Algemene plaatselijke verordening voor Delft
Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft De raad van de gemeente Delft; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 14 april 2026; gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet; b e s l u i t te wijzigen de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft: Artikel I de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft wordt als volgt gewijzigd: A Aan artikel 1:1 wordt na onderdeel i. toegevoegd: j.beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. B Artikel 2:7 wordt als volgt gewijzigd: 1.In het eerste lid, aanhef, wordt ‘in de openbare ruimte’ vervangen door ‘op een openbare plaats’; 2.In het tweede lid wordt ‘in de openbare ruimte’ vervangen door ‘op een openbare plaats’, tevens wordt ‘lid 1 onder a, b d en e’ vervangen door ‘lid 1, onder a, b, d en e,’; 3.Onder vernummering van de leden drie tot zes worden drie leden ingevoegd, luidende: 3.Het is verboden te handelen in strijd met het eerste of tweede lid, zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 4.In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4.In het zesde lid (nieuw) wordt ‘nader’ vervangen door ‘nadere’; 5.Het zevende lid (nieuw) komt te luiden: 7.Het college kan indien werkzaamheden of omstandigheden daartoe aanleiding geven, gebieden aanwijzen waar het onder lid 1 van dit artikel bepaalde, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is. Het college kan daarbij bepalen dat uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing van voorwerpen, daarvan melding aan het college wordt gedaan op een door het college voorgeschreven manier. 6.Het achtste lid (nieuw), onder c, wordt na ‘Reclameverordening 2005’ ingevoegd: ‘of de opvolger daarvan’; 7.Na onderdeel e. van het achtste lid (nieuw) worden twee onderdelen ingevoegd, luidende: f.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; g.de opslag van voorwerpen of stoffen door of namens de gemeente bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak. 8.Het negende lid (nieuw) komt te luiden: 9.Dit artikel is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. C Artikel 5:7 wordt als volgt gewijzigd: 1.Het eerste tot en met het derde lid komen te luiden: 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 2.Het vierde lid vervalt. D Artikel 5:24 wordt als volgt gewijzigd: 1.Het eerste lid komt te luiden: 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.In het vierde lid, onder a, wordt ‘de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gebaseerde voorschriften’ vervangen door ‘het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet’; 3.In het vierde lid, onder b, wordt ‘milieuverordening’ vervangen door ‘omgevingsverordening’; 4.In het vierde lid, onder d, vervalt ‘in de periode 3 januari tot en met 21 december’. E Na de negende afdeling van hoofdstuk 5 wordt ingevoegd ‘Afdeling 10 Overige bepalingen’ F Onder Afdeling 10 Overige bepalingen (nieuw) wordt ingevoegd: Artikel 5:29 Magneetvissen 1.Het is verboden om in door het college aangewezen openbare wateren de waterbodem af te zoeken naar voorwerpen met een magneet, dan wel met een techniek met een vergelijkbare werking. 2.Het verbod geldt niet voor werkzaamheden die worden verricht door, of in opdracht van, een publiekrechtelijke rechtspersoon of één van hun bestuursorganen. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a.archeologie dan wel de mogelijke aanwezigheid van archeologische voorwerpen; b.beschermde flora of fauna al dan niet onder water, zoals bedoeld in de Omgevingswet. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is artikel 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel II 1.Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking in het elektronische gemeenteblad; Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 juli 2026, A. Pechtold - voorzitter. J. Mimpen -griffier.
Meer informatie