Participatieverordening gemeente Gennep 2026
Participatieverordening gemeente Gennep 2026 De gemeenteraad van Gennep, •gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Gennep d.d. 26 mei 2026; •gehoord de voorbereidende raadsvergadering d.d. 15 juni 2026; •gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit; besluit: 1. de Participatieverordening gemeente Gennep 2026 vast te stellen; 2. de Inspraakverordening gemeente Gennep, vastgesteld op 30 januari 2006, in te trekken. Participatieverordening gemeente Gennep 2026 Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen Artikel 1 – Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. Beleid: programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren; b. Bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is op de verzoeken te beslissen; c. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep; d. Inspraak: een door de gemeente georganiseerde mogelijkheid voor inwoners en belanghebbenden om concrete gemeentelijke beleidsvoornemens te bespreken en hun mening daarover te geven; e. Inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet; f. Inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid; g. Maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, sociale ondernemingen, ondernemingen zonder winstoogmerk en andere organisaties die een collectief vormen en bijdragen aan de samenleving in Gennep; h. Ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente gevestigd zijn of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten; i. Overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners of maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij de voorbereiding of evaluatie van beleid; j. Participatie: het zo vroeg mogelijk betrekken van onze inwoners en belanghebbenden bij initiatieven; k. Uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen, zoals bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten Artikel 2 – Doelstelling Het doel van deze verordening is: a.duidelijkheid geven over participatieprocessen en voorwaarden voor het uitdaagrecht; b.de samenwerking tussen een bestuursorgaan, inwoners en maatschappelijke partijen versterken; c.de kwaliteit van besluitvorming en lokale democratische processen vergroten; d.bijdragen aan een veerkrachtige, betrokken samenleving; e.te komen tot zorgvuldige plannen en besluiten op basis van vroegtijdige participatie. Artikel 3 – Reikwijdte 1.Elk bestuursorgaan besluit voor zijn eigen taken, bevoegdheden en beleid of participatie wordt toegepast. 2.Bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of programma’s als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet past het bestuursorgaan zoveel mogelijk deze verordening toe met inachtneming van de motiveringsplicht. 3.Er vindt geen inwonersparticipatieplaats wanneer: a. het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject gaat; b. het bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. spoedeisendheid participatie onmogelijk maakt; d. het belang van kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder weegt; e. er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; f. het uitsluitend of hoofdzakelijk interne organisatorische aangelegenheden betreft; g. het gaat om begroting, tarieven of belastingen (Hoofdstuk XV Gemeentewet); h. het belang van participatie niet opweegt tegen het belang van handhaving van de openbare orde en veiligheid. Artikel 4 – Zorgplicht bestuursorgaan Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat: a.inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken; b.het proces van participatie en de daarbij behorende vormen helder en inzichtelijk zijn; c.alle benodigde stukken openbaar beschikbaar zijn; d.de voortgang tijdens het proces inzichtelijk wordt gehouden; e.participatie op zorgvuldige wijze verloopt; f.duidelijk is waar vragen of klachten kunnen worden gemeld; g.na afloop kenbaar wordt gemaakt hoe de participatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze zijn verwerkt in de besluitvorming. Hoofdstuk 3 – Inwonersparticipatie Artikel 5 – Participatieplan 1.Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid een participatieplan op met het proces en de planning van de inwonersparticipatie en maakt dit tijdig openbaar. 2.Het participatieplan bevat in ieder geval: a. een omschrijving van beleid; b. doel en intentie van participatie; c. de vorm van participatie (informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren, meebeslissen); d. informatie over de planning, procedure en besluitvorming. 3.Indien het college beleid voorbereidt voor de gemeenteraad, stelt het college het participatieplan vast en informeert de gemeenteraad. Artikel 6 – Inspraak Indien een bestuursorgaan voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, geldt afdeling 3.4 Awb, tenzij het bestuursorgaan een andere, passendere inspraakprocedure vaststelt. Artikel 7 – Eindverslag inwonersparticipatie 1.Na afloop van inwonersparticipatie stelt het bestuursorgaan een eindverslag van de inwonersparticipatie op en maakt dit openbaar. 