Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal over het op basis van de Participatiewet vrijlaten van giften in individuele gevallen, het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn, het...
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal over het op basis van de Participatiewet vrijlaten van giften in individuele gevallen, het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn, het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure en het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht (Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Veenendaal 2026) Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal; gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Veenendaal 2026 HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal; - Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; - jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet; - probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden; - schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen; - Wet: Participatiewet; - Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet; HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES Artikel 2. Vrijlaten van giften boven de wettelijke vrijlatingsgrens Voor zover giften niet op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Wet van de middelen zijn uitgezonderd, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet: a. giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden; b. giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten; c. giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand; d. giften door de Voedselbank, Kledingbank, Stichting Urgente noden, Stichting Leergeld, Stichting NN, Jeugdfonds Sport en Cultuur, Stichting Kerk en minima en dergelijke charitatieve instellingen; e. giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, van charitatieve instellingen (waaronder Voedselbank, stichting Urgente noden etc) of van natuurlijke personen tot een bedrag van maximaal € 1000; Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden: a. de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; b. de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding: 1° in een inrichting verbleven; 2° opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of 3° bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet. c. voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet; d. de jongere een zorgbehoefte heeft; e. de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen; f. de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen; g. de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast; Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag en: a. de nieuwe aanvraag is ingediend binnen negen maanden na het eindigen van de algemene bijstand en de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege werkaanvaarding; of b. de nieuwe aanvraag is ingediend binnen drie maanden na het beëindigen van de algemene bijstand en de eerdere bijstandsverlening is beëindigd op grond van art 13 lid 1 onder a. 2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens: a. het hoofdverblijf; b. de gezinssituatie; en c. het inkomen en het vermogen. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw. Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht 1. Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als: a. er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn 1° de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen; 2° een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen; 3° een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt en de bezwaarperiode nog loopt; 4° de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, onzekere inkomsten uit arbeid, een echtscheiding, een erfenis of detentie; 5° de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen. b. er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn 1° de belanghebbende heeft probleemschulden 2° na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard; 3° na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten)]. 2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN Artikel 6. Intrekking De beleidsregel vrijlaten giften Participatiewet Veenendaal (2021) wordt ingetrokken. Artikel 7. Inwerkingtreding en overgangsrecht 1. Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking 2. Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist. Artikel . Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Veenendaal 2026. Het college van burgemeester en wethouders, Gert Jan Kats Burgemeester Sjoukje Deelstra Gemeentesecretaris Toelichting Algemeen Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om: i. vrijgelaten giften te verruimen; ii. de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten; iii. bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en, iv. met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding. Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt daarenboven dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Dit komt in de beleidsregel ook tot uiting in de artikelen 4, derde lid, en 5, derde lid. Beleidsregels en inherente afwijkingsmogelijkheid Het is van belang aan te geven wat beleidsregels zijn. In artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht staat beschreven dat onder een beleidsregel ‘’een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan’’ wordt verstaan. Kortom, met beleidsregels als hulpmiddel kan een bestuursorgaan uitleg geven over de manier waarop een bevoegdheid uitgeoefend wordt. Bij beleidsregels is artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (inherente afwijkingsmogelijkheid) altijd geldend. Met de inherente afwijkingsbevoegdheid wordt aangeduid dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel moet handelen, maar dat van een beleidsregel kan worden afgeweken als de gevolgen van de toepassing van de beleidsregel voor één of meer personen onevenredig zwaar zijn wanneer wordt gekeken naar het doel van de beleidsregel. Bestuursorganen moeten dus toetsen of een individueel besluit in de gegeven omstandigheden evenwichting en noodzakelijk is. Is strikte toepassing van de beleidsregel dat niet, dan kan, nee moet de gemeente daarvan in dit individuele geval afwijken. Maatwerk dus. Nu deze evenredigheidtoets al is ingebakken in de Abw zelf, vindt u in de beleidsregel zelf geen hardheidsclausule. Artikelsgewijs In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven. Artikel 1. Definities In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht. Probleemschulden In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat: ‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’ Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen. Schuldregeling Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt. Zoektermijn Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet). Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen In artikel 2 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272). Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen. In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen. Naast de wettelijke categoriale vrijlatingsregeling kan het college verder invullen onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om daarboven giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn aanknopingspunten gegeven op basis waarvan giften in het individuele geval door het college in elk geval buiten beschouwing worden gelaten. De vrijstellingen kunnen gestapeld worden, dat wil zeggen: Er geldt altijd de wettelijke vrijstelling van thans € 1200,- per huishouden. Gemeenten hebben hierin geen beleidsruimte. Aanvullend is er lokaal beleid, dan wordt a.Gekeken naar giften waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden (zoals bijvoorbeeld een koelkast) etc. b.giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten; c.giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand. d.Giften van charitatieve instellingen worden daarnaast geheel vrijgelaten. Deze instellingen hanteren immers een eigen afwegingskader. Daarbij wordt veelal gekeken naar een adequate, goedkope oplossing gericht op het wegnemen van bestaansonzekerheid. Door de giften onder a,b,c en d niet in aanmerking te nemen wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen, zeker waar betrokkene wordt geconfronteerd met bijzondere kosten. Nu er bijzondere kosten tegenover staan, leidt de gift niet tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk Tenslotte e.Onder e wordt natuurlijke personen de mogelijkheid gegeven giften in natura te verstrekken, niet zijn een bijdrage die leidt tot kostenbesparing. Daarbij moet gedacht worden aan een vakantie of iets dergelijks. Eerste lid Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. Gaat het om giften in natura voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, dan kunnen die als besparingsbijdragen worden aangemerkt en moet beoordeeld te worden of deze leiden tot afstemming van de algemene bijstand. Andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden. In onderdeel d zijn daaraan grenzen gesteld. Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen. Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd: ‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’ Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen. Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten. Bij de zoekperiode heeft de wetgever nadrukkelijk ruimte gelaten voor een individuele beoordeling en kan ook op andere gronden worden besloten de zoekperiode te verkorten. Daarom betreft het voorbeelden van omstandigheden, waar het college in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling neemt. In artikel 3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden. Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a: ‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag. 2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’ Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende. Er is daarbij gekozen voor duidelijke en objectieve criteria, zodat voor inwoners en uitvoerders vooraf helder is wanneer deze procedure kan worden toegepast. Indien in de praktijk blijkt dat aanvullende maatwerkmogelijkheden wenselijk zijn, biedt een beleidsregel voldoende ruimte om individuele situaties zorgvuldig te beoordelen. Eerste lid Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag. Vereenvoudigde aanvraagprocedure bij uitstroom wegen werkaanvaarding De termijn is gesteld op maximaal negen maanden. Bij een dienstverband van maximaal zes maanden bestaat voor een deel van onze doelgroep vaak nog een beperkt recht op WW, doorgaans drie maanden. Door de periode van zes maanden arbeid en drie maanden WW te combineren, ontstaat een termijn van negen maanden waarin de persoonlijke en financiële omstandigheden veelal nog voldoende vergelijkbaar zijn met de situatie bij beëindiging van de bijstand. In die gevallen kan een verkorte aanvraagprocedure passend zijn. Wanneer een dienstverband langer dan zes maanden heeft geduurd en/of sprake is van een langere WW-periode, neemt de kans toe dat de omstandigheden wezenlijk zijn gewijzigd. Dan is een volledige beoordeling wenselijk. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de reden van beëindiging van het dienstverband, maar ook naar de inspanningen die de inwoner heeft verricht om opnieuw in het eigen levensonderhoud te voorzien. Vereenvoudigde aanvraagprocedure bij uitstroom wegen detentie Er is gekozen voor toepassing van een verkorte aanvraagprocedure bij detentieperioden van maximaal drie maanden. In de praktijk blijkt dat een deel van de klanten regelmatig voor relatief korte periodes in detentie verblijft vanwege lichte vergrijpen. Het opnieuw opvragen en beoordelen van alle gegevens na iedere korte detentieperiode leidt in deze situaties tot een aanzienlijke administratieve belasting, terwijl de persoonlijke omstandigheden vaak beperkt zijn gewijzigd. Bij een detentieperiode van maximaal drie maanden blijft de leefsituatie doorgaans voldoende stabiel om het recht op bijstand met een verkorte beoordeling vast te kunnen stellen. Vaak is de belanghebbende nog in staat geweest zijn vaste lasten te voldoen en kan hij na ontslag uit detentie terugkeren naar de woning of kamer waar hij vóór de detentie verbleef. De woon- en leefsituatie is daarmee veelal ongewijzigd gebleven. Bij een detentieperiode langer dan drie maanden ligt dit anders. Door het ontbreken van inkomsten gedurende een langere periode ontstaat vaker onzekerheid over de woon- en verblijfssituatie. Er is een groter risico op huurachterstanden, waardoor belanghebbenden niet altijd kunnen terugkeren naar hun eerdere woonadres. Hierdoor kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld wat de actuele woon- en leefsituatie is. Daarnaast komt het bij langere detentieperioden vaker voor dat een belanghebbende na ontslag uit detentie niet direct een aanvraag voor bijstand indient, maar eerst gedurende enige tijd op andere wijze in zijn levensonderhoud voorziet. In dergelijke gevallen is aanvullend onderzoek nodig naar de feitelijke omstandigheden en de middelen waarover betrokkene heeft beschikt in de periode voorafgaand aan de aanvraag Tweede lid Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten. Derde lid De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet. Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid: ‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’ Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt. Eerste lid In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden: 1. De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden. 2. De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde. De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen. Onderdeel a Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening. Onderdeel b Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht. Tweede lid Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn. Derde lid De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet. Artikel 7. Inwerkingtreding en overgangsrecht Tweede lid Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.
Meer informatie