het leven van de jongvolwassene. Tegelijkertijd moet niet uit het oog verloren worden dat het gebruikelijk is dat de jongere steeds meer loskomt van zijn ouders en de relatie met hen herziet. Ook dit kan een factor zijn die van invloed is op het al dan niet gebruikelijk zijn van bepaalde ondersteuning. Partners Het begeleiden van een partner bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie en vrienden, valt onder gebruikelijke hulp. Het wordt normaal geacht dat partners elkaar hulp bieden bij het ondernemen van (sociale) activiteiten. Het is gebruikelijk dat zij elkaar ondersteunen in hun groei en ontwikkeling. Bij partners kan verondersteld worden dat een groot deel van het sociaal verkeer gezamenlijk plaatsvindt. Begeleiding onderling is gebruikelijk. Resultaat : Huishoudboekje op orde Het bijhouden van de (algemene) administratie voor de gehele leefeenheid is een taak die hoort bij het voeren een gezamenlijk huishouden. Het is gebruikelijk dat één persoon binnen de leefeenheid de gehele administratie voor zijn rekening neemt. Bij uitval van deze persoon is het gebruikelijk dat een andere huisgenoot deze taak overneemt. Ouders aan jongvolwassenen Vaak genereren jongeren in de leeftijd van 18 tot 23 jaar nog niet voldoende inkomsten om in hun basisbehoeften te voorzien. Ook het inzicht in de hoogte van de inkomsten in relatie tot de uitgaven ontbreekt regelmatig. Het is gebruikelijk dat de jongere ondersteuning krijgt bij het op orde houden van het eigen huishoudboekje en vaardigheden krijgt aangeleerd in het omgaan met de financiën. Denk hierbij ook aan hulp bij het aanvragen van een uitkering en het openen en behandelen van post. De begeleiding naar financiële zelfstandigheid en het aanleren van de benodigde vaardigheden wordt gezien als gebruikelijke hulp en is een onderdeel van de opvoeding. Partners Indien een partner niet meer in staat is tot het bijhouden van de administratie en de bijkomende taken, dan is het gebruikelijk dat de andere partner ondersteuning biedt of de gehele administratie overneemt. Het kan wenselijk zijn dat de ene partner de andere partner vaardigheden aanleert om de administratie in de toekomst zelfstandig bij te kunnen houden. Of het aanleren van deze vaardigheden mogelijk is hangt enerzijds af van de leerbaarheid van de ondersteuningsbehoeftige en anderzijds van het vermogen van de partner om informatie over te brengen. Resultaat : Zelfzorg en gezondheid Het is gebruikelijk, dat mensen die een gezamenlijk huishouden voeren, in zekere mate zorg dragen voor elkaar en ‘een oogje in het zeil houden’. Ouders aan jongvolwassenen In principe is het gebruikelijk dat een inwonende jongere zichzelf feitelijk kan verzorgen. Overname van deze persoonlijke verzorging is niet gebruikelijk. Echter, het aansporen tot en aansturing geven ten aanzien van de persoonlijke verzorging kan dit, tot op zekere hoogte, wel zijn. Denk bij aansporing aan: ‘Trek vandaag eens een schoon shirt aan’ of ‘Heb je vandaag al gedoucht?’. Ook hulp bij het uitzoeken en klaarleggen van kleding en het meegaan naar artsen en specialisten wordt gezien als gebruikelijke hulp. Partners De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding: persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Ook het meegaan naar ziekenhuis afspraken en het uitzoeken en klaarleggen van kleding wordt gezien als gebruikelijke hulp. Het wordt normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot persoonlijke verzorging. Daarnaast kunnen ouderen te maken krijgen met lichamelijk onvermogen of problemen die cognitief van aard zijn. Het is gebruikelijk dat de andere partner leert omgaan met deze beperkingen en waar nodig hulp biedt. De benodigde hulp is in deze situaties omvangrijker dan voor gezonde partners, maar is nog steeds gebruikelijk. Kinderen voor inwonende ouders Van volwassen kinderen kan worden verwacht dat zij indien nodig het huishouden op zich nemen en ondersteunende begeleiding bieden, maar persoonlijke verzorging van de ouder wordt niet gezien als gebruikelijke hulp. Indien een volwassen kind besluit om een (steeds beperktere) ouder in huis te nemen is het wel gebruikelijk dat het volwassen kind bepaalde taken overneemt en waar nodig de ouder aanspoort tot