2.Het eindverslag bevat in elk geval: a. een beschrijving van het proces dat is gevolgd; b. Een overzicht van de opmerkingen die tijdens de participatieprocedure mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; c. een gemotiveerde reactie op die uitkomsten; d. een evaluatie van het proces dat is gevolgd. Hoofdstuk 4 – Uitdaagrecht Artikel 8 - Verzoek toepassing uitdaagrecht 1.Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht indienen. 2.Het verzoek bevat: a. een omschrijving van de gemeentelijke taak die de indiener wil overnemen; b. de redenen voor het indienen van het verzoek; c.het resultaat dat de initiatiefnemer beoogt. 2.De indiener toont aan: a.te beschikken over voldoende kennis, ervaring en uitvoeringscapaciteit; b.welke kosten of middelen er volgens de indiener aan de uitvoering van de taak verbonden zijn; c.hoe de kwaliteit en de uitvoering van het initiatief op de langere termijn worden gewaarborgd. 4.Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen. Artikel 9 - Ondersteuning indiener verzoek toepassing uitdaagrecht Het college draagt zorg voor passende ondersteuning aan degene die een verzoek om toepassing van uitdaagrecht wil indienen of heeft ingediend. Artikel 10 - Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht 1.Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te beslissen en informeert de indiener hierover. 2.Een verzoek kan worden afgewezen als: a.het verzoek ziet op een taak of bevoegdheid waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet; b. het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn; c.het initiatief in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid; d.de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt. 1.Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken op het verzoek. Deze termijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd. 2.Het bestuursorgaan onderbouwt de beslissing op het verzoek en maakt de beslissing en de onderbouwing openbaar. Artikel 11 - Uitvoering taak 1.Indien het bestuursorgaan het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over: a.het proces, het resultaat en de looptijd van de uitvoering van de taak; b.het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak; c.de veiligheid en aansprakelijkheid van de uitvoering; d.het contact met het bestuursorgaan gedurende de uitvoering van de taak; e.de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de taak; f.de evaluatie van de uitvoering van de taak. 2.De afspraken worden vastgelegd in een overeenkomst. Hoofdstuk 5 – Overheidsparticipatie Artikel 12 – Verzoek om overheidsparticipatie 1.In afwijking van hetgeen bepaald in hoofdstuk 5 kunnen inwoners en maatschappelijke partijen bij het college een verzoek om overheidsparticipatie indienen. 2.Het verzoek bevat: a. een omschrijving van het initiatief en de gemeentelijke taak waarop het verzoek betrekking heeft; b. de redenen voor het indienen van het verzoek; c.het resultaat dat de initiatiefnemer beoogt. 3.De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan: a.wat zijn betrokkenheid, kennis en ervaring met het initiatief is; b.welke kosten of middelen met he initiatief verbonden zijn; c.hoe de kwaliteit en de uitvoering van het initiatief op de langere termijn worden gewaarborgd. 4.Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen. Artikel 13 – Ondersteuning initiatiefnemer overheidsparticipatie Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om toepassing van overheidsparticipatie. Artikel 14 – Beoordeling verzoek overheidsparticipatie 1.Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te beslissen en informeert de indiener hierover. 2.Een verzoek kan worden afgewezen als: a. de aard van de taak zich verzet tegen overheidsparticipatie; b. niet wordt voldaan aan indieningsvereisten; c. de uitvoering niet beter of doelmatiger wordt; d. het initiatief in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid; e. de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt. 3.Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken op het verzoek. Deze termijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd. 4.Het bestuursorgaan onderbouwt de beslissing op het verzoek en maakt de beslissing en de onderbouwing openbaar. Artikel 15 – Uitvoering taak 1.Als het bestuursorgaan het verzoek toewijst, maakt het met de initiatiefnemer afspraken over: a.het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie; b.het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie; c.het contact met het bestuursorgaan gedurende de overheidsparticipatie; d.de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie, en; e.de evaluatie van de overheidsparticipatie. 2.De afspraken worden vastgelegd in een overeenkomst. Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen Artikel 16 – Nadere regels Het college kan nadere regels vaststellen voor inwonersparticipatie en overheidsparticipatie. Artikel 17 – Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt. Artikel 18 – Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Inspraakverordening gemeente Gennep, vastgesteld op 30 januari 2006, wordt ingetrokken. 