zelfzorg. Resultaat : Regie bij het voeren van een huishouden Huisgenoten binnen een leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen samen verantwoordelijk voor het op orde houden en functioneren van het huishouden. Dit geldt ook voor het voeren van de regie. Ouders aan jongvolwassenen Afhankelijk van de sociaal-emotionele- en cognitieve ontwikkeling van de jongere is het gebruikelijk dat de ouders de jongere vaardigheden aanleren om zelfstandig te wonen en hulp bieden bij het regelen van de randvoorwaarden voor een eigen woning. Denk hierbij ook aan het afsluiten van verzekeringen en het openen en behandelen van post. De begeleiding naar het zelfstandig voeren van een huishouden en het aanleren van de benodigde vaardigheden wordt gezien als gebruikelijke hulp. Het is gebruikelijk de jongere bij deze taken te helpen (of zelfs uitvoeren) totdat deze zelfstandig gaat wonen (en soms zelfs daarna). Partners Indien een partner niet meer in staat is tot het voeren van de regie binnen het huishouden, dan is het gebruikelijk dat de andere partner ondersteuning biedt of de regie overneemt. Het kan wenselijk zijn dat de ene partner de andere partner instructies geeft voor het aanleren van vaardigheden om de regie zelf te kunnen voeren. Of het aanleren van deze vaardigheden mogelijk is hangt enerzijds af van de leerbaarheid van de ondersteuningsbehoeftige en anderzijds van het vermogen van de partner om informatie over te brengen. Resultaat : Hebben van een zinvolle daginvulling Het hebben van een zinvolle daginvulling kan deels voortvloeien uit structurele activiteiten en verplichtingen (werk, zorg voor kinderen, sociale verplichtingen), maar ook uit zorg gerelateerde verplichtingen (afspraken met de medisch specialist) en routinematige activiteiten zoals het nuttigen van ontbijt, middageten en avondeten. Doorgaans heeft iedere huisgenoot zijn eigen dagindeling; de een staat vroeg op om naar school te gaan terwijl de ander pas laat thuis komt van een avonddienst. Ondanks de eigen dagindeling kan er wel sprake zijn van een zekere structuur door routinematige activiteiten. Daarnaast is het gebruikelijk dat huisgenoten ook gezamenlijk tijd doorbrengen. Zo wordt het doornemen van de dag gezien als een gebruikelijke activiteit binnen de leefeenheid. Het hebben van een gezond dag- en nachtritme is een belangrijke voorwaarde voor het behoud van een wekelijkse structuur. Ondanks dat iedere huisgenoot een eigen dagindeling heeft is het wel gebruikelijk om rekening te houden met elkaar. Indien de inwoner een afwijkend dag-nacht ritme heeft kan het wenselijk zijn dat deze aansluiting zoekt bij de persoon binnen de leefeenheid die wel beschikt over een gezond dag-nacht ritme. Het is binnen de structuur van de leefeenheid immers mogelijk om op hetzelfde tijdstip op te staan, naar bed te gaan en gezamenlijk de maaltijden te nuttigen. Structuur in de dag kan ontstaan door het ritme van de andere personen binnen het huishouden. Ouders aan jongvolwassenen Indien de jongere geen opleiding volgt of werk heeft, dan is het gebruikelijk dat de ouder de jongere stimuleert en aanstuurt op een zinvolle dagbesteding of arbeidsactivering. Het wordt normaal geacht dat de ouder hierover met de jongere in gesprek gaat, helpt bij het maken van keuzes en ondersteuning biedt bij bijvoorbeeld sollicitaties of naar vermogen onderwijsbegeleiding biedt. Dat ouders en kinderen naast de daginvulling gezamenlijk tijd doorbrengen is eveneens gebruikelijk in het kader van de leefeenheid waarin personen zich bevinden. Partners Als uitgangspunt geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp. Een en ander hangt ook samen met de levensfase waar de partners zich in bevinden. Bij ouderen van pensioengerechtigde leeftijd dient rekening gehouden te worden met het feit dat voor deze groep geen arbeids- of leerplicht (meer) geldt. Het is gebruikelijk dat zij het leven zonder arbeidsmatige verplichting tot een prettige levensstijl maken. Zij het individueel, zij het met elkaar. Het is gebruikelijk dat partners elkaar hierin ondersteunen. Het hebben van een gezamenlijke daginvulling is voor deze ouderen meer gebruikelijk dan voor partners die beiden verplicht zijn om betaalde arbeid te verrichten.

Meer informatie