2.De Inspraakverordening gemeente Gennep blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een participatieprocedure of inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart. Artikel 19 – Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de dag van bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Gennep 2026. Aldus besloten in de openbare besluitvormende raadsvergadering d.d. 6 juli 2026. De raad voornoemd, De griffier, Peter-Jan Mol De voorzitter, Hans Teunissen Toelichting Participatieverordening gemeente Gennep 2026 Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen Artikel 1 – Definities Dit artikel bevat begripsbepalingen die nodig zijn om de verordening eenduidig te kunnen toepassen. Aangesloten is bij gangbare juridische terminologie en bestaande wetgeving (zoals Gemeentewet en Omgevingswet). •Beleid: breed gedefinieerd zodat ook projecten en programma’s onder de verordening vallen. •Bestuursorgaan: Afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester. •Inwonersparticipatie vs. overheidsparticipatie: onderscheid tussen initiatief vanuit de gemeente en vanuit de samenleving. Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten Artikel 2 – Doelstelling Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 3 – Reikwijdte Dit artikel bepaalt wanneer participatie wordt toegepast. •Lid 1 geeft beleidsvrijheid aan bestuursorganen. •Lid 2 legt vast dat bij de Omgevingswet participatie zwaar weegt (met motiveringsplicht). •Lid 3 bevat uitzonderingsgronden. De uitzonderingen zijn bewust opgenomen om: •onnodige procedures te voorkomen; •uitvoerbaarheid te waarborgen; •kwetsbare belangen te beschermen (bijv. veiligheid, privacy, spoed). Artikel 4 – Zorgplicht bestuursorgaan Dit artikel vormt de kern van de verordening. Het verplicht bestuursorganen om: •tijdig participatie te organiseren; •transparant te zijn over proces en informatie; •terugkoppeling te geven. Dit artikel zorgt ervoor dat participatie geen vrijblijvende activiteit is, maar een structureel onderdeel van besluitvorming. Hoofdstuk 3 – Inwonersparticipatie Artikel 5 – Participatieplan Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 6 – Inspraak Dit artikel regelt dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afd. 3.4 Awb) wordt gevolgd, tenzij een andere procedure beter past. Dit biedt flexibiliteit, maar houdt aansluiting bij het bestuursrecht. Artikel 7 – Eindverslag Dit artikel verplicht tot een transparante afronding van participatie. Hoofdstuk 4 – Uitdaagrecht Artikel 8 – Verzoek Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 9 – Ondersteuning Deze ondersteuning bestaat uit het verstrekken van informatie over de procedure, het bieden van procesmatige begeleiding en het bereikbaar zijn voor vragen over de indiening en behandeling van het verzoek. De ondersteuning is faciliterend van aard en laat de verantwoordelijkheid voor de inhoud van het initiatief en de verdere uitvoering daarvan bij de initiatiefnemer Artikel 10 – Beoordeling Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 11 – Uitvoering Bij toewijzing worden afspraken vastgelegd in een overeenkomst. Hoofdstuk 5 – Overheidsparticipatie Artikel 12 t/m 15 De artikelen in dit hoofdstuk regelen de mogelijkheid van overheidsparticipatie. Deze systematiek is in grote lijnen analoog aan het uitdaagrecht, maar met een omgekeerd vertrekpunt. Waar bij het uitdaagrecht de inwoner een gemeentelijke taak wil overnemen, ligt bij overheidsparticipatie het initiatief bij inwoners of maatschappelijke partijen en wordt de gemeente gevraagd om daarbij aan te sluiten. Het uitgangspunt is dat het initiatief primair bij inwoners of maatschappelijke partijen ligt en dat de gemeente een ondersteunende, faciliterende of samenwerkende rol kan innemen. Indien het verzoek wordt toegewezen, worden de afspraken vastgelegd in een overeenkomst. Daarmee worden wederzijdse verwachtingen en verantwoordelijkheden duidelijk vastgelegd, wat bijdraagt aan een zorgvuldige uitvoering en samenwerking. Dit hoofdstuk biedt daarmee een juridisch en praktisch kader om initiatieven vanuit de samenleving ruimte te geven, zonder dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid uit het oog wordt verloren. Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen Artikel 16 – Nadere regels Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen ter uitvoering van deze verordening. Het gaat hierbij om praktische en uitvoeringsgerichte aspecten, zoals: •nadere invulling van participatieprocessen; •werkwijzen en formats (bijvoorbeeld participatieplannen); •organisatorische afspraken. De reden voor deze bepaling is flexibiliteit: niet alle uitvoeringsdetails hoeven in de verordening zelf te worden opgenomen. Hierdoor blijft de verordening compact en kan het college sneller inspelen op nieuwe ontwikkelingen of ervaringen uit de praktijk, zonder dat daarvoor een formele wijziging van de verordening nodig is. Artikel 17 – Hardheidsclausule Dit artikel biedt het bestuursorgaan de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het gaat hierbij om situaties waarin strikte toepassing van de regels zou leiden tot onredelijke of ongewenste uitkomsten. De toepassing van deze clausule is aan voorwaarden gebonden: •er moet sprake zijn van een bijzonder geval; •afwijking moet noodzakelijk zijn; •de afwijking moet expliciet en deugdelijk worden gemotiveerd. Artikel 18 – Overgangsrecht Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 19 – Inwerkingtreding Dit artikel spreekt voor zich.
Meer informatie